Opinie

Recensie De Kovel, 54 (september 2018)
door Dirk Hanssens osb

Hans Wilbrink, Leven en werk van Hildegard van Bingen, Berne, Heeswijk-Dinther, 2018, 224 blz., € 19,90

Wie dieper in de werken van de middeleeuwse abdis en mystica Hildegard van Bingen en dus ook in haar theologische leer wil duiken, kan terecht in de doorwrochte monografie van de Nederlandse taalwetenschapper Hans Wilbrink. Dat pas uitgebrachte boek van hem is een derde en geheel herziene uitgave van Ootmoed dat in 2013 voor het eerst het licht zag.

Wilbrink laat het hele leven van de Teutoonse zieneres de revue passeren en doorspekt zijn relaas met een rake selectie uit alle belangrijke werken van Hildegard. De auteur slaagt erin om een substantiële hoeveelheid primaire teksten van Hildegard in zeer leesbare vorm te gieten. Hij voorziet de fragmenten van bevattelijke duidingen die de oorspronkelijke inhoud op geen enkele manier corrumperen. In het bijzonder besteedt Wilbrink aandacht aan de neoplatoonse inslag van het oeuvre en aan de bijzondere positie van de engelen in de zielsdefinitie van Hildegard van Bingen.

Zowel de politieke, de filosofische als de theologische context van leven en werk van Hildegard komen tot hun recht in Wilbrinks boek. De auteur laat het niet na om hierbij ook minder vaak geciteerde of becommentarieerde werken ter sprake te brengen, zoals het schouwspel dat Hildegard over de deugde schreef: Ordo Virtutum. Dat poëtische rollenspel vormt overigens een dankbaar aanknopingspunt om een van de hoofdlijnen van Wilbrinks boek na te trekken: “God heeft eenieder alle kansen gegeven om zich positief en deugdzaam te ontwikkelen, maar besef wel dat niet jijzelf maar God dat heeft gedaan. En in dat besef mag je blij zijn en genieten, maar dat betekent wel dat je alle hoogmoed moet laten varen.”

Het op het eerste gezicht ouderwetse woord ‘ootmoed’ , dat nog in de titel van de eerste uitgave voorkwam, krijgt daardoor een heel positieve klank. Wie zich niet realiseert dat God zijn schepping als een harmonieuze kosmos constelleerde, zowel in het grote als in het kleine, zal een handelwijze ontwikkelen die de balans tussen mens en natuur, en uiteindelijk ook tussen mens en God verstoort. Maar dat betekent niet dat de evenwichtige mens een weerloze en onvrije handpop zou zijn, niet in staat om een adequaat antwoord te formuleren ten aanzien van de dingen – ook ziektes en andere anomalieën – die hem overvallen.

In alle hoofdstukken wordt dit duidelijk: de mens kan – en moet! – zijn kwaliteiten ontplooien. Hij mag zich niet verstoppen, zoals ook Hildegard – het prototype van de mystiek van de uitkeer – dat niet deed. Maar het goddelijk perspectief zorgt wel voor de juiste proportie en voor het behoud van de balans, ook al zijn het verlangen en de zoektocht daarmee geenszins afgerond.

Van die blijvende zoektocht legt Wilbrink trouwens ook zelf een mooi getuigenis af door zijn eerdere bevindingen, gepubliceerd in de eerste uitgave van zijn essay, grondig bij te stellen met betrekking tot de kruiden- en ziektenleer in de niet-visionaire werken Causae et Curae en Physica van Hildegard. Ontmoetingen met Nederlandse, Duitse en Belgische artsen, die zich met de receptuur van de benedictines bezighouden, deden Wilbrink besluiten tot een genuanceerder kijk op de gezondheidseffecten van de Hildegardgeneeskunde en de vele voedingsadviezen uit de kruidenboeken. Tegelijkertijd houdt hij vast aan het enige principe dat Hildegards betekenis voor de geseculariseerde mens veilig stelt: alles wat indruist tegen de goede verhoudingen en de eis tot matiging (temperantia) maakt het lichaam en de geest ziek. Dat is ook de boodschap in de spirituele werken – vooral de met miniaturen verluchte visioenenboeken – van de profetes van de kosmische wijsheid.

Hans Wilbrinks Leven en werk van Hildegard van Bingen verdient het om uit groeien tot een longseller in zijn soort.

Te koop bij: www.berneboek.com of www.bol.com of bij uw eigen boekhandel. (€ 19,90)

=======================================================================

Recensie uit Volzin, 26 september 2018, van het boek Leven en Werk van Hildegard van Bingen van Hans Wilbrink

Tekst: Agnes Grond

‘Plotseling kreeg ik inzicht in de uitleg van de boeken, van de psalmen, de evangeliën en de overige katholieke boeken, zowel van het oude als van het nieuwe testament.” Zo beschrijft Hildegard van Bingen, abdis, schrijfster en componiste, haar eerste grote visioen in haar boek Scivias. “Verkondig het luid en schrijf het op”, hoorde ze ook.
Hildegard van Bingen werd geboren in 1098 in een welgesteld gezin. Ze leerde lezen, schrijven, rekenen, Latijn en muziek en werd op haar twaalfde afgestaan aan een benedictijns klooster. Lichamelijk was ze zwak. “Al wat haar ontbrak aan krachten van de uiterlijke mens, werd toegevoegd aan haar innerlijke mens”, lezen we in haar Vita. Dankzij deze levensbeschrijving weten we veel over haar, maar ook door haar eigen boeken en vele brieven. Paus Benedictus XVI heeft Hildegard in 2012 heiligverklaard en benoemd tot kerklerares.
Neerlandicus Hans Wilbrink schreef een gedegen boek over Hildegard, waarin hij haar veelvuldig in lange, door hem zelf vertaalde citaten, aan het woord laat. Plezierig is zijn historische situering. Het was een turbulente tijd, waarin koningen, keizers, pausen maar ook abdijen hun macht probeerden uit te breiden. Bij al die strijd heeft Hildegard zich dikwijls laten horen. Zij vond dat macht gebaseerd moest zijn op zuiverheid en wijsheid. En omdat dat vaak niet het geval was, heeft zij menig hooggeplaatste in een brief gekapitteld. Haar eerste brief schreef ze aan abt Bernardus van Clairveaux. Daarin vertelt ze over haar visioenen en vraagt hem of ze daarover moeten spreken of de stilte moet bewaren. Toen de abt de paus over haar vertelde, was haar naam gevestigd. Ze wilde ook graag invloed met het oog op een morele ommekeer bij de verloederde geestelijke stand. Tegen haar eigen zusters was ze trouwens ook niet mals: “Geen gelovige moet menen dat hij die hemelse heerlijkheid kan verwerven met de onverzadigbaarheid van zijn buik en met het botvieren van zijn lusten.”
Hildegard was geen mystica, streefde niet naar eenwording met God. Ze zag zichzelf meer als vertolker van Gods betrokkenheid op de mens. Voor haar was God ondeelbaar en “het levende Licht”. God geeft ieder de kans om deugdzaam te leven, maar dan moet je wel al je hoogmoed laten varen. Haar tweede en derde boek gingen dan ook over deugden en zonden, en haar laatste over “goddelijke werken”.
Ze maakte ook toen al indruk met haar haar kennis van kruiden, edelstenen en ziekten, waarbij zij benadrukte dat geest en lichaam elkaar in hoge mate beïnvloeden. Daarnaast schreef ze ruim zeventig liederen voor de eredienst, waarvoor ze zelf de muziek componeerde. Op hoge leeftijd reisde zij nog om te preken, en om abdissen en abten te bezoeken en te ondersteunen. Ze stierf op 81-jarige leeftijd.
Een boek voor een breed publiek, schrijft de auteur, want ook nu nog inspireert zij. Ja, met haar muziek, haar kijk op ziektes en met haar moed om haar mond open te doen. Maar nauwelijks met haar visioenen. De taal is overdadig, de metaforen onbegrijpelijk, elke twijfel onvindbaar. En dan helpt het niet dat de auteur haar modern maakt door te schrijven dat ze zoekt naar ‘reïnforcement persons’, doet aan ‘imagebuilding’ en ‘coaching’ en een innerlijke ‘autocue’ bezit. Integendeel.
Hans Wilbrink
Leven en werk van Hildegard van Bingen
Berne Media
224 blz., € 19,90

————————————————————————————————————————–

HILDEGARD VAN BINGEN: OOTMOEDIG?
(Recensie van het boek OOTMOED van Hans Wilbrink, gepubliceerd op www.katholiek.nl)
Door Frank G. Bosman
 De middeleeuwse homo universalis Hildegard van Bingen werd al sinds haar dood in 1179 door gelovigen wereldwijd als een briljante heilige beschouwd. In 2012 maakte paus Benedictus XVI haar onbetwiste status definitief door haar niet alleen officieel heilig te verklaren, maar ook te verheffen tot kerkleraar, een eer die pas drie vrouwen voor Hildegard te beurt is gevallen.

De Duitse duizendpoot was van alle markten thuis. Als een feminist avant la lettre bestierde ze meerdere kloostergemeenschappen, correspondeerde ze met kerkelijke en wereldlijke vorsten (zoals koning Frederik en de theoloog Bernardus van Clairvaux), ze componeerde muziek, schreef zowel spirituele toneelstukken als theologische en mystieke werken. Ze deed aan ‘artsenij’, zowel van de ziel als van het lichaam. En tot de op dag van vandaag wordt haar kennis over de geneeskrachtige werkingen van kruiden en planten in de praktijk gebruikt.

Hagiografie

De neerlandicus en sociaal wetenschapper Hans Wilbrink schreef een nieuwe biografie over haar en vertaalde aanzienlijke stukken tekst uit diverse werken van de heilige. Hij noemt Hildegard in de titel van zijn boek  ootmoedig. Wilbrink: “Haar boodschap is dat we ons, ondanks onze ferme zelfverzekerdheid in deze geseculariseerde samenleving blijvend moeten realiseren dat we afhankelijk zijn van de Schepper en dat ons jegens Hem een nederige houding past.” Dat klinkt de lezer erg vroom in de oren, bijna de taal van een hagiografie.

Ruzies

Wilbrink is duidelijk onder de indruk van zijn Hildegard.  Hij portretteert haar als een vrouw zonder vlek of gebrek. Hij kan ook weinig anders omdat de enige historische bronnen die wij over haar tot onze beschikking hebben, zelf ook hagiografisch van aard zijn. Wilbrink excelleert in een vlotte beschrijving van de historische omstandigheden, van de ruzies en ruzietjes tussen pausen, keizers, koningen en ander adellijk gepeupel, en weet ingewikkelde theologische discussies over ‘hypostasen’ in begrijpelijke banen te leiden. Wilbrink schuwt het theologisch register niet. Integendeel. En dat is zeer te prijzen.

Niet ootmoedig

De teksten van Hildegard zijn in mooi Nederlands vertaald: goed leesbaar, zonder veel afbreuk te doen aan het middeleeuws Latijn van Hildegard, dat ze bovendien ‘opwaardeerde’ met allerlei zelfverzonnen woorden en verbuigingen. Wie in visioenen de onuitsprekelijke schoonheid van God heeft ervaren, die moet ook haast naar een nieuwe taal zoeken. Daarom is de enige  kritische noot op Wilbrinks boek de titel: ‘Ootmoed’. Ik denk dat je veel van Hildegard kan zeggen, maar niet dat ze ‘ootmoedig’ was. De sterke heilige was weliswaar devoot en misschien zelfs nederig, maar zeker niet gelaten of onderdanig. Een voorbeeld van een sterke vrouw binnen de kerk.

Hans Wilbrink, Ootmoed – Leven en werk van Hildegard van BingenBerne (2013), € 29,95

=====================================================================================================================================================================

Dr. Thomas Quartier van de Radbouduniversiteit schreef onderstaande recensie van het boek OOTMOED, van Hans Wilbrink in De Kovel, monastiek tijdschrift voor Vlaanderen en Nederland, nummer 31 (2014) 83-85

Wie dieper in de werken van Hildegard en dus ook in haar theologische leer wil duiken, kan terecht bij Hans Wilbrink. In zijn mooie boek Ootmoed slaagt Wilbrink erin om een substantiële hoeveelheid primaire teksten van Hildegard in een zeer leesbare vorm te gieten, die de oorspronkelijke inhoud op geen enkele manier corrumpeert. Die combinatie van toegankelijkheid en getrouwe weergave is schaars in de bibliotheek die rond Hildegard van Bingen ontstaan is.

Wilbrink laat het hele leven van de mystica de revue passeren met een rake selectie uit alle belangrijke werken van Hildegard. Zowel de politieke, de filosofische als de theologische context komen tot hun recht. De auteur laat het niet na om ook minder vaak geciteerde of becommentarieerde werken ter sprake te brengen, zoals het schouwspel dat Hildegard over de deugden schreef: Ordo Virtutum.  Dat poëtische rollenspel vormt overigens een dankbaar aanknopingspunt om een hoofdlijn van Wilbrinks boek te ontrollen: “God heeft eenieder kansen gegeven om zich positief en deugdzaam te ontwikkelen, maar besef wel dat niet jijzelf maar God dat heeft gedaan. En in dat besef mag je blij zijn en genieten, maar dat betekent wel dat je alle hoogmoed moet laten varen.” (blz. 79) Het op het eerste gezicht oude woord ‘ootmoed’ , de titel van het boek, krijgt daardoor een constructieve klank.

In alle hoofdstukken wordt dit duidelijk: de mens kan- en moet! – zijn kwaliteiten ontplooien. Hij mag zich niet verstoppen, zoals ook Hildegard dat niet deed. Maar het goddelijk perspectief zorgt wel voor de juiste proportie. Ook al is het boek van Wilbrink voor een breed publiek geschreven en is dit essay zeker geen strikt wetenschappelijke studie, toch ligt er ontegenzeggelijk een grote kennis van Hildegards persoonlijkheid en werk aan ten grondslag. Bijzondere vermelding verdient nog de vormgeving van het boek: de miniaturen van Hildegard, een wezenlijk onderdeel van haar werk, zijn mooi in kleur afgedrukt. Dat helpt alvast bij een ‘holistische’ kennismaking met leven en werk van de profetes van de kosmische wijsheid. Wilbrinks boek kan ook zonder voorkennis van Hildegard worden gelezen, maar het biedt uiteindelijk wel substantiële kost.

====================================================================================================================================================================

Recensie van de  Openbare Bibliotheek Centrale Utrecht

Hildegard van Bingen is een twaalfde-eeuwse Duitse mystica en katholieke heilige, die ook nu mensen inspireert over kerkgrenzen heen en buiten de kerken. Wilbrink, die promoveerde op Hildegard, wil haar leven en werken aan het brede publiek bekend maken. Dat is hem met dit werk goed gelukt. In toegankelijke taal vervlecht hij knap biografische en literaire elementen, en plaatst deze in een context die het begrip verheldert. Het eerste hoofdstuk beschrijft de vormende invloed van thuis en van haar leermeesteres Jutta. De volgende hoofdstukken laten thematisch en chronologisch fases van haar leven en werk zien. Het tweede hoofdstuk gaat over de filosofische visie van Hildegard, vervolgens komen de communicatie met wereldlijke en geestelijke leiders aan bod, haar visioenen en mystieke teksten over Maria en engelen, haar liederen en muziek, haar reizen en invloed op het kloosterleven. In het nawoord vat Wilbrink haar leven samen met ootmoed: in alles je afhankelijk weten van de Schepper, een houding die volgens hem ook in de geseculariseerde samenleving van waarde is. Met enkele mooie illustraties.

====================================================================================================================================================================

De recensie in het dagblad TROUW van 23 april 2014  is te vinden op de website van die krant: www.trouw.nl. Er moet  voor worden betaald.

====================================================================================================================================================================

Review van dr. E. Sengers, godsdienstsocioloog te Haarlem:

Hildegard van Bingen is een twaalfde-eeuwse Duitse mystica en katholieke heilige, die ook nu mensen inspireert over kerkgrenzen heen en buiten de kerken. Wilbrink, die promoveerde op Hildegard, wil haar leven en werken aan het brede publiek bekend maken. Dat is hem met dit werk goed gelukt. In toegankelijke taal vervlecht hij knap biografische en literaire elementen, en plaatst deze in een context die het begrip verheldert. Het eerste hoofdstuk beschrijft de vormende invloed van thuis en van haar leermeesteres Jutta. De volgende hoofdstukken laten thematisch en chronologisch fases van haar leven en werk zien. Het tweede hoofdstuk gaat over de filosofische visie van Hildegard, vervolgens komen de communicatie met wereldlijke en geestelijke leiders aan bod, haar visioenen en mystieke teksten over Maria en engelen, haar liederen en muziek, haar reizen en invloed op het kloosterleven. In het nawoord vat Wilbrink haar leven samen met ootmoed: in alles je afhankelijk weten van de Schepper, een houding die volgens hem ook in de geseculariseerde samenleving van waarde is. Met enkele mooie illustraties.

Dr. E. Sengers

========================================================================================================================================================================================================================================================================================================================================

GEZWAM

Er is een boek verschenen met de titel: “De geheimen van Hildegard von Bingen”. ( Uitg. A3 boeken (2012), ISBN 9789491557033, € 24,50). De schrijver ervan, Gerrit Jan Keizer, maakte mij op zijn publicatie attent via de contactmogelijkheid van deze website www. hildegardvanbingen.nl.

Ik kocht het boek en na lezing ervan was ik enige tijd diep onder de indruk… Niet omdat Hildegard wordt afgeschilderd als een narcistische, megalomane, psychedelische aanbidster van de Grote Vliegenzwam. Niet zozeer van die opmerkelijke conclusies van de schrijver, want Hildegard is wel vaker met dergelijke termen aangeduid, maar veel meer van de volstrekt onwetenschappelijke onderbouwing ervan. Iedereen mag binnen het wetenschappelijk kader allerlei uitspraken doen, mits ze geldig zijn. Dat wil zeggen verifieerbaar of, misschien nog beter, falsifieerbaar. Keizer presenteert zich als een klinisch psycholoog en een omgevingstechnoloog, als een wetenschapper. Dus dan mag je wat verwachten.

Welnu, ik wind nooit ergens doekjes om. Daarom maar meteen mijn oordeel: ik vind het een zeer bedenkelijk boek, waarvan de inhoud met echte wetenschap volstrekt niets te maken heeft. Dan nu de analyse.

De eerste fout die Keizer maakt, is dat hij voortdurend de miniaturen die het eerste en het laatste boek van Hildegard versieren als  objecten van onderzoek kiest voor zijn betoog. Dat mag wel, als je dat maar niet doet om uitspraken te doen over Hildegard. Deze miniaturen zijn immers niet van de hand van Hildegard; ze zijn later toegevoegd door bekwame tekenaars, maar niet door Hildegard zelf. Het betreft hier haar eerste boek “Scivias”, waarvan de verluchte codex dateert van 1179/1180. Hildegard zou die 35 miniaturen uit die codex gekend kunnen hebben; ze leefde waarschijnlijk nog toen ze werden gemaakt. Maar dat geldt zeker niet voor haar laatste boek  “Liber divinorum operum”, waarvan ook een verluchte codex bekend is, de zogenaamde Lucca-codex. Deze codex wordt bewaard in de Italiaanse stad Lucca en wel in de Bibliotheca Statale aldaar. Maar…die codex dateert van 1240 en dat is maar liefst zestig jaren na de dood van Hildegard. Keizer doet alsof Hildegard de miniaturen uit deze codex zelf heeft getekend en baseert er van alles op. Maar ze heeft die plaatjes nooit in haar leven gezien. Wie het werk van Hildegard onderzoekt, dient zich allereerst te baseren op de geschreven teksten; die zijn namelijk van de hand van Hildegard, daar gaat het in wezen om. De later toegevoegde illustraties zijn voortgekomen uit de kunstzinnige breinen van monniken of monialen die zich weliswaar hebben laten inspireren door de geschreven tekst, maar die daarvan op grond van de artistieke vrijheid die kunstenaars nu eenmaal eigen is, ook dikwijls behoorlijk afwijken. Keizer zegt op p. 59 van zijn boek het volgende: “Wie kennis neemt van de teksten die de miniaturen begeleiden, dient zich te realiseren, dat ze niet primair bedoeld zijn om de lezer bekend en vertrouwd te maken met Hildegards theologische opvattingen en interpretaties van de Bijbel. Haar bloemrijke taalgebruik en gebruik van symboliek zijn voornamelijk gericht op meta-communicatie over hoe de inhoud van de miniaturen moet worden begrepen en op verhulling van de boodschap achter de boodschap of maskering en mystificatie van de symboliek. Oftewel, de teksten en de symboliek in de miniaturen zijn eerder bedoeld om de niet in haar geheimen ingewijde toeschouwer om de (klooster) tuin te leiden.” Hieruit blijkt dat Keizer de miniaturen het primaat geeft. De teksten begeleiden de miniaturen…? Natuurlijk niet. De miniaturen begeleiden de teksten. En die miniaturen zijn niet van Hildegard. Ze heeft ze misschien geen van alle  ooit gezien. En Keizer baseert er bijna zijn hele boek op en dat is uitermate onwetenschappelijk.

De tweede fout die Keizer maakt, is dat de lange reeks van aannames en hypotheses die hij produceert, vrijwel nooit worden onderbouwd. Ik geef enkele voorbeelden. “Bij gebrek aan interacties met andere kinderen en volwassenen raakte Hildegard echter in zichzelf gekeerd.” Waar staat dat? Hoe kom je erbij?  Hildegard groeide op in een gezin met tien kinderen, van wie zij de jongste was. Hoezo… gebrek aan interacties met andere kinderen. En er waren in die tijd in de kloosters vaak veel kinderen te vinden die daar als oblaat waren. Waarom zou dat in het klooster van Hildegard niet zo geweest zijn? Aanname 2: “De visioenen die Hildegard op haar tweeënveertigste en zestigste jaar heeft, zijn echter van een zodanig ander en niet spontaan karakter, dat zij onder invloed van entheogenen – en met name van de vliegenzwam – tot stand moeten zijn gekomen.” En, hoewel de auteur belooft op deze aanname later uitgebreider terug te komen, wordt zij nergens in het boek bewezen. Aanname 3: “Het ligt voor de hand dat Hildegards afwijkende standpunt door haar amoureuze  relatie met Richardis van Stade werd ingegeven en dat het voorstellen van de verhouding als een zuivere expressie van zusterlijke Liefde diende om haar gevoelens voor en relatie met Richardis te rechtvaardigen en het schuldgevoel over haar in de ogen van de kerk zondige gedrag zonder boetedoening te saneren.” De auteur gaat er in het boek steeds van uit dat er een lesbische relatie moet hebben bestaan tussen Hildegard en haar magistra Jutta enerzijds en Hildegard en Richardis anderzijds. Hoezo…het ligt voor de hand dat…Deze onzin wordt nergens met bewijzen gestaafd of het zou de verwijzing moeten zijn naar ‘Von Trotta 2009’… en dat is geen wetenschappelijke publicatie, maar een film, dat is fictie en in zo’n film is een lesbische verhouding natuurlijk een zeer tot de verbeelding sprekend motief, maar heeft geen enkel verband met de werkelijkheid. Evenals de vermeende zwangerschap van een non. Een zwangerschap die ‘natuurlijk’ veroorzaakt is door een monnik. Keizer gaat er zonder blikken of blozen van uit dat het hier een ware gebeurtenis betreft, terwijl het een onzinmotief is in de film van Von Trotta. Keizer zegt: “De inhoud van en de reactie op haar visioen kan eenvoudig worden gerelateerd aan ervaringen uit verleden en heden van anderen bij oraal gebruik van verse of gedroogde vliegenzwammen.”  Dat is eenzelfde soort bewering als: na het drinken van een te grote hoeveelheid alcohol krijg ik hoofdpijn; hij heeft hoofdpijn, dus hij heeft een te grote hoeveelheid alcohol gedronken. Dat is een basisfout in de logica. Elke wetenschapper weet dat je op deze wijze ongeldige conclusies trekt. En dat gebeurt in het boek voortdurend. Hildegard heeft een geheimtaal ontwikkeld en, inderdaad, we weten nog steeds niet goed hoe we die moeten ontcijferen en we weten ook niet waarom ze die taal en die tekens ontworpen heeft. Bij Keizer wordt dat: “De betekenis van de geheimtaal was waarschijnlijk alleen aan de haar altijd nog toegewijde secretaris Volmar en haar vertrouwelinge Richardis bekend en het geheimschrift zal eerder zijn bedoeld om de sleutel tot haar ‘geheimen’ en met entheogenen geassocieerde alchemistische receptuur zelfs tot op heden voor niet-ingewijden te verbergen.” Het zou zomaar kunnen, meneer Keizer, maar waar baseert u dit allemaal op. Het hele boek staat vol met veronderstellingen en zinnen die beginnen met “Het zou kunnen dat…of, het is mogelijk dat, of waarschijnlijk zal dit wel hebben geleid tot…”  Zo suggereert de auteur ook dat Richardis’ voortijdige dood ‘wel eens het gevolg zou kunnen zijn van  het innemen van teveel giftige stoffen, omdat ze de haar door Hildegard opgedrongen symbiotische relatie niet langer verdragen kon.’ Wat heeft het nou voor zin om dit soort ongefundeerde suggesties te doen.  Leuk voor in een film of een geromantiseerd verhaal, maar volstrekt misplaatst in een boek met wetenschappelijke aspiraties. Nog een opmerkelijke conclusie van de auteur, die hij reeds op p. 16 van zijn boek trekt: “Haar persoonlijkheid wordt in toenemende mate gekenmerkt door in haar vroege jeugd ontwikkelde megalomane en narcistische karaktertrekken, die tot uitdrukking komen in onkwetsbaarheids- en grootheidsideeën en overidentificatie met de Heilige Maagd, martelaren en heiligen, als overcompensatie voor een voortdurend ambivalentie oproepend, diepgeworteld minderwaardigheidscomplex.” Zo, daar kan ze het mee doen. Je moet wel over grote zienersgaven beschikken wil je tot zo’n conclusie komen op basis van de vroege jeugd van Hildegard, waarvan we nagenoeg niets weten. De zeer zeldzame feiten die ons uit die tijd bekend zijn, wettigen op geen enkele wijze zo’n uitspraak.

De derde fout die Keizer maakt, staat bekend met de Duitse term ‘hineininterpretieren’. De auteur redeneert steeds naar zichzelf toe, dat wil zeggen hij redeneert vanuit een evidente tunnelvisie (die hij bij anderen zo laakt) en komt dan tot mis-interpretaties. Zo zijn de varens in een miniatuur (op p. 50) geen varens, maar veertjes. Varens zou beter passen in het verhaal van Keizer, maar als hij de  tekst gelezen zou hebben, dan zou hij weten dat het om veertjes gaat, die hier metaforisch worden aangewend om de diaspora van de Joden aan te geven. Keizer is echter op zoek naar varens en vindt een miniatuur waarin iets getekend is dat daar op lijkt en…hup… daar is weer een ’bewijs’. En zonder blikken of blozen drukt hij de betreffende miniatuur af en misleidt hij de lezer. Helaas voor hem: het zijn geen varens.

Als hij de miniatuur van het kosmisch ei (zie hieronder) uitlegt, maakt hij van de getekende kosmos een vulva die door het gebruik van heksenzalf in de brand staat. De zogenaamde heksenzalf is in de miniatuur, volgens Keizer, aangeduid met vlammetjes en hoopjes korreltjes.  Maar in werkelijkheid zijn dat de bliksem en de hagel (scherpe steentjes) in het donkere deel van het firmament. Hildegard beschrijft dat letterlijk in de uitleg van haar visioen. En de vlammenrand die het kosmisch ei omgeeft, is in werkelijkheid de brandende omarmende liefde van God. Een neoplatoons beeld dat Hildegard en andere neoplatoonse denkers dikwijls gebruiken en het heeft helemaal niets te maken met een door heksenzalf brandende vulva.

 

 

 

Zoals ook de drie vrouwenfiguren uit Liber Divinorum Operum, Liefde, Deemoed en Vrede voorstellen en niets te maken hebben met Jutta, Richardis en Hildegard, van wie Jutta ook nog ‘duidelijk in een masturberende pose’ zou zijn afgebeeld. In werkelijkheid zijn het personificaties van aspecten van Christus, Zijn Liefde (links), Zijn Ootmoed (midden) en zijn Vrede (rechts).  (Zie hierboven).De Vrede is dan ook afgebeeld in een rode kleur die verwijst naar Zijn lijden en met de voeten op de rand van de bron en niet in de bron, waarmee Hildegard wil aangeven dat er een goddelijke en een menselijke vrede is. Zij legt dat uitvoerig uit. De rechterhanden van Liefde en Ootmoed verwijzen naar de liefde (het hart) en naar de overgave (de open naar voren gerichte hand). En de vrouwen masturberen niet met hun linkerhanden, maar wijzen naar de zuivere bron waaruit zij, lees: de deugden, voortkomen. De bron is een metafoor voor de H. Geest die uitvloeit over de bedreigde wereld. De H. Geest is de oorsprong van alle goede deugden in het werk van Hildegard.

Uit zulke voorbeelden blijkt dat de auteur het werk van Hildegard helemaal niet (goed) kent.

Zo komen er in Physica of Causae et Curae nauwelijks paddenstoelen voor. Dat komt de bewijskracht in het verhaal van Keizer niet ten goede. Dus maakt hij er het volgende van: “Hoewel ze nergens expliciet de vliegenzwam of kaalkopjes noemt, is er zowel in de indirecte verwijzingen in de geschriften, waarin ze haar hallucinaties of visioenen beschrijft, als in de miniaturen, waarin ze symbolisch gebruik maakt van levendige kleuren en mensen of niet-menselijke figuren, van hun kleding en van vormen en objecten, overweldigend bewijs te vinden van haar kennis van (ervaringen na) het gebruik van entheogene paddenstoelen als de Heilige Paddenstoel (…)”. Overweldigend bewijs…kom nou toch. Wat een loze bewering. Gezwam. Waar in de geschriften? De auteur stoelt een groot deel van zijn beweringen op de inhoud van Physica en Causae et Curae…maar we zijn het er helemaal nog niet over eens dat deze teksten geheel door Hildegard zelf geschreven zijn; ze zijn waarschijnlijk deels overgenomen uit bestaande encyclopedische biologische verzamelingen. Hildegard schreef wel de begeleidende teksten tussen de verschillende hoofdstukken, omdat daarin elementen te vinden zijn die kenmerkend zijn voor haal taalgebruik. Ze redigeerde dus materiaal dat al bestond. In ieder geval is er geen directe aanwijzing dat deze werken visionair geïnspireerd zijn.

En als er dan al aanwijzingen van paddenstoelen in de miniaturen te vinden zijn, dan komen die uit de tekenpen van de miniaturist, zoals gezegd, iemand die Hildegard misschien nooit ontmoet heeft of het zou vlak voor haar dood geweest moeten zijn, want de betreffende verluchte codex dateert uit 1179/80.

De vierde fout die Keizer maakt, is een doodzonde in de wetenschap: hij kiest zijn secundaire bronnen uitsluitend uit de hem welgevallige literatuur. Nimmer toetst hij zijn uitspraken aan de bevindingen van de serieuze Hildegard-studie. Er zijn indrukwekkende proefschriften geschreven, in binnen- en buitenland en een schier onafzienbare reeks artikelen die indringend de mystieke theologie en de sociologie van Hildegard onderzoeken en waarbij primair de geschreven teksten van Hildegard uitgangspunten zijn, zoals dat hoort. Keizer kent ze niet of wil ze niet kennen. In ieder geval kom ik ze maar heel sporadisch tegen in de bijgeleverde bronvermelding.

Het boek van Keizer zet de lezer op het verkeerde been. Hildegard van Bingen was een zelfbewuste, krachtige vrouw; een invloedrijke persoonlijkheid met belangrijke goddelijke opdrachten: vermaning van de geestelijkheid en onderwijzing van de gelovige medemens. Zij riep de prelaten en de priesters op voorbeeldig te leven en dienstbaar te zijn. Door een zeer actief schrijversleven en een uitgekiende publicitaire strategie wist zij haar reputatie te vestigen en ontwikkelde ze haar charisma. En toen ze die positie eenmaal verworven had, kon ze invloed uitoefenen op de ontwikkelingen in de kerk van haar tijd. Ze schreef indrukwekkende teksten, waaruit blijkt dat zij zeer belezen en goed onderricht was. Die teksten van Hildegard worden in het boek volkomen genegeerd.

Hildegards invloedrijke positie heeft helemaal niets te maken met megalomanie of narcisme. Het heeft alles te maken met volledige overgave aan haar Schepper, met  nederigheid en met ootmoed. Ze bestreed juist vanuit die humilitas, nederigheid, de megalomanie en het narcisme van de foute priesters. Overal in haar werk roept ze op tot nederigheid en tot dienstbaarheid. Steeds weer beklemtoont ze haar en onze afhankelijkheid van God. En natuurlijk zal er ook wel seksueel wangedrag geweest zijn in haar kloosters; dat gebeurt  al gauw waar groepen mensen afgezonderd samenwonen, maar Hildegard nam daaraan geen deel. Haar verhouding met Richardis was zuiver. Ze benoemt en roemt in de brief die ze schrijft bij Richardis’ vertrek juist met name de kuisheid van Richardis. En laat de auteur bij het citeren uit die brief nou precies dat deel over het hoofd zien…

Dit is maar een kleine greep uit de schier onafzienbare reeks van ongefundeerde aannames, foute suggesties en ongeldige conclusies. Het boek wemelt ervan. Wie het boek van Keizer leest, moet beseffen dat veel in dat boek niet waar is.

Keizer weet ongetwijfeld heel veel van de entheogene werking van paddenstoelen, maar heel weinig van Hildegard.

Dr. Hans Wilbrink (februari 2013)

(De miniaturen zijn met toestemming van resp. de zusters van de abdij uit Eibingen (D) en het bestuur van de Bibliotheca Statale te Lucca (I) gepubliceerd in het nieuwste boek over Hildegard van Hans Wilbrink, getiteld OOTMOED.)

======================================================================================================================================================

Hildegard van Bingen, kerklerares (Deels verschenen in het Nederlands Dagblad, 13 oktober 2012)

Zondag 7 oktober jl. is de twaalfde-eeuwse mystica Hildegard van Bingen door paus Benedictus XVI tot kerklerares benoemd. En dat is een eer die vóór haar slechts aan vierendertig anderen te beurt gevallen is. Een kerkleraar is iemand die de orthodoxe katholieke leer in woord en geschrift op een bijzondere manier heeft verdedigd, verdiept en blijvend heeft verrijkt. Vandaar dat er grote namen onder de gelauwerden te vinden zijn, zoals Ambrosius, Augustinus, Bernardus van Clairvaux en Thomas van Aquino. Het zijn denkers die het (vroege) christendom hebben vormgegeven, die belangrijke leerstukken, zoals bijvoorbeeld de leer van de Drieënheid hebben geanalyseerd en verklaard – dat wil zeggen helderder hebben gemaakt –  en wier geschriften en opvattingen de tand des tijds hebben doorstaan.

In de vorige eeuw werd het kleine leger van kerkleraren (inderdaad voornamelijk mannen) uitgebreid met enkele nieuwe categorieën: de mystieken en de predikers van de liefde.  Mannen en vrouwen die niet zozeer op grond van hun rationeel theologische inbreng werden gepromoveerd, maar veel meer vanwege hun voorbeeldige, uitzonderlijke monastieke ingetogenheid of  wegens hun bijzondere, manifeste liefdesverhouding tot God. We noemen in dit verband Theresia van Lisieux, Johannes van het Kruis, Theresia van Ávila en Catharina van Sienna.

Tot welke categorie behoort Hildegard? Haar verdiensten liggen niet zozeer op het gebied van de systematische theologie, ook niet op het gebied van de exegese of de moraaltheologie, al vertonen al haar geschriften daarvan vele elementen. Zij was geen vernieuwend theoloog en speelde geen grote rol in het twaalfde-eeuwse theologisch dispuut. We moeten haar dus niet scharen onder de baanbrekende theologen van de kerkgeschiedenis. Ze kende het werk van de meeste groten wel. Zo kunnen we in haar werk  sporen aantreffen van de neoplatonisten Pseudo-Dionysius de Areopagiet en  Plotinus en was ze zeer goed op de hoogte van het werk van Augustinus. Ze correspondeerde met Bernardus van Clairvaux en nam met Odo van Soissons deel aan de discussie over de (on)deelbaarheid van God in de zogenaamde universaliënstrijd. Ook heeft ze in haar brieven en in een preek uiting gegeven aan haar afkeer van de Katharen, die in haar tijd overal invloed kregen, ook in het Rijnland waar zij woonachtig was.

Hildegard van Bingen is een bijzonder begaafde en begenadigde mystica, wier leven en werk geheel in het teken stonden van de vervulling van Gods woord. Gods woord dat zij direct hoorde en waarbij zij een baaierd van beelden te verwerken kreeg. Zij was als geen ander in staat om die overweldigende goddelijke influx linguaal te transformeren in geschriften die ook nu nog aanspreken. Hildegard was receptief ingesteld, dat wil zeggen ze streefde niet zelf naar een unio, een eenwording met God tijdens het leven, zoals we dat bijvoorbeeld aantreffen bij de extatische Hadewijch van Brabant. Nee, Hildegard stelde zich open en ontving een zodanige goddelijke genadestroom dat zij die nauwelijks kon absorberen. Ze werd er dikwijls ziek van en bedlegerig. Pas als ze zich, samen met haar compaan, de monnik Volmar, aan het schrijven zette, kwam de ontspanning.

De inhoud van haar boodschap was tweeledig: ze wilde de geestelijkheid van haar tijd vermanen, veranderen en opnieuw inspireren. En ze wilde eenieder die voor haar werken openstond de weg wijzen naar het meest innige contact met de Schepper. In haar drie grote visionaire geschriften stelt zij het liederlijk gedrag van vele geestelijken onomwonden aan de kaak. Ze ziet de Kerk teloor gaan aan de verwerpelijke praktijken van vele prelaten en ze geeft aan dat juist door het gebrek aan leiding en inspiratie en het ontbreken van het goede voorbeeld seculiere en ketterse tendensen zich beginnen af te tekenen.

In diezelfde grote visionaire werken is ze echter minstens zo pregnant in het aangeven van de juiste weg. In werkelijk prachtige teksten beschrijft ze de strijd van de menselijke ziel terug te kunnen keren naar haar goddelijke oorsprong. Ze tekent de mens in zijn onmacht, zijn vechten tegen de duivelse verleiding, zijn strijd tegen de onwijsheid van medemensen. Ze beschrijft het  verlangen naar de moederlijke omarming van de goede God en de drang terug te willen keren in de hemelse bescherming van de Schepper. En ze geeft ook de aardse weg aan die elke mens moet gaan: eerst de Timor Dei, de Vreze Gods, de overtuiging van de noodzaak klein te moeten worden, nederig, of, met dat mooie oude woord, ootmoedig.  De ootmoedige mens heeft ruimte in zijn geest en zijn hart voor de genadestroom van God. In bijgaande miniatuur uit het eerste boek van Hildegard, het Liber Scivias, Ken de Wegen, zien we bij de rechter figuur die genadestroom vanuit God getekend. De handpalmen zijn kwetsbaar naar voren gericht, het hoofd gaat geheel teloor in de genadestroom en dat is symbolisch voor de totale wegcijfering, voor de armoede van geest. De linker figuur is geheel met ogen bedekt, ten teken dat het noodzakelijke inzicht er al is.

Hildegard van Bingen wordt kerklerares, niet omdat ze zo’n grote en geleerde theoloog was, maar omdat ze op originele en indringende wijze aan eenieder onophoudelijk en in talloze varianten hét christelijk kern-adagium voorhoudt: wie God ervaren wil, moet arm van geest worden. En, we kunnen er bij Hildegard niet omheen, dat geldt a fortiori voor de geestelijke stand.

Hans Wilbrink

Dr. Hans Wilbrink (1949)  is neerlandicus en sociaal wetenschapper. Hij promoveerde in 2006 aan de Radbouduniversiteit te Nijmegen op een proefschrift over Hildegard van Bingen en Hadewijch van Brabant. (Amplexio Dei, de Omarming Gods, Maastricht/Aken 2006).

======================================================================================================================================================

Film Vision

Hildegard van Bingen staat deze weken extra in de belangstelling vanwege de film Vision, aus dem Leben der Hildegard von Bingen. De film is te zien in een groot aantal filmtheaters in Nederland en België. Er verschenen recensies in vrijwel alle landelijke dagbladen.

Hieronder de  recensie van Tony Lindijer.

Vision: over de Afgunst, Jaloezie en Nijd uit het leven van Hildegard van Bingen. (Tony Lindijer)

De ondertitel van de film Vision van Margarethe von Trotta luidt in het Nederlands ‘Uit het leven van Hildegard van Bingen’. Daarmee is gezegd dat de filmmaakster niet het gehele leven van Hildegard wil omvatten en een selectie maakt naar haar smaak, naar wat zij als interpretatie in haar hoofd heeft. Als gevolg daarvan breekt de film abrupt af op het moment dat Hildegard – met haar secretaris Volmar- op reis gaat, op predikreis wel te verstaan. In totaal zal Hildegard vier van dat soort predikreizen maken waarop zij velen met wie zij correspondeert ontmoet. Zij zal ook op diverse plaatsen in het openbaar spreken, zoals wordt verondersteld. Dit behoort tot haar arbeidzame leven nà de heftige episode met Richardis, waarin zij behalve met reizen ook in belangrijke mate met de totstandkoming van haar omvangrijke oeuvre bezig is geweest. Hierover vernemen wij in de film niets meer.

Het abrupte einde van de film komt als een schok en heeft iets onbevredigends. We hebben de verhaallijn op de voet gevolgd en zouden graag het vervolg willen zien, ook de afronding en het einde van Hildegards leven willen meemaken.

Maar wie de film een tweede keer ziet, begint een verhaallijn te ontdekken die het abrupte slot zelfs tot iets ontroerends maakt. Er komt een onderliggende boodschap boven drijven die op  menselijke relaties slaat en die de film een bijzondere betekenis geeft.

Het begint met het kleine lesje waarmee Jutta de ruzie oplost over een pen tussen de twee kleine meisjes die met haar zijn ingetreden in het klooster van de Disibodenberg. Zij zegt iets over afgunst en de lompe poten van de beer die alles kapot maken, en de liefde die kracht geeft.

Uit de bronnen weten we dat Jutta met twee meisjes de kluis heeft betrokken naast de Disibodenberg, het begin van een kleine kloostergemeenschap onder haar leiding. Het ene meisje is Hildegard, het andere – van dezelfde naam, staat er, ook wel geïnterpreteerd als een ‘tweede’ kleine Hildegard- was er om de adellijke Jutta en Hildegard te dienen. De kleine Jutta (we houden het hier, zoals Von Trotta, op Jutta) moet zich dus in de dienstbare, mindere rol schikken. In de film komt dit niet zo tot uiting. Wel zien we, als kleine Jutta groot is geworden, dat zij bij de keuze van Hildegard tot magistra van het kleine vrouwenklooster, zich aan de kant gezet voelt. Waarom hebben ze Hildegard gekozen en mij niet? De ‘les van Jutta’  wordt nog eens herhaald: de nijd is lelijk en plomp, beren hebben klauwen die alles kapot maken, hun lompe poten wandelen over dode wegen, de mens brengt hij het slechte, de liefde is de grote kracht. ‘Maar de liefde heeft God alleen aan u gegeven’, bijt ze Hildegard nijdig toe.

Hildegard zegt in haar geschriften steeds mooie, interessante dingen over jaloezie, afgunst en nijd. In haar middelste grote werk, Liber Vitae Meritorum, stelt zij deugden en ondeugden in paren tegenover elkaar. De belangrijkste deugden, als zeven gaven van de heilige geest, komen in het centrale gedeelte van dit werk naar voren. Hoogmoed wordt hier gesteld tegenover de Deemoed, de Afgunst tegenover de Liefde. De Afgunst wordt voorgesteld als een mensenfiguur met enorme berenklauwen. De beer heeft een speciale betekenis voor Hildegard: de begeerte, maar ook de wellust, ongebreidelde seksualiteit en hebberigheid juist in die zinnelijkheid. In de Afgunst, Nijd of Jaloezie zit dat component van ongecontroleerde gretigheid dat in het kleine lesje van Jutta zo prachtig tot uiting komt. De berenpoten betreden in feite dode wegen, ze brengen niets goeds en we moeten daar de liefde tegenover stellen, dat is onze grote opdracht.

Hildegard leest haar jaloerse medezusters hierover de les, maar glijdt er zelf gigantisch over uit in de relatie met Richardis. Ze gunt haar innig geliefde vriendin niet de betere positie, in die tijd gerelateerd aan de stand waarin je geboren werd. Ze is buitensporig emotioneel, wordt verteerd van woede, is onbeheerst in haar begeerte Richardis voor zichzelf te behouden. Maar dan is daar die kleine, ondergeschikte Jutta, groot geworden en gepokt en gemazeld in het hanteren van jaloezie en afgunst, die Hildegard de les leest. Over de beer en dat hij alles kapot maakt, en dat wij de liefde tegenover de nijd moeten stellen.

Hildegard, door haar mindere hierover gekapitteld, raakt eindelijk bevrijd van dit alles. Liefde in plaats van afgunst, een geweldige mijlpaal in iemands leven als je de knop eindelijk kan omdraaien. Dan is het moment waarop zij op reis gaat en haar arbeidzame leven begint prachtig en ontroerend. Alle complicaties van seksualiteit, erotiek, hebberigheid en afgunst kan zij achter zich laten. Zoals Augustinus naar Afrika vertrekt en daar aan een zeer productief, arbeidzaam leven begint, zo gaat Hildegard op reis en begint daarna het overgrote deel van haar verdere oeuvre te schrijven. Mensen die hard werken zijn niet interessant. Als de strijd geleverd is, is dat voor het verhaal niet zo boeiend meer. Margarethe von Trotta heeft met enige vrijheid iets prachtigs gecreëerd door deze onderliggende lijn van jaloezie en hoe die te overwinnen, geheel in de geest van Hildegard, door haar film heen te laten lopen. De Hoogmoed die met Deemoed tegemoet getreden wordt, de Afgunst die door de Liefde  beantwoord moet worden, een les die Hildegard door haar mindere moest worden bijgebracht, waarvoor ze die kleine Jutta ook dankbaar is. (Tony Lindijer)

Op zondag 5 september jl. van 11.00 tot 11.15 was Tony Lindijer te beluisteren in het programma Onvoltooid Verleden Tijd van de VPRO met haar commentaar op de film Vision van Margarethe von Trotta. U kunt dit commentaar beluisteren via:

www.radio1.nl/contents/19277-het-leven-hildegard-von-bingen

Naar aanleiding van de film “VISION, aus dem Leben der Hildegard von Bingen”  is de vraag naar boeken over het leven van Hildegard sterk toegenomen! De redactie van deze website wil u graag wijzen op de onmiddellijke beschikbaarheid van de volgende boeken. Neemt u voor bestellingen contact op met de vermelde uitgever of met uw boekhandel. U kunt ook bestellen via het contactformulier van deze website.

De vita van Hildegard, ingeleid en vertaald door Tony Lindijer (2000). Uitgegeven door uitgeverij Verloren te Hilversum (Torenlaan 25, 1211 JA; telefoon 0356859856). Website: www.verloren.nl. U kunt ook bestellen via e-mail: bestel@verloren.nl. Het boek kost € 21,00  (plus verzendkosten) en is direct beschikbaar. Het boek is een prachtige vertaling van de twaalfde-eeuwse levensbeschrijving (vita) van Hildegard en bevat ook een boeiende inleiding.

Amplexio Dei, de Omarming Gods, geschreven door Hans Wilbrink (2006). Uitgegeven door uitgeverij Shaker Publishing te Maastricht (St. Maartenslaan 26, 6221 AX; telefoon 0433500424). Website www.shaker.nl. U kunt gemakkelijk via de website bestellen. Het boek kost € 36,00 (plus verzendkosten) en bevat behalve een studie van leven en werk van Hildegard ook een gedeelte over leven en werk van de dertiende-eeuwse mystica Hadewijch van Brabant.

Zie ook het boek OOTMOED, over leven en werk van Hildegard van Bingen, geschreven door dr. Hans Wilbrink. Tweede druk 2015.

De redactie van deze website beveelt deze boeken van harte aan!

======================================================================================================================================================

OOTMOED en UITKEER*

Het begrip ‘humilitas’

in het gedachtegoed van Hildegard van Bingen

 Hans Wilbrink

  Tijdens mijn promotieonderzoek bestudeerde ik de werken van twee mystieke vrouwen uit de middeleeuwen: Hildegard van Bingen en Hadewijch van Brabant.Hildegard leefde en werkte in de twaalfde eeuw en Hadewijch vermoedelijk in de eerste helft van de dertiende eeuw. De bevindingen van dat onderzoek heb ik geformuleerd in een boek met de titel Amplexio Dei, de Omarming Gods. Die titel heeft een dubbele betekenis: God kan in deze woordgroep namelijk subject of object zijn van de omarming. God omarmt mij of ik omarm God. In beide gevallen gebruikt het Latijn de genitivus, de tweede naamval.

Ik heb deze dubbelzinnige titel bewust zo gekozen, omdat we bij de beide mystici te maken hebben met een opvallend accentverschil wat betreft de richting van de mystieke activiteit. Hadewijch zoekt heel intens het contact met God; zij mediteert, verlangt, smacht naar de eenwording met God; ze treedt daartoe zelfs kortstondig buiten zichzelf. Zij strekt als het ware haar armen uit naar God. God is het object van haar verlangen. De mystieke eenwording, de unio met God, is haar ultieme doel. En als ze dat doel bereikt heeft, dan stopt haar activiteit en valt ze terug in een toestand van ontreddering en hartstochtelijk missen. In haar werk legt ze getuigenis af van die mystieke weg en van die uiteindelijke samensmelting met haar goddelijke minnaar en vooral ook van de radeloosheid van het derven achteraf. Ze schrijft die ultieme belevenissen op voor een kleine kring van intimi.

Bij Hildegard daarentegen is er helemaal geen sprake van een intensieve meditatie, geen verlangend streven naar de eenwording. Nee, Hildegard is eigenlijk volkomen passief en het lijkt wel alsof de mystieke actie alleen van God uitgaat. God omarmt haar. Het Levende Licht, zoals zij dat noemt, komt in haar en verlicht haar geest. En ze hoort daarbij vaak een goddelijke stem. En dan begint het voor Hildegard pas. Het visionaire moment is bij Hildegard niet het eindpunt van een zeer intense meditatieve inspanning, nee, het is het startsein tot een schier eindeloos lange weg van transformeren, formuleren, uitleggen en opschrijven van al datgene dat haar in haar geest gewerd.

Bij Hadewijch spreek ik van de mystiek van de inkeer en bij Hildegard van de mystiek van de uitkeer. Bij Hildegard is sprake van een zeer extraverte mystiek. God zoekt in haar letterlijk een deelgenoot, een partner of, een beetje oneerbiedig gezegd, Hildegard is als het ware een verdeelstation, waar Gods energie wordt getransformeerd en verder geleid naar eenieder die ervoor openstaat. Wij zijn de afnemers van die energie. De Lux Vivens, het Levende Licht, is bij Hildegard een genademiddel en geen doel en de Schaduw van het Levende Licht begeleidt haar, volgens haar eigen zeggen, haar hele leven lang bij de uitvoering van haar missionaire arbeid. Die arbeid heeft twee doelen: allereerst wil ze de geestelijke stand vermanen en opnieuw inspireren en, ten tweede, wil ze eenieder de alomvattende liefde van God tonen door onophoudelijk zijn Woord uit te leggen en op te roepen tot respect voor Hem en voor zijn schepping.

Hildegards publicitaire strategie

Hildegard hanteert een uitermate effectieve publicitaire strategie om die boodschap over het voetlicht te brengen. Ze weet dat ze kwalitatief hoogstaand werk moet afleveren als ze invloed wil hebben op de geleerde prelaten van haar tijd. Ze verkeert als middeleeuwse vrouw immers toch al in een inferieure positie. Haar boodschap moet krachtig zijn, indrukwekkend van inhoud, goed geformuleerd en natuurlijk in het Latijn gesteld, de taal der filosofen, de taal van de geleerden. Ik breng haar uitkeer-strategie hier even kort in kaart.

Omdat ze toch wat onzeker is en omdat ze beseft dat haar kennis van het Latijn te wensen overlaat, gaat ze eerst op zoek naar een deskundige communicatiemedewerker en ze vindt die in de persoon van de monnik Volmar. Volmar is een theoloog in haar klooster op de Disibodenberg die het Latijn beter beheerst dan zijzelf en die haar zijn volle vertrouwen schenkt en zijn blijvende steun toezegt. Hildegard vertelt hem alles wat zij hoort en ziet. Ze schrijft haar teksten eerst zelf op wastafeltjes, om die vervolgens door Volmar te laten corrigeren en hij schrijft de tekst dan op perkament. Hij zal Hildegard bijna haar hele leven bijstaan bij het op schrift stellen van haar werken. Hij sterft in 1173, voordat Hildegard haar laatste werk heeft voltooid.

Als ze haar eerste werk, de Scivias, bijna af heeft, gaat ze op zoek naar een bekende persoon die haar wellicht behulpzaam kan zijn bij de promotie van dat eerste boek en ze neemt contact op met Bernardus van Clairvaux. We noemen dat in de moderne communicatieleer een reinforcement person. Bernardus was een zeer invloedrijke kerkleraar, prediker, wetenschapper en de rechterhand van de paus. Hildegard wilde graag dat hij haar naam kende. Ze schrijft hem een brief waarin ze zich bescheiden opstelt, maar tegelijkertijd ook gewag maakt van haar zienersgaven. Ze vraagt Bernardus om raad, omdat ze zich onzeker voelt over de op handen zijnde publicatie van haar boek. Ze krijgt een kort antwoordbriefje terug waarin Bernardus haar oproept blij te zijn met die bijzondere genade van God en vooral bescheiden te blijven.

Korte tijd later zal Bernardus haar, samen met abt Kuno en met Hendrik, de bisschop van Mainz, introduceren bij paus Eugenius III, tijdens een synode in Trier. De paus stuurt vervolgens een delegatie naar de Disibodenberg. Die keert enige tijd later terug met het gedeelte van Scivias dat al gereed is. Eugenius leest het boek en wordt gegrepen door de teksten van Hildegard en hij leest er tijdens de synode in het openbaar uit voor. Vanaf dat moment is haar naam breed gevestigd.

Als er op de Disibodenberg plaatsgebrek komt in het zusterhuis, besluit Hildegard te vertrekken naar een eigen klooster. Ze wil autonoom verder; niet langer onder de supervisie van een abt. Ze wil zelf haar eigen weg bepalen, haar eigen wetten maken. De abt behoort immers tot het machtige establishment dat zij nu juist aan de kaak wil stellen. En terwijl menig stichter van kloosters de stilte opzoekt en ergens ver weg van de bewoonde wereld in onherbergzaam gebied een klooster bouwt, gaat Hildegard naar Bingen en ze bouwt haar klooster op de Rupertsberg, aan bevaarbare rivieren als de Nahe en de Rijn, aan een heirweg van de keizer, op een plek waar je alle kanten op kunt en waar veel pelgrims, bodes en soldaten passeren. Kortom, ze verhuist naar een infrastructurele toplocatie.

Vanaf dat moment besteedt ze continu aandacht aan de uitbreiding van haar netwerk. Ze stuurt vele brieven naar abten en abdissen en monniken en soms ook naar hele monnikengemeenschappen tot ver buiten haar eigen regio. Ook naar wereldlijke leiders, zelfs naar de keizer, stuurt ze brieven. Ze manifesteert zich in die brieven als persoonlijk raadgever, als management consultant, als groepsmanager, maar ook dikwijls als vermaner. Soms stuurt ze ongevraagd delen van haar werk mee. Ze hanteert in de middeleeuwen dus al het marketingmiddel van de direct mailing. Kortom, Hildegard probeert heel doelgericht invloed te verwerven, met name in het geestelijk domein.

En als haar naam en reputatie breed gevestigd zijn, verlaat ze een aantal malen het klooster om in de grote steden Keulen, Mainz en Trier te gaan preken, waardoor ze rechtstreeks kan doen wat ze als een goddelijke opdracht ziet: het vermanen en opnieuw inspireren van de geestelijkheid. Ze trekt in haar preken fel van leer tegen de in haar ogen falende geestelijken en ze beschuldigt hen ervan dat ze een totaal verkeerd voorbeeld geven en de zielzorg ernstig verwaarlozen. Veel gelovigen laten daarom, volgens Hildegard, de kerk in de steek en sluiten zich aan bij de katharen.

In haar boeken en brieven besteedt ze ook veel aandacht aan haar tweede opdracht: de geestelijke onderwijzing en exegese, of – met één woord – de bezieling van haar lezers. En daarin schuilt ook Hildegards eeuwigheidswaarde. Dat wij nog steeds met haar werk bezig zijn, komt omdat ze ons begeestert met de warmte en het inzicht van, wat zij noemt, het Levende Licht. En dat is het permanente resultaat van haar mystiek van de uitkeer.

Humilitas

Wie de werken van Hildegard bestudeert, zal al spoedig constateren dat er thema’s zijn die steeds terugkeren. Zo is het woord viriditas een van de sleutelwoorden. Het betekent letterlijk ‘groenkracht’. In alle werken wordt door Hildegard de wordingskracht van de schepping benoemd en beschreven. De kosmos, de natuur, de mens, al het geschapene bezit een oerkracht die van de Schepper komt, een kiem van heiligheid. Het is deze oerkracht die de basis is van de schoonheid, de stuwende energie van de voortplanting, de primaire conditie voor ontwikkeling en groei en het is vooral ook de belangrijkste eigenschap van de menselijke rationalitas die elke mens in staat stelt om creatief deel te nemen aan de voleinding van de schepping en constructief daaraan bij te dragen.

Ook deze term ‘rationalitas’ is zo’n kernbegrip in het werk van Hildegard. Het betreft niet alleen het denkvermogen en de creativiteit van de mens, maar met name ook het belangrijke vermogen onderscheid te kunnen maken tussen goed en kwaad. De menselijke rationalitas stelt ons in staat vanuit een nederige grondhouding goed te zijn voor al wat geschapen is en die nederige grondhouding benoemt Hildegard overal in haar werk met de term humilitas, ootmoed.

Humilitas is, naast viriditas en rationalitas, ook een kernbegrip in het werk van Hildegard. Dit Latijnse woord is afgeleid van humus, dat ‘aarde’ betekent. Hildegard wijst ons voortdurend onze plaats: met beide benen op de grond, op de aarde. De goddelijke kiem in elke mens kan alleen tot volle wasdom uitgroeien als alle factoren die de groei belemmeren worden uitgeschakeld, zoals hoogmoed, hebzucht, luiheid, wellust, onmatigheid, egoïsme en hedonisme. Wie met zijn neus omhoog en zijn hoofd in de wolken loopt, heeft het contact met de aarde verloren. Wie God wil ontmoeten moet zijn hart niet verpanden aan de genoegens van het lijf, of aan materiële zaken. Wie God wil ontmoeten, mag niet hooghartig zijn, maar moet zijn hart in alle deemoed leeg maken voor zijn genadestroom. De mens dient zijn hart aan God te geven; dat is in het Latijn cor dare, het hart geven. En dat zijn de grondwoorden van credere, geloven. Wie ‘credo’ zegt, zegt eigenlijk ‘ik geef mijn hart’, ‘ik geloof’. Essentieel voor het geloof in God is de nederigheid, de armoede van geest, zoals Christus ons die heeft voorgeleefd.

Op veel plaatsen noemt Hildegard de ootmoed. We zullen er enkele kort de revue laten passeren. In haar muzisch toneelstuk Ordo Virtutum, dat ze in het begin van haar carrière geschreven heeft voor haar eigen zusters, staat de humilitas als belangrijke deugd centraal. De humilitas wordt zelfs als een persoon ten tonele gevoerd en Hildegard laat haar de volgende woorden spreken, waaruit het humus-aspect van de nederigheid duidelijk blijkt:

O dochters van Israel,

God heeft jullie laten groeien vanuit jullie plaats onder de boom.

Maar vergeet nimmer dat je geplant bent.[1]

Met andere woorden, ken je plaats, sta met beide benen op de grond. Je komt weliswaar van God, maar je bent God niet. Herinner je dat goed: God is de planter, jij de plant. Als Elisabeth van Schönau, een jongere vriendin van Hildegard, hoog opgeeft van haar extatische contacten met een engel, dan zegt Hildegard in een brief: “Wie ernaar verlangen Gods werken te volbrengen, moeten steeds in het oog houden dat zij aardewerken vaten zijn, omdat ze mensen blijven […]. Het hemelse moeten ze overlaten aan hen die hemels zijn.” Aardewerken vaten zijn we: fragiel, broos, breekbaar.[ii] Laten we niet de illusie hebben de onmetelijke en oneindige God ook maar enigszins te kunnen benaderen. Hij benadert ons, als Hij dat wil, maar jegens Hem past ons alleen een deemoedige houding, altijd.

In Ordo Virtutum lezen we ook het prachtige lied O, quam magnum miraculum est:

O, wat is het een groot wonder

Dat de Koning inging in een onderdanige vrouw.

God deed dat, omdat de nederigheid

Boven alles uitstijgt.

 In dit kleine fragmentje staat een drievoudige humilitas-referentie: God kiest een onderdanige vrouw die de Zoon zal baren. Dat is een voorbeeldige nederige daad van God, maar tegelijkertijd wordt ook de nederigheid van Maria beklemtoond en beloond. Zij mag immers Jezus baren. En Jezus zelf is natuurlijk ook een verwijzing naar de ultieme nederigheid. En wat is het een prachtige, poëtische zin, de antithese: …omdat de nederigheid boven alles uitstijgt. De ootmoedigen zullen verheven worden. Wie zich ten aanzien van God ootmoedig opstelt, zal, zoals Maria, een groot wonder in zichzelf ervaren.

In haar tweede grote visioenenboek, het moraaltheologische Liber Vitae Meritorum, beschrijft Hildegard vijfendertig deugd-ondeugd-opposities. Het zestiende paar is de hoogmoed versus de ootmoed. Ze noemt daar de hoogmoed “de grondstof en het zaad van alle kwaad”. De val van de engel en de misstap van de mens in het paradijs zijn erdoor veroorzaakt. En vervolgens zegt ze:

Er zijn boze geesten die de mens bedreigen en die roepen: ‘Wie is de Heer? Lucifer is de heer en een andere bestaat er niet!’ Deze geesten brengen de mensen tot hoogmoedig gedrag en ze praten op hen in, totdat zij geloven dat zij meer waard zijn dan anderen.

Heel duidelijk spreekt Hildegard zich hier uit voor de gelijkheid van alle mensen. Niemand is meer waard dan een ander.[iii]

In een brief die Hildegard aan de verwaande keizer Frederik I Barbarossa schrijft, voert ze rechtstreeks God als sprekende persoon op:

Hij die is, zegt: Hooghartigheid vernietig ik, en de tegenspraak van hen die mij verachten, verbrijzel ik omwille van mijzelf. Wee, wee, dit kwaad van de tegenstanders die mij vertrappen. Verneem dit, o koning, als u wilt leven, anders zal mijn zwaard u treffen.

Zo, daar kan hij het mee doen. De hemelse Koning veegt de aardse koning ongenadig de mantel uit, omdat hij zo hooghartig is.[iv]

In haar laatste grote werk, Liber Divinorum Operum, ziet Hildegard in een visioen drie vrouwenfiguren. Zij stellen de liefde, de ootmoed en de vrede voor. Hildegard zegt daar dat de ootmoed een belangrijke deugd is die rechtstreeks uit de heilige Geest voortkomt en die met het oog op de eeuwigheid voor elke mens van levensbelang is:

[…] de deemoed schudt de viezigheid van de aarde in de helderwitte glans van de rechtschapenheid van zich af. Ook al is het voor de sterfelijke mens moeilijk dat in alles na te volgen, zolang hij in zijn lichaam leeft, moet hij desondanks niet nalaten God boven alles lief te hebben en zich in alles nederig te gedragen met het oog op de eeuwige beloning.[v]

Ik eindig dit beperkte overzichtje van ‘ootmoed-fragmenten’ met de prachtige slotwoorden van het al eerder genoemde toneelspel Ordo Virtutum, waar het slotkoor, bestaande uit de Deugden en de Zielen, in naam van Christus zingt:

O, Vader, zie ik toon u mijn wonden.

En u, alle mensen, buig dus ook uw knieën voor uw Vader,

Opdat zijn hand u aanraken zal.

Hier spreekt de ultieme ootmoed, Jezus Christus die zijn leven gaf. We zien Hem hier het gebaar maken waarin de nederigheid zichtbaar wordt: de handen open naar voren gericht, het teken van de volledige overgave. Zoals op een miniatuur in Scivias zichtbaar is.

Ruimte voor genade

Hildegard geeft ons in haar werk vele malen aan dat wij ootmoedig moeten zijn tegenover God, dat wil zeggen: onophoudelijk en onvoorwaardelijk gelovig, liefdevol en ruimhartig naar Hem toe en ze stelt ons een eeuwige beloning in het vooruitzicht die oneindig veel groter is dan welk aards genot dan ook.

De ootmoed betreft dus in de eerste plaats God. Maar hoe zit het dan met onze houding ten opzichte van de medemens? Moeten we ons onderdanig opstellen jegens de ander? Hildegard is daar duidelijk over: we zijn elkaars gelijke. Niemand van ons is meer of minder dan een ander, ook de machthebbers niet, en daarom veroordeelt ze onverbloemd de verderfelijke hoogmoed van onwijze wereldlijke en geestelijke leiders. Hildegard laat zich niet voorstaan op haar mystieke gaven. Ze wordt weliswaar op een bijzondere manier innerlijk onderwezen, maar dat leidt bij haar nimmer tot hooghartigheid. Integendeel, ze benoemt in dat kader steeds uitdrukkelijk haar eigen onbeholpenheid en breekbaarheid.

Leven in ootmoed betekent niet dat wij maar over ons heen moeten laten lopen. Iedereen heeft de plicht zich in het sociale domein overeenkomstig zijn talenten te manifesteren. Hildegard is daar ook een voorbeeld van: zij is zelfbewust, intelligent en ambitieus. Ze staat, als ‘fragiele’ vrouw, haar mannetje en ze straalt met kracht en overtuiging haar boodschap uit.

En die tijdloze boodschap van Hildegard is dat we ons blijvend moeten realiseren dat we afhankelijk zijn van de Schepper en dat ons jegens Hem een nederige houding past. Als wij ons hart openstellen voor God, ons hart geven aan God, met andere woorden, als wij oprecht geloven, dan betekent dat vanzelf dat wij sober, zuiver en rechtschapen leven, met compassie voor onze medemens. Wij laten dan immers de zonde niet toe. En elke mens die de zonde niet toelaat, maakt ruimte voor de genade van de goede God.

Hans Wilbrink (°1949) is neerlandicus en sociaal wetenschapper. Hij promoveerde in 2006 aan de Radboud Universiteit (Nijmegen) met een proefschrift over Hildegard van Bingen en Hadewijch van Brabant (Amplexio Dei, Shaker, Aken/Maastricht). Onlangs verscheen zijn boek over leven en werk van Hildegard van Bingen onder de titel Ootmoed (Abdij van Berne, Heeswijk-Dinther).

* Dit artikel is verschenen in het monastieke tijdschrift De Kovel 29 (2013).

[1] Zie: Bernward Konermann, Ordo Virtutum, Augsburg 1991, blz. 41.

[ii] Brieven 384. De brieven van Hildegard zijn uitgegeven door Brepols (Turnhout) in de reeks Corpus Christianorum, onder de titel Hildegardis Bingensis, Epistolarium (XCI en XCIa en XCIb). De teksten zijn ingeleid en van commentaar voorzien door Lieven van Acker (1991 XCI en XCIa) en Monica Klaes-Hackmöller (2001 XCIb).

[iii] Hildegardis Liber Vite Meritorum, Corpus Christianorum (XC), Turnhout 1995, ingeleid en van commentaar voorzien door Angela Carlevaris osb.

[iv] Brieven 509. Hildegard verwijst hier naar Ex. 22,23.

[v] Hildegardis Bingensis Liber Divinorum Operum, Corpus Christianorum (XCII), ingeleid en van commentaar voorzien door A. Derolez en P. Dronke, Turnhout 1996, III,3.

=======================================================================================================================================================================