Scivias deel 3

DEEL III
SCIVIAS, DEEL III
Sc.3.1
HOOFDSTUKKEN VAN HET EERSTE VISIOEN VAN HET DERDE DEEL
1. De harten van de gelovigen moeten de grootte, de breedte en de hoogte van de vreze des Heren in acht nemen en eerbiedigen.
2. Elke gelovige ziel die wijselijk God eert, is door haar geloof een zetel van God.
3. De diepte van Gods mysteries is voor de mensen onpeilbaar tenzij en in zoverre die door het geloof gegeven en ontvangen wordt.
4. In de Wijsheid van God de Vader is rekening gehouden met de vervolmaking van de uitverkorenen door de liefde van zijn Zoon.
5. Een voorbeeld hierover in het evangelie.
6.Wat leem van leem op de borst mag betekenen en waarom de mens niet door een engel geminacht mag worden.
7.Woorden van Jesaja hierover.
8. Woorden van David.
9.God de Vader verricht, ordent en voltooit al zijn werken in de Zoon die mens is geworden uit de dageraad van een Maagd.
10. De ronddraaiende cirkel.
11. De macht van God is groter dan de mens kan bevroeden. Waarom loven de engelen God?
12. God is waarachtig door zijn open gerechtigheid, en rechtvaardig zonder mankeren.
13. De kracht, de gerechtigheid en het oordeel van God kennen geen grenzen: onbegrijpelijk voor het mensenverstand.
14. De val van de eerste engel en zij die het met hem eens waren. Waarom en hoe en waardoor zij ten val zijn gekomen.
15. Woorden van Ezechiël hierover.
16. De glorie van de schittering die de duivel verloor door zijn trots, is in het geheim van de Vader behouden gebleven ten bate van een ander geschapen licht.
17. De duivel is gevallen zonder erfgenaam, de mens mét een erfgenaam.
18. Het voorbeeld van Goliath en David aangaande deze aangelegenheid.

HET EERSTE VISIOEN VAN HET DERDE DEEL.
Ik, een mens, afkomstig van andere mensen, ben niet waardig om mens genoemd te worden vanwege een overtreding van Gods wet, en dat terwijl ik rechtschapen had moeten zijn, maar ik ben onrechtschapen. Dankzij zijn genade ben ik Gods schepsel en zal Hij mij ook redden.
Ik keek naar het Oosten. En zie, daar zag ik iets als een steen uit één stuk, gaaf en van een geweldige omvang en hoogte. Hij was ijzerkleurig. Er rustte een lichtende wolk op. En daarop stond een ronde koningstroon met daarop Iemand die heel helder was door een wonderlijk en glorievol licht. Dat was zó intens dat ik hem op generlei wijze duidelijk kon waarnemen. Op zijn borst bevond zich zwarte en modderige slijk zo breed als de borst van een grote man is, maar wel omgeven met kostbare stenen en parels. En van die lichtende en op een troon zittende figuur ging een grote goudkleurige lichtkrans uit als de dageraad. De omvang daarvan heb ik nooit kunnen waarnemen. Hij draaide van het Oosten naar het Noorden, naar het Westen en het Zuiden en vandaar weer naar het Oosten naar het licht zelf, en dat zonder ophouden. Die lichtkrans was vanaf de aarde zo hoog dat ik hem niet zou kunnen inschatten. Hij straalde een verschrikkelijk helder licht uit met de kleur van steen, staal en vuur. In zijn volle omvang straalde hij omhoog tot in de hemel en terug tot in de diepe afgrond, zodat ik zijn begrenzing niet kon waarnemen.
Vervolgens zag ik met intense schittering en pracht een grote ster uitgaan van het geheimnisvolle wezen van Degene die op een troon was gezeten. Samen met die ster zag ik een zeer groot aantal fonkelende vonken weg spatten die met de genoemde ster samensmolten. Zij keken uit naar het Zuiden waar ze iemand op een troon zagen zitten als een vreemde. Zij wenden zich van hem af . Zij hunkerden meer naar het Noorden dan op te willen kijken naar Hem. Maar direct al, terwijl zij zich afwendden, werden ze uitgedoofd en werden zij zo zwart als houtskool.
Toen stak er van hen uit een wervelwind op die hen terstond van uit het Zuiden terug joeg achter de troon van Hem die op de troon is gezeten. Hij stortte hen hals over kop naar het Noorden toe in de afgrond zodat ik niemand van hen meer kon waarnemen. Maar de grote schittering die hun werd ontnomen, zag ik onmiddellijk bij het uitdoven terugkeren naar Degene die op de troon is gezeten.
En Degene die op de troon was gezeten, hoorde ik tot mij zeggen: “Schrijf de dingen op die je ziet en hoort”. En vanuit het innerlijk begrijpen van het visioen, antwoordde ik: “Ik vraag U, mijn Heer, om mij begrip te geven, zodat ik deze mystieke zaken verhalend tot uitdrukking kan brengen. Laat mij niet alleen, maar bevestig mij (cfr.Jes.14,9 en 11,19) in het opkomen van uw rechtgeaardheid waarin uw Zoon aan het licht is getreden. Geef mij in hoe ik naar vermogen en overeenkomstig uw bedoeling uw goddelijk raadsbesluit onder woorden kan brengen; hoe U gewild hebt dat uw Zoon mens zou worden, een mens in de tijd. In alle eenvoud hebt U dat al gewild nog vóór de schepping en in het vuur van de duif, oftewel van de Heilige Geest, zodat die Zoon van U wonderbaarlijk als een schitterende zon zou opgaan in de gedachte van een maagd, en daar bekleed zou worden met een ware menselijke gestalte terwille van de mens”.
En opnieuw hoorde ik Hem tot mij zeggen: “O, hoe mooi zijn jouw ogen in het verhaal van God, want daar gloort de dageraad overeenkomstig Gods raadsbesluit”. En opnieuw antwoordde ik, verlicht door wat ik begreep van het innerlijk inzicht van dat visioen: “In het binnenste van mijn ziel kom ik mij voor als as van as van rommel en als opwaaiend stof, waarin ik bevend neerzit als een veertje in de schaduw. Vernietig en verwijder mij toch niet van de aarde van de levenden, want in dit visioen werk ik mij in het zweet . Doe het ook niet omdat ik nietswaardig ben in mijn geest die vastzit aan mijn lichamelijkheid. Voortdurend reken ik mijzelf tot iemand die op de laatste en minste plaats komt, zodat ik niet waard ben om mens genoemd te worden. Want ik ben een bangerik en durf uw mysteries niet uit te spreken. O goede en zachtmoedige Vader, leer mij inzien wat U wilt dat ik zou moeten zeggen. O Vader, die gevreesd moet worden, en zoetste en vol van genade, laat me niet in de steek, maar behoed mij in uw barmhartigheid”.
En opnieuw hoorde ik dezelfde stem die tot mij sprak: “Nu moet je spreken en wijs zijn. Ik wil dat je spreekt ofschoon je maar as bent. Spreek over het openbaar maken van het brood dat de Zoon van God is, leven uit vurige liefde. Iedere dode zal Hij doen opstaan naar ziel en lichaam. Hij zal hem doen opstaan naar ziel en lichaam en na kwijtschelding van de zonden hem tot rust brengen in heldere klaarheid. Hij is degene die zelf in de mens het begin en het einde is van de opwekking tot heiligheid, nog voordat die in hem wordt opgewekt. Daaruit blijkt hoe groot de middelaar is die de grootmoedige, glorierijke en onbegrijpelijke God als werktuig gegeven heeft, toen Hij zijn Zoon zond in de kuisheid van een maagdelijk wezen dat geen enkele vorm van smet in haar maagdelijkheid kon hebben, waardoor zij minder waard zou zijn geweest. Er kon en er moest geen sprake zijn van enigerlei vleselijke smet in het denken van de Maagd, want de moorddadige en dodelijke dood van het mensengeslacht is zonder het te weten en als in de slaap misleid geworden toen de Zoon van God in grote stilte gekomen is in de dageraad, dat wil zeggen in een nederig meisje. De dood is voortgegaan zeker van zichzelf, niet bewust van het leven dat deze lieve Maagd bij zich droeg, want haar maagdelijkheid was voor hem verborgen. De Maagd zelf verkeerde in armoedige omstandigheden, omdat de goddelijke Majesteit haar zo wilde aantreffen.
Schrijf dan nu aldus over de ware erkenning van de Schepper in zijn goedheid.
1. De harten van de gelovigen moeten de grootte, de breedte en de hoogte van de vreze des Heren in acht nemen en eerbiedigen.
God moet door elk van zijn schepsels met de hoogste eer en vreze vereerd en gevreesd worden. Hij heeft alles geschapen voor de glorie waartoe Hij de mens bestemd heeft en waarvan Hij de afvallige engel met zijn volgelingen heeft uitgesloten. Het is immers terecht dat de Schepper van alles geëerd wordt door zijn schepsel, en dat God heel getrouw boven alles wordt aanbeden. Ongetwijfeld is dat het wat die steen die je ziet, te beduiden heeft. Want die steen is in het mysterie de grootte van de vreze des Heren, die altijd met de zuiverste intentie in de harten van de gelovigen moet opkomen en daar blijvend moet volharden.
Maar het feit dat je hem helemaal gaaf ziet en met zijn geweldige omvang en hoogte en in de kleur van ijzer, betekent dat de stevige en omvangrijke grootte van de vreze des Heren zeer sterk bewaard moet blijven. Want God moet door ieder schepsel met volle inzet geëerd worden. Het schepsel moet erkennen dat God één en waarachtig is, en dat er niemand is dan Hij alleen, en dat niemand aan Hem gelijk is. De steen heeft een geweldige afmeting. Hij is niet te bevatten. Hij gaat allen en alles te boven. Ook in de hoogte. Want niemand is in staat diens heilige goddelijkheid te begrijpen of aan te raken met de reikwijdte van zijn zintuigen, want diens hoogte gaat alles te boven.
Maar het feit dat de steen ijzerkleurig lijkt, wijst er op dat het voor het menselijk begrip lastig en moeilijk is om God te vrezen. Dat is zelfs héél moeilijk voor de onstandvastigheid van korrelige as. Het menselijk schepsel is immers weerbarstig.
2. Elke gelovige ziel die wijselijk God eert, is door haar geloof een zetel van God.
De witte wolk boven de steen is de heldere wijsheid van de menselijke geest. En daarop stond een ronde koningstroon . Dat is het sterke en vorstelijke geloof dat in het christenvolk aanwezig is. Daar is God trouw mee verbonden. Want waar de vreze des Heren stevig geworteld is, daar zal ook de wijsheid van het menselijk verstand uitblinken. Vervolgens zal daar, met Gods hulp, ook het geloof aan toegevoegd worden. Daarin bereidt God voor zichzelf een rustplaats. Want als er vreze voor God is, dan zal Hij ook door de wijsheid van het menselijk verstand in geloof begrepen worden. Hij moet immers door die deugden benaderd worden, zoals een zetel zijn heer omsluit. Dan bereidt God ook in die deugden zijn zetel. Hij is de hoogste boven alles. Hij kan niet met begrippen van macht of overheersing begrepen worden..Alleen in het enige en pure geloof is Hij gezeten, want God is de enige en boven alles in wie men moet geloven.

3. De diepte van Gods mysteries is voor de mensen onpeilbaar tenzij en in zoverre die door het geloof gegeven en ontvangen wordt.Op die troon is Iemand gezeten die heel helder is door een wonderlijk glorievol licht. Dat is zó intens dat ik Hem op generlei wijze duidelijk kan waarnemen. Op zijn borst bevindt zich zwarte en modderige slijk zo breed als de borst van een grote man is, maar wel omgeven met kostbare stenen en parels. Het gaat over de levende God die alles te boven gaat. Hij is stralend van goedheid en bewonderenswaardig in wat Hij doet. De geweldige helderheid die in de diepte van het mysterie gelegen is, kan geen mens volledig aanschouwen. Dat kan alleen in de mate waarin het gelovig begrepen en gedragen wordt, zoals een zetel zijn heer draagt en omvat.
Zoals de zetel onderdanig is aan zijn heer, zodat hij zich niet tegen hem kan verzetten, zo verlangt ook het geloof niet om trots naar God op te kijken, maar slechts om Hem met oprechte vroomheid aan te raken.
4. In de Wijsheid van God de Vader is rekening gehouden met de vervolmaking van de uitverkorenen door de liefde van zijn Zoon.
Op zijn borst dat betekent: in de wijsheid van zijn misterie bevindt zich uit liefde voor zijn Zoon, ziek, zwak en armzalig slijk. Dat is de mens. Dat slijk is zwart verwijzend naar de zwartheid van de zonden, en modderig vanwege de vleselijke bevlekking. Zo breed als de borst van een grote man is: dat verwijst naar de wijde omvang van de diepe en grote wijsheid waarmee God zelf de mens geschapen heeft. Daarbij ziet Hij om naar hen die door boetedoening op weg zijn naar de redding van hun ziel, ongeacht door welk zondig misdrijf zij zich voordien ook in hun zwakheid tegen God hebben verzet. Zij willen immers bij Hem komen.
Zij zijn omgeven met meerdere sieraden van mensen die temidden van hen verschijnen als kostbare stenen, grote persoonlijkheden zoals martelaren en maagden van heiligheid. Ook lijken zij op parels. Die duiden op de onschuldige en rouwmoedige kinderen van de verlossing.
De slijk is dus mooi omgeven met kostbare stenen en parels. Dat duidt op zoveel deugden die in de lijfelijke mens aanwezig zijn en in God in volle klaarheid schitteren. Want Hij die adem en leven aan de mens gegeven heeft, heeft daarbij naar zichzelf gekeken. Hoezo?
In zijn voorbestemming wist God vooruit dat zijn Zoon mens zou worden ten bate van de verlossing, en dat in diens lichaam de afwassing van alle vormen van misdadige bevlekking zou plaatsvinden. Daarom ziet God om naar de zielen die gerechtvaardigd zullen worden zolang zij nog in hun lichaam aanwezig zijn, ofschoon zij een overmaat aan zonden bedreven hebben, mits zij er maar een gewoonte van gemaakt hebben om na hun verschillende dwalingen opnieuw in de gerechtigheid van God te wandelen. Dit alles op voorwaarde dat zij in God blijven en verre blijven van grove vergeetachtigheid en dat zij op hun schreden terug keren van elke ondeugd waardoor zij dodelijk gewond geraakt zijn en in zonden terecht zijn gekomen. Zij zien hoe veel mensen opgestaan zijn uit dwalingen waarin zij vol wonden leefden met wonden van de ergste soort, hersteld uit de dood van stinkende misdaden.
Maar ook zullen er velen aantreden die in de bitterheid van het schrijnend leed van de zonde zo ernstig gewond zijn geraakt, dat zij zelfs in de gewoonte van hun slechte zeden zo weerzinwekkend geworden zijn, dat zij niet verder op adem kunnen komen in de golven om dodelijk werk te verrichten in echtbreuk, moord en overmaat aan alle vormen van slechtheid.
5. Een voorbeeld hierover in het evangelie.
O, ongelukkigen! Komen zij zelf niet als vreemdelingen terug uit een verafgelegen gebied zoals in het evangelie te lezen staat, waar de jongere zoon zegt Ik ga terug naar mijn vader. Ik zal hem zeggen: ‘Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u. Ik ben niet meer waard om uw zoon genoemd te worden. Behandel mij als een van uw dagloners’ (Lk.15,18-19)
Dat betekent.
De mens die na een val in de zonde, op aansporing van de Heilige Geest tot inkeer komt en zegt: “Ik wil opstaan uit die ondraaglijke gevolgen van de zonde. Ik kan die niet verdragen vanwege de grootte van mijn schuld. Ik zal terugkeren, wenend bij de herinnering in mijn gemoed en rouwend om mijn zonden. Zo zal ik tot mijn vader terugkeren. Hij is mijn Vader, want hij heeft mij geschapen. Ik zal hem zeggen: “Vader, ik heb tegen de hemel gezondigd!” Dat wil zeggen: Ik heb gezondigd tegen het hemels werk dat ik ben, tegen U die mij geschapen hebt overeenkomstig uw wil. U hebt mij bij die schepping zó aangeraakt dat ik ook hemels zou moeten zijn in mijn daden. Maar ik heb mij ingelaten met zeer slechte daden, zondigend tegen U, want ik heb mijn menselijke natuur in mij teniet gedaan
Hoe?
In vele afschuwelijke dingen. Daarom ben ik ook schuldig ten aanzien van mijn teloorgang en ten aanzien van uw grootheid. Ik ben niet waard om uw kind genoemd te worden, want in de nietswaardigheid van mijn hart ben ik op een andere manier met het schepselzijn omgegaan dan waartoe ik door U geschapen ben. Maar maak mij nu tot een slaaf die met het loon van het bloed van uw Zoon is vrijgekocht.
Hemzelf hebt U ons gegeven als zo’n hoge afkoopsom dat de dood die nooit meer ongedaan kan maken om welke prijs dan ook. Die afkoopsom vergeeft de zondaars door de boetedoening die uit het lijden van uw Zoon is voortgekomen. Het rechtmatig erfdeel van de kinderen heb ik in Adam verloren. Ofschoon als zoon geschapen in rechtvaardigheid, is hem de eer van het geluk ontzegd geworden. Maar nu moet boetedoening de wonden van de mensen genezen via het bloed van uw Zoon.
Dit moet gezegd worden aan hen die Adam volgen in zijn val en zich vervolgens in boetedoening bekeren. Dan komen zij tot heil. Zij herinneren zich dat zij veel dingen hebben gehoord die in de Schrift worden verteld. Ook over de kruisiging en het bloed dat door hun Verlosser is gestort. Zuchtend herinneren zij zich dat zij met hun gehoor gezondigd hebben tegen wat zij met toeleg hadden moeten volbrengen. Met name geldt dat het volbrengen van het woord van God, terwijl zij juist zijn Wet veronachtzaamden. Die was hun in een vastgestelde wet opgelegd om te onderhouden. Maar zij weigerden om te kijken naar wat gedaan moest worden, of juist niet gedaan moest worden vanwege de vreze des Heren.
Zij komen dan toch tot de waarheid en zien de dingen die zij ooit vernomen hebben of van God uit al wisten.
Terwijl zij eerst zozeer verblind waren dat zij niets van Gods gerechtigheid wilden weten,
werden zij nu enigermate bereid om aan die wijsheid de voorkeur te geven boven de zonden die dateren van toen zij die wijsheid nog verachtten en het woord van God verwierpen en bespuugden.
Velen van hen hebben overvloed aan aardse goederen, maar zij worden niet verzadigd en het is voor hen ook niet voldoende om in het huis van God de goddelijke eredienst te vieren en de gerechtigheid bovenmate te beoefenen. Daarom zijn zij altijd bedroefd bij de herinnering aan het smartvolle kwaad dat zij hebben aangericht in tegendraadse zaken. Toen hielden zij er ongeoorloofde praktijken op na en liepen zij aan de geoorloofde zaken van Gods Wet voorbij.
6.Wat leem van leem op de borst mag betekenen en waarom de mens niet door een engel geminacht mag worden.
Dat is de modderige slijk die je kunt zien op de borst van de liefdevolle Vader. Wat betekent dat?
Het volk treedt gelovig de Zoon van God tegemoet die van het hart van de Vader is uitgegaan en op de wereld is gekomen. Het volk hecht zich aan Hem met dezelfde bedoeling als waarmee ze in Hem geeloven. Zo komen zij beslist ook aan het hart van de liefdevolle Vader terecht opdat geen engel of welk ander schepsel dan ook de mens zou verachten. Want de Zoon van de allerhoogste God is mens geworden en draagt dus het menszijn in zich. Het heilige engelenkoor zou de mens voor onwaardig gehouden kunnen hebben vanwege de grote smerigheid van ondeugd in zijn zonden. Zelf zijn de verheven engelen onschendbaar ten aanzien van iedere tekortkoming in rechtschapenheid. Zij zien enkel heel gedegen het gelaat van de Vader. En waar de vader van houdt daar houden ook zij van samen met de Zoon.
Hoe dan?
De Zoon van God is immers mens geworden. Want Ik, de Vader, heb mijn Zoon, geboren uit een Maagd, aangesteld tot heil en herstel van de mens. Dat zegt ook Jesaja mijn dienaar (Is.40,11).
7.Woorden van Jesaja hierover.
Als een herder zal Hij zijn kudde weiden, in zijn armen brengt Hij zijn kudde samen. Hij draagt ze aan zijn borst, terwijl hij de ooien leidt.(Is.40,11).
Dat betekent: zoals een herder zijn kudde weidt, zo weidt mijn Zoon zijn verloste kudde als de goede herder .
Hoe doet Hij dat?
Hij weidt de kudde met de Wet die Hij namens Mij in werking heeft gesteld. Met de uitgestrekte macht van zijn arm – dat duidt er op dat mijn Zoon mens is – zal Hij de onschuldige lammeren bijeenbrengen uit de schuld van Adam via de onschuld van het doopsel. Daarin wordt de oude mens afgelegd met de werken die daarbij horen, en mijn Zoon zal hen op zijn schoot tillen via zijn deugden en zijn Wet.
Hoe zal dat gebeuren? Hij heft hen omhoog tot in de hoogste hemelen zodat zij zijn ledematen worden.
Daardoor blijkt de mens in het innerlijk geheim van God gestalte te krijgen. Geen enkel schepsel, zelfs geen engel kan dat, want mijn Eniggeboren Zoon heeft terwille van de verlossing van het mensengeslacht de gestalte van een mens aangenomen in maagdelijk vlees . Hij zal de mensen in wording dan ook in zijn hart dragen. Hoe dan wel?
Die Zoon van Mij draagt de mensen in zijn bloed. Zo zijn zij door zijn vijf wonden gered.
Welke zonden zij ook met hun vijf zintuigen bedreven hebben, zij zullen na boetedoening afgewassen worden door opperste gerechtigheid. Hij heeft hen immers op zich genomen door mens te worden, door met vijf wonden gewond te raken op het kruis, door te sterven, begraven te worden en uit de doden op te saan.
Hij heeft hen ook zijn hand toegestoken en hen weer naar zich toegehaald. Hoe dan? Doordat die Zoon van Mij mens geworden is voor hen die dachten dat zij verloren waren vanwege de val van Adam. Die Eniggeborene van Mij heeft ook de dood overwonnen, zodat die niet langer over hen kon heersen. Bij gevolg wist Hij ook, uit kracht van zijn helder inzicht, dat zij zouden komen via de zuiverende kracht van de boetedoening.
Hoe zie je hen dan in de schoot van de Vader terecht komen? Dat gebeurt doordat de Mensenzoon tot volmaaktheid komt in het geheimvolle bestaan van de Vader samen met zijn ledematen. Hoe dan? Wanneer de wereld voltooid wordt, worden ook de ledematen van Christus voltooid. O, hoe mooi is die Zoon, zoals de Psalmist het uitdrukt….
8. Woorden van David.
U bent de mooiste onder de mensen (Ps.45,3). Dat betekent: In Hem schittert de prachtigste schoonheid in zijn helderste gestalte zonder enige smet van zonde, zonder stinkend menselijk vocht, en zonder enige begeerte naar de daad die verricht wordt in begeerte naar zonde die eigen is aan het zwakke menselijk

lichamelijk bestaan. Deze Mens is daar nooit mee besmet. Deze gedaante van de Mensenzoon is in alle eenvoud geboren ten bate van alle mensen. Dat is ook de reden waarom een ongeschonden Maagd haar Zoon zonder zonde heeft gebaard, omdat zij wist dat Zij een Zoon had buiten iedere last van het baren om. (Cfr. Gen3,16 Ik zal de lasten van je zwangerschap zeer zwaar maken, met pijn zul je kinderen baren.) Hoe dan wel? Omdat Zij geen enkel contact heeft gehad met een zondige bezigheid, heeft Zij ook geen smarten gekend bij het baren, maar bleef, diep in haar binnenste, blij haar lichamelijke ongereptheid bewaard. O, wat een luisterrijke gestalte!
Maar het mag de mensen bekend zijn dat die lichamelijke schoonheid niet groter kon zijn dan de gestalte van de mens die door de schikking van de diepe Wijsheid tot stand werd gebracht.
Want de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, één God in drie Personen, scheppen geen behagen in de schoonheid van het vlees, maar in de grote nederigheid. Vandaar dat de Zoon van God zich omkleed heeft met nederigheid.
Toch was er in de gestalte van de Mensenzoon geen enkel gebrek, zoals dat soms in de uiterlijke gestalte van een mens voorkomt overeenkomstig de beschikking van God. Zoals
bijvoorbeeld de ledematen van een mens soms mismaakt zijn, niet normaal, zoals bij zwakzinnigen. Dat is niet te wijten aan de natuurlijke vormgeving in het lichaam van een mens, maar dat heeft te maken met het raadsbesluit van God.
De krachtige natuur komt voort in een juiste ontwikkelingsgroei; de zieke natuur komt voort uit afwijkende vorming en mismaaktheid, maar daar kan deze mens, mijn kind, niets aan doen.
Maar hoe verschillend de mensen in hun ledematen ook zijn, of ze zwart zijn of lelijk, vol vlekken of melaats, lijdend aan waterzucht of vol zitten met afwijkingen of met kwaadaardige huiduitslag als gevolg van duivelse beïnvloeding, of zij onwijs zijn en hardleers om het goede van de Heer te zien, laakbaar en schuldig aan grove vergeetachtigheid om gerechtigheid te beoefenen, en het slechte doen en het goede nalaten, en bij dit alles het kruis en het lijden van de Heer verachten,…God de Vader kijkt naar de bedoeling van zijn maaksel van leem, zoals een vader omziet naar zijn kinderen als hij hen op zijn schoot tilt. En omdat Hij God is, heeft Hij ook de liefde van een vader voor zijn kinderen. Zo groot is immers de intense liefde van zijn hart voor de mensen dat Hij zijn Zoon naar het kruis gezonden heeft zoals een lam dat tam naar de slachtbank wordt geleid (Jer.11,19) om gedood te worden. Zijn grote liefde blijkt ook uit het feit dat de Zoon het verloren schaap op zijn schouders teruggebracht heeft. Daarmee heeft Hij de mensheid opgeraapt en in grote smarten gedragen, omdat Hij bereid is voor zijn schapen te sterven.
Temidden van die mensen bevinden zich ook velen die met eretekens omhangen zijn, die prachtige gewaden van deugden dragen, martelaren, maagden, onschuldige kinderen, mensen die boete doen, en mensen die aan hun leermeesters onderdanig zijn, zoals voorspeld is geworden. Ook zijn er mensen die
oesnellen, want het Rijk van God is voor u in gereedheid gebracht. Want naar gelang de ijver waarmee gelovigen de gerechtigheid van God in praktijk brengen, die schoongewassen zijn in het doopsel en gekend zijn in het geloof, in die mate zal ook hun loon zijn.
9.God de Vader verricht, ordent en voltooit al zijn werken in de Zoon die mens is geworden uit de dageraad van een Maagd.
En zoals je ziet, gaat er van die lichtende en op een troon zittende figuur een grote goudkleurige lichtkrans uit als de dageraad. De omvang daarvan kun je nooit waarnemen. Dat duidt op het volgende.
Van de almachtige Vader gaat een zeer sterke kracht uit en een heel sterke daad. In zijn macht ligt alles vervat. Daarmee werkt Hij in zijn Zoon die Hij van altijd al bij zich heeft gehad in de heerlijkheid van zijn goddelijk wezen. Door Hem ordent en volbrengt Hij al zijn werken, die van vóór de wereld, en ook die vanaf het begin in de wereld aanwezig zijn. Dat begin kleurt rood als de dageraad met zijn prachtigste gloed. Dat verwijst naar de Zoon die in de zeer wijze Maagd, – die als dageraad wordt aangeduid -, mens geworden is door de kracht van de “vinger Gods” oftewel door de Heilige Geest. In Hem is elk werk van de Vader tot stand gekomen. De omvang van die gloriekrans kan door geen enkel verstand begrepen worden. Want God is onschatbaar en onbegrijpelijk in zijn macht, en onovertroffen en wonderbaar in zijn werken.
10. De ronddraaiende cirkel.
En die goudkleurige lichtkrans draaide van het Oosten naar het Noorden en vandaar naar het Westen en het Zuiden, naar Hem die op de troon is gezeten, en dat zonder einde.
Dit betekent dat de macht en het werken van God rondgaanen heel de schepping omvatten.
Hoe dan?
Door de wil van de Vader, die met de Zoon en de Heilige Geest één God is, zijn alle schepselen ontstaan. Zij allen speuren zijn macht.
Hoe dan?
Allen ervaren Hem in de schepping als draaiend vanuit het Oosten oftewel vanuit de oorsprong van alle gerechtigheid, en verder neigend naar het Noorden waar de duivelse verwarring heerst, en naar het Westen waar de donkere duisternissen van de dood het levenslicht willen doven. Maar het licht rijst weer op en overwint de dichte nevel van de duisternis. Dan doordraaiend naar het Zuiden waar de verschroeiende hitte van de gerechtigheid Gods in de harten van de gelovigen gloeit. En aldus terugkerend naar de oorsprong van de gerechtigheid dus als het ware naar het Oosten. Wat heeft dat te beduiden?
Wanneer op de door God vastgestelde tijd het werk van God door zijn hoogste macht vervuld is geworden bij de mensen op deze aarde, dan zal ook de cirkelgang van de wereld voltooid zijn op het einde van de wereld en op de jongste dag. In Degene die op de troon is gezeten zullen dan al zijn werken zonder ophouden schitteren in zijn uitverkorenen: Hij die was en is en in zijn godheid blijven zal zonder enige onderbreking van tijd, zodat Hij niet geweest is, maar is.
11.De macht van God is groter dan de mens kan bevroeden. Waarom loven de engelen God?
En wat betreft de lichtkrans die vanaf de aarde zo hoog is dat je hem niet kunt inschatten. Dat betekent dat de opperste macht van God voor het aanvoelen en het begrip van de mens zo hoog boven alle schepselen verheven is , en zo onbegrijpelijk in allen en boven alles uit, dat geen enkel schepsel die macht met enig zintuig kan om schrijven. Het enige dat gezegd kan worden, is dat zij al het weten te boven gaat. Vandaar dat de engelen God herhaaldelijk lof toezingen. Zij zien Hem immers in zijn macht en glorie, maar niet volkomen en ten einde toe. Ook kunnen zij nooit verzadigd worden door zijn grootheid en zijn schoonheid.
12.God is waarachtig door zijn open gerechtigheid, en rechtvaardig zonder mankeren.
Over Hij straalde een verschrikkelijk helder licht uit met kleuren van steen, staal en vuur het volgende. Dit duidt er op dat de goddelijke macht in grote gestrengheid goddelijke macht uitstraalt tegen de heimelijke, ongeduldige en ongestrafte vreselijke ongerechtigheid.
En als staal…. Dat duidt op het feit dat God scherpzinnige gerechtigheid beoefent. Die kent geen enkele ongerechtigheid als was zij loszittende korrels stof. Of zoals gezegd wordt: “Deze ongerechtigheid is terecht!” Dat kan God niet behagen. Hij is zelf de gerechtigheid die iedere andere gerechtigheid staalhard bevestigt ofschoon die toch veel fragieler is dan zijn eigen gerechtigheid. Het is als ijzer tegenover staal en zelfs als het vuur. Hij is zelf het oordelend vuur dat elke zonde in iedere ongerechtigheid verbrandt. Die ongerechtigheid heeft zich nooit willen plooien op zoek naar Gods barmhartigheid.
God is ook als een steen in een mens, want Hij is wáár en rechtgeaard zonder enige afwijking.
Want een steen kan niet week worden. Hij kent geen enkele verandering. Hij is als staal zoals helderziendheid die zonder mankeren alles van tijdelijke aard doorziet. Want Hij is God die boven alles staat. Hij is als vuur, Hij ontvlamt alles, steekt alles in brand en verlicht het zonder enige tijdelijke wisselvallige nieuwigheidjes. Hij is immers God.
13.De kracht, de gerechtigheid en het oordeel van God kennen geen grenzen: onbegrijpelijk voor het mensenverstand.
In zijn volle omvang straalde hij omhoog tot in de hemel en terug tot in de diepe afgrond, zodat ik zijn begrenzing niet kon waarnemen.
Dat betekent dat de kracht van de macht en de daadkracht van God en van zijn gerechtigheid evenals die van zijn aller-juiste oordeel eindeloos zijn en overal onbegrijpelijk zowel in de hoogte van de hemel alsook in de diepte van de afgrond. Geen mens kan dat begrijpen.
14.De val van de eerste engel en zij die het met hem eens waren. Waarom en hoe en waardoor zij ten val zijn gekomen.
Je ziet ook met intense schittering en pracht een grote ster uitgaan van het geheimnisvolle wezen van Degene die op een troon is gezeten. Samen met die ster zie je een zeer groot aantal fonkelende vonken weg spatten.
Dat wijst op het feit dat op bevel van de almachtige Vader, de engel Lucifer – thans de Satan – bij zijn ontstaan met grote glorie omkleed was en met stralende helderheid en pracht te voorschijn trad, en samen met hem alle fonkelende sterren van zijn stoet. Toen straalden zij in hun lichtende gloed, maar nu zijn zij gedoofd in het duister van dichte nevel.
Wie geneigd is tot het kwaad, ziet niet volledig naar Mij op. Vertrouwend op zichzelf dacht hij dat hij kon ondernemen wat hij maar wilde, en dat hij zou kunnen voltooien wat hij zou beginnen. Vandaar dat hij al wat hij verschuldigd was aan Degene die op de troon is gezeten omdat hij door Hem geschapen was, omgebogen heeft naar zichzelf toe. Daarmee boog hij af naar het kwaad.
Wat betreft de woorden: samen met die ster optrekkend naar het Zuiden zetelen alsof het een vreemde was. Zij wendden zich van Hem af. Zij hunkerden meer naar het Noorden dan op te willen zien naar Hem. Dat betekent dat die Lucifer en iedere (engel) uit zijn gevolg wonderlijk geschapen is in de warme goedheid van God, maar nu dwars ligt. Uit trots veracht hij Hem die in de hemel regeert. Zij allen zijn ontstaan bij de schepping, maar van begin af aan hebben zij smaak gevonden in de goddeloosheid, die hun tot verderf geworden is. Zij zagen op naar God, maar niet om Hem in goedheid te willen erkennen, maar om zich boven Hem te willen verheffen als boven een vreemde. Met een flagrante zelfverheffing keerden zij zich van Hem af door Hem niet te erkennen. Zij neigden méér naar hun val, dan te verlangen naar het erkennen van God in zijn glorie.
Maar direct al, terwijl zij zich afwendden, doofden zij uit en werden zij zo zwart als houtskool.
Dat betekent dat, terwijl zij het trots beneden hun waardigheid achtten om God te erkennen, Lucifer zelf met heel zijn aanhang uitgeblust werden in hun slechtigheid. Weg was de heldere gloed van zijn glans waarmee hij door Gods macht was uitgedost. Daarmee deed hij afbreuk in zichzelf aan de innerlijke schoonheid waardoor hij zich bewust moest zijn van het goede. Hij haakte naar de goddeloosheid die hem verslond. Zo is hij uitgedoofd temidden van de eeuwige klaarheid, en is hij in het eeuwige verderf terecht gekomen. Vandaar dat zij allen zo zwart werden als houtskool. Want samen met de duivel, hun leider, werden zij uitgesloten van de lichtende krans van hun pracht. Zo liggen zij nu uitgeblust in het verderf van de duisternis zonder welke glorie van gelukzaligheid dan ook zoals steenkool zonder vuur in zijn gloeiende sintels.
Toen stak er van hen uit een wervelwind op die hen terstond van uit het Zuiden terug joeg achter de troon van Hem die op de troon is gezeten. Hij stortte hen hals over kop naar het Noorden toe in de afgrond zodat je er niemand meer van kunt zien.
Dat duidt op het feit dat er een zeer hevige opgeblazenheid van goddeloosheid in deze engelen van ongerechtigheid is opgekomen. Zij wilden boven God staan en Hem met hun trots aan zich onderwerpen. Maar in God ontstak een aller-bitterste boosheid ter vernietiging, en Hij heeft hen teruggeworpen weg van het Zuiden, dat is weg van het goede. Dat betekent dat God hen verworpen heeft in de vergetelheid van God die alles regeert, dus naar het Noorden. Waar zij zich trots wilden verheffen, daar zijn zij in verwarring ten val gekomen, en wegens hun hoogmoed in de afgrond van de eeuwige dood gestort. Dat is hun eeuwige verdoemenis. Daar zullen zij nooit meer het licht zien, zoals Ik door mijn dienaar Ezechiël heb gesproken in het zuidelijk bergwoud. Dat had een vurige vrucht van gerechtigheid moeten voortbrengen, maar dat niet heeft gedaan.
15. Woorden van Ezechiël hierover.
Ik steek u in brand, het vuur zal zowel het groene als het dorre hout verbranden. De laaiende vlam zal niet uitdoven: van noord tot zuid zullen alle gezichten er door verschroeid worden.
En al het vlees zal zien dat Ik, de Heer, het heb ontstoken. Het zal niet gedoofd worden.
(Vulgaat: Ez.20, 47-48; LXX: Ez. 21,3-4) En zo is het!
O jij stompzinnige! In je trots ben je tegen Mij in opstand gekomen, tegen Mij die geen begin of einde ken. Vanuit mijn naijver doe Ik in jou het vuur van mijn mijn naijver ontbranden. Daarmee zal Ik alle levenskracht in jou verbranden waarmee je een vals leven op touw hebt willen zetten, meer vertrouwend op jezelf dan op Mij. Want in je waanzin meende je te kunnen worden wat je in je trots had uitgedacht. Ik zal alle dorheid van de verworpelingen in jou doen branden omdat je bij de mens, die maar as is, de suggestie hebt gedaan dat de zonde iets goeds is. Jouw suggestie zal je geen enkel voordeel opleveren, maar zal in jou een eeuwig vuur zijn.
Voor jou zal er geen enkele beloning van heil zijn, en ook niet voor degenen die jouw voorbeeld volgen. En ook al zul je er om smeken, de ontstoken straf zal niet worden gedoofd. Zij zal als het ware je voortdenderende trots verbranden in het zicht van de verlangde eer, die je voor jezelf met zoveel hartstocht hebt willen bezitten. Je bent verworpen, weg van al je roem. Je bent opgestaan in het Zuidoosten, in het warme en zeer heldere licht, en je valt neer in de duisternis van het Noorden, dat is de hel.
Iedere mens zal die zien: de uitverkorenen want die zijn haar ontvlucht, alsook de verworpenen want die zullen er in gestraft worden. Allen weten dat Ik, de almachtige Heer, haar heb ontstoken om, al jouw slechte daden, jij duivel, te bestraffen. Zij zal niet gedoofd worden, noch voor jouw slechte daden noch voor die van je volgelingen.
En zo heeft de teloorgang van de duivelse trots de Satan en zijn engelen in de akelige en uiterste duisternis van eeuwige kwellingen gestort zonder enige troost van licht. Er is voor hem geen enkele plek binnen het eeuwige licht. En ook jij, zwakke mens, hebt niets meer van hen kunnen waarnemen. Gedreven door mijn Geest spreekt Ezechiël ook weer tot de koning van Tyrus met deze geheimnisvolle woorden:
Alle volken die jou kenden, staan verbijsterd. Je bent een schrikbeeld geworden; tot in eeuwigheid zul je niet meer zijn. (Ez.28,19)
Dat betekent: Alle rechtgeaarde mensen die jou, duivel, zullen zien, dronken als je bent over de ondeugden bij de volken die jou hebben omarmd in het schenden van Gods wet, zullen verdorren en verbijsterd zijn over jouw smerig lot. Verbijsterd zijn zij over het feit dat jij met jouw stoken de tempel in het bouwwerk van God dat toch de mens is, hebt bezoedeld. Daarom ook ben je door je hoogmoed een nul geworden. Je bent alle heilzame eer kwijt geraakt. Je bent immers volstrekt onbekwaam geworden voor welk geluk dan ook. In de eeuwigheid zul je geen enkele eer of roem meer hebben temidden van de hemelingen, want voor eeuwig en altijd ben je voor hen een eindeloze schande geworden.
16. De glorie van de schittering die de duivel verloor door zijn trots, is in het geheim van de Vader behouden gebleven ten bate van een ander geschapen licht.
Nu over: de grote schittering die hun werd ontnomen, zag ik onmiddellijk bij het uitdoven terugkeren naar Degene die op de troon is gezeten.
Dat duidt op het feit dat de heldere en grote gloed die de duivel vanwege zijn hoogmoed en koppigheid is kwijtgeraakt, naar de Vader is teruggekeerd en daar in zijn geheim werd bewaard. Vanwege zijn hoogmoed en koppigheid is de duivel die gloed kwijtgeraakt. Het zaad van de dood heeft toen zijn intrede gedaan in zijn bestaan en dat van zijn volgelingen. Lucifer was van een helderder licht dan de overige engelen. De schitterende glorie van hem mocht niet verloren gaan. Daarom heeft God die bewaard voor een ander licht dat het méér waard zou zijn.
Want degene die God naakt heeft doen opstaan – bedoeld is de duivel met zijn trawanten- niet bedekt met vlees maar wel in prachtige schittering, diens schittering heeft Hij bewaard voor het leem waaruit Hij de mens gemaakt heeft. Hij maakt hem uit de meest platvloerse aarde, opdat hij zich niet zou verheffen tot gelijkheid met God. Want degene die Hij met veel prachtig licht geschapen had, en niet voorzien van zo’n zwakke en miserabele natuur als van de mens, heeft niet staande kunnen blijven in zijn verhevenheid, want er is maar één God zonder begin en zonder einde in alle eeuwigheid. Daarom is het het allerergste van alle misdrijven als men zich aan God gelijk stelt.
Nu echter heb Ik, God van de hemel, het luisterrijke licht dat bij de duivel is weggehaald vanwege zijn slechtheid en dat Ik zorgvuldig bij Mijzelf verborgen hield, aan de leem van de aarde gegeven dat Ik geboetseerd heb tot mijn Beeld en gelijkenis. Het is zoals een mens doet als zijn zoon sterft. Hij heeft dan geen nakomelingen meer om er zijn erfenis aan na te laten. Omdat hij geen erfrechtelijke kinderen meer heeft, haalt de Vader de erfenis weer naar zich toe, en houdt die in petto voor een andere zoon die nog geboren moet worden. Zodra die uit hem geboren zal worden, zal hij de erfenis aan hem geven.
17. De duivel is gevallen zonder erfgenaam, de mens mét een erfgenaam.
De duivel is gevallen zonder erfgenaam. Dat is een goede en terechte zaak, want hij heeft nooit iets goeds gedaan of geprobeerd. Daarom heeft iemand anders zijn erfenis ontvangen. Ook die kwam ten val, maar die had wél een erfgenaam namelijk het begin van gehoorzaamheid. Hij heeft die immers met toewijding op zich genomen, ofschoon hij de taak die daarbij hoorde, niet heeft volbracht. Maar Gods genade heeft dat wél gedaan door de menswording van de Redder van de volkeren tot herstel van die goede erfenis. Zo heeft de mens zijn erfenis via Christus teruggekregen, want vanaf het begin heeft Christus het gebod van God niet beneden zijn waardigheid geacht. De duivel daarentegen heeft absoluut niet verlangd om zijn Schepper te dienen door het volbrengen van wat goed is. Hij verkoos de eer van de trots. Daarom heeft hij geen eer ontvangen, maar ging hij ten onder in het verderf.
18. Het voorbeeld van Goliath en David aangaande deze aangelegenheid.
Zoals Goliath opstond om David te bespotten, zo is ook de duivel opgestaan in zelfoverschatting. Hij wilde gelijk zijn aan de Allerhoogste. En zoals Goliath, onbekend met de vaardigheden van David, hem zomaar hield voor een lichtgewicht, zo heeft de opgeblazen trots van de duivel de geringheid van het menszijn van Gods Zoon veracht. In de wereld geboren heeft de Zoon van God niet zijn eigen glorie gezocht, maar uit alle macht die van God.
Hoe dan?
De duivel heeft dit voorbeeld niet eens willen bekijken, want dan zou hij zich aan zijn Schepper onderwerpen, zoals de Zoon zich aan de Vader ondergeschikt gemaakt heeft. Maar David heeft Goliath zijn hoofd afgehakt door de geheime kracht van God, zoals, geïnspireerd door de Heilige Geest, werd opgeschreven:
David nam het hoofd van de Filistijn mee om het naar Jeruzalem te brengen; de wapens die hij hem had afgenomen, legde hij neer in zijn tent. (1Sam.17,54).Dat betekent: Mijn zeer krachtige Zoon heeft de wapenrusting en de buit van de duivel meegenomen toen Hij de kop van het oude serpent heeft afgehouwen.
Waar gebeurde dit?
Nog in de schoot van de Maagd die deze kop heeft verpletterd. Door wie? Door haar Zoon. Wat houdt die verplettering in? De heilige nederigheid, aanwezig in de Moeder en de Zoon, heeft direct al vanaf het eerste begin de trots verbrijzeld, dat wil zeggen de kop van de duivel. En zo heeft mijn Zoon in alle nederigheid in zijn lichamelijk bestaan die kop naar de Heilige Kerk gebracht waardoor deze zelf een visioen van vrede geworden is. Door zijn zeer grote nederigheid heeft Hij haar laten zien dat de hoogmoed van de duivel vernietigd is geworden. De sterkste wapens van de duivel zijn de verwerpelijke ondeugden waarmee hij het mensengeslacht heeft overrompeld. De mensen hebben hem als God geëerd. Hij heeft het volk met zijn ondeugden ten dode toe angst aangejaagd zoals wapens dat bij mensen doen. Die wapens zijn door mijn Zoon gebroken en Hij heeft ze opgeborgen in zijn tent, zagen zij Iemand op een troon zetelen alsof het een vreemde was. Zij wendden zich van Hem af. Zij hunkerden meer naar het Noorden dan op te willen zien naar Hem. Dat betekent dat die Lucifer en iedere (engel) uit zijn gevolg wonderlijk geschapen is in de warme goedheid van God, maar nu dwars ligt. Uit trots veracht hij Hem die in de hemel regeert. Zij allen zijn ontstaan bij de schepping, maar van begin af aan hebben zij smaak gevonden in de goddeloosheid, die hun tot verderf geworden is. Zij zagen op naar God, maar niet om Hem in goedheid te willen erkennen, maar om zich boven Hem te willen verheffen als boven een vreemde. Met een flagrante zelfverheffing keerden zij zich van Hem af door Hem niet te erkennen. Zij neigden méér naar hun val, dan te verlangen naar het erkennen van God in zijn glorie.
Maar direct al, terwijl zij zich afwendden, doofden zij uit en werden zij zo zwart als houtskool.
Dat betekent dat, terwijl zij het trots beneden hun waardigheid achtten om God te erkennen, Lucifer zelf met heel zijn aanhang uitgeblust werden in hun slechtigheid. Weg was de heldere gloed van zijn glans waarmee hij door Gods macht was uitgedost. Daarmee deed hij afbreuk in zichzelf aan de innerlijke schoonheid waardoor hij zich bewust moest zijn van het goede. Hij haakte naar de goddeloosheid die hem verslond. Zo is hij uitgedoofd te midden van de eeuwige klaarheid, en is hij in het eeuwige verderf terecht gekomen. Vandaar dat zij allen zo zwart werden als houtskool. Want samen met de duivel, hun leider, werden zij uitgesloten van de lichtende krans van hun pracht. Zo liggen zij nu uitgeblust in het verderf van de duisternis zonder welke glorie van gelukzaligheid dan ook zoals steenkool zonder vuur in zijn gloeiende sintels.
Toen stak er van hen uit een wervelwind op die hen terstond van uit het Zuiden terug joeg achter de troon van Hem die op de troon is gezeten. Hij stortte hen hals over kop naar het Noorden toe in de afgrond zodat je er niemand meer van kunt zien.
Dat duidt op het feit dat er een zeer hevige opgeblazenheid van goddeloosheid in deze engelen van ongerechtigheid is opgekomen. Zij wilden boven God staan en Hem met hun trots aan zich onderwerpen. Maar in God ontstak een aller-bitterste boosheid ter vernietiging, en Hij heeft hen teruggeworpen weg van het Zuiden, dat is weg van het goede. Dat betekent dat God hen verworpen heeft in de vergetelheid van God die alles regeert, dus naar het Noorden. Waar zij zich trots wilden verheffen, daar zijn zij in verwarring ten val gekomen, en wegens hun hoogmoed in de afgrond van de eeuwige dood gestort. Dat is hun eeuwige verdoemenis. Daar zullen zij nooit meer het licht zien, zoals Ik door mijn dienaar Ezechiël heb gesproken in het zuidelijk bergwoud. Dat had een vurige vrucht van gerechtigheid moeten voortbrengen, maar dat niet heeft gedaan.
15. Woorden van Ezechiël hierover.
Ik steek u in brand, het vuur zal zowel het groene als het dorre hout verbranden. De laaiende vlam zal niet uitdoven: van noord tot zuid zullen alle gezichten er door verschroeid worden.
En al het vlees zal zien dat Ik, de Heer, het heb ontstoken. Het zal niet gedoofd worden.
(Vulgaat: Ez.20, 47-48; LXX: Ez. 21,3-4) En zo is het!
O jij stompzinnige! In je trots ben je tegen Mij in opstand gekomen, tegen Mij die geen begin of einde ken. Vanuit mijn naijver doe Ik in jou het vuur van mijn mijn naijver ontbranden. Daarmee zal Ik alle levenskracht in jou verbranden waarmee je een vals leven op touw hebt willen zetten, meer vertrouwend op jezelf dan op Mij. Want in je waanzin meende je te kunnen worden wat je in je trots had uitgedacht. Ik zal alle dorheid van de verworpelingen in jou doen branden omdat je bij de mens, die maar as is, de suggestie hebt gedaan dat de zonde iets goeds is. Jouw suggestie zal je geen enkel voordeel opleveren, maar zal in jou een eeuwig vuur zijn.
Voor jou zal er geen enkele beloning van heil zijn, en ook niet voor degenen die jouw voorbeeld volgen. En ook al zul je er om smeken, de ontstoken straf zal niet worden gedoofd. Zij zal als het ware je voortdenderende trots verbranden in het zicht van de verlangde eer, die je voor jezelf met zoveel hartstocht hebt willen bezitten. Je bent verworpen, weg van al je roem. Je bent opgestaan in het Zuidoosten, in het warme en zeer heldere licht, en je valt neer in de duisternis van het Noorden, dat is de hel.
Iedere mens zal die zien: de uitverkorenen want die zijn haar ontvlucht, alsook de verworpenen want die zullen er in gestraft worden. Allen weten dat Ik, de almachtige Heer, haar heb ontstoken om, al jouw slechte daden, jij duivel, te bestraffen. Zij zal niet gedoofd worden, noch voor jouw slechte daden noch voor die van je volgelingen.
En zo heeft de teloorgang van de duivelse trots de Satan en zijn engelen in de akelige en uiterste duisternis van eeuwige kwellingen gestort zonder enige troost van licht. Er is voor hem geen enkele plek binnen het eeuwige licht. En ook jij, zwakke mens, hebt niets meer van hen kunnen waarnemen. Gedreven door mijn Geest spreekt Ezechiël ook weer tot de koning van Tyrus met deze geheimnisvolle woorden:
Alle volken die jou kenden, staan verbijsterd. Je bent een schrikbeeld geworden; tot in eeuwigheid zul je niet meer zijn. (Ez.28,19)
Dat betekent: Alle rechtgeaarde mensen die jou, duivel, zullen zien, dronken als je bent over de ondeugden bij de volken die jou hebben omarmd in het schenden van Gods wet, zullen verdorren en verbijsterd zijn over jouw smerig lot. Verbijsterd zijn zij over het feit dat jij met jouw stoken de tempel in het bouwwerk van God dat toch de mens is, hebt bezoedeld. Daarom ook ben je door je hoogmoed een nul geworden. Je bent alle heilzame eer kwijt geraakt. Je bent immers volstrekt onbekwaam geworden voor welk geluk dan ook. In de eeuwigheid zul je geen enkele eer of roem meer hebben te midden van de hemelingen, want voor eeuwig en altijd ben je voor hen een eindeloze schande geworden.
16. De glorie van de schittering die de duivel verloor door zijn trots, is in het geheim van de Vader behouden gebleven ten bate van een ander geschapen licht.
Nu over: de grote schittering die hun werd ontnomen, zag ik onmiddellijk bij het uitdoven terugkeren naar Degene die op de troon is gezeten.
Dat duidt op het feit dat de heldere en grote gloed die de duivel vanwege zijn hoogmoed en koppigheid is kwijtgeraakt, naar de Vader is teruggekeerd en daar in zijn geheim werd bewaard. Vanwege zijn hoogmoed en koppigheid is de duivel die gloed kwijtgeraakt. Het zaad van de dood heeft toen zijn intrede gedaan in zijn bestaan en dat van zijn volgelingen. Lucifer was van een helderder licht dan de overige engelen. De schitterende glorie van hem mocht niet verloren gaan. Daarom heeft God die bewaard voor een ander licht dat het méér waard zou zijn.
Want degene die God naakt heeft doen opstaan – bedoeld is de duivel met zijn trawanten- niet bedekt met vlees maar wel in prachtige schittering, diens schittering heeft Hij bewaard voor het leem waaruit Hij de mens gemaakt heeft. Hij maakt hem uit de meest platvloerse aarde, opdat hij zich niet zou verheffen tot gelijkheid met God. Want degene die Hij met veel prachtig licht geschapen had, en niet voorzien van zo’n zwakke en miserabele natuur als van de mens, heeft niet staande kunnen blijven in zijn verhevenheid, want er is maar één God zonder begin en zonder einde in alle eeuwigheid. Daarom is het het allerergste van alle misdrijven als men zich aan God gelijk stelt.
Nu echter heb Ik, God van de hemel, het luisterrijke licht dat bij de duivel is weggehaald vanwege zijn slechtheid en dat Ik zorgvuldig bij Mijzelf verborgen hield, aan de leem van de aarde gegeven dat Ik geboetseerd heb tot mijn Beeld en gelijkenis. Het is zoals een mens doet als zijn zoon sterft. Hij heeft dan geen nakomelingen meer om er zijn erfenis aan na te laten. Omdat hij geen erfrechtelijke kinderen meer heeft, haalt de Vader de erfenis weer naar zich toe, en houdt die in petto voor een andere zoon die nog geboren moet worden. Zodra die uit hem geboren zal worden, zal hij de erfenis aan hem geven.
17. De duivel is gevallen zonder erfgenaam, de mens mét een erfgenaam.
De duivel is gevallen zonder erfgenaam. Dat is een goede en terechte zaak, want hij heeft nooit iets goeds gedaan of geprobeerd. Daarom heeft iemand anders zijn erfenis ontvangen. Ook die kwam ten val, maar die had wél een erfgenaam namelijk het begin van gehoorzaamheid. Hij heeft die immers met toewijding op zich genomen, ofschoon hij de taak die daarbij hoorde, niet heeft volbracht. Maar Gods genade heeft dat wél gedaan door de menswording van de Redder van de volkeren tot herstel van die goede erfenis. Zo heeft de mens zijn erfenis via Christus teruggekregen, want vanaf het begin heeft Christus het gebod van God niet beneden zijn waardigheid geacht. De duivel daarentegen heeft absoluut niet verlangd om zijn Schepper te dienen door het volbrengen van wat goed is. Hij verkoos de eer van de trots. Daarom heeft hij geen eer ontvangen, maar ging hij ten onder in het verderf.
18. Het voorbeeld van Goliath en David aangaande deze aangelegenheid.
Zoals Goliath opstond om David te bespotten, zo is ook de duivel opgestaan in zelfoverschatting. Hij wilde gelijk zijn aan de Allerhoogste. En zoals Goliath, onbekend met de vaardigheden van David, hem zomaar hield voor een lichtgewicht, zo heeft de opgeblazen trots van de duivel de geringheid van het menszijn van Gods Zoon veracht. In de wereld geboren heeft de Zoon van God niet zijn eigen glorie gezocht, maar uit alle macht die van God.
Hoe dan?
De duivel heeft dit voorbeeld niet eens willen bekijken, want dan zou hij zich aan zijn Schepper onderwerpen, zoals de Zoon zich aan de Vader ondergeschikt gemaakt heeft. Maar David heeft Goliath zijn hoofd afgehakt door de geheime kracht van God, zoals, geïnspireerd door de Heilige Geest, werd opgeschreven:
David nam het hoofd van de Filistijn mee om het naar Jeruzalem te brengen; de wapens die hij hem had afgenomen, legde hij neer in zijn tent. (1Sam.17,54).Dat betekent: Mijn zeer krachtige Zoon heeft de wapenrusting en de buit van de duivel meegenomen toen Hij de kop van het oude serpent heeft afgehouwen.
Waar gebeurde dit?
Nog in de schoot van de Maagd die deze kop heeft verpletterd. Door wie? Door haar Zoon. Wat houdt die verplettering in? De heilige nederigheid, aanwezig in de Moeder en de Zoon, heeft direct al vanaf het eerste begin de trots verbrijzeld, dat wil zeggen de kop van de duivel. En zo heeft mijn Zoon in alle nederigheid in zijn lichamelijk bestaan die kop naar de Heilige Kerk gebracht waardoor deze zelf een visioen van vrede geworden is. Door zijn zeer grote nederigheid heeft Hij haar laten zien dat de hoogmoed van de duivel vernietigd is geworden. De sterkste wapens van de duivel zijn de verwerpelijke ondeugden waarmee hij het mensengeslacht heeft overrompeld. De mensen hebben hem als God geëerd. Hij heeft het volk met zijn ondeugden ten dode toe angst aangejaagd zoals wapens dat bij mensen doen. Die wapens zijn door mijn Zoon gebroken en Hij heeft ze opgeborgen in zijn tent, dat wil zeggen in het lijden van zijn lichaam toen Hij hing aan het kruis.
Daarom heeft Hij die strijd ook in zijn tenten opgeborgen, dat wil zeggen in de lichamen van zijn uitverkoren ledematen, opdat ook zij de wapens van de duivel met Hem zouden delen.
Hoe dan?
Zoals Hij in zijn lijden de duivel heeft overwonnen, zo zullen ook zij hem overwinnen door zich te beteugelen in hun verlangens en door het niet eens zijn met zijn  verlangens. En zoals in deze gelijkenis de roem van Goliath aan David gegeven is, zo heb Ik de glorie , die van de eerste engel werd afgenomen, aan Adam en diens nageslacht gegeven dat zich bereid verklaart om mijn wetten na te komen, nadat de hoogmoed van de duivel de nek is omgedraaid.
Wie derhalve scherpe oren heeft aan zijn innerlijk inzicht zal met warme liefde naar deze woorden hunkeren, en ze in het geweten van zijn gemoed opschrijven.

SCIVIAS 3.2.

HOOFDSTUKKEN VAN HET TWEEDE VISIOEN VAN HET DERDE DEEL
1. Het geloof dat voorheen verborgen was, is in het mysterie van de menswording aan het daglicht getreden.
2. Het geloof staat in verband met de vreze des Heren, en deze weer met het geloof in de Heer.
3. In alle vier de windstreken van de wereld bouwen de gelovigen hun goede werken op dat geloof.
4. De vier hoekpijlers.
5. De mens moet behoedzaam voortschrijden, en wijselijk de hinderlagen van de duivel ontvluchten.
6. De betekenis van de vier hoeken van het bouwwerk.
7. Nog iets anders over de vier hoeken.
8. God de Vader geeft aan de mensen de mogelijkheden om sterk te staan en zich te verdedigen, om het goede te doen en er rekening mee te houden dat het vlees maar as is.
9. Over de beschouwende kennis.
10. Woorden van Paulus (Rom.11,5-6).
11.Woorden van Salomon (Eccl.15,17).
12.Keuze tussen twee zaken.
13. De goede voorschriften die bij Abraham en Mozes zijn opgekomen.
14.Het beschouwend denken is bij Noë opgekomen, maar het kwaad is onophoudelijk aanwezig geweest tot bij Abraham en Mozes.
15. Woorden van Paulus hierover (Rom.5,14).
16. De juiste levenswijze is bij Abraham en Mozes zichtbaar geworden.
Klare rechtschapenheid kwam aan het licht toen de Zoon van God mens werd.
Vurige daden van goedheid zullen tot het einde van de wereld in de Kerk mogelijk zijn door het doopsel.
17. Woorden van David hierover (Psalm 1,2)
18. De ledematen van Christus blijven onvolmaakt in zijn uitverkorenen en in zijn Kerk totdat zij in de toekomst de volmaaktheid zullen bereiken.
19. Hoe het getal “tien” afgezwakt is geworden door Adam. Maar in de Zoon van God is het herrezen tot het tienvoudige, en dit tienvoudige tot het duizendvoudige.
20. Woorden uit het Evangelie hierover.
21.De zonden van de mensen zijn in de vijf wonden van Christus vernietigd geworden.
22. Op inspiratie van de Heilige Geest maakt de mens met zijn vijf zintuigen onderscheid tussen het goede en het kwade.
23. In voor- en tegenspoed moet de mens zich met lichaam en ziel moeite geven om het kwade te mijden en het goede te doen.
24. Het menselijk brein heeft wijsheid en onderscheidingsvermogen nodig om God te kennen.
25. De mens die uit vier bestanddelen is samengesteld, moet het katholieke geloof op gelijke wijze belijden.
26. Een gelovige mens dient van deugd tot deugd op te klimmen.
27. Op de door de Vader vastgestelde tijd is de Zoon van God in de wereld gezonden
om de wil van de Vader te volbrengen tot redding van de mens.
28. In het doen en laten van het schepsel kan geen mens de trots van het kwaad of het einde daarvan bevroeden; net zo min als het begin of het einde van het opperste gerecht, en al evenmin de gerechte beloning door Gods wil.

HET TWEEDE VISIOEN VAN HET DERDE DEEL

Binnen de omtrek van een cirkel die uitging van Hem die op een troon was gezeten, zag ik vervolgens iets dat op een grote berg leek. Die leek met zijn voet te rusten op een geweldige steenrots. Op die rots bevond zich, met een wolk omhuld, de troon van Hem die er op zat. Het leek alsof die steenrots rechtop stond en dat de berg zich in de breedte uitstrekte. En op die berg stond een soort vierkantig gebouw. Het was gebouwd als een vierhoekige stad, een beetje scheef uitgevoerd. Eén hoek was naar het Oosten gekeerd, een andere naar het Westen, een derde naar het Noorden en de vierde naar het Zuiden. Dat gebouw was ommuurd met een twee-soortige muur. De ene was schitterend licht, zoals het daglicht, de andere was samengesteld uit een allegaartje van stenen. De muren sloten aaneen in de oostelijke en de noordelijke hoek. Het lichtende deel van de ommuring strekte zich uit van de oostelijke naar de noordelijke hoek. Dat gedeelte was helemaal gaaf en er zat nergens een onderbreking in. Het andere stenen gedeelte van de muur liep van de noordelijke hoek naar de westelijke en verder naar de zuidelijke, eindigend in de oostelijke hoek. Dit stenen gedeelte van de muur had twee onderbroken plekken en wel tussen de westelijke en de zuidelijke hoek. De lengte van dit bouwwerk bedroeg honderd el, de breedte vijftig el, de hoogte vijf el. Twee tegenover elkaar staande muren waren even lang, en de twee andere aan de vóór- en de achterzijde waren even breed. Maar de vier muren van het bouwwerk waren even hoog, behalve de gevechtstorens die er enigszins bovenuit staken.
De ruimte tussen het bolwerk en de schittering die uitging van voornoemde cirkel en die reikte tot in de diepe afgrond, was boven op de oostelijke hoek één handpalm groot. Maar elders, namelijk in het Noorden, het Westen en het Zuiden, was de breedte tussen het bouwwerk en die schitterende gloed zó groot dat ik er op geen enkele wijze een schatting van kon maken.
En Hij die op de troon was gezeten sprak tot mij die vol verbazing was over wat ik zag:….
1. Het geloof dat voorheen verborgen was, is in het mysterie van de menswording aan het daglicht getreden.
Het geloof dat bij de oude heiligen van bovenaf bewerkstelligd is geworden door de goedheid van de Vader, is als het ware maar bleekjes te voorschijn gekomen. Maar toen de Zoon van God mens geworden is, is het vurig en openlijk aan het daglicht getreden met vurige goede werken. Dat heeft plaatsgevonden doordat de Zoon van God ons geleerd heeft om de nietswaardige zaken te vertrappen en de hemelse te omhelzen. De eerste Vaders zijn de wereld niet ontvlucht. Zij hebben er zich ook niet van afgewend. Zij hebben God met een simpel geloof en nederige toewijding geëerd omdat hun nog niet duidelijk was gemaakt dat zij alles moesten verlaten.
Vandaar ook dat er in het visioen te zien valt: binnen de omtrek van een cirkel die uitging van Hem die op een troon was gezeten, zag ik vervolgens iets dat op een grote berg leek. Die leek met zijn voet te rusten op een geweldige steenrots. Op die rots bevond zich de troon van Hem die er op zat ,met een wolk omhuld. Het leek alsof die steenrots rechtop stond en dat de berg zich in de breedte uitstrekte. Dat betekent dat alles wat krachtig tot stand gebracht wordt door de krachtige en sterke inspanning van de almachtige en verheven Vader, staat als een berg. Bedoeld is het geloof dat groot is in werkzame kracht en dat zichtbaar wordt in de besnijdenis van Abraham, en voortgaat in de Zoon van de Allerhoogste God. Na de ondergang van het oude serpent is dat geloof door de Heilige Geest aan de mensen geïnspireerd. Zodoende kunnen zij getrouw voort werken in de goedheid van de Vader, gelovend dat Hij een almachtige God is die in staat was om zo’n grote vijand te overwinnen. Gesteund en opgeheven door hun kleine geloof bereiken zij de glorie die de duivel zelf vanwege zijn trots is kwijtgeraakt.
2. Het geloof staat in verband met de vreze des Heren, en deze met het geloof in de Heer.
En die berg bevindt zich aan de basis van de genoemde geweldige steen. Die steen heeft te maken met het geheim van de vreze des Heren. Het geloof hangt immers samen met de onwrikbaarheid van de vreze des Heren, en die vreze des Heren staat weer in verband met de kracht van het geloof. Het betreft het geloof in het feit dat de Zoon, die geboren werd uit een Maagd, door de Vader gezonden is, en dat het ware geloof is uitgegaan van de Zoon als eerste fundament van ieder goed werk. De vreze des Heren brengt dat geloof met al zijn deugden voort in contact met God in de Hoge. Op die wijze wordt God, de Albeheerser, getrouw vereerd in de wijsheid van de gelovigen.
Hoe dan?
Omdat de vreze des Heren op felle, maar toch omzichtige wijze, de geheimen van de hemel binnendringt. Want de vreze des Heren is de oorsprong van elke goede bedoeling. Met die goede intentie reikt het gelukzalige geloof tot bij God in de volle breedte van de volmaaktheid., en deint via goede werken uit tot heiligheid.3. In alle vier de windstreken van de wereld bouwen de gelovigen hun goede werken op dat geloof.
Nu over: En op die berg stond een soort vierkantig gebouw. Het was gebouwd als een vierhoekige stad. Dat betekent dat de goedheid van de Vader goede werken bouwt op het geloof.
Van de vier hoeken van de aarde verzamelt Hij veel gelovigen en trekt hen op naar hemelse zaken. Zo worden zij versterkt in de standvastige beoefening van de deugden, en de hemelse Vader neemt hen welwillend op in zijn schoot, dat wil zeggen: in zijn innige almacht en zijn mystieke raadgevingen. Zo verzorgt Hij hen met de vier vierkante rotsblokkenn van het geloof.
Hoe dan?
4. De v ier hoekpijlers.
In het begin van de schepping heb Ik, de Almachtige, Adam aangesteld als eerste hoekpijler. van de mensen Toen hij ontslapen was, is zijn nageslacht door een grote scheuring steeds zwakker geworden, totdat de tweede hoekpijler kwam: Noë. Toen heeft de grote zondvloed plaatsgevonden. In het beeld van de ark heb Ik toen het mysterie van mijn Zoon aangekondigd. Maar in de hoekpijler die Noë was, heb Ik bij wijze van waarschuwing gewezen op het lichtend gedeelte van de stadsmuur. Want toen Ik de zondaars in de zondvloed heb laten verdrinken, heb Ik aan de mensen duidelijk gemaakt dat zij de dood moesten ontvluchten en naar het leven moesten verlangen. Op die manier heb Ik hun duidelijk een spiegel voorgehouden om te kiezen tussen twee zaken. Wat betekent dit?
In zijn ziel zit de mens vol groene levenskracht en staat hij in het volle leven. Daarin ziet en kent hij twee wegen, een goede en een kwade. Afhankelijk van het feit of de mens voor het ene dan wel voor het andere kiest, zal hij tijdens zijn levensdagen met lichaam en ziel het goede doen of het kwade. Zo is er bij Noë op mijn vermanend aandringen aangetoond dat er voor het gemoed twee beslissende keuzemogelijkheden aanwezig zijn namelijk ofwel met de meest beslissende overtuiging het kwade verachten, ofwel het goede na te streven. Dat zijn zaken die vooruitlopen op de wil van God zoals op de verordening van de besnijdenis. Het is een vooruitlopen naar de derde hoekpijler waar Abraham en Mozes samenkomen in de besnijdenis en de Wet. Zo dan gingen de besnijdenis en de Wet vooraf aan de vierde hoekpijler namelijk die van de Heilige Drie-eenheid. Daar vond het Oude Testament een einde in de uiterlijke tekenen in de Zoon, en waar toen tevens via de Zoon in de Kerk het interne zaad opkwam met zijn innerlijke kern. Hij is geboren en heeft geleden voor het heil van de mensen. Zo is Hij ook verrezen en zetelt Hij nu bij de Vader. De hoek die door de val van Adam verborgen en verzwakt was geraakt, heeft Hij hersteld tot heil en ten bate van de zielen van de mensen.

5. De mens moet behoedzaam voortschrijden, en wijselijk de hinderlagen van de duivel ontvluchten.
Wat het volgende betreft: Het was gebouwd als een vierhoekige stad, een beetje scheef uitgevoerd.. Dat betekent dat de mens, ofschoon hij toch het scheppingswerk van God is, vanwege zijn zwakheid niet in staat is om dapper en zonder zonden, manmoedig en zonder vrees voor zijn zwakke positie, de duivel te overwinnen. Om niet te zondigen moet hij hem nederig uit de weg gaan, en zijn hinderlagen wijselijk ontwijken . Hij moet zich trouw toeleggen op het doen van goede werken om op die manier te volharden in het gezelschap van de Zoon van God. Zetelend op de hoek is Hij als het ware de hoekpijler en verenigt Hij zich ook met het uitverkoren bezigzijn van de mens.
6. De betekenis van de vier hoeken van het bouwwerk.
Evenwel: Eén hoek was naar het Oosten gekeerd, een andere naar het Westen, een derde naar het Noorden en de vierde naar het Zuiden. Dat betekent dat de Zoon van God, geboren uit een Maagd, geleden heeft in zijn lichaam om de mens in zijn oorspronkelijke gerechtigheid te herstellen tot het leven waarin alle gerechtigheid zijn plaats heeft. Dat is de oostelijke hoek.
Vandaar daagt het heil van de zielen, omdat God alle gerechtigheid in zijn Zoon tot vervulling heeft gebracht. Deze gerechtigheid is vanaf Abel tot de Zoon van God in het vooruitzicht gesteld. In Hem kwam een einde aan de vleselijke wetmatigheid van het Oude Testament, en ontstond het heil van de gelovige mensen door het geloof. Dat heil kwam er door de Zoon van God. Hij werd daartoe op het einde van de tijden in de wereld gezonden door de Vader. Dat is de westelijke hoek.
De gerechtigheid richtte zich ook in de tijd van Abraham en Mozes tegen de duivel. Zij lieten daarbij al de beloofde genadegave zien waardoor de mens verlost is geworden. Als een rover heeft de duivel de mensverraderlijk ten val gebracht in de persoon van Adam. Dat is de noordelijke hoek.
Daaruit is ook de ellendige en dodelijke val ontstaan die het menselijke geslacht is overkomen.
Vervolgens is die edelmoedig en heel mooi door de verheven goedgunstigheid volledig in ere hersteld via het vurig samenwerken van God en mens. Dat is de zuidelijke hoek.
7. Nog iets anders over de vier hoeken.
De vierde hoek staat naar het Zuiden gericht. Dat verwijst naar het feit dat Adam, de eerste mens, door God geschapen is, maar dat het bespiegelende inzicht van de twee interpretatiemogelijkheden niet direct aan het licht traden. Dat duidt op het feit dat vanaf Adam zelf zijn nageslacht ongeordend was, bewust God niet dienend in daadwerkelijke gehoorzaamheid aan de Wet. Hij deed alleen zijn eigen wil in de vorm van het ergste kwaad. Hij schitterde niet in de juiste kennis van God en ook niet in gelukzaligheid. Hij was gewoon dood. Slechts in het hart van de Vaderlag verbogen wat Hij met de mens zou gaan doen.
De hoek in het Oosten verwijst naar Noé. Daar begon de gerechtigheid op te komen. Daar kwam ook de vooraf aangekondigde speculatieve, beschouwende kennis aan het licht die de hele heiligheid laat zien en die later volledig aanwezig zou komen in de Zoon van God. En omdat om het even welke gerechtigheid in de Zoon van God een aanvang neemt, is Hij het ware Oosten. Daarom moet dit bouwwerk als eerste vanaf het Oosten benoemd worden, en dat ter ere van de heiligheid die ook allereerst in No;e waarachtig aan het licht getreden is.
De hoek in het Noorden is Abraham en Mozes. Zij dekten samen op effectieve wijze de voornoemde bespiegelende kennis af tegen de Satan. Zij legden er als het ware kostbare stenen omheen en van boven af deden zij dit met vergulde ornamenten van glasheldere ornamenten van Gods heldere gerechtigheid namelijk met de besnijdenis en de Wet. Want vóór de besnijdenis en de Wet, was de gerechtigheid praktischnaakt en zonder effect.
En nu nog de vierde hoek: die van het Westen. Die verbeeldt de ware Drievuldigheid die duidelijk aan het licht trad bij de doop van de Verlosser. Hij heeft de stad Jeruzalem volledig en heilig opgericht door met heel zijn inzet zijn toevlucht te nemen tot de hemel tot redding van de zielen.
8. God de Vader geeft aan de mensen de mogelijkheden om sterk te staan en zich te verdedigen, om het goede te doen en er rekening mee te houden dat het vlees maar as is.
Over: Dat gebouw was ommuurd met een twee-soortige muur. De ene was schitterend licht, zoals het daglicht, de andere was samengesteld uit een allegaartje van stenen. De muren sloten aaneen in de oostelijke en de noordelijke hoek. Dat betekent dat door de goedheid van de Vader langs alle kanten aan de mensen één grote beveiliging gegarandeerd is. Dat is met name een versterking en en verdediging in goede werken met de bedoeling dat zij, daarmee ommuurd en versterkt, de vleselijke begeerten laten varen en hun toevlucht nemen tot de ene God die hun beschermer is. is
Dat gebouw was ommuurd met een tweesoortige muur
De soort van de ene muur is de speculatieve kennis van een twee-soortige mening. De mens heeft deze kennis immers via de scherpzinnigstee doorvorsing van zijn ziel, zodat hij in al zijn zaken omzichtig te werk gaat. En wat die andersoortige muur betreft, die verwijst naar het feit dat het menselijk vlees maar as is, want zo is de mens door God geschapen: een werk dat gemaakt is om te werken.
9. Over de beschouwende kennis.
De beschouwende kennis is helder als het daglicht, want daarmee doorziet en overweegt men het gehalte van zijn daden. Men ziet hoe prachtig de uitstraling is van de menselijke geest als die aandachtig om zich heen kijkt. Deze heldere kennis komt als een witte wolk op in de mens.
Zij verspreidt zich razend snel in de geest van de volken zoals ook een wolk die als het daglicht langs de hemel scheert. Die helderheid vindt zijn verklaring in het feit dat dit prachtige werk door God goedgunstig in de mens tot stand is gebracht zodat zij, als zij daarmee het kwade mijden, het goede doen dat als daglicht in hen schijnt.
Via deze kennis komt elk werk in de mens tot stand. Hoe dan wel? De mens heeft twee mogelijkheden. Hoe dan? De mens heeft kennis van het goede en het kwade, en hij voelt het ook aan. Als hij van het kwade overgaat naar het goede, volgt hij God na. Hij doet dan het goede in Hem die rechtschapen is. Hij wil het kwade niet. Maar als hij het kwade doet, raakt hij door de duivelse verleiding verstrikt in de zonden, omdat hij zich niet wil beteugelen. Hij wil de duivel bespeuren in de band van de zonden. De duivel zoekt immers de ongerechtigheid en vlucht weg van wat heilig is. Maar als de mens zich losrukt van het kwaad en het goede gaat doen, dan neemt de allerhoogste goedheid hem op. Want dan heeft hij zichzelf overwonnen uit liefde tot God die zijn Zoon voor hem heeft overgeleverd aan de dood op het kruis.
Deze kennis is beschouwend omdat zij als een spiegel werkt, en wel op deze manier. Als een mens zijn gelaat in een spiegel bekijkt, dan ziet hij ofwel iets moois of iets lelijks. Zo ziet hij in zijn geweten ook het goede en het kwade in wat hij gedaan heeft en in wat hij bij zichzelf overweegt. Deze overweging vindt plaats in het kenvermogen dat God in de mens geblazen heeft toen Hij hem de levensadem in zijn gezicht blies (cfr. Gen.2,7). Het leven van de dieren is gebrekkig omdat zij geen verstand hebben. De ziel van de mens kent dat gebrek niet, omdat die eeuwig blijft leven, want die is redelijk. Vandaar dat een mens, als hij nadenkt over wat goed of kwaad is, wel aanvoelt of een daad tegendraads is of overeenkomstig de regel. Hij is gevormd door de genade Gods, en in zijn oorsprong bij de schepping is hem redelijkheid ingeblazen. Die genade is in hem hersteld geworden bij de uitverkiezing in het doopsel en de heiliging van de ziel van het Nieuwe Testament. Mijn zeer geliefde Paulus spreekt als volgt over die genadevolle uitverkiezing….

10. Woorden van Paulus (Rom.11,5-6).
Een rest is overgebleven dankzij een genadige uitverkiezing. Is het echter uit genade, dan is het niet vanwege verdienstelijke daden; anders zou de genade geen genade meer zijn. Dat moet men zo verstaan. De overigen die niet door de strik van de dood gevangen zijn geraakt, moeten zich niet voegen naar het voorbeeld van de duivel. Zij zijn gered geworden door de openlijke heilzame verlossing, toen God zijn Zoon gezonden heeft om mens te worden. Dat is dus een uitverkiezing tot duidelijk heil van de mensen.
Hoe is dat gegaan?
De genade van God heeft de mens gemaakt, maar deze is gevallen door zijn armzalig gedoe. Toen is de genadevolle uitverkiezing zichtbaar geworden in een uitverkoren instrument: de Zoon van God werd geboren uit een Maagd. In Hem was geen enkele misstap toegestaan.
Want als een willekeurige mens voor zichzelf een gebruiksvoorwerp maakt, en dit door iemand anders wordt ontvreemd, dan kiest hij voor zichzelf een beter dat niemand hem kan ontnemen en waar hij volkomen tevreden over kan zijn. Zo is de genade van God te werk gegaan. De genade heeft Adam als eerste mens gemaakt. Maar de duivel heeft Adam van zijn onschuld beroofd. Maar diezelfde genade heeft later de volheid van goede werken tot stand gebracht door de Zoon van God tot redding van de zielen. Als dus het heil tot stand is gekomen door de genade van God, dan is die niet voortgekomen uit de verdiensten van de mensen.
Hoe dan wel?
De rechtschapenheid in het werk heeft bij Adam ontbroken, zodat de mens nooit in het heil terug kon keren door toedoen van zijn goede werken. De enige mogelijkheid was dat hij door genade van de aller rechtvaardigste Zoon van God, die gehoorzaam geworden is aan zijn Vader, hersteld zou worden. En ook dat de mens gereinigd zou worden door het doopsel dat de Zoon van God aan de mensen heeft overgeleverd, alsook door goede werken te verrichten. Dat werk komt tot stand door de genade van God in samenwerking met de mens, en door de mens in samenwerking met de genade. Vandaar dat de genade van God samengaat met het werk van de mens, en dat dit werk volgt op de genade.
Wat nu als het heil uit de verdienste van de mens zou voortkomen, en het juiste handelen van de mens uit hemzelf, zodat het niet de genade van God zou zijn die aan het werk ten grondslag zou liggen? Dan zou de genade geen genade meer zijn. Waarom niet? Omdat de mens dan uit zichzelf het bestaan zou hebben en niet uit God, en geen schepsel zou dan nog dank zeggen aan God, en de genade van God zou dan eenvoudigweg niet bestaan. Maar dat is niet aan de orde.
Het is de genade van God die de mens afhankelijk heeft gemaakt van zijn redelijkheid, zodat hij met kennis van goed en kwaad juist zou handelen. Via deze kennis zou hij behagen moeten scheppen in het goede, en het kwade van zich afwerpen. Zo kan hij ook kennis hebben van leven en dood, en kan hij kiezen waar hij wil staan, zoals Salomon zegt met begrip voor de Wijsheid…
11.Woorden van Salomon (Eccl.15,17).
Ik heb water en vuur voor je neergezet. Strek je hand uit naar wat je hebben wilt.
Dat betekent:
Bij de eerste opwekking van een ziel plaatst God daarin een grote en scherpzinnige kracht namelijk het doorzien van wat slecht is en wat goed, als water en vuur. Maar zoals water altijd dodelijke beesten in zich bergt en zeer veel nutteloze dingen verstopt, zo is ook de mens. Hij overspoelt zijn slechte daden, en verstopt ze opdat ze niet ontdekt worden.
En ook zoals vuur alles verbrandt en geen enkele nietswaardige zaak onverbrand laat, en zoals een handwerkman zijn sieraden zuiverder maakt door het verwijderen van roest, zo ook maakt het goede een mens zuiver door de roest van slechtheid van hem af te schuren. Want water en vuur harmoniëren niet met elkaar. Zij verstikken en doden elkaar wederkerig. Zo doet ook de mens. In het kwade doodt hij het goede, en in het goede doodt hij het kwade. En in alle twee verbergt hij altijd heimelijk zijn verlangens terwijl hij ze steeds weer om en om keert.
12.Keuze tussen twee zaken.
En in dit wisselend gedoe van verlangens heeft de mens de keuze om te doen wat hij verlangt. Met zijn wil keert hij zich naar iets om het te volbrengen alsof hij zijn hand uitstrekt om het goede met Gods genade te volbrengen, ofwel om op aanstichten van de duivel met influistering van zijn snode listen het kwade te voltrekken. Dat alles terwijl de mens dit beziet met de kennis van zijn redelijkheid. Want met één en dezelfde kennis beziet hij goed en kwaad zoals hij het wil.
Wat hiervan te denken?
De keuze bestaat hierin dat de mens in het verlangen van zijn ziel alles bekijkt als in een spiegel. Dan zegt hij bij zichzelf: “Ik kan zowel het één als het andere doen!” Hij gaat dan nog niet over tot de daad. Hij heeft het echter wel al een plaats gegeven in zijn gedachte, als het ware op de kruising van twee wegen. Dat betekent dat het geweten voor de keuze staat van twee mogelijkheden namelijk van het goede of het kwade. Zo zal hij uiteindelijk overeenkomstig zijn verlangen uitreiken naar het werk van boven of naar dat van beneden.
13. De goede voorschriften die bij Abraham en Mozes zijn opgekomen.
De andere muur was samengesteld uit een allegaartje van stenen. Deze woorden verwijzen naar het mensengeslacht en de goede wettelijke bepalingen die in de gedachte van de mensen zijn opgekomen, met name bij Abraham en Mozes en nog vele anderen. Die bepalingen waren als het zaad voorafgaande aan Gods eigen wet met alle bijkomende bepalingen van Gods gerechtigheid in de Wet tot op de dag van vandaag.
Hoe dan?
Zoals het werk van God in en door de mens aanwezig is, zo heeft God ook op het einde van de Wet zijn Zoon gezonden omwille van het heil van de mensen zonder zonde. De Zoon is opgetreden in een menselijk lichaam. Daarbij heeft Hij het fundament voor dat geloof op zich zelf gelegd. Dat heeft Hij gedaan terwille van het hele mensengeslacht inclusief de eerste mens die uit het paradijs geworpen was wegens een overtreding van wat recht en juist was. Daar heeft Hij de hele christenschare bij ingesloten. Dat beduidt dit bouwwerk in de goedheid van de Vader. De mens hoort in het hemels Jeruzalem geplaatst te worden.
14.Het beschouwend denken is bij Noë opgekomen, maar het kwaad is onophoudelijk aanwezig geweest tot bij Abraham en Mozes.
De muren sloten aaneen in de oostelijke en de noordelijke hoek.
Dat slaat op het feit dat er in het speculatieve denken en in het menselijk doen en laten een gemeenschappelijke begrenzing bestaat aan de ongerechtigheid. Door die ongerechtigheid verkeerden de mensen in vergetelheid aan God. Die stak voor het eerst de kop op bij Adam en duurde met zijn zieke ongerechtigheid voort tot de zondvloed. Die ongerechtigheid was zo erg dat de gezamenlijke bevolking vanwege de grote ongerechtigheid in de zondvloed van de wateren ten onder is gegaan. Toen is ook het speculatieve denken onder invloed van mijn inspiratie actief geworden met de kennis van het goede bij Noë
Dat is de oostelijke hoek, zoals hiervóór gezegd is geworden.
Maar ofschoon de waarschuwende maning van God bij Noë terecht kwam, is toch de hang naar het kwaad halsstarrig in zijn gedachten aanwezig gebleven en triomfantelijk naar het Noorden verder getrokken. Zodoende heeft de kwalijke afgekeerdheid van God pas met Abraham een einde genomen. In hem is die afgekeerdheid onderdrukt geworden als in de noordelijke hoek. Daarin is de zeer scherpe blik van Gods gerechtigheid ontstaan.
Het lichtende deel van de ommuring strekte zich uit van de oostelijke naar de noordelijke hoek. Dat gedeelte was helemaal gaaf en er zat nergens een onderbreking in.
Deze woorden slaan op het feit dat het beschouwend weten vanaf de oostelijke hoek – dat is vanaf de dagen van Noë begonnen is te ontluiken. Van te voren, vóór Noë , was het kwaad druk bezig om zoveel mogelijk bij de mensen door te dringen om God belachelijk te maken. De mensen volgden méér hun begeerten dan dat zij hechtten aan de verering van God. De eerste mensen, waarbij het beschouwend kennen nog verborgen was, werden door de duivel zoals hij wilde naar hartelust verzwolgen, tot aan Noë. Zoals al opgemerkt, werd het beschouwend kennen in hem duidelijk. Toch vertrouwde de duivel er tot dan toe op dat hij heel de mensengemeenschap in zijn macht zou houden. Ondertussen woekerde de ongerechtigheid voort tot aan de noordelijke hoek, dat is tot aan Abraham en Mozes. Vóór hen was de ongerechtigheid in zijn slechtigheid als het ware onaangetast in de bespiegelende kennis aanwezig, nog niet onderbroken of verbrijzeld door de vastgestelde gerechtigheid van God. Er was nog geen besnijdenis of Wet voorgeschreven. Maar toch begon de duivel ongerust te worden bij die Vaders, terwijl hij voordien als het ware vol vertrouwen zijn gang kon gaan in de wereld. Paulus, mijn uitverkoren, helderschijnend werktuig zegt daarover….
15. Woorden van Paulus hierover (Rom.5,14).
Toch heeft de dood als een vorst geregeerd in de tijd van Adam tot Mozes, dus ook over hem die zich niet op de wijze van Adam schuldig hadden gemaakt aan de overtreding van een gebod. Adam nu is het beeld van hem die komen moest.
Dat betekent: van Adam tot Mozes heeft de dood geregeerd terwijl er niemand in een zegevierende oorlog tegen ten strijde is getrokken. Waarom? Omdat de strengheid en het in praktijk brengen van de Wet voor de tijd van Mozes nog niet aan de orde was, behalve dan dat de besnijdenis die bij Abraham op bevel van God had plaatsgevonden, er een zacht vooruit lopen op was. Maar de kwaal van de dood bleef naar believen voortbestaan van dwaling tot dwaling. Volgens Gods wil stond toen een machtige strijder op, Mozes. Hij heeft de machtige wapens van gerechtigheid voorbereid. Daarmee is de dood in zijn verering vernietigd geworden door de instrumenten van de Wet. De Wet bergt alle heil van de zielen in zich onder verwijzing naar de Zoon van God. Want de dood was ook in de onschuldigen bedwongen geworden. In de onnozelheid van hun kleinheid wisten dezen in hun doen en laten niets van de misstap van Adam temidden van de volkeren. Adam is de voorloper van wie komen zal. Hoe dan? Adam is rechtschapen en onschuldig door God geschapen los van ontvangenis en begin van zonde. Zo is ook de Zoon van God geboren, komend uit de Maagd Maria, vrij van iedere zondenvlek.
16. De juiste levenswijze is bij Abraham en Mozes zichtbaar geworden.
Klare rechtschapenheid kwam aan het licht toen de Zoon van God mens werd.
Vurige daden van goedheid zullen tot het einde van de wereld in de Kerk mogelijk zijn door het doopsel.
Zoals je ziet: Het andere stenen gedeelte van de muur liep van de noordelijke hoek naar de westelijke en verder naar de zuidelijke, eindigend in de oostelijke hoek.
Dat betekent dat de goede werken van de mensen waarmee zij in God toegerust zijn, ontstaan zijn in de noordelijke hoek. Dat verwijst naar de besnijdenis van Abraham en de wet van Mozes met de bepalingen die horen bij de gerechtigheid van de mensen tot aan de westelijke hoek. Daar is de zeer heldere gerechtigheid opgekomen bij de menswording van Gods Zoon. Van daar af heeft die gerechtigheid zich uitgestrekt tot de zuidelijke hoek. Daar is door het doopsel en de overige heilsmiddelen van de uitverkoren en nieuwe Bruid van de Zoon van God het brandend vuur aangestoken tot herstel van het heil van Adam. Vandaar heeft het heil zich verder uitgebreid en heeft zijn eindpunt bereikt in de eerste oostelijke hoek, aldus terugkerend naar de Vader.
Hoe dan?
Die hoog verheven Vader vertoefde in zijn mysterie en regelde er alles wat gerecht was om de val van de eerste mens terug te doen keren naar God tot heil van de zielen. Hoe dan?
Omdat de mens gevallen was, heb Ik hem vol medelijden overeind geholpen, en heb mijn Zoon gezonden om het heil van de zielen te herstellen. Mijn dienaar de psalmistDavid heeft het daar over waar hij zegt…
17. Woorden van David hierover (Psalm 1,2)
Gelukkig de mens die vreugde beleeft aan de Wet van de Heer, en die dag en nacht overweegt.
Dat betekent Het gaat over de wet van de gerechtigheid die de Eniggeboren Zoon van God, geboren uit een Maagd, aan de wereld bekend gemaakt heeft. Hij is met de Vader en de Heilige Geest één God, en Hij heerst over heel de wereld. Dat is zo omdat de Zoon van de Vader mens geworden is. Als een waarneembare mens is Hij zichtbaar geworden, en is Hij in het vlees boven ieder schepsel verheven. Zo is het de wil van de Vader geweest tot heil. Hoe dan wel?
Deze Zoon van de Vader is voordat de wereld ontstond, uit de Vader voortgekomen. Vervolgens is Hij op het einde van de tijden uit een Moeder in de wereld gekomen. Ofschoon mens geworden, is Hij desalniettemin op onzichtbare wijze in de Vader gebleven. Zoals de wil onzichtbaar in een mens aanwezig is voordat hij naar buiten treedt in een daad, zo is ook Hij in zijn vlees zichtbaar geworden tot heil van de mensen.
Zo overpeinst de Vader met zijn Zoon alles wat maar terecht gedaan kan worden tegen de eerste val van Adam. Wat dan?
Deze Zoon van de Vader is, vóór de wereld ontstond, uit de Vader voortgekomen. Daarna is Hij op het einde van de tijden in de wereld gekomen uit een moeder.
Ofschoon Hij vlees geworden is, is Hij toch op onzichtbare wijze in de Vader gebleven, zoals ook de wil onzichtbaar in een mens aanwezig is voordat zij in een daad tot uitdrukking komt. Vervolgens is Hij zichtbaar geworden in het vlees tot heil van de mensen. Daarom overpeinst de almachtige Vader samen met de Zoon alles wat maar gerechtigd is tegen de eerste val van Adam. Waar is die gerechtigheid dan? In de liefde van de Zoon die vóór alle tijden in de Vader in de glorie van de Godheid verbleef. Later, op de vastgestelde wereldse tijd is Hij mens geworden, om door de Vader vanuit zijn hart in de wereld gezonden te worden als opperpriester over alle gerechtigheid. Daarom heeft de Zoon ook de Wet van gerechtigheid samengesteld en die, genomen uit de hand van de Vader, als wet voor de Christenen afgekondigd.
Maar de wet, die de Vader door zijn Zoon in werking heeft willen stellen, wordt over dag bestudeerd. Hoe dan? Namelijk op de dag die geëigend was, toen er nog geen enkele donkere schaduw van het kwaad in enig schepsel aanwezig was, en voordat enig tijdelijk schepsel was aangesteld, is deze Wet van zijn Zoon al overwogen. Ook al des nachts. Hoe dan?
Toen de schepping had plaatsgevonden, stak ook het kwaad zijn kop op. Dat kwaad kwam als een donkere nacht zowel in de engel als in de mens. Maar ook dan nog blijft de Vader zo denken tot de jongste dag waarop Hij zijn werken zo onbeschrijfbaar mooi tot voltooiing brengt. Zo laat Hij de Wet van zijn Zoon zien en openbaart die, want daarin worden alle goede werken volbracht die in de mens gedaan moeten worden.
18. De ledematen van Christus blijven onvolmaakt in zijn uitverkorenen en in zijn Kerk totdat zij in de toekomst de volmaaktheid zullen bereiken.
Je ziet dus: Dit stenen gedeelte van de muur heeft twee onderbroken plekken en wel tussen de westelijke en de zuidelijke hoek. Dat betekent dat het mensenwerk als versterkte verdediging van zichzelf nog op twee manieren onvolkomen is. Het is immers duidelijk dat de ledematen van Gods Zoon nog altijd onvolmaakt zijn in zijn uitverkorenen . Daar duidt de eerste onderbreking in de westelijke muur op. Want Gods Zoon is op het einde der tijden in de wereld gezonden. En toch is de Kerk nog altijd onvolmaakt in de beoefening van alle deugden zoals zij behoort te zijn. Zij moet nog verder uitgebouwd worden tot het hemelse Jeruzalem. Dat verwijst naar de andere onderbreking in het Zuiden als de Kerk volmaakt zal worden in de hemelse aangelegenheden.
19. Hoe het getal “tien” afgezwakt is geworden door Adam. Maar in de Zoon van God is het herrezen tot het tienvoudige, en dit tienvoudige tot het duizendvoudige.
(In dit hoofdstuk speelt de getallensymboliek een grote rol)
Wat betreft de zin: De lengte van dit bouwwerk bedraagt honderd el. Die betekent dat het tienvoudige getal verzwakt was in de mens die naar de vijand was overgelopen. In mijn Zoon is dit in ere hersteld tot heil van de zielen door het veelvoudige tienvoud van honderdvoudige deugden. Zo is het tienvoudige in alle deugden door toedoen van het honderdvoudige opgeklommen tot de duizendvoudige volmaaktheid van alle deugden. Op die manier zijn de duizend trucs van de duivel volledig ongedaan gemaakt. Met die trucs heeft hij de hele kudde van de beminnelijke schapen van de almachtige God misleid. Wat betekent dit?
Ik, de Almachtige, heb in het begin levendig brandende lichten ontstoken. In hun pracht moesten zij stralen. Weliswaar hebben sommige in mijn liefde volhard, maar andere kwamen ten val doordat zij Mij, hun Schepper, geminacht hebben. Maar als Schepper past het Mij niet om wat Ik tot stand gebracht heb, leeg en zinloos achter te laten.
Hoe dan?
Uit de trotse legerschare heeft een engelachtig schepsel in ijdele glorie gemeend aan zijn Schepper gelijk te kunnen zijn vanwege het goede dat zijn Schepper hem uit erkentelijkheid had meegegeven. Daarom is hij ten dode toe verdoemd.
Toen heeft God voorzien dat, wat door het verdoemde leger ten val was gekomen, op sterkere wijze hersteld moest worden.
Hoe dan?
God heeft de mens in geest en lichaam tot leven geroepen uit leem van de aarde. De mens moest de glorie bereiken waaruit de duivelse verrader met zijn volgelingen verbannen was. De mens is God zeer dierbaar. Hij heeft hem immers gemaakt als zijn beeld en gelijkenis (Gen.1,26-27) opdat hij in volmaakte heiligheid alle deugden zou beoefenen. Zo heeft God alle schepselen bedoeld.
In de schepping van de mens ligt ook de bedoeling dat hij in zeer nederige gehoorzaamheid en in de beoefening van deugden in dienst zal staan van de lof van de glorievolle engelenscharen die met onophoudelijke toewijding God eer brengen. En in dezelfde gelukzaligheid zal de mens dan volbrengen wat de verloren engel, neerstortend in zijn hoogmoed, nagelaten heeft te doen.
Daarom is een mens volledig een tienvoudig getal als hij dit alles volbrengt vanuit de kracht van God. Maar het tienvoudige getal vermenigvuldigt het honderdvoudige in deze voorstelling van zaken. Want de mens die door duivelse misleiding vervreemd geraakt is van God, is uiteindelijk door Gods medelijden en inspiratie aangemaand en standvastig begonnen om God te erkennen met de Wet en de Profeten van het Oude Testament. Vervolgens is dat nog aangescherpt door de heiligheid en door alle genademiddelen van de deugdzame standvastigheid van de Kerk.
Vanaf Abel is de mens begonnen om op deze wijze alle deugden te beoefenen. Zo heeft de mens die deugden beoefend tot en met de meest recente rechtvaardige toe. Dat is het honderdvoudige getal van de lengte van dit bouwwerk dat God als een mystiek beeld aan de mensen laat zien. De bedoeling daarvan is dat zij niet wanhopen als zij in hun slechtheden terecht gekomen zijn, maar dat zij daaruit overeind komen en zich sterker gaan inspannen om de werken van God te volbrengen. Want ook ieder die tot zonde vervalt, maar er zich uit opricht, zal sterker zijn dan voorheen. Zo heeft God dan ook door zijn Zoon in de wereld te zenden, de deugden bij de mensen groter en sterker hersteld en het ingestorte menselijk geslacht weer opgericht, sterker dan het voordien was.
Vandaar ook dat de mens geestelijk en lichamelijk sterker is dan wanneer hij niet de zwaartekracht van zijn lichaam zou voelen. Want hij worstelt in zichzelf met veel gevaarlijke situaties, terwijl hij zeer felle strijd levert en overwint door zich vast te klampen aan de Heer, zijn God, en Hem trouw dient. Zo herkent hij zichzelf in zijn strijd en in het kastijden van zijn lichaam. Een engel die niet de zwaartekracht van zijn aards lichaam ervaart, is alleen maar een heldere en pure soldaat van de hemelse harmonie, volhardend in het aanschouwen van God. Maar een mens , ofschoon bezwaard door lichamelijke, vieze ballast, is toch de sterkste, glorievolste en heiligste soldaat vanwege zijn herstelde inspanning die hij met lichaam en ziel voor God verricht. Op deze wijze bereikt hij door het honderdtal van zijn inspanningen het duizendtal van de toekomstige beloning. Dat is uiteraard zo wanneer hij op de laatste dag zijn loon ontvangt en zich in de hemelse woning mateloos met lichaam en ziel verheugen zal.
Zo wordt dus het verzwakte tienvoudige getal door mijn Zoon hersteld. Hij die geboren is uit een Maagd en geleden heeft aan een kruis, heeft de mens teruggebracht naar de hemelse contreien, zoals mijn Zoon ook in het Evangelie zegt:
20. Woorden uit het Evangelie hierover (Lukas 15,8-9).
Als een vrouw tien drachmen heeft en er één verliest, steekt ze toch de lamp aan, veegt het hele huis schoon en zoekt ze alles af tot ze het muntstukje gevonden heeft? En als ze het gevonden heeft, roept ze haar vriendinnen en buren bijeen en zegt: “Deel in mijn vreugde, want ik heb de drachme teruggevonden die ik kwijt was”.
Dat betekent het volgende.
De Heilige Drievuldigheid had tien drachmen. Dat betekent dat Hij in de uitverkoren engelen en mensen tien rangordes van verschillende verhevenheid had. Maar Hij verloor één drachme toen de mens méér gehoor gaf aan de duivelse verleiding dan te luisteren naar het voorschrift van God. Daardoor kwam hij in de dood terecht. God heeft toen een felle lamp aangestoken namelijk Christus, waarlijk God en waarlijk mens, tevens de meest heldere zon van gerechtigheid. Door Hem haalde Hij het huis overhoop, bedoeld is het Joodse volk. Binnen de Wet zocht hij nauwkeurig naar ieder element dat waardevol was voor het heil; en daarmee heeft Hij opnieuw de heiliging van de mensen opgebouwd. Zo heeft Hij zijn drachme teruggevonden n.l. de mens die Hij verloren had.
Toen heeft Hij zijn vriendinnen bijeen geroepen, dat zijn de wereldse gerechtigheden; en de buurvrouwen, dat zijn de geestelijke deugden. En hij zei: “Wenst Mij jubelend en blij geluk, en bouwt het hemelse Jeruzalem op met levende stenen, want Ik heb de mens teruggevonden die door het duivelse bedrog verloren was geraakt”.
2l. In de vijf wonden van Christus zijn de zonden van de mensen uitgewist.
Zoals je ziet is de breedte van dit bouwwerk vijftig el. Dat betekent dat de hele breedte van de ondeugden van de mensen in de vijf bloedende wonden, die mijn Zoon op het kruis opgelopen heeft, barmhartig afgewassen en vergeven zijn geworden. De mensen moesten het werk van God opbouwen, maar zij volgden meer hun eigen begeertes dan te werken voor God. De wonden in de handen van mijn Zoon hebben de werken van ongehoorzaamheid van Adam en Eva uitgewist, en de wonden in zijn voeten

hebben de wegen van de menselijke ballingschap vrij gemaakt, en uit de wonde in zijn zijde is de Kerk ontsproten. Zo is de zondeschuld van Adam en Eva gedelgd geworden, want uit de zijde van Adam is Eva geschapen.
Vandaar ook dat mijn Zoon aan het kruis geslagen is, opdat datgene wat door het hout (NB:verwijzing naar de boom met de verboden vrucht in het paradijs) als misstap is geschied, ook door het hout (kruis) ongedaan gemaakt zou worden. En de drank (die men Jezus op het kruis te drinken gaf) was azijn en gal om de smaak van de appel (de verboden vrucht van het paradijs) ongedaan te maken.
22. Met de vijf zintuigen die de Heilige Geest hem inademt, onderscheidt de mens wat goed en wat kwaad is.
En de hoogte van het bouwwerk bedraagt vijf el. Dat duidt op de voortreffelijkheid van de goddelijke wetenschappen in de Schrift die terwille van het werk van God in de vijf zintuigen van de mens aanwezig zijn. Tot nut van de mensen zijn zij door de Heilige Geest in geademd. Want met zijn vijf zintuigen blikt de mens omhoog naar het goddelijk Wezen en ziet daar alles wat goed en wat kwaad is.
23. De mens moet zich met lichaam en ziel moeite geven om in voor- en tegenspoed het kwade te vermijden en het goede te doen.
Daarom ook zijn de twee muren van dat gebouw aan beide zijden even lang… want in het huis van Gods goedheid moet de mens als het ware aan de twee muren – dat wil zeggen met lichaam en ziel, en aan beide zijden – dat wil zeggen de gunstige en de ongunstige, te allen tijde werken. Hoe dan? Door het kwade te vermijden en het goede te doen.
Hoe dan? Omdat de diepe en onbegrijpelijke goddelijke macht de mens zó gemaakt heeft dat hij met al zijn krachten en met alles wat in zijn vermogen ligt, zowel vroom als met al zijn verstandelijk vermogens God zal eren in de volheid van zijn verstandelijk inzicht. Want het is waardig dat de Schepper van alles vóór en boven alles zeer waardig als God wordt geëerd.
24. De menselijke geest moet wijsheid en onderscheidingsvermogen hebben om God te leren kennen.
Ook zijn de twee muren daarvan aan het begin en het einde even breed. Want in het werk van God zijn wijsheid en onderscheidingsvermogen zoals twee wanden. De wijsheid is daarbij als
het hogere gedeelte en het onderscheidingsvermogen als het lagere. God ademt ons die toe met zijn gelijkmatige en precieze gave om Hem te leren kennen overeenkomstig de omvang van de menselijke geest.
25. De mens bestaat uit vier elementen en legt zich met evenveel toewijding toe op het katholiek geloof.
Nu wat betreft Die vier muren van het bouwwerk zijn overal in het rond even hoog behalve de gevechtstorens die er enigszins in hoogte bovenuit steken. Dat betekent dat de mens, geplaatst in de vier elementen, overal het katholieke geloof door de goedheid van de Vader met gelijke toewijding en verering hoog zal houden. Dat zal hij doen door met de Vader en de Heilige Geest ook de Zoon te eren, want de Zoon brengt al zijn daden in hen tot stand. Hoe dan?
Elk werk dat de Zoon tot stand gebracht heeft en nog steeds tot stand brengt, doet Hij door de goedheid van de Vader in de Heilige Geest. Wat betekent dit?
Volgens de wil van de Vader was het de Zoon die de mens vrijkocht door zijn menswording. Wat een geweldige goedheid! Want de Vader heeft het zó geregeld dat zijn Zoon geboren is uit een maagd, ontvangen van de Heilige Geest. Hij heeft het vlees aangenomen uit liefde voor de mensen om hen terug te brengen naar het herstelde leven. Zodoende zou de mens opnieuw deel hebben aan Gods leven. Door Hem moest de mens terugkeren tot het heil en het juiste katholieke geloof. In dat geloof moeten de Vader en de Zoon en de Heilige Geest gekend worden als de enige en ware God.
26. De gelovige mens moet van deugd naar deugd opklimmen.
Ook is er sprake van bolwerken die er bovenuit steken. Wat betekent dat?
Als de mens met het topje van zijn goede begrip toekijkt, dan bouwt hij de muur van zijn geloof hoog op met deugdzame werken van God terwijl hij opstijgt boven een begripvol geloof. Hij weet dan dat God in zijn machtige godheid aanwezig is. Op dat geloof bouwt hij vervolgens de hogere gestaltes van de deugden als de meest voortreffelijk bolwerken. Hoe moet men dat zien?
Hij bouwt immers de hogere deugden op. Voor hem is het niet genoeg om geloof te hebben in God. Hij klimt in de groene palmboom. Bedoeld is dat hij opstijgt van deugd naar deugd. Daarmee wordt het meest oprechte geloof verheven en versierd tot een stad met vestingtorens.
27. Op de door de Vader vastgestelde tijd is de Zoon naar de wereld gezonden om in de verlossing van de mens de wil van de Vader te volbrengen.
Wat betreft de ruimte die er is tussen het bolwerk en de gloedvolle schittering die uitging van de voornoemde cirkel en die reikte tot in de diepe afgrond, was boven op de oostelijke hoek één handpalm groot.
Dat betekent dat er ruimte van de opperste geheimenissen is tussen
enerzijds het werk van Gods Zoon (- dat als een gebouw wordt voorgesteld -) die lichamelijk zonder zonde op deze aarde aanwezig is en in de goedheid van de Vader de vele deugden in praktijk brengt,
en anderzijds de macht van de Vader die als een glans van uiterste kracht aanwezig is in de laagste en de hoogste zaken, toen Hij zijn Zoon naar de wereld zond op de top van de hoek die uitziet naar het Oosten. Dat is naar de gerechtigheid die als eerste bij Noë wordt aangetoond. Op
aansporing van de Heilige Geest is dit de voorafbeelding van de volmaakte gerechtigheid die duidelijk is geworden bij de menswording van de Zoon van God. Op deze wijze was er in deze geheimen als het ware de ruimte van een beeld, namelijk zoals een uitgespreide hand dat is van de duim tot aan de vingers. Dat duidt op de tijd die in het diepste wezen van de Vader was vastgesteld waarop Hij met aller sterkste hand zijn eniggeboren Zoon heeft willen zenden, opdat Deze zou rondgaan met alle kootjes van zijn vingers, dat wil zeggen met al zijn werken in de Heilige Geest om de wil van de Vader te doen. Zo heft Hij geleden op het kruis vanwege de ellendige en te verachten ongehoorzaamheid die de duivel stiekem de mens heeft ingefluisterd.
Om de mens te redden heeft de barmhartigheid van God zich neergebogen over de aarde door tussenkomst van het menszijn van de Zoon van God in de onbegrijpelijke hoogheid van zijn goddelijk wezen.
28. Geen mens kan bevroeden hoe groot de trots van het kwaad is of hoe het eindigt in de mens die het bedrijft. Evenmin kan hij het einde van de opperste rechtvaardigheid nagaan noch de rechtvaardige vergelding van Gods wil.
Wat betreft de volgende woorden: Maar elders, namelijk in het Noorden, het Westen en het Zuiden, was de breedte tussen het bouwwerk en die schitterende gloed zó groot dat ik er op geen enkele wijze een schatting van kon maken.
Dat betekent dat geen mens, log vanwege zijn sterfelijk lichaam, de hovaardij van het kwaad kan kennen dat aanwezig is in het innerlijk van de duivel uit het Noorden. Ook kan hij het einddoel niet kennen dat de duivel beoogt in het schepsel dat met hem meewerkt als de mens ten val komt. Ook het begin of het einde van het brandende Zuiden dat verwijst naar de opperste gerechtigheid, vermag de mens niet te kennen. En al evenmin is hij in staat om te overzien hoe bij alle volken deze zaken open en bloot zijn voor de werking en het vermogen van mijn kennis.
Dat geldt zowel de uitverkorenen als de verworpenen. Allen worden onderworpen aan het strengste onerzoek. Daarin worden zij op de meest scherpe en nauwkeurige gestrengheid onderzocht in verband met het onderhouden van mijn geboden.
Inmiddels moeten toch allen er ten volle op vertrouwen dat Ik hen in al hun noden tegemoet kom. Want al deze aangelegenheden liggen zodanig in mijn geheimenissen opgesloten dat noch het menselijk aanvoelen noch zijn verstand hoe dan ook in staat is om er de omvang en de diepte van kan omvatten of begrijpen, tenzij er mijn toestemming voor gegeven wordt. Wie echter scherpe oren aan zijn innerlijk begripsvermogen heeft, mag in de vurige liefde van mijn spiegel hunkeren naar mijn woorden en ze bewust opschrijven in zijn hart.
HET DERDE VISIOEN VAN HET DERDE DEEL
1. De goddelijke deugden die in het Oude Testament ontspringen, dragen in het Nieuwe Testament rijke vrucht.
2. Door de wil van God worden deugden bij de mensen actief.
3. Over de levenshouding van de hemelse liefde, de zelfbeheersing, de eerbied, het mededogen, de overwinning, en de betekenis daarvan.
4. Over de praktijk van deze deugden en de betekenis daarvan.
5. Speciaal over de hemelse liefde; de praktijk en de betekenis daarvan.
6. Speciaal over de tucht, de zelfbeheersing; de praktijk en de betekenis daarvan.
7. Speciaal over de eerbied: de praktijk en de betekenis daarvan.
8. Speciaal over het mededogen: de praktijk en de betekenis daarvan.
9. Speciaal over de overwinning: de praktijk en de betekenis daarvan.
10. Over de houding van het geduld en de verzuchting: de praktijk en de betekenis daarvan.
11. Over de houding van al deze deugden en de betekenis daarvan.
12. Speciaal over het geduld: de praktijk en de betekenis daarvan.
13. Speciaal over de verzuchting: de praktijk en de betekenis daarvan.
HET DERDE VISIOEN VAN HET DERDE DEEL.
Daarna zag ik iets als een ijzerkleurige toren. Die bevond zich ongeveer in het midden van de lengte van het voornoemde lichtgevende deel van de muur van het betreffende gebouw. Die toren bevond zich op de buitenzijde van de muur. Hij was vier el breed en zeven el hoog. Op die toren zag ik vijf gestalts. Zij stonden los van elkaar maar onder één enkele boog. Naar boven toe had die boog een kegelvormige spits. De eerste gestalte keek in oostelijke richting. De tweede keek naar het Noordoosten, de derde naar het Noorden, de vierde naar de kolom van Gods Woord. Aan de voet daarvan was Aartsvader Abraham gezeten. De vijfde gestalte keek naar de toren van de Kerk en naar de mensen die in dat gebouw heen en weer liepen.
Maar in één ding leken ze allen op elkaar. Al deze gestaltes waren gekleed in zijden gewaden. en ze droegen wit schoeisel, behalve de vijfde gestalte die overal wapens scheen te dragen. De tweede en de derde gestalte waren blootshoofds met loshangend wit haar. Zij hadden geen mantel om. Maar de eerste, de derde en de vierde gestalte was gekleed in witte tunica’s. Maar hierin was wel onderscheid.
De eerste gestalte droeg een hogepriesterlijke hoofdtooi. Zijn haren waren gekamd en wit. Hij was gekleed in een soort witte mantel die aan de onderkant twee met purperdraad doorweefde randen had. In zijn rechterhand droeg hij een lelie en andere bloemen, maar in zijn linkerhand had hij een palmtak. Hij sprak: “Hoe zoet is het leven en hoe zoet de omhelzing van het eeuwig leven. En hoe zalig is het geluk waarin zich de eeuwige beloningen bevinden. U verkeert altijd door in ware geneugten. En toch is het zo dat ik nooit vervuld of verzadigd kan raken van de innerlijke blijdschap die in mijn God aanwezig is”.
De tweede gestalte was gekleed in een purperen gewaad. Hij stond daar als een jongeman die nog niet de volle leeftijd van een man heeft bereikt, maar die wel een diepe ernst over zich had.
Hij sprak: De schrikaanjagende vijand – de duivel dus -, en ook een vijandelijke mens of de wereld zullen mij geen angst aanjagen voor de leefwijze van God. Onder zijn toezicht blijf ik altijd overeind.
De derde gestalte hield zijn gelaat bedekt met de witte slip van zijn rechter mouw. Hij sprak: “O, slonzige onreinheid van deze wereld, kruip weg en verdwijn uit mijn ogen, want mijn Geliefde is geboren uit de zuivere Maagd Maria”.
De vierde gestalte droeg een sluier op zijn hoofd. Het was een witte sluier die het haar bedekte op de wijze zoals vrouwen dat doen. En hij droeg een paarskleurige mantel. Op zijn borst droeg hij de beeltenis van Jezus Christus. Daaromheen stond op de borst van de gestalte het volgende geschreven: “Door het diepe medelijden van onze God waarmee Hij op ons is toegetreden, komend van uit het Oosten uit de hoogte”.
En de gestalte sprak: “Aan pelgrims reik ik altijd de hand, ook aan de behoeftigen, de armen, de zwakken en de mensen die verzuchtingen slaken”.
De vijfde gestalte was gewapend met een helm op zijn hoofd. Hij droeg een harnas en scheenplaten en ijzeren handschoenen. In zijn linkerhand droeg hij een schild afhangend van zijn schouders. Hij was omgord met een zwaard en had een lans in zijn rechterhand. Onder zijn voeten lag iets dat op een leeuw geleek met opengesperde muil. Ook waren er gestalten die op mensen geleken. Sommigen daarvan lieten klaroenen schallen. Anderen veroorzaakten met scherts voor hun plezier een hels kabaal, en anderen hielden zich bezig met verschillende spelen. Maar de gestalte vertrapte hen met zijn voeten, inclusief de leeuw. Met de lans die hij in zijn rechterhand had, doorboorde hij hen fel, en sprak: Ik overwin de sterke leeuw en ook jou, haat en nijd, evenals jou,vuiligheid, en evenzeer jullie met je bedrieglijke spelen.
Maar binnen dat gebouw zag ik twee andere gestalten die tegen diezelfde toren aan stonden. De eerste daarvan scheen op het plaveisel van dat bouwwerk te staan in een boog met een vurige gloed. Die boog was van binnen beschilderd met afbeeldingen van boze geesten en was tegen de vermelde toren geplaatst. De andere gestalte bevond zich buiten de boog, slechts zijdelings en niet onder de boog. Beide gestaltes keken nu eens naar de toren, dan weer naar de mensen die het gebouw in en uit liepen. Ook zij waren gekleed in zijden gewaden. Zij droegen een witte sluier met een band om hun hoofd zoals vrouwen dat doen. Zij hadden geen mantels aan, maar droegen wel wit schoeisel.
De eerste gestalte droeg iets als een driehoekige rode kroon, rood als hyacint. Hij was gehuld in een wit gewaad dat overal goed zichtbaar met groen doorweven was. En die gestalte zei: “Ik overwin met de allersterkste Zoon van God, die van de Vader is uitgegaan en op aarde gekomen is om de mensen te redden. Hij is naar de Vader teruggekeerd, nadat Hij in de grootst mogelijke ellende aan een kruis stierf en Hij is daarna uit de doden opgestaan. Daarom wil ik niet in verwarring de ellende en het verdriet van deze wereld ontvluchten”.
De andere gestalte had een witte tuniek aan, maar een beetje vaal van kleur. In zijn rechterhand droeg hij een kruis met daarop de afbeelding van de Verlosser. Zijn hoofd hield hij gebogen in de richting van het kruis. En hij sprak: “Dit kind heeft veel ellende in deze wereld gedragen. Daarom wil ik altijd huilen en verdriet hebben vanwege de vreugde van het eeuwig leven, waarheen de goede schapen geleid moeten worden door de nobele Zoon van God.
En ik zag hoe alle voornoemde gestalten alle woorden over het mysterie van God uitspraken tot vermaning van de mensen. Toen sprak Degene die op de troon was gezeten en die mij dit alles had laten zien, opnieuw tot mij….
1. De goddelijke deugden die in het Oude Testament ontspringen, dragen in het Nieuwe Testament rijke vrucht.
Door de sterke en standvastige wil van God ontsproten in het Oude Testament zoetjesaan de goddelijke deugden. Maar toen hadden ze, wellicht door de onwetendheid van de vereerders, nog niet ten volle hun zachte en zoete smaak. Want toen trof de strengheid van de Wet de overtreders alleen nog maar op heftige wijze. Maar toen zij later door Gods genade in het Nieuwe Testament meer vruchten gingen dragen, bleek ook dat de goddelijke deugden voor degenen die liefdevol hongerden naar sterk en volmaakt hemels voedsel, opperste zoetheid bevatten. En dat terwijl zij voordien – zoals gezegd – een zekere geheime vertoning leken van toekomstige zaken, zoals ook dit wonder met zijn uitwerkingen duidelijk aantoont.
Want – zoals je kunt zien – bevond die toren. zich ongeveer in het midden van de lengte van het voornoemde lichtgevende deel van de muur van het betreffende gebouw. Dat is een symbool van het vooruitlopen van de wil van God, die door de besnijdenis op velerlei en verschillende wijzen bekend geworden is. God heeft namelijk in het teken van de besnijdenis de Wet aangereikt, en via de Wet de gunst van het Evangelie. Want door de verspreiding van het geloof bij de gelovige Abraham is bij hem ook de besnijdenis opgekomen als een mysterie van ware voorafbeelding. Want door Gods macht hebben zich krachtige deugden ontwikkeld, te beginnen bij Abraham zelf. Dat is als het ware gebeurd midden in het verlengde van het beschouwend bezig zijn met twee mogelijkheden, onder invloed van de zeer sterke goedheid van de hemelse Vader. Door toedoen van God waren ze later een duidelijke voorafbeelding van wat God tot stand wilde brengen voorafgaand aan het feit dat het openlijk in praktijk gebracht zou worden.
De toren had de kleur van ijzer en bevond zich op de buitenzijde van de muur. Dat duidt op de gerechtigheid van God die zich sterk en onoverwinnelijk als het ware op beschouwende wijze manifesteert door de besnijdenis. Die vindt immers in het vlees dus aan de buitenkant plaats, maar wordt tevens met gelukzalige deugden aangebracht in geestelijke daden in een geestelijke muur, die God in de mensen heeft opgetrokken.
2. Door de wil van God worden deugden bij de mensen actief.
De toren is vier el breed. Dat is zo omdat die deugden door de wil van de Vader actief zijn bij de mens die zich geplaatst weet in de omvang van de vier elementen waarmee hij zich lichamelijk voedt, zolang hij in zijn lichaam is.
De hoogte van de toren is zeven el. Want in de grootte van de zeven gaven van de Heilige Geest is zoveel sterkte aanwezig als de toren hoog is. En dat is van dien aard dat de Kerk bij de menswording van mijn Zoon ontstaan is. Dat wordt vooraf uitgebeeld via de besnijdenis van het Oude Testament.

3. Over de levenshouding van de hemelse liefde, de zelfbeheersing, de eerbied, het mededogen, de overwinning, en de betekenis daarvan.
Nu over de woorden:
Op die toren zag ik vijf gestaltes. Zij stonden los van elkaar maar onder één enkele boog. Naar boven toe had die boog een kegelvormige spits.
Dat is zo omdat in die toren – dat wil zeggen: in de kracht van de besnijdenis – vijf sterke deugden samenhangen, niet doordat elke deugd een zelfstandige positie inneemt, maar in de activiteit van de mens slechts één afstraling is van God. De mens wordt immers met deugden toegerust omdat die het werk van de mens bepalen in zijn samenwerking met God.
Daarom zijn deze vijf deugden in deze toren aanwezig als de vijf zintuigen bij de mens. Heel treffend raken zij aan de besnijdenis. Zij snijden de ongerechtigheid weg. Zo worden ook de vijf zintuigen van de mens binnen de Kerk door het doopsel besneden. Toch werken de vijf zintuigen niet zelfstandig in de mens, maar de mens werkt er mee, en zij doen het met de mens. Zo zijn zij elkaar van dienst. En ieder afzonderlijk werken zij zich zeer ijverig in het zweet, elk met een eigen toppunt van prestatie in de vorm van een toren, dat wil zeggen met een goed gevormde waardigheid door de deugd van standvastigheid.
En de eerste gestalte staat gericht naar het oosten. Die deugd heeft wenend van liefde uitgekeken naar de Zoon van God, opdat, zodra de Zoon gekomen zou zijn, Hij openlijk zou spreken over het eeuwig leven dat de (periode van) besnijdenis slechts in het verborgene heeft gehad.
De tweede gestalte staat gericht naar het noordoosten, want die heeft gedeeltelijk zowel naar het oosten als naar het noorden gekeken. Hij keek vol plichtsbesef als het ware naar het oosten. Hij was boos over de ongepastheid van de ongedisciplineerde losbandigheid, namelijk omdat God niet in ere werd gehouden, en ook omdat men er misprijzend deed over het feit dat de wet van God bij het volk niet in ere werd gehouden.
De derde gestalte staat gericht op het noorden. Hij smakt de oeverloze losbandigheid die hij veracht, genadeloos op de grond. Hij verdedigt zich daar tegen met een terechte instelling.
De vierde gestalte staat gericht naar de zuil van het Woord van God, waartegen Abraham gezeten is. Want de vierde gestalte hangt samen met de menswording van Gods Zoon. Die is voor Abraham als een fundamenteel iets, als een voorteken met een betekenis van uitzonderlijke diepgang, namelijk de ram die verstrikt is geraakt in een doornstruik (verwijzing naar Abraham in Gen.22,13)
De vijfde gestalte kijkt uit op de toren van de Kerk en naar de mensen die her en der in het gebouw heen en weer lopen. Hij heeft zich opgericht om glorierijk elke ongerechtigheid te vernietigen die bij Adam begonnen is. Hij kijkt uit naar de kracht van de Kerk opdat deze glorierijk ten strijde zal trekken tegen de duivelse ongerechtigheden. Hij ziet ook om naar de mensen die in het gebouw heen en weer rennen met een bonte verscheidenheid van zedelijk leven. Hij geeft hen inzicht in de angstaanjagende ijver van God met de bedoeling dat zij als schapen van de gerechtigheid zullen volharden.
4. Over de praktijk van deze deugden en de betekenis daarvan.
Maar wat betekent het dat zij in één ding met elkaar overeenkomen? Dat betekent dat zij God met evengrote toewijding vereren in het doen en laten van de mensen. Want al deze gestalten waren als het ware op gelijke wijze gekleed in zijden gewaden. Dat duidt er op dat elke deugd van hen zoetheid en zachtheid bevat. Op geen enkele wijze beladen of belasten zij mensen daarmee. Maar zoals balsem zoetjesaan uit zijn struik neersijpelt, zo bewerken zij op milddadige wijze de zoetheid van het hemelrijk in de geest van de mensen. Dat gebeurt zonder ruwe en harde ongerechtigheid.
En zij dragen witte schoenen. Zij volgen mijn gerechtigheid recht-toe recht-aan in de witte sfeer van het hemelrijk, dwars door de onderwerping van de duivel heen. Daarbij vertrappen zij elk spoor van hem bij de mensen.
Maar de vijfde gestalte schijnt van alle kanten bewapend te zijn. Die houdt het oog op de Kerk gericht. Daar worden de heftigste gevechten geleverd tegen de duivelse ondeugden. In de Kerk behaalt hij overal de overwinning met het aller kostbaarste wapen namelijk de onoverwinnelijke kracht van God. Waar die voorbij komt, doodt hij elk onrecht tot verwarring van het duivelse bedrog.
Maar de tweede en de derde gestalte zijn blootshoofds en hebben loshangend wit haar. Dat betekent dat zij zichzelf geen enkele lastige taak opleggen, en uit liefde voor Mij leggen zij zich ook niet de last van rijkdom of begeerte op. Zij doen het blootshoofds. Dat betekent dat zij hun geweten met volle bewustzijn aan Mij openbaren, altijd brandend van liefde voor Mij. Zij gooien alles van zich af wat hen door de begeerte van het vlees verwart en bezwaart. Dat wordt aangeduid door hun witte haren. Want die verwijzen naar de heldere geest die haakt naar goede werken.
Zij dragen geen mantels. Zij werpen immers de heidense gewoontes af samen met de onkuisheid en viezigheid van de duivel en met alle wereldse zorgen. Want de wijsheid van deze wereld is dwaasheid bij God (cfr.1 Cor.3,19).
De eerste, de derde en de vierde gestalte, zijn allen gekleed in witte tunica’s.
Dat duidt op het aannemen van de onschuld. In zoete kuisheid verwijst die naar de menswording van mijn Zoon. Hij heeft de mens aan de dood onttrokken door hem te bekleden met een leven van redding.
Maar er is onderscheid tussen hen. Hun kracht is gelegen in de gave van de Heilige Geest wanneer de ene deugd dit hulpmiddel voor de ziel aandraagt, en de andere deugd een ander hulpmiddel. Toch is het allemaal één ijverig streven van God, zodat het hemelse Jeruzalem hiermee op volmaakte wijze opgebouwd kan worden. Deze deugden zijn het werk dat de mensen verrichten en waardoor zij bij God aankomen.
5. Speciaal over de hemelse liefde; de praktijk en de betekenis daarvan.
Vandaar dat de eerste gestalte verwijst naar de hemelse liefde. Want vóór elke andere zorg moet die bij de mensen aanwezig zijn. De eerste gestalte droeg een hogepriesterlijke hoofdtooi. Zijn haren waren gekamd en wit.
Dat slaat allereerst op de gekroonde gestalte van de Hoge Priester Jezus Christus. Vervolgens geldt dat ook de hogepriesters van het Oude Testament, en degenen die tegen de Zoon van God gezegd hebben: Och, scheurde U de hemel maar open, en daalde U maar naar omlaag! (cfr. Is.64,1).
Die gestalte staat daar blootshoofds zonder een vrouwelijke hoofddoek om, ten bate van hen die in het wit gekleed zijn. Dat is de voorafbeelding van het feit dat het priesterambt bij de komst van mijn Zoon vrij moet zijn van de verplichtingen van het huwelijk. Terwille van het heil moet Hij in het ongehuwd leven nagevolgd worden door zijn priesters. Zo moeten zij Hem met de volmaaktste hemelse liefde aanhangen, zodat zij op afstand blijven van het armoedig zedelijk gedrag van de mensen en van de besmetting met zonde. Zij moeten een helder en zuiver deel van Gods geestelijke gave zijn.
Deze gestalte was gekleed in een soort witte mantel die aan de onderkant twee met purperdraad doorweefde randen had.
Dat betekent dat de genade van God deze gestalte omgeven heeft met de witte kleur van de zachtmoedigheid, ondersteund en versierd aan de uiteinden van de kleren die hem bedekten met de versieringen van de tedere liefde. Want men moet begrijpen dat de goddelijke genade uiteindelijk in ieder goed werk aanwezig moet zijn, en dat die tweeledig is, namelijk in de kracht van de liefde van God en die van de mensen.
Dan nog wat betreft: In de rechterhand houdt de gestalte een lelie en in de andere bloemen.
Dat betekent dat er voor iedere goede daad de witte beloning is van lelies, dat wil zeggen de beloning van het eeuwig leven en de helderheid van het eeuwig licht, en de andere bloemetjes van heiligheid die er mee gepaard gaan en die er door de hemelse liefde aan toegevoegd worden.
Maar in de linkerhand houdt de gestalte een palmtak. De betekenis daarvan is dat de gestalte, als hij aan de dood denkt, een palmtak draagt. Die komt voort uit zijn verborgen gelukzalige deugd. Met die deugd bedelft hij de dood als het ware onder een lawine van stenen, zoals de gestalte ook met zijn woorden verklaart. Zoals hierboven vermeld is geworden, richt hij die woorden tot de kinderen van God.
6. Speciaal over de zelfbeheersing en wat die behelst en betekent.
De tweede gestalte gaat over de zelfbeheersing. Want op de liefde tot het eeuwig leven ontspruit de beheersing van de vleselijke begeerlijkheid in de tucht van grote zelfbeheersing.
Deze gestalte gaat gekleed in een paarse tuniek omdat hij temidden van de mensen omgeven is door mijn wet en door de versterving van het vlees. Dat vindt plaats in een purperen gewaad naar het voorbeeld van mijn Zoon, die in liefde geboren is uit een Maagd. Die liefde heeft in Hem volledig doorgewerkt.
Die gestalte staat daar als een jongeman die nog niet de volle leeftijd van een man bereikt heeft maar toch een diepe ernst bezit. Zelf beheersing is immers altijd in een jongensachtige vrees aanwezig, omdat een knaap in zijn groei ontzag heeft voor zijn meester waarbij hij in de leer is. Vandaar ook dat Ik, de Almachtige, altijd leermeester ben van zelftucht. Die is in Mij, om zo te zeggen, niet op volle mannelijk kracht actief, want die wil zich nog niet voluit manifesteren in de uitoefening van zijn wil, maar wel trouw in eerbiedige zelfbeperking, zoals Hij in bovengenoemde bewoordingen laat zien.
7. Speciaal over de eerbied: de praktijk en de betekenis daarvan.
De derde gestalte laat zien wat eerbied betekent. Want na de zelfbeheersing komt de bescheidenheid van eerbiedige schroom opzetten. Zij verdrijft daarmee de verwarring van de zonde. Daarom bedekt hij zijn gezicht met de witte mouw van zijnrechterhand. Hij schermt als het ware zijn innerlijk bewustzijn af tegen verkrachting en duivelse bezoedeling alsof het het gelaat van zijn ziel betreft. Hij verdedigt zich met het witte kleed van onschuld en zuiverheid. Hij heeft die bij wijze van spreken in zijn rechterhand oftewel in het heil van zijn werken. Want de minachting voor elke vunzigheid van de Satan hecht er zich krachtig aan. Die vunzigheid werpt hij flink van zich af zoals hij ook zelf in de voorgaande woorden van zijn vermaning aangeeft.
8. Speciaal over het mededogen: de praktijk en de betekenis daarvan.
De vierde gestalte betekent medelijden, want na de eerbied verheft zich de deugd van het medelijden met de behoeftigen want ook in het hart van de eeuwige Vader is het oprechte medelijden van zijn genade aanwezig. Door medelijden bewogen heeft Hij het immers in het Oude Testament zo geregeld dat Hij om te beginnen medelijden met Abraham heeft getoond. Hij heeft hem uit zijn land weggeleid en hem opgedragen dat hij zelf en zijn nakomelingen besneden zouden worden Daarmee heeft Hij hem grote wonderlijke zaken geopenbaard in de ware Drievuldigheid. Door die zaken heeft Hij ook op symbolische wijze de komst van zijn Zoon aangekondigd. Dit alles behelst het mededogen dat Abraham vooraf uitbeeldt in zijn offer van Izaak.
De vierde gestalte droeg een sluier op zijn hoofd. Het was een witte sluier die het haar bedekte zoals vrouwen dat hebben.
Dat is als het ware het versluierde begin van de verlossing alsof het het hoofd betreft van degene die medelijden heeft met de verloren zielen en die hij uit de ballingschap van de dood terugbrengt onder de blanke sluier van vroomheid. Want zij maakt de zielen blank en de mens maakt zij weer stralend omdat hij samengewerkt heeft met het medelijden van God. Want voor de mensen die God met minachting beschouwen zolang zij nog in zonde leven, schittert de barmhartigheid als een zonnestraal van blanke zoetheid nadat hun vanuit de hemel genade ten deel gevallen is. Het mededogen in de gedaante van een vrouw is als een zeer vruchtbare moeder voor de zielen die in staat van verwerping verkeren. Want zoals een vrouw haar hoofd bedekt, zo onderdrukt het mededogen de dood van de zielen. En zoals een vrouw zachter is dan een man, zo is ook het mededogen zachter dan de razende waanzin van de misstappen in de zieke toestand waarin de zondaar verkeert voordat zijn hart geraakt wordt door God. Daarom wordt die deugd ook voorgesteld in een vrouwelijke gedaante. Want in vrouwelijke kuisheid vervat, is maagdelijke materie in de schoot van Maria opgekomen als het zoetste mededogen dat altijd al in de Vader verborgen aanwezig was totdat de Vader haar door de Heilige Geest zichtbaar maakte in de schoot van de Maagd.

En de gestalte droeg een paarskleurige mantel. De betekenis daarvan is dat die gestalte omgeven was door een zeer schitterende zon. Dat is het teken van mijn Zoon die vanuit de hemel in de wereld straalt, zoals de zonneschijn op de aarde. Mijn Zoon is immers werkelijk de zon die de aarde verlicht via de heiligmaking van de Kerk.
Op zijn borst draagt hij de beeltenis van mijn Eniggeboren Zoon. Dat duidt op het feit dat Ik mijn Zoon aan de borst van het mededogen heb gevlijd, toen Ik Hem in de schoot van de Maagd Maria heb gelegd.
Daarom staat er op de borst van die deugd geschreven: Dankzij de innige barmhartigheid van onze God waarmee Hij oprijzend uit de hoge hemelsfeer naar ons toegekomen is (cfr.Lucas 1,78 en Mal.3,20vv). Wat betekent dit? Overal waar mijn macht rondwaart, wordt het duidelijk in het heimelijk kennen van de inborst van de barmhartigheid, dat mijn Zoon werkelijk barmhartig is.
Hoe dan? Zoals het beschreven staat in het Evangelie in wat mijn dienaar Zacharias zegt in het Evangelie (Lk.1,78) Dankzij de innige barmhartigheid van onze God waarmee Hij oprijzend uit de hoge hemelsfeer naar ons toegekomen is Dat betekent: door de schoot van het vaderlijk mededogen is redding gekomen. Want zoals de ingewanden in een mens, zo lag het in het hart van de Vader verborgen dat zijn Zoon op het einde der tijden mens zou worden. Toen heeft God de mensen bezocht. Op welke wijze? Door het hemels brood dat zijn Zoon toch is, geboren in het vlees uit de Maagd Maria. Hij komt van omhoog – dat is uit het hart van de Vader- om de allergrootste barmhartigheid te brengen aan de mensen die zijn mededogen zoeken, zoals dat mededogen ook zelf de kinderen van God aanspreekt in boven aangehaalde bewoordingen.
9. Speciaal over de overwinning: de praktijk en de betekenis daarvan.
De vijfde gestalte verwijst naar de overwinning, want na het mededogen dat Ik heb laten zien in de besnijdenis, terwijl Ik mijn Zoon in de wereld wilde zenden, is de overwinning nog tijdens de besnijdenis een feit geworden. Op die manier ben Ik met nog meer kracht voortgegaan tot de komst van mijn Zoon en samen met Hem (zal Ik dat blijven doen) tot de jongste dag. Immers in mijn Zoon heb Ik het oude serpent overwonnen. Hij heeft zijn hand overspeeld toen hij het mensengeslacht met duizend ongerechtigheden wegkaapte. Daarmee houdt hij het mensengeslacht vastgeketend. Maar mijn Eniggeboren Zoon heeft die ongerechtigheden met alle strijdbare wapens overwonnen. Die wapens kwamen op bij de menswording van de bloem van alle deugden. Wat wordt daarmee bedoeld? Na de barmhartigheid volgt de overwinning wanneer de mens zichzelf en alle tegenstrevende ondeugden overwint. Hoe dan?
In de vijf genoemde deugden staat de hemelse liefde voorop en wel in het feit dat de mens God kent en erkent door Hem boven alles te beminnen. Vervolgens – als gevolg van zijn geloof – komt de mens in aanraking met de wet van de zelfbeheersing waarmee hij met goede en gepaste eerbied de hang om te zondigen in bedwang houdt. Daarom wordt de mens door deze drie deugden tot in zijn hart gerechtvaardigd. Dan krijgt hij oog voor iets anders namelijk voor de benarde toestand van zijn naaste om wie hij zich zal bekommeren in al zijn behoeftes alsof het hemzelf betrof.
Spoedig daarna wordt de mens met zijn drie deugden een krachtige krijger waardoor hij van binnenuit volmaakt is en in medelijden mijn Zoon als een barnhartige Samaritaan navolgt. Op deze wijze overwint hij met de wapens van zijn onoverwinnelijke deugden de krachten van de duivel. En dat doet hij door zichzelf te overwinnen en zijn naaste te begeleiden. Met die deugden overwint hij alle kwaad door de trots af te werpen die Adam uit het paradijs verdreven heeft.
En diezelfde deugd draagt een helm op zijn hoofd. De betekenis daarvan is de volgende: Vervuld van het hemelse verlangen naar God die aan het hoofd van alles staat, moet de mens er hevig naar verlangen om het eeuwig heil te bereiken. Hij is ook gehuld in een harnas om aan te geven dat de mens aan de duivel moet weerstaan. In rechtschapenheid moet hij de wil om zijn vleselijke lusten te bevredigen beteugelen. Hij moet met oprechte vrees en terechte angst aan God onderworpen zijn. Getrouw moet hij diens strikte oordeel vrezen, zoals de psalmdichter David het op mijn aangeven formuleert:
Hemelvuur striemt de wereld met licht zodat de aardbodem siddert en schokt (Psalm 76(77),19).
Dat betekent: “Uw wonderen en geheimen, Heer van al wat bestaat, hebben geschitterd en kwamen aan het licht”. Hoe dan? Het is zoals de bliksem die gedeeltelijk zichtbaar en gedeeltelijk onzichtbaar is. Uw mysteries worden nu eens begrepen en dan weer niet. Er bestaat immers geen volk dat over de hele breedte van de aardbol is verspreid – de aardbol die volgens uw wil zo wonderlijk is geschapen – of daar is de naam van uw glorie en de macht van uw majesteit op verschillende manieren en door wonderlijke tekenen prachtig doorgedrongen. Dat is zelfs het geval als het licht van het geloof en van de waarheid er nog niet op volkomen wijze tot het heil van de mensen heeft geschenen. Daarom wendt de mens zich bewogen en met grote verzuchtingen af van zijn eigen wil. Bevend laat hij zijnbegeertes varen omdat hij het opperste oordeel vreest. Voorheen wandelde hij immers in aardse bezigheden en was hij zichzelf in achteloosheid vergeten. Maar nu keert hij wijselijk naar zichzelf terug.
Voornoemde deugd-gestalte heeft scheenplaten aan. Dat verwijst naar het feit dat hem de rechte weg gewezen is, en dat hij de wegen van de dood door middel van lichamelijke versterving zou ontvluchten.
Hij heeft ook ijzeren handschoenen aan. Dat is om te ontkomen aan de werken van de duivel door middel van de besnijdenis van de geest en door een zeer zuiver geloof in God. Aldus ontsnapt hij aan de strikken van de zeer grimmige vijand.
In zijn linkerhand draagt hij een schild dat van de schouder naar beneden hangt. De linker kant want daar vindt het duivelse gevecht tegen de mens plaats, en die kant wordt omgeven door de genade van Gods krachtigste geboden. Daardoor is de mens door zulk een kracht van het geloof omgeven en verdedigd, dat de duivel hem niet kan verpesten met zijn influisteringen, en dat de mens niet ten prooi valt aan zijn ondeugden. Hij is immers vanaf zijn schouders gepantserd door Gods bescherming. Want de genade van God gaat gepaard met de kracht van de ziel die gericht staat op God via de band van de liefde tot God en de naaste
De gestalte is omgord met een zwaard. De mens moet zich immers in bedwang houden door zijn lichaam te kastijden overeenkomstig de gestrengheid van het woord van God. Hij moet de ongerechtigheid van zichzelf en van de andere mensen wegsnijden. En in zijn linkerhand heeft hij een lans. Dat betekent dat de mens met vertrouwen op God en manmoedig iedere duivelse ongerechtigheid kan overwinnen. Dat doet hij met de grootst mogelijke vrede in de Heer. Die vrede is de ware rechtschapenheid tegen de smerigste strijd van de duivel en de mens. Die strijd kan alleen maar moeilijk en met hulp van God tot een goed einde worden gebracht.
Dan nu over het feit dat er aan de voeten van de gestalte de gedaante van een leeuw ligt met opengesperde muil. Dat is de duivel die neergeveld is door de overwinning die behaald werd door de voeten van hen die het rechte pad van leven en waarheid zijn gegaan, toen de Satan op zeer bittere wijze en met opengesperde muil het mensengeslacht verslond. Zijn tong hing uit zijn muil. Dat duidt op zijn zelfoverschatting waarmee hij in zijn vreselijke boosaardigheid het hele mensengeslacht vanaf Adam volledig meende te kunnen verslinden.
En ook onder de voeten van de gestalte liggen enkele mensen. Via hun gluiperigheid zijn dat de verlammende zweren van de duivel. Die sluipen binnen bij het begin van elk kwaad. Vol ijver voor God en voortgaande in rechtschapenheid verbrijzelt de gestalte deze zweren. Die perverse manipulaties onderwerpen zich op verschillende manieren aan de duivel en staan in zijn dienst.
Sommige mensen deden klaroenen weerschallen. Dat duidt op het feit dat zij zich te buiten gaan zodra het kwaad van zich laat horen. Ziek gaan zij als een dolle te keer uit haat tegen de rechtvaardigheid van God. Geslacht na geslacht gebeurt dit in grote hoogmoed.
Andere mensen maken spottend een hels kabaal met verschillende muziekinstrumenten. Zij zijn bedrieglijk bezig met hun fantasierijke zinsbegoochelingen die bij de duivel horen. Ook zijn zij hardnekkig bezig in een opgeschroefde overmoed en met schele ogen kijkend naar de strenge tucht van God.
Nog andere mensen verdoen hun tijd met allerlei spelen. Zij houden zich bezig met allerlei bezoedelende ondeugden, die zij overeenkomstig hun wellustige wil, en zoals zij die zelf uitdenken, plegen op aanstichten van de duivel.
Deze gestalte vertrapt al deze mensen met zijn voeten inclusief de leeuw. In Gods gerechtigheid en met opperste ijver verbrijzelt deze gestalte al deze ijdelheden van het volk evenals de verleidingen van de Satan.
En met de lans die de gestalte in zijn rechterhand houdt, doorboort hij hen fel. Stoutmoedig en met vertrouwen op God doorboort en verwondt de gestalte allen heel erg en smartelijk vanwege hun onreinheid. Want door God worden zij ontgoocheld en totaal nietswaardig geacht, zoals de gestalte ook zelf in al zijn vermanende woorden tot uitdrukking heeft gebracht.
10. Over de houding van het geduld en de verzuchting, en wat die betekent.
Wat je binnen in het gebouw ziet, zijn twee andere gestaltes die tegen deze toren aan staan. Dat betekent dat de hemelse Vader binnen het werk dat Hij door zijn Zoon volbracht heeft, Hem openlijk heeft aangewezen in zijn duidelijk optreden, en dat Hij in de besnijdenis op verholen wijze aan het licht is getreden. Daar gaan twee deugdelijke leefwijzen mee gepaard. De ene is het voorbeeld van Christus navolgen, en de andere is in zijn voetstappen treden. Dat betekent dat dit met alle kracht en eerbied dient te gebeuren, de voorop gaande wil van God tegemoet. Want daarin laten zij de vrucht zien die in de besnijdenis ligt opgesloten.
De eerste gestalte lijkt daar te staan op het plaveisel van het bouwwerk, als het ware onder een boog met een prachtige vuurgloed. Die boog was aan de binnenkant beschilderd met verschillende afbeeldingen van boze geesten. Hij leunde tegen de toren aan.
Dat betekent dat die deugd uitgeoefend wordt door de aardse zaken te vertrappen vanuit de goedheid van de Vader, en door, naar het voorbeeld van Gods Zoon, nauwgezet dwars door de verlangens van het vlees heen te gaan.
Hoe gebeurt dat dan? Met grote gelatenheid gaat die gestalte dwars door de tegendraadse dingen van de wereld heen, nadat hij die binnen de boog stevig onderzocht en uitgezeefd heeft.
Dat betekent: binnen de geldende normen van de wereldlijke macht die vurig is in de verschrikking van de aardse hoogmoed en die eigen is aan de duivelse menigte. Deze trekt de innerlijke vleselijke begeerten van de ziel naar zijn wil toe. En dat doet zij terwijl die boog zich ondertussen op velerlei wijzen verzet tegen wat juist en goed is. Die menigte veracht in het ware verbond wat gebouwd is op God. Maar met de hulp van God blijft de deugd overwinnares in de goede mensen, ook al worden zij erg bestookt en afgemat door de hinderlagen van de kwaadwilligen.
Maar de andere gestalte die aan de buitenkant van de boog staat, staat zover ter zijde dat die onder geen enkele boog staat. Want terwijl de eerste gestalte de hoogmoedige macht geduldig overwint, – die hem overigens veel last heeft bezorgd -, schrijdt deze tweede gestalte aan die macht voorbij. Want wat de last aangaat die deze macht met zich meebrengt, die is als het ware buiten die macht ontstaan ofschoon in de buurt daarvan. Bedoeld is de herinnering aan de kommervolle ellende waaruit zij is voortgekomen. Deze gestalte neemt haar standplaats in zonder de druk van de boog, aangezien zij vrij is van de macht van dit tijdelijk bestaan door openlijk het kruis van Christus te dragen.
Wat betekenen nu de woorden: beide gestaltes houden ondertussen de genoemde toren in het oog? Dat betekent dat zij zelf het volledige werk voorstellen voorafgaand aan de wil van God. Zij zien in de besnijdenis van het Oude Testament de oorsprong van hun wortels. Maar toch zijn zij groter dan in het begin toen zij nog in de tijd van de besnijdenis leefden. Want elk schitterend werk gaat aan het begin van de leer vooraf.
Wat betekent nu: Ondertussen kijken zij ook naar de mensen die het gebouw in- en uitlopen. Daarin is ook de aansporing van de Heilige Geest gelegen voor de volken die naar God gaan langs de weg van de gerechtigheid. En ook is het een waarschuwing die uitgaat naar hen die zich onder de misdadige invloed van de duivel bevinden en willen afdwalen van de weg van de gerechtigheid. Vandaar dat zij door hen worden aangemoedigd om hen te volgen in het doen van het goede.
11. Over hun kleding en wat die betekent.
Ook zijn zij gekleed in zijden gewaden. Dat duidt op de zachtmoedigheid waarin zij leven opdat zij niet bezwaard zouden worden door verontwaardiging over de ellende van de vervolgingen.
En ze dragen een hoofdtooi, een witte sluier, zoals vrouwen dat plegen te doen. Het is immers terecht dat de mens met zijn hoofd onderworpen is aan God door zich in zijn geest permanent met liefde te omgeven. Zo kan hij Hem met vreugde en blijdschap omarmen, zoals een vrouw haar man met oprechte eerbied en liefde bejegent overeenkomstig de bedoeling van God.
Maar zij dragen geen mantels, want zij bekommeren zich niet om wereldse zaken. Zij neigen slechts naar de dingen die in het toekomstig leven bij God eeuwigheidswaarde hebben.
Maar zij dragen wel wit schoeisel. Op hun wegen van gerechtigheid stralen zij immers vanwege de blanke witheid van het geloof in hun hoofden, opdat de mensen in de voetstappen van hun voorbeeld zouden treden.
12. Speciaal over het geduld en haar kleding en wat dat betekent.
(NB. In dit nummer maakt Hildegard gebruik van het bijbelse woord cornus=hoorn.
Een opgestoken hoorn heeft de betekenis van weerbare kracht; een afgehouwen of gebroken hoorn betekent verlies van kracht.)
De eerste gestalte verbeeldt het geduld, want die deugd komt op in de hoorn van Abraham. Daarmee wordt het begin van gehoorzaamheid bedoeld toen hij aan God gehoorzaamde. In zijn besnijdenis is dat als het ware het eerste geluid van gehoorzaamheid na de val van Adam. En dat is dan tevens een vooruitlopen op de praktische gehoorzaamheid in de ware zin van het Woord dat in de Zoon van God aanwezig is, zoals het geluid de drager is van een woord.
(NB. Jezus wordt door Sint Jan “Het Woord van God genoemd. Cfr. Jo.1,14: En het Woord is vlees geworden.)
En op zijn hoofd heeft hij als het ware een driehoekige roodachtige kroon, zoals een edele hyacint prachtig rood is. Dat betekent dat het verstand van gelovige mensen in het begin door het geloof in de Heilige Drievuldigheid ten zeerste gekroond wordt, wanneer zij uit liefde voor God en het ware geloof, hun vleselijk bestaan minachten en niet aarzelen om hun bloed te vergieten. Ook de Zoon van God heeft door mens te worden de dood overwonnen met het rood van zijn bloed. De Kerk is daarmee gesierd als met het rood van een hyacint in haar pracht.
Die gestalte is ook in een witte tuniek gekleed waarvan de plooien overal goed zichtbaar groengekleurd zijn. Dat betekent dat hij het kleed van het werk van God aantrekt in de blanke witheid van het eeuwige licht, in de plooien versierd met klachten en verzuchtingen van iemand die zegt: O, wanneer zal ik het ware licht aanschouwen ?(cfr. Ps.41[42],3). Dit verlangen doet zich in dit leven op gelukkige maar verholen wijze voor. Daardoor worden de tegenslagen van de gelovigen opgevrolijkt tot groene groeikracht voor de ziel die bezocht wordt door veel rampen, maar die zij geduldig voor God verduurt. Diezelfde deugd verklaart dat ook in de hiervoor aangehaalde bewoordingen.
13. Speciaal over de verzuchting en haar kleding en de betekenis daarvan.
De andere gestalte slaakt verzuchtingen. Want na het geduldig verdragen van alles wat tegen zit, komt bij mijn uitverkorenen een verzuchting op bij de gedachte aan het leven. Door mijn vermaning komt die verzuchting zodat Ik vanuit mijn hart mijn Zoon gezonden heb omwille van de verzuchting van mijn volk. Want mijn volk, zowel in het oude als in het nieuwe testament, had en heeft deze herinnering van de Geest die de verzuchtingen verstaat in haar smartelijke uitingen, want het is waarachtig een doorn in het hart.
Daarom bevindt de gestalte zich ook in de noordelijke streek om te vechten tegen de ontketende onreinheid van de duivelse hinderlagen. En hij is gekleed in het wit, maar toch een beetje vaal.
Hij is weliswaar omgeven door goede werken die in een oprecht geloof tot stand zijn gekomen, maar toch is dat geloof een beetje flets. Want altijd is er dat gezucht en geween terwille van het eeuwige geluk.
En nu over het feit dat hij in haar rechter hand een kruis draagt met de beeltenis van de Verlosser terwijl hij zijn hoofd daar naar toe neigt. Dat betekent dat hij rechts, dat is de juiste zijde van zijn krachtige daad, het lijden van mijn Zoon omhelst met heel het verlangen van zijn goede bedoeling hunkerend naar en zich voegend bij Hem. Hij volgt Hem in zijn smarten en zorgen zoals hij ook laat zien in de boven aangehaalde woorden van zijn aanmoediging.
Vandaar ook dat je ziet hoe alle genoemde gestaltes al hun woorden uitspreken overeenkomstig het geheim van God tot vermaning van de mensen. Want via alle deugden van de zachtmoedigheid onderricht de vroomheid tot God de mensen door hun denken aan te sporen om het kwade los te laten en zich te richten op het goede. Wie echter aan zijn innerlijke verstand scherpe oren heeft, zal zich in vurige liefde aan Mij spiegelen, haken naar mijn woorden en ze bewust in zijn ziel opschrijven.
HET VIERDE VISIOEN
HOOFDSTUKKEN VAN HET VIERDE VISIOEN VAN HET DERDE DEEL
1. De eerzame deugden traden aan het licht toen de gestrengheid van de Wet werd verzacht door de menswording van het Woord van God.
2. De aartsvaders gaven al aan dat de Wet nabij was.
3. Geen enkele hoogmoed kan de kracht van God weerstaan.
4. De gerechtigheid van God moet gevreesd worden, en de hoogte daarvan gaat ieder schepsel te boven
5. Het woord van God kent drie scharpe kanten: het Oude Testament, de nieuwe genade en de verklaringen van de goddelijke boeken.
6. De eerste kennismaking met de goddelijke Wet, de werking van het Evangelie, en de uitmuntende wijsheid van de belangrijkste leermeesters.
7. God heeft het begin van de Wet laten duren vanaf de tijd van de aartsvaders en de profeten tot aan de openbaring van zijn Zoon.
8. De aartsvaders en de profeten hebben de evangelische boodschap geëerd door zich over de menswording van de Zoon van God te verwonderen.
9.Vanaf de eerste tot en met de laatste uitverkorene is Gods Woord bij wijze van voorafbeelding verborgen gebleven voor de zielen van de Oudsten.
10. De leer van de Zoon gaat uit van de Vader en keert tot de Vader terug. Die leer verbreidt zich tot vrucht van zegening en bereikt zo de leraren van de Kerk.
11. Door de prediking van Christus zijn er apostelen gekomen, en martelaren en andere uitverkorenen.
12. Na het Evangelie is de wijsheid van de goddelijke Schrift onder de mensen verspreid.
In het begin was er maar weinig aandacht voor. Ten slotte werd die aandacht maar zwak vanwege de bekoeling van de liefde.
13. In het begin moet de mens bedeesd aan een goed werk beginnen, halverwege sterk en standvastig, en op het einde nederig.
14. De mysteries van Gods Zoon aanwezig in het allerdiepste geheim van de Vaderzijn in het Oude en het Nieuwe Testament openbaar gemaakt, en door de genade van de Heilige Geest zijn ze verklaard geworden. Dat wordt slechts verholen aan de mens geopenbaard die maar stof is.
15. Over de kennis van God, de status daarvan, en wat die betekent.
16. Hoe staan de engelen daar tegenover; en waarom hebben zij vleugels?
17. Over hen die bijeengedreven schapen worden genoemd.
18. Over het feit dat God sommigen wat zachter aanpakt, anderen forser, en weer anderen met de grootst mogelijke ellende naar lichaam en geest.
19. Het voorbeeld van de Farao, Mozes en Aaron in deze aangelegenheid.
20. Over hoe God, die de mensen gadeslaat, hen straft en troost.
21. Woorden van Wijsheid van Salomon.
22. Waarom de Goddelijke Wijsheid de mensen ziet alsof ze bekleed zijn met nieuwe kleren.
HET VIERDE VISIOEN VAN HET DERDE DEEL
Boven de toren van Gods voortgaande wil uit, maar toch één el onder de noordelijke hoek, zag ik iets dat op een staalkleurige kolom leek. Die kolom stond tegen de buitenkant van het zoëven genoemde lichte gedeelte van de muur aan. Die kolom had een afschrikwekkende aan blik. Hij was zo groot en hoog dat ik hem onmogelijk kon schatten. Hij was bovendien driehoekig. Van de voet tot de top waren de hoeken zo scherp als een zwaard. De eerste hoek stond gericht op het oosten, de tweede op het noorden, en de derde op het zuiden. De kolom stond nagenoeg tegen de buitenzijde van het gebouw aan.
Van de voet tot de top groeiden er takken uit de oosthoek. Op de eerste tak, kort bij de voet, zag ik Abraham zitten. Op de tweede zat Mozes en op de derde Josua. Vervolgens zaten daar de overige aartsvaders en profeten, ieder één voor één ordelijk opwaarts op zijn eigen tak, overeenkomstig de tijd waarop zij elkaar hier op aarde waren opgevolgd.
Allen zaten zij gericht naar de noordelijke hoek van de kolom. Zij keken verwonderd naar wat zij daar in hun geest inde toekomst zagen gebeuren.
Maar tussen de twee hoeken waarvan de ene naar het oosten en de andere naar het noorden gekeerd stond, bevond zich voor het aangezicht van de aartsvaders en de profeten de zuil die van de voet tot aan zijn top – als het ware verwrongen en afgerond – vol rimpels zat alsof uit de bast van een boom een kiem moest uitbotten.
Maar vanuit de tweede hoek, de noordelijke, ging een glans uit van schitterende helderheid. Die strekte zich uit tot de zuidelijke hoek en weerkaatste daar tegen. In die gloed, zo groot en zo breed als die was, ontwaarde ik de apostelen, de martelaren, de belijders en de maagden, en nog veel andere heiligen. Zij verkeerden daar in grote vreugde.
Maar de derde hoek die op het zuiden gericht stond, was in het midden breed en omvangrijk, maar onderaan en in de top was die zuil enigszins dunner en versmald zoals een boog die men spant om er pijlen mee af te schieten. Op de top van die zuil zag ik een lichtgloed zo helder dat geen mensentong die zou kunnen beschrijven. Daarop verscheen een duif met een goudkleurige straal in zijn bek. Die straal overspoelde de kolom met sterk glanzend licht.
Terwijl ik naar dit alles keek, hoorde ik een stem uit de hemel die mij op zeer dreigende en bestraffende toon toesprak en zei: “Wat je ziet, komt van God”. Bij het horen van die stem beefde ik zó dat ik niet verder durfde toe te zien.
Toen zag ik ook binnen dat gebouw op de vloer een soort gestalte staan tegenover de zuil. Die gestalte stond nu eens naar de zuil te kijken en dan weer naar de mensen die in het gebouw op en neer liepen. Die gestalte straalde zoveel schittering en klaarheid uit dat ik vanwege de immense gloed die er van uitging, geen gezicht kon zien en ook niet de kleding die de gestalte aanhad. Het enige dat ik zag, was dat zij evenals de andere deugden verscheen in de gedaante van een mens.
Om die gestalte heen zag ik een heel mooie groep engelachtige wezens met vleugels. Zij stonden daar in diepe verering, met eerbiedig ontzag en vol liefde. Maar voor het aangezicht van de gestalte zag ik nog een andere menigte in menselijke gedaante en donkere kledij. Zij stonden daar in grote bevangenheid en vrees.
De genoemde gestalte bekeek de mensen die vanaf de wereld het gebouw binnenkwamen en daar van nieuwe kleding werden voorzien. Hij sprak tot ieder van hen: “Kijk naar de kleren die ja aangetrokken hebt, en wil je Schepper niet vergeten die jou geschapen heeft”.
Terwijl ik dit alles verwonderd in ogenschouw nam, sprak Hij die op de troon zat, opnieuw tot mij.
1. De eerzame deugden traden aan het licht toen de gestrengheid van de Wet werd verzacht door de menswording van het Woord van God.
Het woord van God waardoor alles geschapen is, is vóór alle tijden uit het hart van God geboren. Maar later, op het einde van de tijden, is het Woord uit een maagd mens geworden, zoals de oude heiligen voorspeld hadden. Ofschoon Hij de menselijke gedaante heeft aangenomen, heeft Hij zijn God-zijn niet afgelegd. Hij is en blijft met de Vader en de Heilige Geest de ene en ware God. Hij heeft de wereld verzacht met zijn mildheid, en hem met de glans van zijn heerlijkheid beschenen.
Vandaar de tekst: de zuil die je ziet oprijzen boven de vermelde toren van de voorop gaande wil van God. Dat duidt op het onuitsprekelijke geheim van Gods Woord. Met name betreft dat het feit dat alles wat in het Oude en in het Nieuwe Testament gerechtigd is, tot stand is gekomen in de Zoon van God. Het is allemaal door goddelijke inspiratie aan de trouw gelovige mensen geopenbaard tot hun heil. Dat is gebeurd toen de Zoon van de hemelse Vader zich verwaardigd heeft om uit een allerzoetste Maagd mens te worden. Immers toen bij het begin van de besnijdenis door de vooruitziende blik van Gods wil zich degelijke deugden hebben gemanifesteerd, heeft ook het geheim van het Woord van God duidelijke uitleg gekregen volgens een heel terechte logica. Toen is ook heel terecht het mysterie van het Woord van God verklaard geworden. Het zat al vervat in wat de Aartsvaders en de Profeten te verstaan hadden gegeven. Zij hebben voorzegd dat het Woord heel terecht openbaar gemaakt moest worden en al wat bestaat onderworpen moest worden aan God. Dat zou met de grootst mogelijke gestrengheid moeten gebeuren. Die gestrengheid is gepaard gegaan met diepsnijdende gerechtigheid van God. Zij heeft geen enkele verwerpelijke ongerechtigheid ongemoeid gelaten, maar juist met wettelijke geboden afgehakt.
2. De aartsvaders gaven al aan dat de Wet nabij was.
Maar één el onder de noordelijke hoek zie je een kolom staan. Dat duidt op een speciale menselijke omgang in een voortreffelijke buurtschap die er geweest is vanaf de tijd van de aartsvaders. Zij hebben gesproken over de strikte rechtvaardigheid van het Woord van God en de betekenis daarvan tot aan de Wet die als het ware in het noordelijk deel tegen de duivel gevochten heeft.
3. Geen enkele hoogmoed kan de kracht van God weerstaan.
Die kolom had een staalblauwe kleur en stond tegen de buitenkant van het zoëven genoemde lichte gedeelte van de muur aan. Dat duidt op het feit dat de kracht van Gods Woord onoverwinnelijk en onovertroffen sterk is. Niemand kan er aan weerstaan door zinloos verzet of door ijdele hoogmoed. De oude Vaders waren er weliswaar op bespiegelende wijze van buitenaf mee verbonden via beschouwende kennis en werken van gerechtigheid, maar ze waren er nog niet aan vastgeklonken met vurige en volmaakte daad die uitgaat van de Zoon van God. Dat bleek uit hun holklinkende woorden.
4. De gerechtigheid van God moet gevreesd worden, en de hoogte daarvan gaat ieder schepsel te boven
Die kolom had een afschrikwekkende aan blik. De gerechtigheid die aanwezig is in het Woord van God, moet door het menselijk geweten gevreesd worden bij een goddeloos oordeel van onrechtvaardige rechters die alleen maar oordelen overeenkomstig hun eigen voordeel.
Hij was zo groot en hoog dat ik hem onmogelijk kon schatten. Dat betekent dat het Woord, de Zoon van God, alle schepselen te boven gaat in de grootheid van zijn glorie, in de hoogheid van zijn godheid en in de vaderlijke majesteit. Dat is zo mateloos groot dat geen mens door de verdorvenheid van zijn vlees dit ten volle kan aanschouwen.
5. Het woord van God kent drie scherpe kanten: het Oude Testament, de nieuwe genade en de verklaringen van de goddelijke boeken.
Die kolom was driehoekig. Iedere hoek was van beneden tot bovenaan toe zo scherp als een zwaard. Die woorden betekenen dat de kracht van Gods Woord, rondgaand en wentelend, drie scherpe aangelegenheden heeft geopenbaard door de Heilige Geest. Het Oude Testament heeft die kracht aangeduid toen die nog in het Nieuwe Testament verklaard moest worden. Door de Heilige Geest heeft de kracht van God drie scherpe aangelegenheden aangereikt, te weten het Oude Verbond, de nieuwe genade en de verklaring daarvan door gelovige geleerden. In die drie aangelegenheden brengt de vrome mens tot stand wat juist is, aanvankelijk door het in zich op te nemen en voortgaand tot aan het toppunt waar het goede een aanvang neemt, steeds verder strevend naar volmaaktheid – zeg maar tot aan de top – wanneer hij het tot voltooiing brengt. Immers alles wat juist en goed is, was en is en zal in eeuwigheid in de scherp aanwezige Godheid blijven die overal doordringt, zodat geen enkele macht kan volharden in boosaardigheid wanneer de roem van zijn vroomheid die wil overwinnen.
6. De eerste kennismaking met de goddelijke Wet, de werking van het Evangelie, en de uitmuntende wijsheid van de belangrijkste leermeesters.
De eerste hoek wijst naar het Oosten. Dat betekent: het eerste ontstaan van de aanvang van het kennen van God vond plaats binnen de goddelijke Wet vóórdat de dag van alle gerechtigheid was aangebroken.
De tweede hoek wijst naar het noorden. Want na de aanvang van zijn goede en vastgestelde werking, zijn het evangelie van mijn Zoon en zijn andere voorschriften in Mij, de Vader, opgekomen tegen het noorden, waar alle ongerechtigheid is ontstaan.
De derde hoek is gericht op het zuiden, een beetje aanleunend tegen de buitenkant van het gebouw. Dat verwijst naar de diepe en uitstekende wijsheid van de belangrijkste geleerden
die door hun noeste werken van gerechtigheid en door de warmte van de Heilige Geest, duistere zaken in Wet en Profeten hebben blootgelegd. In de Evangelies hebben zij de kern laten zien en geschikt gemaakt om die te begrijpen. Terwijl zij voortdurend de uiterlijke materie van de Schriften voor ogen hadden, overwogen zij er het werk van Gods goedheid in en de mystieke betekenis er van.
7. God heeft het begin van de Wet laten duren vanaf de tijd van de aartsvaders en de profeten tot aan de openbaring van zijn Zoon.
Van de voet tot de top groeiden er takken uit de oosthoek van de driehoekige zuil.
Dat betekent dat door de Wet van gerechtigheid bij het begin van onze kennis van God als het ware in de oosthoek takken te voorschijn kwamen. Daar worden de tijden van de aartsvaders mee bedoeld.
De kolom van het goddelijk Wezen met zijn scherpe kanten laat alles ontstaan vanaf zijn wortels. Dat betekent vanaf het goede begin in het denken van zijn uitverkorenen, en zo verder tot aan zijn top, oftewel tot aan het verschijnen van de Mensenzoon die één en al gerechtigheid is.
Vandaar ook dat je op de eerste tak, kort bij de voet, Abraham ziet zitten. Door de scherp toeziende Voorzienigheid ging de tijd ten einde die bij Abraham begonnen was toen hij in alle gemoedsrust gehoorzaamde aan God en zijn vaderland verliet.
Op de tweede tak zit Mozes Want op inspiratie van God heeft vervolgens het begin van de inplanting van de Wet van Mozes plaatsgevonden als voorafbeelding van de Zoon van de Allerhoogste
Op de derde tak zit Jozua. Want hij heeft vervolgens van God de geest ontvangen om de gebruiken van Gods Wet sterker ingang te laten vinden op bevel van God.
Vervolgens zaten daar de overige aartsvaders en profeten, ieder één voor één ordelijk opwaarts gezeten op zijn eigen tak, overeenkomstig de tijd waarin zij elkaar hier op aarde opgevolgd waren. Immers in ieder tijdsbestek van de elkaar opvolgende aartsvaders en profeten heeft God iedere afzonderlijke afstammeling omhoog uitgeademd tot op de hoogte van zijn geboden. Dat gebeurde toen zij in hun dagen terecht en ordelijk in de hun getoonde gerechtigheid ontslapen zijn, trouw onderworpen aan de goddelijke majesteit, en overeenkomstig de tijd waarin zij geleefd hebben.
8. De aartsvaders en de profeten hebben de evangelische boodschap geëerd door zich over de menswording van de Zoon van God te verwonderen.
Allen zitten zij gericht naar de noordelijke hoek van de kolom. Zij kijken verwonderd naar wat zij daar in hun geest inde toekomst zien gebeuren.
In de geest aangespoord door de Heilige Geest, hebben allen zich toegekeerd en gekeken naar de evangelische boodschap van de kracht van Gods Zoon waarmee Hij de duivel bestreed. Zij spraken over de menswording van de Zoon van God. Zij waren verwonderd over het feit dat Hij uit het hart van de Vader en via de schoot van een Maagd kwam. Hij heeft zichzelf kenbaar gemaakt via grote wondedaden in zijn eigen optreden en in dat van zijn volgelingen. Op wonderbare wijze volgden dezen Hem in een nieuwe genade na door te vertrappen wat verwerpelijk is en door sterk te streven naar wat eeuwigdurende vreugde bevat.
9.Vanaf de eerste tot en met de laatste uitverkorene is Gods Woord bij wijze van voorafbeelding verborgen gebleven voor de zielen van de Oudsten.
Maar tussen de twee hoeken waarvan de ene naar het oosten en de andere naar het noorden gekeerd staat, bevindt zich voor het aangezicht van de aartsvaders en de profeten de zuil die van zijn voet tot aan de top – als het ware verwrongen en afgerond – vol rimpels zit alsof uit de bast van een boom een kiem moet uitbotten.
Dit is de betekenis daarvan. Tussen de twee toppunten, dat wil zeggen tussen mijn geopenbaarde kennis en de daarop volgende leer van mijn Zoon, heeft mijn enig Woord verborgen gelegen in de zielen van de oude Vaders in mijn voorschriften over de dingen die men in gedachten moest houden. Dat diende te gebeuren van de eerste uitverkorene tot en met de laatste heilige, omgeven in een mystieke kringloop. Want Hij heeft al zijn gereedschap goed op orde gereed gelegd en geslepen. Dat heeft Hij gedaan door zich liefdevol in een wentelende genade aan allen te openbaren zoals afgebeeld in de rimpels van de besnijdenis. Die besnijdenis is een vooruitziende afschaduwing geweest van de dingen die nog komen moesten*). in de door de gestrengheid van de Wet toegevoegde betekenis met daarin de juiste kiem geborgen van de meest verheven en heilige menswording.
*) Hier worden een paar woorden geciteerd van Kol.2,27 Dit alles is slechts een voorafschaduwing van de werkelijkheid die nog moest komen en die gevonden wordt in Christus.
Hildegard heeft het in dit nummer kennelijk over de gerimpelde voorhuid van de penis die in de besnijdenis verwijderd wordt.
10. De leer van de Zoon gaat uit van de Vader en keert tot de Vader terug. Die leer verbreidt zich tot vrucht van zegening en bereikt zo de leraren van de Kerk.
Maar vanuit de tweede hoek, de noordelijke, ging er een glans uit van schitterende helderheid. Die strekte zich uit tot de zuidelijke hoek en weerkaatste daar tegen.
Van het andere, het Nieuwe Testament, zijn de woorden van mijn Zoon uitgegaan tegen de duivel in. Die woorden komen van Mij, de Vader, en keren naar Mij terug. Want als de zon in het vlees schijnt, in mijn Zoon dus, dan schijnt het licht van het Evangelie in zijn prediking. Van Hem en van zijn leerlingen verspreidt dat licht zich als een vrucht van zegening. Zo keert het ook terug in de bron van heil. Op die manier bereikt het de leiders, dat wil zeggen: de mensen die de woorden van het Oude en het Nieuwe Testament doorvorsen. Daarmee laten zij zien dat de wijsheid samen met die zon is opgestaan en over de wereld straalt. In zijn zijde brandt die wijsheid hevig zoals de middagzon straalt over zijn uitverkorenen.
11. Door de prediking van Christus zijn er apostelen gekomen, en martelaren en andere uitverkorenen.
In die gloed, zo groot en zo breed als die was, ontwaarde ik de apostelen, de martelaren, de belijders en de maagden, en nog veel andere heiligen. Zij verkeerden daar in grote vreugde.
Terwijl mijn Zoon predikte en het licht van de waarheid verspreidde, zijn de apostelen in dat heldere licht verkondigers van het licht geworden. Zo kwamen er ook martelaren die als sterke strijders trouw hun bloed vergoten, en plichtsgetrouwe belijders die mijn Zoon navolgden, en maagden die het zaad van het Woord volgden, en al die andere geliefden van Mij die zich laafden aan de bron van blijdschap en de bron van het heil. De Heilige Geest doorstroomt hen zodat zij branden van deugd naar deugd (cfr.Ps.83,8) en dat ook uitstralen.
12. Na het Evangelie is de wijsheid van de goddelijke Schrift onder de mensen verspreid. In het begin was er maar weinig aandacht voor. Ten slotte werd die aandacht maar zwak vanwege de bekoeling van de liefde.
Maar de derde hoek die op het zuiden gericht stond, was in het midden breed en omvangrijk, maar onderaan en in de top was die zuil enigszins dunner en versmald zoals een boog die men spant om er pijlen mee af te schieten.
Deze tekst heeft te maken met de wijsheid van de heiligen die zij in zijn diepe betekenis hebben gezocht. Bij de verspreiding van het Evangelie was die wijsheid brandend aanwezig in de vurige gloed van de Heilige Geest. Via de Wijsheid wilden zij de eigenlijke kern van de diepgang hervinden. Het gaat met name over wat zij moeten begrijpen van het woord van God. Die wijsheid zit daar middenin verborgen. Want door het versterkte en verstevigde geloof bij het christenvolk, is gaandeweg een breed verstaan uitgegaan van de zielen van heilige geleerden die de diepe ondoorgrondelijkheid van de Schriften doorzochten en die tot kennis van veel mensen brachten. De mensen leerden dus veel van hen zodat hun begrip zich verwijdde in wijsheid en kennis van de goddelijke Schrift. In het begin verkeerde de Schrift als het ware nog onderaan in de belangstelling van de Kerk. Er was nog maar weinig of slechts in geringe mate studie over. De mensen hadden de Schrift nog niet met zoveel liefde omhelsd zoals dat dit later wel het geval is geweest.
Maar nog later, op het einde van de tijden, als op het toppunt de toeleg van velen bekoeld raakt, en de kennis van het goddelijke niet langer een begerenswaardige bezigheid is, brengen de mensen hun geweten tot zwijgen. Het lijkt er op alsof het voor hen niet langer iets goeds is om te doen. Zij kennen het nog slechts als iets vreemds buiten hen, als was het een droom.
13. In het begin moet de mens bedeesd aan een goed werk beginnen, halverwege sterk en standvastig, en op het einde nederig.
Die hoek…. was in het midden het breedst in ruwheid. Want, ontdaan van de schaduwzijden van het Oude Testament, strekten de ruwe uitingen van Godsverering zich in het beperkte begin uit naar een eigen middelpunt. Het gaat daarbij om zeer sterke deugden die met grote ijver beoefend werden toen het volk zich sneller schrap zette tegen het kwaad door de duivel te verwonden met woorden die van God afkomstig zijn, en door de duivel buiten te werpen en alle ongerechtigheden te vertrappen door middel van de grote gestrengheid van Gods rechtvaardigheid. Uiteindelijk zal God tegen het einde van de wereld neerdalen in zelfvergetelheid om sterker levend vanuit het vuur van de Heilige Geest met gespannen boog ten strijde trekken. Ook de mens moet met lichaam en ziel opstaan tegen de ondeugden. Daartoe is hij (als de boog) aan beide uiteinden smaller en in het midden breder. Dat betekent dat de mens van het begin tot het einde behoedzaam dient te zijn in grote vrees en nederigheid. En tussendoor dient hij stevig en vast met de gave van de Heilige Geest zijn speren van goede werken te werpen naar de hinderlagen van de duivel. Want als de mens pas begint met goede werken te doen, is zijn deugdzaamheid nog maar slapjes. Maar als het er op aankomt om het goede te doen, pakt hij het steviger aan, omdat de Heilige Geest hem met zijn beïnvloeding sterkt. Hij zal evenwel niet langdurig onder die werkzame invloed kunnen blijven. Vandaar dat hij tot het einde toe steeds weer verder verslapt in zijn toeleg vanwege de zwakte van zijn vlees. Daarom moet hij altijd door zijn boog gespannen houden om zich tegen de duivelse ongerechtigheden te verdedigen.
14. De mysteries van Gods Zoon aanwezig in het allerdiepste geheim van de Vader zijn in het Oude en het Nieuwe Testament openbaar gemaakt, en door de genade van de Heilige Geest zijn ze verklaard geworden. Dat wordt slechts verholen aan de mens geopenbaard die maar stof is.
Op de top van die zuil zie je een lichtgloed zo helder dat geen mensentong die zou kunnen beschrijven. Dat duidt op het feit dat de hemelse Vader de mysteries van zijn Zoon in het diepste geheim heeft prijsgegeven. In de Vader bloeit Hij in de helderste lichtglans die maar mogelijk is. In die lichtglans ligt de hele gerechtigheid vervat, zowel die van toen de Wet nog van kracht was, als die van nu in het Nieuwe Testament. Het betreft de allerhelderste klaarheid van de licht brengende Wijsheid. Dat is van dien aard dat het voor geen enkele mens mogelijk is om hier ook maar iets over te kunnen zeggen. Hij is maar as en verkeert in rottend vlees.
Daarop verscheen een duif met een goudkleurige straal in zijn bek. Die straal overspoelde de kolom met een sterk glanzend licht. Het betreft de vlammende Heilige Geest in de fonkeling van het licht van Gods Zoon in het hart van de stralende Vader. Door de Heilige Geest worden de geheimenissen van de Zoon van de Allerhoogste verklaard. Hij komt uit de meest verheven hoogte om het volk te verlossen dat door het aloude serpent is misleid. Daarom ademt de Heilige Geest ook alle wettelijke geboden en nieuwe getuigenissen uit. (Hij geeft namelijk de wet van de helderheid van zijn mysterie nog vóór de menswording van de Heer, terwijl Hij in die helderheid zijn werkzame kracht laat zien bij de menswording van de Zoon van God).
Hij heeft een gouden glans bij zijn allerdiepste uitademing. Daarbij gaat het om de zeer uitzonderlijke en uitmuntende glans van zijn zalving. Door een veelvuldige en grote mystieke beïnvloeding openbaart Hij aan de oude voorvaderen veel en grote geheimenissenover Gods eniggeboren Zoon, zoals voorzegd werd. Op kenmerkende wijze wezen zij die Zoon van God aan en verbaasden zij zich sprakeloos ten zeerste over het feit dat Hij opkomt in de dageraad van de eeuwige Maagd. Daarbij verbrandt Hij ook de tekst van het Oude Testament en van het Evangelie tot een geestelijke kern waarin heel de gerechtigheid zit opgesloten.
Daarom is het je vanwege de enorme goddelijke kracht niet mogelijk om naar het goddelijk licht te kijken. Die kan door geen enkel sterfelijk wezen worden gezien, tenzij Ik het versluierd wil laten zien aan wie Ik wil. Daarom pas op dat je je niet overmoedig verstout om te begrijpen wat van God komt. Dat blijkt al uit de angstige beving die je overvalt.
15. Over de kennis van God, de status daarvan, en wat die betekent.
Binnen dat gebouw zie je op de vloer een gestalte staan tegenover de zuil.
Dat betekent dat je binnen het werk van de Vader een kracht kunt zien die het geheim van het Woord van de Vader verklaart. Die kracht heeft zowel onder de mensen van het Oude Verbond als die van het Nieuwe Verbond alle gerechtigheid in de stad van de Almachtige geopenbaard. De woorden op de vloer verwijzen naar alles wat zich door het werk van de goede Vader op heel de aarde bevindt. Want zowel de aardse alsook de hemelse komen voort uit zijn voorzienigheid.
Wat betekent nu dat de gestalte nu eens de zuil gadeslaat en dan weer de mensen die in het gebouw op en neer lopen?
Dat betekent dat de gestalte zowel naar het geheim kijkt dat de kracht van het God-zijn in het Woord van God voortbrengt, als ook naar de mensen die in de goedheid van de Vader bezig zijn. Hij doorziet wie samenwerken en wie niet. Hij weet immers met welke inzet elkeen zijn best doet.
De uitdrukking de gestalte verwijst naar het weten van God. Hij doorschouwt immers alle mensen en alles wat zich in de hemel en op aarde bevindt. Die gestalte straalt zoveel schittering en klaarheid uit dat men vanwege de immense gloed die er van uitgaat, zijn gelaat en ook de kleding die de gedaante aanheeft, niet kan waarnemen.
Die gestalt is verschrikkelijk en angstaanjagend zoals een dreigende bliksemflits, maar tevens ook zacht van goedheid zoals het stralen van de zon. Door zijn dreiging en zijn zachtaardigheid tevens is die gestalte onbegrijpelijk voor de mensen. Dat komt vanwege de afschrikwekkende uitstraling van het God-zijn op zijngelaat, en vanwege het licht dat de gestalte in zich draagt als was het een statiegewaad. Men kan ook niet recht in de zon kijken of in de prachtkleding van zijn stralen. Die gestalte bevindt zich overal en in alles en is in het geheim van zijn bestaan zo’n grote schoonheid, dat door geen mens gevat kan worden met hoeveel zachtmoedigheid Hij de mensen draagt en met onvoorstelbaar medelijden spaart tot daar waar de hardste steen vanwege zijn hardheid niet doorboord kan worden. Daarmee wordt de harde en onverbeterlijke mens bedoeld die absoluut niet los wil komen van zijn kwaad.
En toch verschijnt de gestalte evenals de andere deugden in de gedaante van een mens.
Want in de kracht van zijn goedheid heeft God de mens heel sterk toegerust met redelijkheid, met kennis en met verstand. Zo kan hij zich met intense liefde beminnen, met diepe vroomheid vereren en de duivelse spinsels verachten. Maar bovenal kan hij Hem beminnen die hem zo’n grote en intense eer geschonken heeft.
16. Hoe staan de engelen daar tegenover; en waarom hebben zij vleugels?
Om die gestalte heen zag ik een heel mooie groep engelachtige wezens met vleugels. Zij stonden daar in diepe verering, met eerbiedig ontzag en vol liefde.
Dat betekent dat zalige en hoogverheven geesten in engelachtige dienst en met onuitsprekelijke en allerzuiverste lofprijzing de kennis van God vereren. Een mens kan dat niet zo waardig doen omdat hij nog in sterfelijk stof gehuld is. Maar zij omhelzen God met hun vurige verering, want zij zijn helemaal levend licht. Dat is niet omdat zij vleugels hebben zoals andere vliegende schepselen, maar, omdat zij door Gods kracht opvlammen in hun eigen leefsfeer, lijkt het alsof ze veren hebben. Vandaar dat zij Mij, de ware God, vereren met oprechte eerbied en ware nederigheid. Zij kennen mijn raadsbesluiten en zijn vurig in hun liefde tot Mij omdat zij altijd mijn aangezicht zien. Zij willen en verlangen niets anders dan dat waarvan zij zien dat het behagen vindt in mijn ogen.
17. Over hen die bijeengedreven schapen worden genoemd.
Maar voor het aangezicht van de gestalte zag ik nog een andere menigte in menselijke gedaante en in donkere kledij. Zij stonden daar in grote bevangenheid en vrees.
Dit zijn mensen die in de gedachtenis van God hun bestaan hebben. Hoe dan? De mens staat in de achting van God in hoog aanzien. Hij ziet de mens als horend bij Hem. Maar Hij verwerpt de mens die meer geneigd is om te volharden om zich in het verderf te storten dan om bij God te horen. Maar de mensen die je in zo’n grote getale aanwezig ziet, worden schapen genoemd die bijeen gedreven zijn. Zij hebben de menselijke natuur vanwege hun menselijke daden. Zij dragen een somber kleed. Dat is een verwijzing naar hun dralen in zondige praktijken. Maar zij verkeren ook in vrees omdat zij bang zijn voor het oordeel van God. Daarom worden zij bijeengedreven schapen genoemd. Op veel manieren drijf Ik hen immers samen zodat zij toch tot leven komen, losgerukt uit de dood door het bloed van mijn Zoon. Daarom ook worden deze mensen tegen hun zin met veel droefenis en zorgen door Mij als schapen bijeengedreven met de bedoeling dat zij hun ondeugdelijk leven verlaten. Door de wil van het vlees en hun jeugdig elan willen zij het liefst zo doorgaan zolang zij vastzitten aan wereldse zaken. Zij willen volharden in de gloed van hun hartstocht totdat het vuur uit hun vlees wijkt door de verkilling van hun leeftijd. Toch hou Ik hen op verschillende manieren in toom overeenkomstig wat Ik in hen gaande zie, met de bedoeling dat zij afstand nemen van hun zondig bestaan.
18. Over het feit dat God sommigen wat zachter aanpakt, anderen forser, en weer anderen met de grootst mogelijke ellende naar lichaam en geest.
Sommigen van hen in wie het wereldse gedoe niet met zoveel heftigheid brandt, beteugel Ik niet met zo’n felle zweep, maar doe het op zachtere wijze. In hen zie Ik immers niet zoveel bitterheid als bij anderen. Zodra zij immers mijn berisping ervaren, laten zij met bekwame spoed hun kwade wil varen en komen zij naar Mij toe met achterlating van de wereldse ijdelheden. Maar sommigen roep Ik op strengere wijze tot de orde, want die zijn zo vurig en hartstochtelijk bezig met zondigen vanuit hun vleselijke ondeugd, dat zij alleen maar door een stevigere aan pak van Mij weer geschikt worden voor mijn koninkrijk. In mijn kennis zie Ik hen, ken Ik hen en dring Ik bij hen aan naar gelang de overvloedige aandrang van hun lichamen.
En een andere keer overval Ik mensen die in de grootst mogelijke en sterkste kommer en kwel verkeren naar lichaam en geest. Die zijn immers zo opstandig en overdadig bezig met hun vleselijke hartstocht, dat zij alleen als zij door een aller ernstigste ramp getroffen worden, ophouden met hun schandalig gedrag in het prikkelen van hun vlees. Want zolang als het hun goed gaat in wat zij willen, zullen zij zich niet tot God bekeren. Immers waar de één door zijn kleinzieligheid volkomen wanhopig wordt, daar spot een ander met grootheidswaanzin. En waar de een vervalt in wanhoop, daar wordt een ander nauwelijks geraakt in zijn hoogmoed. Op die manier dring Ik aan bij degenen die Mij toebehoren ofschoon zij Mij met hun gedrag verachten. Ik wil dat zij – omdat Ik hen ken – gedwongen worden door de ellende die zij zowel lichamelijk als geestelijk ondergaan, uiteindelijk naar Mij terugkeren zodat zij gered worden. Zo heeft ook de Farao dodelijk verschrikt uiteindelijk het joodse volk gedwongen om zijn land te verlaten, zoals er geschreven staat.
19. Het voorbeeld van de Farao, Mozes en Aaron in deze aangelegenheid.
Die nacht nog liet de Farao Mozes en Aaron ontbieden en sprak: “Maak dat u bij mijn volk wegkomt, u en de Israëlieten. Ga Jahwe vereren zoals u gevraagd hebt. Neem ook al uw kleinvee en heel uw hebben en houden mee zoals u gevraagd hebt. Ga weg en geef mij de zegen (Ex.12,31-32)
Dat betreft het volgende. De belastende en zeer ernstige mistoestanden die eigen zijn aan deze wereld, belasten veel mensen met overmatig veel kommer en kwel. In hun harten roepen zij uit: “Helaas, helaas, waarheen kunnen wij vluchten?!” En terwijl zij ruzie maken over die ellende, jaagt men die mensen weg. Die haasten zich dan ook om bij hen vandaan te gaan, want zij verdorren lichamelijk door de zware geseling van Gods hand. Zij zijn niet in staat om met vreugde te leven in het genot van de wereld omdat God hen roept. Dat is de roeping van de rechtvaardigen door toedoen van verschillende vormen van rampspoed vanwege de duistere nacht van de zonden.
De Farao, of liever de duivelse ondeugden roepen Mozes op vanwege het geschreeuw van het volk over hun kommer en kwel. Het gaat over de mensen die door God met heel erg pijnlijke, lichamelijke zowel als geestelijke, zaken geprest worden.
Ook Aaron wordt opgeroepen. Dat zijn de mensen die God in het nachtelijk uur van de rampen met lichtere pressie oproept. Zelfs bij het onderdrukken van de menselijke begeerlijkheid roepen de ondeugden de mensen toe: “Sta op van uw vleselijke gewoonte en verlaat uw oude woongebied dat je hier bij ons hebt gehad. Maak je los uit het gewone volk dat wij hier hebben en dat ons eert. Doe afstand van de wereldse zaken die wij er zo graag op na houden. U bent immers buitenstaanders bij ons al die tijd dat jullie bij ons in gevangenschap hebt geleefd. Zonen van God zijn onder jullie. Zij zien Hem en erkennen Hem.
Verlaat ons en keer langs een andere weg terug. Wijdt jullie aan God toe in onoverwinnelijke zaken waarmee jullie ons hebt overwonnen, zoals jullie in jullie verlangens tot uitdrukking brengen. Neem ook jullie zachtmoedigheid als de makheid van schapen met u mee, want van daaruit valt het jullie moeilijk om voor ons te werken. Jullie willen een andere pijn verdragen door een lam te volgen. Het is een heel glorieus wapen met de kracht van wapenen waarmee jullie ons hebt overwonnen en waar wij niet tegen opgewassen zijn. Neem die wapens op in de nieuwheid van uw denken dat u zo graag hebben wilt. Ga van ons weg zoals jullie al zolang gewild hebt, terwijl jullie ons fel bestreden. Keer terug naar jullie vaderland waar jullie zo in je zielvoor hebt geleden.
Omhels dat andere leven dat jullie van ons wegleidt. En zegen in lofprijzing aan God de strijd waarmee jullie ontkomen bent aan de wereldse zaken en beslommeringen.
20. Over hoe God, die de mensen gadeslaat, hen straft en troost.
Ik ben ook de almachtige God. Als zodanig dwing Ik de genoemde schapen om naar Mij toe te komen. Dat geldt ook mijn zuilen. Daarmee worden de meer krachtige erfgenamen van de hemel bedoeld. Ik bekrachtig hen door hun ongerechtigheid van het bedrijven van zonden te bestraffen wanneer zij aangevochten worden door het binnendringen van de overtreding van Adam. Zij zouden niet staande kunnen blijven als Ik hen niet met mijn genade zou sterken. Op sommigen van hen drukt niet zo’n zware last van ongerechtigheden. Hen straf Ik met een lichtere straf. Want als Ik hen met fellere zweepslagen zou treffen, zouden zij de moed verliezen en wanhopig worden. Zij liggen immers niet vastgeketend aan fellere bekorende aanblazingen van de duivel.
Maar anderen houd Ik in een fellere houdgreep die hevig pijn doet. Zij zijn belast met een zwaardere last van een grote verscheidenheid aan de meest ernstige zeden van begeerten die voortgekomen zijn uit de strijd met de duivel. Ik wil niet dat zij buiten mijn verbond vallen waartoe zij behoren. Ik wil dat zij zich met heel hun verlangen aan Mij vastklampen en mijn geboden onderhouden. Want als Ik hen lichter zou straffen zoals die anderen, dan zouden zij mijn berispingen van generlei waarde achten. En dat terwijl zij door de meest ernstige aanvechtingen van de duivel worden belaagd.
Er zijn ook ballingen van het hemels vaderland die Ik niet ken. Zij keren Mij totaal de rug toe met hun lege begeerte van geest. Zij misleiden zichzelf met hun roofzuchtige driestheid. Zij zoeken Mij niet en willen ook niets van Mij weten. Zij verstikken ieder goed verlangen in zichzelf, zodat zij van Mij geen enkele hulp vragen. Begerig zwelgen zij slechts in hun eigen zaken overeenkomstig de lust van hun vleselijke verlangens ( cfr. 1Petrus 2,11). Sommigen van hen verkeren naar believen in overvloed en in vleselijk genot, maar leven toch niet te zeer in haat en afgunst. Maar zij wentelen zich in aangename gevoelens van wellust, genietend van vleselijke lusten. Ik geef hun ruimschoots deel aan de vruchten van de aarde, zodat zij niet ten onder gaan in armoede. Zij zijn immers door Mij geschapen. Ik wil niet dat zij mijn volk verzwelgen door hun slechtheid. Daarom zal hun ten deel vallen wat zij begeren.
Maar anderen gaan zo woest te keer in een overmaat aan bittere gal en haat en afgunst (cfr.1Petrus 3,9) dat zij geen enkel onrecht dat hun wordt aangedaan bereid zijn te verdragen. Dat gaat zover dat, als zij de eer en de rijkdom van deze wereld zouden hebben, de hemelse deugden bij de mensen zouden willen vernietigen zodat zij die niet bij hen zouden hoeven te eerbiedigen. Daarom neem Ik de veldvruchten en de rijkdommen van hen af en stort hen in grote ellende. Zij moeten zich niet kunnen verheffen tot zo’n groot kwaad als zij wel zouden willen. Zij zouden duivelse dingen doen als zij daartoe de kans kregen.
Aldus werp Ik in de juiste mate hindernissen op de wegen van zowel de goede als de kwade mensen. Daarbij hou Ik rekening met de mate van hun instemming zoals Ik die aantref in hun begeertes. Ook Salomon getuigt hiervan waar hij zegt:
21. Woorden van Wijsheid van Salomon.
Heel het gedrag van een mens mag in zijn eigen ogen rein zijn, Jahweh toets de geesten. (Spreuken 16,2)
Dat betekent het volgende. Alle wegen waarnaar de levendige geest van de mensen bij volle kennis verlangt, en naar wat hem bezig houdt als hij overdenkt wat hem nuttig kan zijn (of het vruchtbaar is of juist zwakzinnig nutteloos), al deze zaken liggen open en bloot voor de ogen van de almachtige God. God overziet dit alles, en er is absoluut niets dat aan zijn goddelijke blik ontgaat, want Hij weet alles. Zo overziet Hij het heelal en bestuurt alles op de juiste wijze. Hoe dan?
Hij is immers de beoordelaar van de zielen. Hij streelt hen met zoete liefkozingen en rust. Maar ook straft Hij hen met beproeving in lijden en ellende, zodat zij wakker blijven en in de juiste maat blijven lopen. Zij moeten zich niet tegen Hem keren en ook niet van Hem wegvluchten om Hem voorbij te streven. Zij moeten slechts doen wat Hij goedkeurt rekening houdend met dat waartoe eenieder in staat is. Want bij de uitvoering van de vergelding, hetzij in deze tijd hetzij in de toekomstige, is het doorslaggevend hoe zij God vereerd hebben.
Daarom worden de zielen ook op correcte wijze gewogen. Dat gebeurt zo dat de redelijkheid van de mens niet verder verheven wordt in hogere zaken, en niet dieper neergedrukt in lagere dan God in zijn rechtvaardig oordeel goed acht. Want God verzet zich daar tegen omdat geen enkele ziel, in welke aangelegenheid dan ook, zo overmatig krachtig is dat hij God kan verslaan. God oordeelt immers alles op de meest correcte wijze. Met zijn rechtvaardigheid verzet Hij zich tegen hen. Daar kunnen zij niet tegen op. Zij vermogen niet méér dan Hij hun toestaat.
Want zoals het ijk-lood op de juiste wijze de waarde van het geld aangeeft, zo hanteert God een dergelijke maat om het goede van het kwade te onderscheiden. Op geen enkele wijze kan men ontkomen aan de meest geijkte norm van zijn oordeel wanneer sommigen vanwege hun verdiensten glorie en vreugde van leven ontvangen, en anderen dodelijke straf en droefenis overeenkomstig de meest exacte kijk die God op hen heeft.
22. Waarom de Goddelijke Wijsheid de mensen ziet alsof ze bekleed zijn met nieuwe kleren.
De genoemde gestalte bekijkt de mensen die vanaf de wereld het gebouw binnenkomen en daar van nieuwe kleding worden voorzien. Dat betekent dat de Wijsheid van God de mensen kent die hun verfoeilijke ontrouw achter zich laten door de macht van Gods werking, en die in het doopsel ten bate van het eeuwig leven als-het-ware een nieuw menszijn aantrekken. Hij vermaant hen om niet op hun schreden terug te keren (cfr.Mk.13,16) naar de duivel , of als zij die misstap al hebben begaan, dat zij dan terugkeren naar God, hun Schepper. Met aansporende woorden spreekt Hij tot ieder van hen, zoals hiervoor reeds werd gezegd.
Wie aan zijn innerlijk verstand oren heeft, moet in vurige liefde mijn woorden aanhangen als mijn spiegelbeeld, en ze diep in het bewustzijn van zijn ziel opschrijven.
SCIVIAS, DEEL III
Sc.3.5
HOOFDSTUKKEN VAN HET VIJFDE VISIOEN VAN HET DERDE DEEL
1. De aard van het ijver en van God, en wat dit uitwerkt.
2. God onderzoekt nauwkeurig de zonden van de mensen om hen te bestraffen hetzij terwijl zij nog lijfelijk in leven zijn, hetzij in het hiernamaals. Ook kan de mens er zichzelf van reinigen door naar geest en lichaam boete te doen.
3. Woorden van Job hierover.
4. Wie met vrees zondigen, zijn het waard om met de hulp van God op te staan door boete te doen tot reiniging. Als het hen hier niet helemaal lukt om tot leven te komen, lukt het hun later wel.
5. Hoe het goede bij een redelijke mens antwoord geeft aan het kwade en het kwade aan het goede.
6. Over het feit dat er in een mens een dubbele roepstem klinkt: de ene roept om het leven, de andere om de dood.
7. Woorden van de Psalmist hierover.
8. De wonderbaarlijke en bewonderenswaardige oordelen van Gods ijver in het Oude Testament laten zien dat wij God moeten vrezen.
9. Men kan God niet door bedrieglijke en vleiende woorden bewegen om af te wijken van zijn rechtvaardig oordeel.
10. De verheven wraak overtreft de daad van de mensen niet door zwaarder te straffen.
11. Woorden van David hierover.
12. De ogen van God zien elke ongerechtigheid en Hij straft die. En, ofschoon de menselijke geest de oordelen van God niet kan doorzien, blijven de misstappen van de mens toch niet onbesproken.
13. De ijver van God die rechtvaardig het doen en laten van de mens beoordeelt, is voor ieder schepsel angstaanjagend.
14. De kracht van de Heilige Drievuldigheid onderwerpt de menselijke geest in alle zachtmoedigheid aan Zichzelf en aan een terecht oordeel in overeenstemming met ieders eigen uiteenlopende bedoelingen.
15. De ijver van God heeft de duivel allereerst in/door Christus overwonnen en hem vervolgens bij de uitverkorenen verjaagd; daarna verplettert Hij hem totaal in de zoon van het verderf. De godvrezenden spaart Hij, de opstandigen kastijdt Hij.
16. Verstokten die Gods gerechtigheid verachten, geen respect hebben voor de waarschuwing van God, en geen acht slaan op zijn aanmaning aan de mens, worden in het verderf gestort.
17. De elementen klagen luid over de hardnekkigheid van hen die geen berouw tonen. Als wraak worden de elementen over hen heen geworpen.
18. God roept de terugvordering van zijn eer af over de razende, zelfingenomen en wetens en willens zondige mensen zoals Hij deed bij Kaïn en de Farao en bij de mensen die bij de Horeb een afgodsbeeld hebben aanbeden en zich met Baal-Peor hebben afgegeven (cfr.Num.25,5 en Psalm 106(105),28)
19. Over Gods gerechtigheid, zichtbaar geworden in Abel, vereerd in verdere uitverkorenen en zoet-smakend in Gods Zoon. Als die gerechtigheid overtreden wordt, wordt ze door de ijver van God gewroken, door Hem die was, die nu is en er altijd zal zijn.
20. Wie op hondse wijze de Kerk en het toegewijd zijn aan de Kerk verafschuwt, en wie kerkelijke goederen vernietigt, wordt door Gods ijver verworpen.
21. Wat Jacob heeft gedaan, was een voorafbeelding van een inzegening van een kerk.
22. Overal waar het lichaam van Christus opgedragen wordt, moet er een gewijde steen zijn, ook als er om een of andere reden geen tempel kan zijn.
23. Er moet een reden zijn om een tempel te stichten. Die reden hangt samen met de inzet van het volk.
24. Hoe en waarom Jakob tienden van alles heeft geofferd.
25. Wie kerken verwoest, besmeurt ze met misdadig bloed of met ontucht; wie geen gewijde steen benutten om daarop een offer te brengen, en wie tienden of andere tempelzaken roven, wee hen, wee die miserabelen!
26. Wie kerkelijke zaken aan honden en varkens geeft, – dat wil zeggen: aan het gemene volk -, die worden door Gods ijver verworpen, zijzelf of hun nageslacht, van de hoogste graad tot de laagste.
27. Hoe God in zijn wraak zowel gelovigen als ongelovigen neervelt.
28. Hoe ellendig de ijver van God de mensen verbrandt die menen wijs te zijn en hun macht te kunnen laten gelden door onrechtvaardige oordelen te vellen.
29. In de ijver van God hoort men geen geschreeuw van een dreigende stem. Er is alleen de vaste en sterke macht van een rechtvaardig oordeel.
30. Het weten van een mens is als het ware een spiegel waarin het verlangen naar goed en kwaad te zien is.
31. Uit vrees komt angst voort, en uit angst schrik en beven. Vanuit deze drie moet de mens doen wat juist is.
32. Dit hoofdstuk gaat over het allereerste begin, dat wil zeggen over het onderscheidingsvermogen en over de hierboven aangehaalde genade van Christus.
33. Om zich over zijn zonden te verontschuldigen moet niemand mopperen tegen zijn schepper.
HET VIJFDE VISIOEN VAN HET DERDE DEEL
Hierna zag ik het volgende.
In de noordelijke hoek, daar waar de twee soorten muren van het voornoemde gebouw samenkomen, was er een hoofd te zien dat een merkwaardige vorm had. Het bevond zich op de buitenzijde van die hoek, en vanaf de hals stond het daar onbeweeglijk. Het stak even hoog boven de aarde uit als de hoogte van de hoek zelf, maar daar niet boven uit. Het was precies even groot, exact gelijk in hoogte. Dat hoofd had de kleur van vuur, roodgloeiend als een brandende vlam. En het had tevens een afschrikwekkend mensengelaat. Het keek erg vertoornd in noordelijke richting.
Van de hals naar beneden toe zag ik niets van zijn gestalte want de rest van zijn lichaam was op die plaats volledig verborgen en vaag. Ik zag zijn hoofd wel in de vorm van een onbedekt mensenhoofd. Het had geen haren zoals een man en was ook niet met een sluier bedekt zoals bij een vrouw. Toch was het eerder een man dan een vrouw. En hij was heel vreselijk om aan te zien.
De gedaante had drie vleugels van wonderbaarlijke breedte en lengte. Ze waren zo wit als een stralende wolk. Ze waren niet omhoog gestoken. Ze waren alleen maar elk afzonderlijk helemaal uitgestrekt, maar wel zo dat het hoofd er enigszins bovenuit stak. Een vleugel ging langs zijn rechterwang omhoog, wijzend in noordoostelijke richting. De tweede vleugel die in het midden zat, wees vanaf zijn keel naar het noordwesten. De derde vleugel wees vanaf zijn kin naar het westen. De vleugels bewogen af en toe heftig en sloegen op dezelfde plaats, dan weer hielden ze op met bewegen. Ik hoorde niet dat het hoofd iets zei. Maar terwijl de gestalte soms onbeweeglijk bleef, sloeg zij soms ook met de vleugels in de richting waarheen zij zich richtte, zoals gezegd is.
En opnieuw hoorde ik Degene die op de troon is gezeten tot mij spreken.
1. De aard van het ijver en van God, en wat dit uitwerkt.
God, die bij het oude volk zijn ijver zwaar heeft doen gelden, heeft zich bij het nieuwe volk, uit liefde voor zijn Zoon, zachtmoedig en zachtaardig getoond. Niet dat Hij nu de zonden van de overtreders achteloos gering acht, maar omdat Hij barmhartig een intense en waarachtige boetedoening verwacht van een zuiver hart. Maar de slechtheid van een verstokte mens verdraagt Hij niet. Hij straft die af met zijn rechtvaardig oordeel.
Daarom staat er: Het hoofd dat te zien is in de noordelijke hoek, daar waar de twee soorten muren van het gebouw samenkomen. Dat is een beeld om te verwijzen naar de naijver van God. Hij is de wreker van onbuigzame ongerechtigheid die op geen enkele manier genezen wil worden. Hij staat op via het indringende mysterie van het Woord van God dat aangekondigd is door de gestaltes en het spreken van de aartsvaders en de profeten.
Zo verschijnt die ijver van God ook in het beeld van een hoofd, want boven elke vrees uit wordt die ijver gekend in de striktheid van zijn vergelding, zoals een mens herkenbaar is aan zijn gelaat. Die ijver reageert vurig op het noord-westelijk deel. Dat wil zeggen dat die ijlings en effectief korte metten maakt met de duivel en al het kwaad. Ook bij Abraham en Mozes zijn er twee soorten van verdediging werkzaam: de beschouwende kennis waar er twee meningen mogelijk zijn, en de praktische aanpak. Zij komen samen in het ene werk van God. Want tegen de duivel, als het gaat over de keuze tussen goed en kwaad, moet de mens in alle gevallen heel sterk samen met de goedheid van God te werk gaan.
De overtreding echter die door speculatief denken plaatsvindt door daden van mensen die de geboden van God overtreden, wordt door de ijver van God gewroken, tenzij er vergeving plaatsvindt. Waar treedt die wraak in werking? Daar waar er geen vrees voor God en mens bestaat in de erkenning van God. En zulk een hart dat zo in de smerigheid van de ondeugd versteend en dood is dat het het oordeel van God niet vreest noch de aanblik van een mens,
dat hart wordt in verwarring gebracht en door Gods ijver neergesmakt overeenkomstig de wet van God. Hoe vindt dat plaats?
2. God onderzoekt nauwkeurig de zonden van de mensen om hen te bestraffen hetzij terwijl zij nog lijfelijk in leven zijn, hetzij in het hiernamaals. Ook kan de mens er zichzelf van reinigen door naar geest en lichaam. boete te doen.
Als een gebod eenmaal uitgevaardigd is en er een overtreding plaatsvindt, treedt de ijver in werking die de ongerechtigheid met een heel terecht oordeel ongedaan maakt. In het Oude Testament werd die ongerechtigheid met strenge vergelding in de bestaande mens zelf ongedaan gemaakt, terwijl de overtreding van de Wet in die mens als een zweer voort etterde.
Maar na de komst van de evangelische genade mikt diezelfde ijver op boetedoening. Na de dood van de mensen gaat de ijver over tot de straffen en kwellingen van de hel. Want de voorgenomen en de voltrokken en de slinkse wandaden van de mens zal Ik zodanig onderzoeken dat Ik ze wreek hetzij lijfelijk terwijl hij nog in zijn lichaam is, of via een straf in het hiernamaals. Het kan ook zijn dat de mens zijn misstappen uitboet door boetedoening omwille van de vergeving terwijl hij nog in ziel en lichaam leeft waarin hij de misstappen heeft begaan. In mijn geest zegt mijn dienaar Job hierover….
3. Woorden van Job hierover.
Ik vertrek mijn gezicht en word door smart gefolterd. Ik was bang over al mijn daden, wetend dat U de zondaar niet zult sparen. Maar als ik ook zo goddeloos ben, waar heb ik dan vruchteloos voor geleefd? (cfr.Job 9,27-29)
Dat betekent het volgende. Ik zal het kijken naar mijn innerlijk veranderen. Hoe dan?
Ik wil met name het feit veranderen dat ik zo wisselvallig ben.
Als ik iets van genot ervaar, wordt ik overspoeld door het bloed in mijn aderen. De ene keer voel ik toorn en een andere keer ervaar ik verterende droefheid. Als ik met graagte toegeef aan wat ik in mijzelf aantref, is het alsof ik een beminnelijk gezicht zie. Door mij te richten op het doen van het goede, doe ik het tegen mijn wil in.
Als ik toegegeven heb, word ik door een geseling geraakt. Dan span ik mij in om mij af te wenden van dat gelaat dat mij zo bekend is. Dan treedt mijn wil in werking om mij te richten op een andersgericht genot. Ik voeg mij dan naar de beschouwende gedachte om met een goed geweten naar God te zien en niet naar de begeerte van het vlees. Want via de begeerte van het vlees kom ik niet bij Hem terecht.
En die twee oorzaken zitten achter het feit dat ik schrik heb voor heel mijn doen en laten. Hoe zo? Als ik iets goeds doe, ben ik bang dat ik het niet goed genoeg doe voor God, want ik doorzie het niet helemaal. Ik zie het wazig als in een spiegel. Soms doorzie ik het met mijn geest, maar een andere keer weet ik het niet meer vanwege de logheid van mijn lichaam. Maar wanneer ik iets verkeerds doe, raak ik in verwarring door het geweten in mijn geest. Want diep van binnen ben ik er mij van bewust dat het geweten van hen die in zonde verkeren, niet wordt gespaard. Dat is het geval wanneer een mens weet wat er in zijn doen en laten tegen God in gaat. Hij moet gereinigd worden hetzij door een lijfelijke kastijding, hetzij door een straf uit boetedoening, of anders door een kwellende straf in het andere leven.
Daarom wordt een overtreder niet gespaard als hij geen boete doet, want er wordt hem geen verlof gegeven om te zondigen zodat hij ook metterdaad zou zondigen. Hij moet daarentegen gestraft worden hetzij hier of later.
Daarom, als ik zo weinig vroom ben en zozeer verhard dat ik mij niet wil laten vermurwen om afstand te nemen van mijn eigen zaken, met name van mijn zonden, dan kom ik er niet toe om die in een groot gevecht in mijzelf te bestrijden.
Als ik steeds tegen God inga in de mij bekende aangelegenheden, omdat ik nu eenmaal in zonden ontvangen ben en altijd geneigd ben om ongerechtigheid te plegen, en ook niet bang ben om door God veroordeeld te worden (dan vraag ik mij af) waarom ben ik zo verstrikt in zo’n ijdel bestaan dat ik bij herhaling en met kennis God erken, en – daarmee in tegenspraak – in mijn nietswaardigheid verkeer?
Toch ben ik niet zo onmachtig dat ik geen onderscheid zou zien tussen goed en kwaad. Daarom, als ik mij tegen mijn gezond verstand verzet en zeg “Ik ken God niet”, dan ben ik een leugenaar. Want mijn geweten klaagt mij aan voor het feit dat ik fout ben en dat ik schuldig ben voor God als ik begin met iets te doen dat niet deugt. Maar ik ben niet vergeefs bezig als ik mij met een goed geweten tegen het kwaad verzet. Want ik ben zelf een werk van God. Dan keer ik mij naar God toe, en dan ontvang ik daar een goede beloning voor.
4. Wie met vrees zondigen, zijn het waard om met de hulp van God op te staan door boete te doen tot reiniging. Als het hen hier niet helemaal lukt om tot leven te komen, lukt het hun later wel.
Ik, de Heer van allen, getuig dus dat het billijk is dat een mens met smartelijke verzuchting of met berouwvolle wroeging of met waardige afstraffing zijn zonden uitlevert, hetzij in deze tijd hetzij in de toekomstige, zoals aangekondigd. Hoe gaat dat dan?
Wie zondigen met vrees en met de pijn van boetedoening, wie bevreesd zijn over hun zonden, verdienen het door Gods genade dat zij telkens weer opstaan van hun overtredingen om daarvan gereinigd te worden.
En als het dan toch nog niet lukt om volledig gereinigd te worden in deze tijd, dan krijgen zij die reiniging in de toekomstige tijd om tot leven te komen.
Wie daarentegen zo verhard zijn van hart en ook niet met vrees en smartelijke boetedoening verlangend willen weten van hun zonden, maar juist volharden in zulk een verstoktheid, alsof het hun niet zou passen om God te vrezen, die bekomen geen zuivering van hun zonden, niet in dit leven en ook niet in het toekomstige. Zij zullen straffen ondergaan zonder de troost van de reiniging die tot leven leidt. Want met de redelijkheid waarmee zij door Mij geschapen zijn, willen zij geen verantwoording geven over hun ongehoorzaamheid. Hoe moet dat dan?
5. Hoe het goede bij een redelijke mens antwoord geeft aan het kwade en het kwade aan het goede.
Voor het verstand van de redelijke mens bestaan er twee mogelijkheden om te reageren op het kennen van goed en kwaad. Daar passen twee reacties bij, namelijk een goede en een verkeerde. Hoe zo?
Het goede beantwoordt het kwade door er in God weerstand aan te bieden. Het kwaad beantwoordt het goede door het te bestrijden samen met de duivel. Maar zij die in het goede verkeren, geven hun weerwoord aan het kwaad. Zij beteugelen zichzelf altijd als het kwaad zich aandient, om zich niet te verlustigen in hun eigen pleziertjes.
Maar zij die in zonden verkeren, beantwoorden het goede door zich geenszins te onthouden van euvele daden, maar er zich juist hartstochtelijk in te verlustigen.. Zij willen geen weerwoord geven aan de verlokking van het kwaad. Hoe zit dat?
6. Over het feit dat er in een mens een dubbele roepstem klinkt: de ene roept om het leven, de andere om de dood.
De mens hoort in zijn binnenste een tweevoudige roepstem namelijk het verlangen naar een vruchtbaar leven en de begeerte naar verval. Hoe zit dat?
Door het verlangen naar een vruchtbaar bestaan wordt hij geroepen tot leven, maar door te haken naar verval, wordt hij geroepen tot de dood. Maar in zijn verlangen naar een vruchtbaar bestaan, wil hij het goede doen en zegt dan bij zichzelf: “Doe wat goed is”. Dat is het juiste weerwoord tegen het kwaad, zodat hij dat uit de weg gaat, en goede vrucht voortbrengt. Maar als er verlangen is om in de fout te gaan, dan spoort hij zichzelf aan met de woorden: “Doe waar je zin in hebt. Dat is dan tevens een antwoord tegen het doen van het goede als hij niet wil weerstaan aan zijn hang naar het kwaad, maar wil overgaan tot genieten van ongerechtigheid. Met dit antwoord veracht hij Mij en houdt Mij als het ware voor een bedrieger. Hij onthoudt Mij de eer die Mij toekomt. En omdat hij zich van het goede afkeert, en geen pijn voelt bij het feit dat hij zich niet uit vrees voor Mij inspant, gaat hij over tot het bespotten van hemelse zaken, zoals de profeet David het op mijn aangeven uitdrukt….
7. Woorden van de Psalmist hierover. (Ps.72,9)
Zij zetten een grote mond op tot aan de hemel, en hun tong roert zich overal op aarde (Ps.72,9)
Dat betekent:
Veel mensen zijn dwaas in hun redenering. Zij willen de onvoorstelbare vrees voor de Heer niet begrijpen. Zij onttrekken zich aan hun goede verlangens waarmee zij naar Mij zouden moeten hunkeren en hun ware God zouden moeten erkennen. Zij weigeren in te stemmen met hun goede geweten dat de mens toch altijd ter beschikking staat om goede werken in God te verrichten. Maar herhaaldelijk kiezen zij voor bitterheid in plaats voor wat goed is. Daarmee beroven zij zichzelf en gooien zij de ware schat over boord terwijl zij zich zogenaamd rijk maken met een veelheid aan ongerechtigheden.
Hiermee brengen zij hun manier van denken in stelling tegen de hemelse werken zodra zij hun mond openen. Zij vernietigen die hemelse zaken in zichzelf door hun honende razernij. Zij zeggen dan bij zichzelf: “De dingen die wij willen doen, zijn evengoed geoorloofd als de zogenaamde hemelse zaken die de oude Vaders ons, onwetenden, naar hun believen hebben opgelegd”. Op die manier ontkrachten zij de woorden en instellingen van de oude vaders, die door een hemels initiatief in mij zijn ingeplant. Zij zijn dan ook steeds bezig met snoepen van wat verkeerd is, en zo praten zij ook. Zij overspelen hun hand in overschatting van wat mogelijk is. Op die manier doen zij hardnekkig hun eigen wil. Zij willen aan hun lichaam geen beperkingen opleggen tegen de ondeugden. Maar zonder inspanning van hun geest wentelen zij zich in de verlangens van hun vlees als in de modder. Dat is toch wat de duivelse verleiding inhoudt.
8. De wonderbaarlijke en bewonderenswaardige oordelen van Gods ijver in het Oude Testament laten zien dat wij God moeten vrezen.
En zoals je ziet: Er was een hoofd dat een merkwaardige vorm had. Dat betekent dat in de naijver van de Heer wonderlijke en bewonderenswaardige oordelen aanwezig zijn die door een met zonden beladen mens niet gekend kunnen worden.
Maar wat betreft de woorden: Het hoofd bevond zich op de buitenzijde van die hoek, en het stond daar onbeweeglijk op de hals, die betekenen dat mijn ijver tegen de duivel zowel in het denken als in het gedrag van de mensen naar buiten treedt in het zicht van de volkeren. Dat is ook al gebeurd in het Oude Testament bij Abraham en Mozes. Dat is geschied opdat de volken Mij zouden vrezen door oog in oog te staan met mijn schrikwekkende reactie en die ook te voelen. Ondertussen dreigt mijn gerechtigheid ook naar het noorden*) tegen de meest wrede ongerechtigheid van de Satan.
*) De verblijfplaats van de duivel wordt in het noorden gedacht

Zie bv Jer.1,13-15 De Heer richtte zich opnieuw tot mij: “Wat zie je?” Ik zei:”Ik zie een gloeiend hete kookpot die vanuit het noorden overhelt”. De Heer zei: “Vanuit het noorden zal onheil over alle inwoners van dit land worden uitgestort…”
9. Men kan God niet door bedrieglijke en vleiende woorden bewegen om af te wijken van zijn rechtvaardig oordeel.
En vanaf de hals stond het hoofd daar onbeweeglijk. Want met praatjes en verraderlijke woorden over niet goedgemaakte overtredingen kan men God niet vermurwen om van zijn terechte oordeel af te wijken. Dat wordt voorgesteld door de nek van zijn kracht die door God aan de vastgestelde Wet gehecht is en die door de mensen in acht genomen moet worden. Daarbij past Hij welverdiende straffen toe bij iedereen die zich niet aan de voorschriften van de Wet houdt overeenkomstig de slechte dingen waarin hij slap geweest is en zichzelf bevuild heeft. En met diezelfde overweldigende kracht vecht Hij terug tegen de duivel en die hem volgen. Dat wordt voorgesteld in het beeld van de starre nek. Zo verzet Hij zich tegen hun ongerechtigheid.
10. De verheven wraak overtreft de daad van de mensen niet door zwaarder te straffen.
Het hoofd stak even hoog boven de aarde uit als de hoogte van de hoek zelf. Dat betekent dat God alle aardse zaken te boven gaat in de meest correcte gerechtigheid van zijn antwoord. Dat doet Hij met dezelfde wrekende beantwoording als waarmee Hij tevoren bij Abraham en Mozes de werken van de mensen met een Wet heeft afgebakend. Want als men God niet wil kennen, dan luidt het goddelijk oordeel dat God zowel in het denken van de mensen als in hun daden, hun onwetendheid neersmakt.
Het hoofd stak niet boven de hoek uit. Het was precies even groot, exact gelijk in hoogte.
Dat betekent dat de hoogste wraak niet heviger is en niet boven de menselijke daad uitstijgt dan wat die echt verdient. In de uitmuntende gerechtigheid waarmee Hij alles beoordeelt, is zijn wraak alleen maar evenredig en rechtvaardig. Daar was zich ook de psalmist David van bewust toen hij zei:…
11. Woorden van David hierover.
Ik weet, Heer, uw voorschriften zijn rechtvaardig en U vernederde mij vanuit uw trouw.
(Ps.118,75)
Dat betekent het volgende.
God, ik besef dat U mij door uw goedheid niet gedood hebt omwille van mijn zonden, en dat U mij daarmee niet de mogelijkheid ontnomen hebt om naar lichaam en geest nog iets te doen.
Ook besef ik dat U niet vanwege uw macht en ook niet vanwege uw toorn hun zonden zwaarder laat wegen dan de verdiensten die zij hebben. En dat geldt zowel voor degenen die willens en wetens handelen als bij degenen die het onwetend doen.
Het goede doe ik al redetwistend met mijzelf; het slechte volbreng ik uit de begeerte van het vlees. Daarom beloont U het goede, en veroordeelt U het kwade. Maar U wijkt niet af van wat billijk en rechtvaardig is. Hoe dan? Als U heftiger zou reageren dan wat de mens doet als hij zondigt, dan zou er geen evenwichtig oordeel zijn. Maar als U heftiger zou reageren dan wat de mens doet als hij zondigt, dan zou er geen evenwichtig oordeel zijn. Maar als U slap zou reageren en niet zou oproepen tot boete, en dat er dan geen gerechtelijk onderzoek zou plaatsvinden om de ongerechtigheid ongedaan te maken, dan zou U als rechtvaardige God, de ongerechtigheid vergoelijken en koesteren. De dood was ooit het meest bittere oordeel in de dood van Adam. Maar door de genade die U opnieuw gegeven hebt, roept U via boetedoening de mens opnieuw tot leven. Dat kon alleen maar gebeuren door één iemand, en dat bent U, God. Het heel juiste en billijkste oordeel bestaat in de zuivering door uw genade die leidt tot leven, want uw oordeel is bij ieder afzonderlijk geval aangepast aan de juiste maat. Want alles wat U doet is overeenkomstig de waarheid, en U past geen enkele overmaat toe op valse wijze. Want wat méér is in het teveel of minder in het te weinig , doet tekort aan wat juist is.
Bij veel gejammer tempert U uw macht door niemand te doden door toepassing van uw toch heel duidelijke macht daartoe. U redeneert bij Uzelf dat U sparen zult als er boete gedaan wordt. Daarom heb ik mij vanwege uw barmhartigheid vernederd en geef ik eer aan uw Naam,
ook al ben ik ondertussen benauwd voor uw oordeel over mijn schuldige overtredingen.
12. De ogen van God zien elke ongerechtigheid en Hij straft die. En, ofschoon de menselijke geest de oordelen van God niet kan doorzien, blijven de misstappen van de mens toch niet onbesproken.
Dat hoofd had de kleur van vuur, roodgloeiend als een brandende vlam. Die woorden betekenen dat er in Gods naijver een vlammende weerstand aanwezig is, roodgloeiend vanwege de uiterst krachtige gloed van zijn toorn met een afschrikwekkend gelaat van een mens. De ogen van God zien immers iedere ongerechtigheid recht in het gezicht. De schuld van de meest uiteenlopende misdrijven blijft dan ook niet voor God verborgen, want Hij ziet ze aan met een verschrikkelijke blik, en beoordeelt ze op zijn terechte wijze. En omdat het doen en laten van de mensen ook monsterlijke en vreselijke ongepastheden bevat, vertoont het hun menselijk gezicht in daden van vleselijke lusten.
En het had tevens een afschrikwekkend mensengelaat. Het keek erg vertoornd in noordelijke richting. Want in zijn wraak is God verontwaardigd over elk kwaad dat voortkomt uit duivelse aandrang.
En dan staat er: van de hals naar beneden toe zag ik niets van zijn gestalte, want de rest van zijn lichaam was op die plaats volledig verborgen en vaag. Dat betekent dat er in Gods gedrevenheid terechte veroordelingen aanwezig zijn. Die verjagen effectief het armzalig gedoe van slechte mensen. Geen enkel menselijk verstand is in staat dat volledig te doorgronden omdat het in de hoek van het menselijk denken en doen verborgen ligt en daar toegedekt wordt, met als gevolg dat het door geen enkel onderzoek doorzien en begrepen kan worden. Soms dringt de bedreven aangelegenheid wel tot ons weten door wanneer het zichtbaar wordt naar aanleiding van de wraak die God neemt en die op het gelaat van de mens te zien is in overeenstemming met de verlangens van zijn hart. Dat is ook de reden waarom er in de wraakneming geen enkele verdoezeling van wat voor een verzachtende omstandigheid dan ook, aanwezig is. Er is alleen maar plaats voor de juiste gerechtigheid overeenkomstig de zonden van de mensen, want hun misdrijven blijven niet onbesproken, zoals voorzegd is, omdat de ijver van God zijn eigen onderzoek doet.
13. De ijver van God die rechtvaardig het doen en laten van de mens beoordeelt, is voor ieder schepsel angstaanjagend.
Ik zag zijn hoofd wel in de vorm van een onbedekt mensenhoofd.
Dat is zo omdat de ijver van God geenszins aan sterfelijkheid onderworpen is. Die is immers altijd vrij van elke neerdrukkende zwakheid, en de daden van de mensen beoordeelt Hij op correcte wijze.
Het had geen haren zoals een man en was ook niet met een sluier bedekt zoals bij een vrouw.
Hij heeft geen enkele zorg over een gevoel dat Hij iemand moet bestrijden die Hem de baas zou zijn in welke mannelijke kracht dan ook. En ook heeft Hij geen last van vrouwelijke zwakheid in een vreesachtig gemoed, dat Hij dingen die tegen zitten, niet zou kunnen overwinnen.
Toch was het eerder een man dan een vrouw. En hij was heel vreselijk om aan te zien.
Want de heel sterke kracht van God is groter in mannelijke kordaatheid dan in zachte vrouwelijke zwakheid.
En hij had een erg verschrikkelijke aanblik, want zijn naijver is voor ieder schepsel schrikaanjagend en vreeswekkend wanneer die gevoeld wordt bij de toepassing van de vergelding.
14. De kracht van de Heilige Drievuldigheid onderwerpt de menselijke geest in alle zachtmoedigheid aan Zichzelf en aan een terecht oordeel in overeenstemming met ieders eigen uiteenlopende bedoelingen.
Nu over: De gedaante had drie vleugels van wonderbaarlijke breedte en lengte. Ze waren zo wit als een stralende wolk. Dat duidt erop hoe ver de onbegrijpelijke kracht van de Heilige Drievuldigheid reikt. Geen mens is in staat die reikwijdte te begrijpen, niet in de grootte van zijn glorie en ook niet in de omvang van zijn macht. Die macht schittert door haar grote mildheid en helderheid van het God-zijn. Tevens ook door het gerechtigd oordeel waarmee Hij de geest van de mensen aan Zich onderwerpt, hoezeer zij ook in grote verscheidenheid als wolken uit elkaar drijven.
Die vleugels waren niet omhoog gestoken. Ze waren alleen maar elk afzonderlijk helemaal uitgestrekt, maar wel zo dat het hoofd er nog enigszins bovenuit stak. De wraak van God verheft zich geenszins hooghartig, maar bij ieder geval richt het zich op wat het aan straf verdient. Maar dat gebeurt altijd volgens de meest strikte norm die past bij het rechtvaardig oordeel over de bestraffing. Dat gebeurt zo dat het vermogen van Gods macht voorafgaat aan de intensiteit van zijn kracht, en wel als het ware in het hoofd van zijn wraak (N.B. in het visioen is er sprake van een hoofd!). Het gaat over de menselijke daden waarvan de ware Drievuldigheid niet toestaat dat ze onbesproken blijven. Maar bij dit alles gaat Hij toch niet zo wrekend en vermorzelend te werk als het vanuit zijn macht mogelijk zou zijn.
15. De ijver van God heeft de duivel allereerst in/door Christus overwonnen en hem vervolgens bij de uitverkorenen verjaagd; daarna verplettert Hij hem totaal in de zoon van het verderf. De godvrezenden spaart Hij, de opstandigen kastijdt Hij.
Een vleugel gaat langs zijn rechterwang omhoog wijzend in noordoostelijke richting.
Dat betekent dat God met zijn rechtvaardig oordeel eerst aan de rechtse kant van de verlossing de duivel en al het kwaad overwonnen heeft.
De tweede vleugel, die in het midden zit, wijst vanaf zijn keel naar het noordwesten.
Dat duidt op de verlossing die door de Zoon tot stand is gekomen, en als het ware halverwege, na de versterking van het geloof en de geproefde zoetheid van de uitverkorenen, de razende vijand door hen heeft verjaagd. Gelijktijdig ontrukt Hij hen uit zijn muil.
De derde vleugel wijts vanaf zijn kin naar het westen.
Dat betekent dat als de Satan verdreven is bij de uitverkorenen van God, hij vervolgens ook links van het verderf volledig verbrijzeld wordt in de zoon van het verderf als de wereld al naar zijn einde neigt.
De vleugels bewegen af en toe heftig en slaan op dezelfde plaats, dan weer houden ze op met bewegen.
De ijver van God wordt tot wraak bewogen door een afschrikwekkend en geweldig oordeel over elk schepsel. Hij laat zijn veroordeling gepaard gaan met een hevige slag overal waar het door een terecht oordeel aan de goddelijke majesteit behaagt. Immers overal waar de vreze des Heren en de liefde en de eer van God eerbiedig in acht genomen worden, daar toont God zich mild en zachtmoedig, en voert Hij zijn straf niet uit. Maar de keiharde rebellen straft Hij vreselijk en rechtvaardig.
16. Verstokten die Gods gerechtigheid verachten, geen respect hebben voor de waarschuwing van God, en geen acht slaan op zijn aanmaning aan de mens, worden in het verderf gestort.
De eerste vleugel van mijn wraak slaat de mensen en werpt hen in de afgrond van het verderf. Zij zijn zo verhard, harder dan steen, dat zij met hun innerlijke blik voortdurend mijn gerechtigheid verachten. Met de kennis van hun verstand kijken zij achterom. Zij leven meer van hun vleselijke lusten (cfr.1Petrus 2,11) en van de duivelse verleidingen dan dat zij willen letten op de ware gerechtigheid. Op geen enkele wijze willen zij zich afkeren van hun nietswaardig bestaan, niet door de aansporing van mijn kant, noch door de oproep van de mensen. Zo spijkeren zij de geest van hun geweten vast op een kruis. Zij geven meer om de ongerechtigheid van de duivel, en leven daar meer van dan van mijn gerechtigheid. Deze mensen gieten als het ware gesmolten lood in hun harten, met die losgeslagen verlangens van hun armzalige slapheid. Zij gebruiken het om de ijzeren hardheid van hun godvergetenheid nog te verstevigen. Op die manier zijn zij verhard als staal zodat zij noch omwille vanGod noch omwille van de mens zichzelf of wie dan ook sparen bij hun ongerechtigheid.
17. De elementen klagen luid over de hardnekkigheid van hen die geen berouw tonen. Als wraak worden de elementen over hen heen geworpen.
Samen met de overige schepselen roepen en klagen de elementen over hen. Zij doen dat omwille van het feit dat de armzalige menselijke natuur in de zo ontzettend korte tijd die hij maar heeft, zo onverstandig is tegenover God. En dat terwijl de elementen zelf in vrees en respect de voorschriften van de Heer volbrengen. Daarom verheffen zij vreselijk donderend hun stem tegen de mens. Hoe dan? Dat gebeurt niet doordat de elementen roepen met een stem of klagen met de kennis van een met reden begiftigd schepsel, maar zij doen dat op eigen wijze met lawaai en donder. Dat gebeurt zo dat de mensen in schrik en beven schreeuwen van angst zodra God dit, samen met andere natuurverschijnselen, over de mensen laat komen. Zij blijven opstandig. Zij nemen geen ander standpunt in en veranderen ook niet in zichzelf overeenkomstig dat wat de goddelijke macht hen opdraagt. Daarom apen deze vreselijk verharde mensen de duivel na. Deze wil in de verharding van zijn ondeugd niet onderdoen voor God, zijn Schepper. Dat is ook de reden waarom hij van elk geluk verstoken is en waarom ook zij verloren gaan die hem volgen.
18. God roept de terugvordering van zijn eer af over de razende, zelfingenomen en wetens en willens zondige mensen zoals Hij deed bij Kaïn en de Farao en bij de mensen die bij de Horeb een afgodsbeeld hebben aanbeden en zich met Baal-Peor hebben afgegeven (cfr.Num.25,5 en Psalm 106(105),28).
De middelste vleugel van mijn naijver slaat razende mensen neer, en daarbij elk kwaad dat de mensen vol eigenwaan wetens en willens verrichten. Als eerste kwam dit kwaad in een mens op tegen het bloed van Abel. Hij werd door zijn broer gehaat voor het feit dat hij door God geliefd was omdat hij zijn hele hebben en houden opofferde door het uit vrije wil uit te delen.
Vervolgens manifesteerde dit kwaad zich in de Farao. Hij was door mijn wonderen gewaarschuwd. Stijf van schrik voor Mij heeft hij mijn volk Israël laten vertrekken tegen zijn wil in. Uit woede wilde hij het terughalen. Daarom heeft mijn naijver hem verzwolgen.
Daarna stak het kwaad op nieuw zijn kop op. Deze keer bij mijn volk. Ofschoon het volk Mij kende en mijn wonderdaden had gezien, heeft het op de Horeb een afgod aanbeden. Toen is de kroon van zijn hoofd gevallen, zodat de Wet van God voor hen verworden is tot twee vergankelijke stenen platen en andere dergelijke zaken. Ten gevolge van dit alles zijn de roem en het geluk hun ontvallen. Dit alles is gebeurd door mijn wrekende wraak.
Vandaar ook dat mijn dienaar Mozes over datzelfde volk dat zo vaak tegenover Mij weerbarstig was, namens Mij een straf deed uitgaan. Dat gebeurde toen hij metterdaad aan mijn uitverkorenen moest zeggen dat iedereen zijn broeder, vriend en naaste moest doden (Ex.32,27), en nog een keer toen hij ziedend tot de rechters van het volk zei dat iedereen zijn naasten noest doden die zich ingelaten hadden met Beëlfegor (Num.25,5 en Psalm 106(105),28). Toen heb Ik Mij gewroken door het kwaad te doden dat zich tegen Mij gericht had.
19. Over Gods gerechtigheid, zichtbaar geworden in Abel, vereerd in verdere uitverkorenen en zoet-smakend in Gods Zoon. Als die gerechtigheid overtreden wordt, wordt ze door de ijver van God gewroken, door Hem die was, die nu is en er altijd zal zijn.
De gerechtigheid van God is evenwel eerst bij Abel ontstaan. Uit alle slechte en verkeerde generaties zijn na hem veel andere uitverkorenen gevonden die mijn verder uitgewerkte geboden verzameld en onderhouden hebben als kinderen van Israël. Temidden van hen is ook rouw en droefenis ontstaan, verlangend naar de menswording van mijn Zoon. Maar toen de openbaarmaking van mijn Zoon een feit was doordat Ik Hem gezonden had, geboren uit een Maagd, werd elke gerechtigheid van de Wet gekookt en gezouten en bereid tot een hartige en goed smakende maaltijd voor heel het volk dat in Mij gelooft. Ondertussen maakten de apostelen van de waarheid, die waarheid bekend. Ik nam dan ook wraak bij al die genoemde generaties omdat zij wetens en willens tegen mijn gerechtigheid zijn ingegaan. Mijn ijver blijft dit doen. Want God die er toen was, is er nu nog en zal er altijd zijn. Ook mijn ijver die er toen was, is er nu nog en zal staande blijven tot aan het einde van alle stammen en volken.
De gerechtigheid van God neemt geen einde, maar verwijdert elke roestaanslag van ongerechtigheid.
20. Wie op hondse wijze de Kerk en het toegewijd zijn aan de Kerk verafschuwt, en wie kerkelijke goederen vernietigt, wordt door Gods ijver verworpen.
Daarom ook, gedreven door diezelfde ijver, neem Ik deze ongerechtigheid weg. Ik verwerp daarbij degene die op hondse wijze de Kerk verafschuwt, die in Mij als een bloem gedijt. Of ook degene die in zijn razende ongerechtigheid de door Mij ingestelde toewijding vernietigt, of andere gerechte zaken die bij mijn tempel behoren. Het betreft zaken die sterk opgekomen zijn als voorafbeelding van mijn dienaar Jacob. De Schrift getuigt daarvan.
21. Wat Jacob heeft gedaan, was een voorafbeelding van een inzegening van een kerk.
NB. Voor een goed verstaan van dit nummer is het goed om ons de volgende teksten in herinnering te roepen. Mt.16,18 Ik zeg je: jij bent Petrus en op deze steenrots zal Ik mijn kerk bouwen. En ook Mt.7,24-27. De naam Petrus is afgeleid van het Griekse woord petra dat rots betekent.
De volgende morgen vroeg zette Jacob de steen die hij als hoofdsteun gediend had, overeind tot gedenksteen. Hij goot er olie overheen, en noemde die plaats Bethel. (Gen.28,18-19). Dat betekent het volgende.
Jacob is vroeg opgestaan. Hij is opgestaan als een minnaar van ware gerechtigheid in een opgerichte tempel. Hij heeft daar een passende naam aan gegeven. Want van die naam uit moest de meest passende tempel ontstaan namelijk de Maagd Maria van waaruit de Zon van Gerechtigheid is opgegaan.
Hij heeft de steen genomen die hij bij wijze van altaar onder zijn hoger gelegen hoofd had gelegd, dat wil zeggen ten bate van Christus, opdat die steen in Diens naam geheiligd zou worden en heilig zou heten. Iedere altaar dat gewijd wordt, is onderworpen aan de macht van de almachtige God, het hoofd van alle gelovigen. Hij heeft de steen opgericht als titel van het boek van het Leven, en als verpersoonlijking van de voortreffelijke geur van het hemels Jeruzalem. Zo is ieder altaar dat geheiligd is, het allerbelangrijkste deel van zijn tempel doordat er olie bij wijze van zalfolie over heen gegoten is. Die zalfolie is als de genade van de Almachtige God bij het heilig doopsel. En die plaats heeft Hij huis en tempel van God genoemd overeenkomstig de naam van de stad het hemelse Jeruzalem, die de levende tempel van de levende God is.
22. Overal waar het lichaam van Christus opgedragen wordt, moet er een gewijde steen zijn, ook als er om een of andere reden geen tempel kan zijn.
Overeenkomstig dit voorbeeld en met deze betekenis moet er in een tempel een steen aangebracht worden die aan mijn Naam is toegewijd. Met die steen is zo’n tempel dan gekenmerkt, want Ik ben die stevige rots. Elke gerechtigheid en de wet van de Christenen hoort Mij toe. Dus overal waar een plaats geheiligd wordt om er het lichaam van mijn Zoon te offeren, daar wil Ik een steen hebben die in mijn Naam gemerkt is, want Ik ben de enig echte sterkte. Dat geldt ook daar waar er om een of andere reden geen mogelijkheid bestaat om een tempel te bouwen. Want zoals gezegd heeft mijn dienaar Jacob een steen in mijn Naam opgericht als voorbeeld, omdat mijn Zoon ook uit zijn stam geboren is.
23. Er moet een reden zijn om een tempel te stichten, en die gaat samen met de inzet van het volk.
De bouw van een tempel die aan Mij wordt toegewijd, mag niet zo maar plaatsvinden zonder de inzet van de bevolking en zonder dat er een reden voor is. Die reden hangt samen met de dienende inzet van de bevolking, zoals ook het hemelse Jeruzalem, met Christus aan het hoofd, haar gerechtigheid niet wil ontberen, maar steeds uitkijkt naar de inspanningen van haar kinderen die zij bij God wil opnemen.
Hoe gaat dat in zijn werk? Om zich te onttrekken aan de dienst van de Satan beperken zij zich in het vrijwillig voldoen aan hun vleselijke lusten en gaan zij tegen zichzelf in door zich los te maken uit de greep van eigen bezit omwille van de liefde voor het hemelse. Dat gebeurt door niet alles te gebruiken, maar door zich sommige dingen te ontzeggen en ze aan God op te offeren voor zijn glorie. Daarin heeft mijn dienaar Jacob het voorbeeld gegeven toen hij een tiende deel van heel zijn bezit inzette, zoals hij gezegd had en zoals het ook staat opgetekend.
24. Hoe en waarom Jakob tienden van alles heeft geofferd.
Van alles wat U mij geeft, zal ik een tiende deel aan U opdragen (Gen.28,22)
Dat betekent:
Van alles wat U mij geeft, geef ik U een tiende deel terug, want dat is uw Wet. O mijn God, als eerste betreft dat de gaven in mijn ziel. Ik snijd daar mijn eigen wil uit weg. Ik bied U uw eigen gerechtigheid aan tegen dat wat ik graag wil. En vervolgens geef ik U het tiende deel van alles wat ik hier op aarde bezit.
Wat betekent dit?
Elke gelovige mens die behoort tot de tiende rang van de hogere burgers, moet altijd het tiende deel van heel zijn bezit afstaan aan mijn tempel vanwege het eerherstel dat berekend wordt van het tiende getal dat geteld kan worden. Dat betekent dat het gaat over alles wat zijn bestaan heeft in de kennis van God, en dat behoort tot de ware tempel namelijk het hemels Jeruzalem.
25. Wie kerken verwoest, besmeurt ze met misdadig bloed of met ontucht; wie geen gewijde steen benutten om daarop een offer te brengen, en wie tienden of andere tempelzaken roven, wee hen, wee die miserabelen!
Deze tekst richt zich tot hen die de vrees voor Mij vergetend, tempels die aan mijn Naam zijn toegewijd, verwoesten door de razernij van hun ongerechtigheid. Dat doen zij door bij de heilige plaatsen, de wijding die deze naar het voorbeeld van Jacob gekregen hebben, te ontwijden en te besmeuren met bloed dat vergoten wordt bij moord of te bevuilen met zaadlozing in ontucht of hoererij. Zij doen het ook als zij de toegewijde instelling van de oude Vaders minachten door bij het hoogste offer geen gewijde steen te gebruiken zoals Jacob die overeind zette met een diepe betekenis. Het kan ook gebeuren door geen acht te slaan op de gerechtigheid die door Mij is ingesteld als tienden, of die aanwezig is in de zaken die tot mijn tempel behoren. Wee die ellendigen, wee die ellendelingen, wee die miserabele mensen die zich zo schandelijk gedragen en die zo dóór en dóór slecht zijn in de ogen van mijn Majesteit!
Zoals gezegd: zij veronachtzamen alles wat Ik heb ingesteld en wat in het Oude Testament werd overgeleverd. Want overeenkomstig de barmhartige genade is de nieuwe Wet door mijn Zoon uit het Oude Testament voortgebracht, en wat in de gerechtigheid van Wet en Profeten
nog onvolmaakt was, is door mijn Zoon aangevuld. Hij heeft alle tekenen van de eerste Vaders en alles wat zij verholen in de schaduw gezegd hebben, openlijk in alle gerechtigheid in zichzelf openbaar gemaakt.
26. Wie kerkelijke zaken aan honden en varkens geeft, – dat wil zeggen: aan het gemene volk -, die worden door Gods ijver verworpen, zijzelf of hun nageslacht, van de hoogste graad tot de laagste.
En allen die dit allemaal vernietigen doordat zij de levensspijs die in beide testamenten bereid is geworden, als slijk verachten en vertrappen en aan honden, varkens en ander vee te eten geven – Ik bedoel daarmee aan verkeerde mensen -, al die mensen of hun nazaten zal Ik ook in de steek laten. Zij geven het immers eerder over aan heidense gewoontes en aan lege onwetendheid dan aan Mij, de Almachtige God. Zij benutten het voor eigen gebruik en eigen wil. Al die mensen of hun nazaten zal Ik ook verachten. In mijn ijverzuchtige wraak smijt Ik hen van de hoogste tree naar de laagste, en van rijkdom naar armoede.
27. Hoe God in zijn wraak zowel gelovigen als ongelovigen neervelt.
De derde vleugel van mijn wraak velt zowel gelovigen als ongelovigen vanwege hun goddeloos en ongerechtig gedrag. De wraak treft gelovigen die geen goede en gerechte dingen willen doen. Het gaat over mensen die duidelijk het geloof zien en die bekend zijn met de gerechtigheid van God en toch vastzitten in de duisternis van hun slechte doen en laten. Zij zuchten, maar denken niet aan wat er na de duisternis van het kwaad komt. Zij willen zich verlustigen in wat slecht is. Maar God staat niet toe dat zij doen wat zij willen. Met zijn wraak weerhoudt Hij hen daarvan. Maar zij verkeren zozeer in duisternis dat zij Hem vergeten zijn, zozeer dat zij het liefst van Hem weg willen lopen.
Maar de ongelovigen slaat Hij neer omwille van hun ongeloof. Dat gebeurt zelfs zo dat hun in de weerwraak hun ongerechtigheid wordt afgenomen, wanneer hun niet wordt toegestaan om het kwaad te volbrengen dat zij zo graag zouden willen doen.
Vandaar dat de perverse duivel, overdonderd door de zaligheid van de gelovige mensen die schitteren voor Gods ogen, hen zou willen meetrekken in de duisternis van de dood in overeenstemming met zijn boosaardigheid. Maar hij kan hen niet verder in zijn greep houden dan de strekking van hun daden reiken.
28. Hoe ellendig de ijver van God de mensen verbrandt die menen wijs te zijn en hun macht te kunnen laten gelden door onrechtvaardige oordelen te vellen.
Maar op aarde wordt een andere maatstaf aangelegd door mensen die begunstigd zijn met een nuchter verstand. Zij zijn zo wijs dat zij God indachtig zijn overeenkomstig hun eigen wil, begiftigd als zij zijn met de wijsheid van hun eigen aanvoelen. Vandaar dat zij overmoedig zelf de wijze kennis willen hebben om alles te kunnen doen wat zij bedenken, en om gerechtigheid met ongerechtigheid te vermengen. Maar in feite zijn zij dom in hun wijsheid. Want op deze wijze rekenen zij zichzelf immers volledig en volkomen in staat om alles te hebben, te begrijpen en te verkrijgen wat zij maar naar willekeur bedenken kunnen.
Onderwijl willen zij, steunend op hun macht, hun vleugels uitslaan over provincies, steden en andere plaatsen, en over zaken waar zij op dat moment met gezag bij betrokken zijn. Bij wat zij doen willen zij niet de verstandelijke maatstaf van het kijken naar God er op nahouden. Dan worden zij voor de ogen van God verdreven en verworpen vanwege hun goddeloze en onterechte oordelen die zij eerder uitspraken, en waarbij zij er bewust geen vreze des Heren op na wilden houden.
En zo zullen zij door die ijver van Mij in groot geween verkeren en met smekende stem tegenover alle mensen staan. Te rechter tijd zien en horen zij de veroordeling van hun ongerechtigheid. Sommigen van hen zullen nog tijdens hun leven in grote ellende en gebrek verkeren. Anderen zullen een ellendige dood sterven tijdens verschillende vormen van lijden. In zo’n verscheidenheid wordt er wraak genomen en ontbrandt mijn ijver iedere ongerechtigheid weg, want die gaat rechtstreeks tegen Mij in.
29. In de ijver van God is geen dreigende, schreeuwende stem te horen, maar er is wel de beslissende kracht van het rechtvaardig oordeel.
Nu over het feit dat je niet hoorde dat het hoofd iets zei. Maar terwijl de gestalte onbeweeglijk bleef, sloeg zij soms ook met de vleugels in de richting waarheen zij zich richtte, zoals gezegd is.
Dat betekent dat Gods ijver niet schreeuwt met dreigende stem en zich ook niet trots opricht, maar onbewogen blijft in de kracht van zijn macht en in het uitspeken van zijn gerechte oordelen.
Met zijn wraak die volgt op de razernij van de daden, brengt Hij de oude zaken die zonder vrees voor God gepleegd zijn, in verwarring. Hij vertrapt ze overeenkomstig de reikwijdte van de wraak van zijn oordeel, zoals jou, mens, op de meest waarachtige wijze is geopenbaard.
En omdat God rechtvaardig is, moet elke ongerechtigheid door een rechtvaardig iemand onderzocht worden. God kent de geheime positie waarin het geweten van de mens verkeert.
30. Het geweten van een mens is als het ware een spiegel waarin het verlangen naar goed en kwaad te zien is.
Want in een mens is het geweten als een spiegel waarin het verlangen verborgen ligt waarmee hij iets goeds of iets kwaads wil. Want de mens die zich geplaatst ziet tussen die twee mogelijkheden, neigt naar datgene waarnaar zijn verlangen uitgaat. De mens nu die zich naar het goede toekeert en het goede met de hulp van God aanvaardt, ontvangt op loffelijke wijze de beloning van een gelukzalige vergelding. Hij heeft immers het kwade veracht en het goede volbracht. Maar wie neigt naar wat verkeerd is, en dat op aandringen van de duivel via een slechte daad verzwelgt, loopt dan ook op ellendige wijze tegen de straffen van een terechte vergelding aan. Hij heeft immers het goede veronachtzaamd en het kwade gedaan.
Daarom moet de mens nederig en met grote toewijding aan God onderworpen zijn, en trouw aan zijn heil werken. Dat heil vloeit voort uit het hoogste goed, namelijk wanneer een ziel dronken is van haar eigen innerlijke heiligheid. Zij verkeert dan in de goede gesteldheid en is wakker om haar Schepper te dienen. Hoe dan?
31. Hoe vrees voort vloeit uit angst, en angst gepaard gaat met schrik en beven. Vanuit deze drie moet de mens doen wat juist is.
Bezorgdheid is het begin van angst en die gaat gepaard met vrees, maar vrees veroorzaakt angst en beven. Van daaruit moet de mens doen wat juist is. Hoe dan? Het feit dat de mens door vrees angstig begint te worden, komt als een gave van de Heilige Geest voort uit zijn redelijkheid. Daarom kan hij dat volstrekt niet veronachtzamen zonder dat God het weet. De wetenschap die hij in God aanwezig weet, boezemt hem angst in ten aanzien van alles wat met God van doen heeft. En als hij, God kennend, zich daar ijverig op toelegt, dan treft hem opnieuw de vurige genade van Christus. Die maant hem. Dan begint hij te beven zodat hij verschrikt raakt van wroeging en hij alsnog volbrengt wat voor God gerechtigd is.
32. Dit hoofdstuk gaat over het allereerste begin, dat wil zeggen over het onderscheidingsvermogen en over de hierboven aangehaalde genade van Christus.
Nu dan mensen, wilt begrijpen en leert verstaan waar dit allemaal vandaan komt. Waar gaat het over? God is het die het goede in u tot stand brengt. Hoe? Hij heeft jullie zo gemaakt, dat jullie Hem met je verstand aanwezig kunt weten in jullie doen en laten dat jullie wijselijk en met overleg tot stand brengen. Een redeloos wezen doet alles zonder verstand en zonder nadenken, ook zonder onderscheid te maken en zonder schroom. Ook kent het God niet want het heeft geen verstand. Het voelt Hem alleen maar, want het is zijn schepping. Het redelijk dier dat mens heet, heeft verstand en wijsheid, onderscheidingsvermogen en oprechtheid in zijn doen en laten, dat hij op redelijke wijze tot stand brengt. Dat is de eerste wortel die Gods genade in iedere mens geplant heeft toen Hij hem een ziel gaf om te leven. Al deze dingen zijn in het verstand aanwezig, want daardoor zijn de mensen zich bewust van God, zodat zij kunnen willen wat recht en goed is. Vandaar dat het volkomen heilzaam werk dat opborrelt in de goede wil van de mens, en dat de mens oppakt en onderneemt in relatie met zijn Verlosser, te weten met de Zoon van God, door wie de Vader elk werk in de Heilige Geest tot stand brengt, dat werk wordt opnieuw door de vurige genade in Christus Jezus, ontstoken en bemoedigd.
33. Om zich over zijn zonden te verontschuldigen moet niemand mopperen tegen zijn schepper.
Daarom moet de mens in de vreugde van de Heilige Geest werken van gerechtigheid verrichten. Hij moet niet weifelen in afkeurenswaardig gemopper. Dat betekent dat hij niet moet zeggen dat hem bij dit alles ook maar iets tegenstaat, iets dat hem bij het eerste ontstaan door Gods genade als eerste gave is meegegeven, of iets dat hetzelfde ontstaan opnieuw ter aansporing heeft aangeraakt in de vurige genade van de Heilige Geest. Het is de bedoeling dat de mens niet kwalijk ineenstort, en vervolgens angstig wordt over dingen die hij door een onbegrijpelijke impuls misdaan heeft, alsof hij in de kern van zijn ontstaan iets te weinig heeft meegekregen.. En dat hij, als hij gevallen is en in nood verkeert, niet moppert en bij zichzelf zegt: “O wee, wat heb ik gedaan door mijn doen en laten niet in God te doorzien?” Hij moet verder voortgaan zonder de last van ontrouw, zodat hij niet vanwege zijn doen en laten God wantrouwt, maar zich veilig voelt zonder tot tranens toe bewogen gejammer over zijn armzalig gedoe.
Maar wie scherpe oren heeft aan zijn verstand, kan in de vurige liefde van mijn spiegel hunkeren naar deze woorden, en ze opschrijven in het bewustzijn van zijn geweten.
SCIVIAS, DEEL III
Sc.3.6
HOOFDSTUKKEN VAN HET ZESDE VISIOEN VAN HET DERDE DEEL
1. Geen enkele gelovige moet het beneden zijn waardigheid achten om onder een gezag te staan. Want door het leiderschap van het volk Israël tijdens de Wet zijn ook de bestuurders van de tijd van de genade aangeduid.
2. De dingen die door de hardheid van de Wet verborgen werden gehouden als onder een sluier, zijn door de genade van de Heilige Geest aan het licht gebracht bij de menswording van de Zoon van God.
3. De mens die bekleed is met de waardigheid van het leergezag, is de plaatsbekleder van God.
4. Behalve mensen met geestelijk leergezag zijn er ook hoger en lager geplaatsten met wereldse macht om over het volk te regeren.
5. Door het uiterlijke dienstwerk kan het innerlijke worden begrepen.
6.Waarom God toegestaan heeft dat het ene geslacht boven het andere uitsteekt en het andere daaraan onderworpen is.
7. Woorden van Izaak en Jacob hier over.
8. Hier vinden we een aanduiding over de drievoudige sociale ordening: de heersende klasse, de vrijen en de horigen.
9. Over het feit dat zowel de wereldlijke als de geestelijke stand in vier groeperingen opgedeeld kan worden.
10. Niemand mag zich een geestelijke of wereldlijke waardigheid toe-eigenen hetzij door roof of door diefstal of door aankoop.
11. Mensen die een rijp verstand hebben, een zuiver geweten, en niet uit zijn op vleiende loftuitingen van mensen, zijn waardig om gekozen te worden in een bestuur.
12. Al wie bestuursmacht verwerft ongeacht of het God behaagt of niet, en die wegvlucht van God, staat aan de kant van de duivel. Aan zo iemand wordt geen weerstand geboden in de verwachting dat hij toch later erger gestraft zal worden.
13. Zoals al die genoemde mensen er waren, zo zijn ze er nu nog en zullen ze er ook altijd zijn heel de tijd dat er mensen zijn onder het gezag van de goddelijke Voorzienigheid.
14. In de stand van de hogere en de lagere leken zijn er drie geledingen.
15. De geestelijke leermeesters dienen in eenheid van geloof voor te gaan aan het volk.
16. De wereldlijke en bestuurlijke macht en het volk moeten elkaar met zuivere bedoelingen en met eenvoudige toewijding tegemoet komen.
17. In het werk van God gingen zes deugden aan de overige vooraf.
18. Over de waarde van de onthouding, de vrijgevigheid, de waarheid, de vrede, de gelukzaligheid, het onderscheidingsvermogen, de verlossing van de zielen en de betekenis daarvan.
19. Over de praktijk van die deugden en wat die inhoudt.
20. In het bijzonder over de onthouding en de praktijk daarvan, en wat dat betekent.
21. In het bijzonder over de vrijgevigheid en de praktijk daarvan, en wat er de betekenis van is.
22. In het bijzonder over de vroomheid en de praktijk daarvan, en wat er de betekenis van is.
23. In het bijzonder over de waarheid en de praktijk daarvan, en wat er de betekenis van is.
24. In het bijzonder over de vrede en de praktijk daarvan, en wat er de betekenis van is.
25. In het bijzonder over de gelukzaligheid en de praktijk daarvan, en wat er de betekenis van is.
26. In het bijzonder over de onderscheiding van de geest en de praktijk daarvan, en wat er de betekenis van is.
27. In het bijzonder over de verlossing van de zielen en de praktijk daarvan, en wat er de betekenis van is.
HET ZESDE VISIOEN VAN HEET DERDE DEEL
En vervolgens zag ik tussen de noordelijke en de westelijke hoek de muur van een wand van het genoemde gebouw. Die muur was aan de binnenkant helemaal voorzien van bogen op de wijze van een omheining, niet open als een traliewerk, maar gesloten met in elke boog iets als een afbeelding van mensen. Maar aan de buitenzijde van die muur zag ik twee kleinere muren even lang als de afstand die er was tussen de noordelijke en de westelijke hoek. De hoogte van die twee lagere muren was drie el. De breedte tussen de binnenste muur met bogen en de middelste muur bedroeg één el. En de breedte tussen de buitenste muur en die welke in het midden stond, bedroeg één palm, maar dan wel de palm van een kinderhand.
Ook zag ik binnen dat gebouw zes gestaltes staan vóór de genoemde muur met de bogen. Ze stonden op het plaveisel. Drie stonden dicht bij elkaar vóór de muur kort bij de hoek die op het Noorden gericht was. De drie andere gestaltes stonden ook samen aan het einde van die muur kort bij de hoek die naar het Westen gericht stond. Ze keken alle drie naar de schilderingen die in de bogen waren afgebeeld.
Aan het einde van die muur zag ik binnen in het gebouw nog een andere gestalte op een steen zitten. Die steen diende hem als zetel en stond op het plaveisel. Met de rechter zijde leunde de gestalte tegen de muur. Maar het gelaat van de gestalte was gericht naar de kolom van de ware Drieëenheid.. Aan het einde van die muur zag ik evenwel nog een andere gedaante op een hogere plek op de muur staan eveneens kijkend naar die voornoemde kolom van de ware Drievuldigheid.
Bij deze gestaltes zag ik de volgende gelijkenis: evenals de vorige gestaltes waren zij als het ware gekleed in zijden gewaden en droegen wit schoeisel, behalve de gedaante die rechts van de middelste van de drie stond die ik op het einde van die want had gezien. Die was zo volkomen vol van zuiver, helder licht, dat ik vanwege de grote schittering zijn gedaante niet duidelijk kon waarnemen. Zoals gezegd, was er een uitzondering: op de muur stond een gestalte die zwart schoeisel aan had. Geen van hen droeg een mantel, behalve de middelste van de drie (die op het eerste deel van de muur stonden), die droeg wel een mantel. Verder, twee van de drie hogergeplaatste gestaltes, namelijk die rechts en links van de middelste gestalte stonden, en twee van de drie lagergeplaatste gestaltes – de middelste met name en degene die links stond – droegen geen vrouwelijke sluiers op hun hoofd; zij stonden daar blootshoofds met hun witte haren. Maar de middelste van de eerste drie gestaltes en die welke op de steen zat tegen de muur aan, hadden een witte sluier op het hoofd, zoals dat bij vrouwen gebruikelijk is. Diezelfde gestalte, de middelste van de eerder genoemde drie, en de gestalte die aan haar rechterhand stond, waren in het wit gekleed. Maar ik zag toch een verschil tussen hen beide.
De gestalte die in het midden van de drie hogere gestaltes stond, droeg een safraankleurige aureool op haar hoofd bij wijze van een kroon. Op de rechter zijde daarvan stond gegraveerd: “Altijd aansteken!” En ik zag hoe aan de rechterzijde van die gestalte een duif kwam aangevlogen die met zijn snavel op die tekst ademde. En de gestalte sprak….
(NB. Er volgen nu eerst 8 woorden van “de gestalte” in de nummers 1 t/m 8. Bij nummer 9, 2e alinea begint pas het commentaar op de tekst van het zesde visioen. De nummering van het commentaar laten we dan ook dáár pas beginnen met nr.1 enz. Cfr Brief aan Hans Wilbrink dd. 15 april 2019)
Ik ben vol van intens medelijden. Daaruit stroomt een beek die op generlei wijze geld wil achterhouden of goud of edelstenen ten overstaan van mensen die gebrek lijden en behoeftig zijn, die het noodzakelijke missen en daarom huilen. Nu zal Ik hen troosten en altijd wil Ik hun armoede verhelpen omwille van de liefde van Gods Zoon die zachtaardig en deemoedig is (cfr.Ps.85/86,5;Joël 2,13) en die zijn goederen uitdeelt aan de zielen van de rechtvaardigen terwijl Hij hun wonden genezend aanraakt vanwege hun berouw (cfr. Sapientia 11,24b).
Een andere gestalte die rechts van hem stond, droeg op zijn hart iets dat op een leeuw geleek, blinkend als een spiegel. Aan zijn hals hing iets dat op een bleekkleurige slang geleek en dat eveneens in een kromme buiging als een twijg op zijn borst hing. En hij sprak…
Ik zie een heldere leeuw, en uit liefde voor hem, geef ik. Maar van de vurige slang vlucht ik weg. Maar de slang die aan het kruis hangt, heb ik lief.
De derde gestalte die aan zijn linkerzijde stond, droeg een kleed dat roodachtigpaars van kleur was. Op zijn borst verscheen een engel die aan beide zijden een vleugel had, dat wil zeggen, de rechtervleugel zat aan zijn rechter schouder vast, en de linker vleugel aan de linker schouder. En die gestalte sprak…
Ik heb een engel als gezel. Ik wil geen omgang hebben met degenen die huichelachtig hun ware gedaante verhullen. Ik eet slechts met rechtvaardigen.
De gestalte, de middelste van de drie lagergeplaatsten, was gekleed in een safraankleurig kleed. Op haar schouder zat een heel witte duif die haar met zijn snavel iets in het rechter oor ademde. Maar op haar borst verscheen toen een monsterachtig en wanstaltig mensenhoofd. Ook lagen er onder haar voeten als het ware door hem vertrapte en gekwetste mensen. In haar handen hield de gestalte evenwel een open gerolde boekrol. Op één zijde, namelijk die naar de hemel gericht was, stonden zeven regels geschreven. Ik wilde die graag lezen, maar dat ging niet. En de gestalte sprak….
Ik wil de roede en de gesel ter bittere bestraffing zijn voor de leugenaar die een kind van de duivel is. Want die duivel is ook de tegenstander van de onuitsprekelijke gerechtigheid van God. Daarom ben ik voor hem een weerbarstige en lastige factor, want nooit ben ik aangetroffen in wat hij in de mond neemt. Vandaar dat ik hem ook als dodelijk vergif uit mijn mond spuw. Nooit treft hij mij in zijn listig gedoe. Voor mij is hij het allerergste en allerverderfelijkste kwaad van al wat kwaad is, omdat al het kwade bij hem begonnen is. Daarom verwerp en vertrap ik hem in de beminnelijke gerechtigheid van God. Die gerechtigheid is voor mij onophoudelijk en oneindig beminnelijk. Ik ben voor haar dan ook de stut en de leidsvrouwe omdat elk bouwwerk van Gods deugden op mij gefundeerd en gevestigd wordt. Die deugden bouwen in de hoogte. O allersterkste en edele God, verhoor mij!
De andere gestalte die rechts stond, had een engelachtig gezicht en aan beide zijden een vleugel om te vliegen. Toch had zij een mensengelaat zoals alle andere deugden. En de gestalte zei…
Ik vecht tegen het leger van de duivel dat hardnekkig tegen Mij in opstand komt en zegt: “Ik kan geen enkele ellende verdragen. Alles wat zich tegen mij richt, wil ik van mij afschudden. Ik zal niets vrezen. Wie zou ik vrezen? Ik wil voor niemand bang zijn”. Maar wie zo iets slechts uitkramen, die worden door mij verworpen omdat ik (de gestalte) aangesteld ben om mij altijd te verheugen, altijd en overal blij mee te zijn. De Heer Jezus is genezer en trooster bij elke pijn, want Hij heeft ook zelf in zijn lichaam pijn geleden ten einde toe (cfr.1 Pet.2,24). En omdat Hij ook de gerechte terechtwijzing is, wil ik mij ook bij Hem voegen, ik wil Hem dragen en alle haat en nijd en elk ander kwaad van mij afwerpen. Ik wil ook altijd een blij gezicht hebben terwijl ik vertoef in uw gerechtigheid, o God.
Maar de derde gestalte die links van hem stond, had een wit gewaad aan afgewisseld met groen. Zij had een soort schaaltje met een bleke glans in haar handen. Van dat schaaltje ging veel licht uit als van een bliksemschicht, en scheen op het gelaat en de hals van de gestalte.
En de gestalte sprak….
Ik ben gelukkig, want de Heer Jezus Christus zorgt ervoor dat ik mooi en blank ben. Ondertussen vlucht ik weg van die dodelijke raadgeving van de duivel. Daarmee blijft hij maar voortdurend herkauwend de ongelukkige boodschap verkondigen dat God verworpen wordt en dat de duivel door slechte daden aangetrokken wordt. Vandaar dat ik wegvlucht van de Satan, hem verwerp en hem steeds als een lastpost ervaar. Want ik verlang naar de minnaar die ik steeds omhels en die ik blij en boven alles met vreugde aanhang.
Maar de gestalte die aan het einde van die wand op een steen zat, was in een nagenoeg zwarte tuniek gekleed. Maar op zijn schouder droeg hij een soort kruis met de afbeelding van Jezus Christus. Die afbeelding bewoog heen en weer. En als vanuit de wolken bliksemde een glans van wonderlijke helderheid op de borst van de gestalte, en van daaruit deinde die uit als de schittering van de zon die ergens door vele kieren schijnt. Ook hield de gestalte in haar rechterhand een bescheiden stukje hout vast. Bij wijze van een waaier waren uit de top drie kleine takjes ontsproten met een bloem er aan. In haar schoot droeg de gestalte zeer kleine steentjes van alle soorten edelsteen. Zij keek daar heel zorgvuldig en nauwkeurig naar zoals een handelaar zijn waar pleegt te bekijken. En de gestalte sprak….
Ik, de moeder van alle deugden, draag altijd en bij alles Gods gerechtigheid bij me. Want ik kijk altijd uit naar mijn God, zowel in mijn geestelijke strijd als ook bij de wereldse bekommernissen die ik innerlijk bij mij draag. Ik veroordeel, vertrap en veracht geen koningen, hertogen, voorgangers en andere wereldse leiders die door de Schepper van het heelal zijn aangesteld. Hoe zou het stof het stof mogen verachten? De gekruisigde Zoon van God richt zich tot alle mensen om hen met rechtvaardigheid en barmhartigheid te vermanen. Ik wil dan ook dat elke verordening en instelling van Hem in acht genomen wordt overeenkomstig zijn wil.
Maar de gestalte die op hetzelfde uiteinde van de muur stond, was blootshoofds. Hij had zwart en gekroesd haar en een donkere huidskleur in zijn gezicht. Hij droeg een bonte tuniek met verschillende kleuren doorweven. Ik zag ook dat de gestalte de tuniek en het schoeisel uit deed, en daar naakt stond. En plotseling schitterden de haren van de gestalte in een fonkelend nieuwe blanke schoonheid als van een pasgeboren kind. En over heel het lichaam van de gestalte scheen er een pure en schitterende lichtglans. Toen zag ik ook op de borst van de gestalte een schitterend kruis met de beeltenis van Christus Jezus. Dat kruis stond op een bosje van twee bloemen, een lelie en een roos, die zich een beetje omhoog bogen in de richting van het kruis. Ik zag dat de gestalte de uitgetrokken tuniek en de schoenen flink uitklopte, en dat er veel stof uit kwam. En de gestalte sprak….
Ik doe het oude testament uit en bekleed de edele Zoon van God met zijn gerechtigheid in heiligheid en waarheid. Daarom ben ik hersteld in het goede en afgekeerd van het kwade.
Daarom, mijn God, wil de misdaden van mijn jeugd niet gedenken en ook mijn onwetendheid niet, en neem geen wraak over mijn zonden.
En terwijl ik dit alles aandachtig aanschouwde, sprak Hij die op de troon was gezeten, tot mij:
Geen enkele gelovige die nederig God wil gehoorzamen, moet aarzelen om aan een menselijk gezag onderworpen te zijn. Want het bestuur over het volk is door de Heilige Geest aangesteld tot werkzaam nut van de leefgemeenschap. En ook wat in de toekomst aan kerkelijke verplichtingen trouw en strikt door het oude volk onderhouden zou moeten worden,
ligt daarin al uitgebeeld.
NB. Hier eindigt pas de tekst van het zesde visioen, en begint het commentaar van Hildegard. In de Riesencodex is dat moeilijk te zien omdat het eerste woord van de uitleg van het visioen begint met een onaanzienlijke hoofdletter in zwarte inkt direct aansluitend op de laatste regel van de tekst van het visioen. Daardoor lijkt het alsof de tekst van het visioen gewoon doorgaat. Dat is dus niet het geval. De woorden die volgen hervatten de eerste woorden van het visioen om er commentaar op te gaan geven.
1. Geen enkele gelovige moet het beneden zijn waardigheid achten om onder een gezag te staan. Want door het leiderschap van het volk Israël tijdens de Wet zijn ook de bestuurders van de tijd van de genade aangeduid.
En daarom zie je hier tussen de noordelijke en de westelijke hoek de wand van de muur van dat gebouw. Aan de binnenkant daarvan waren allemaal bogen op de wijze van een omheining, niet open als een traliewerk, maar gesloten.
Dat betekent het volgende. Door Abraham en Mozes bevond er zich een muur waarmee zij zich als het ware in de noordelijke hoek tot aan de ware Drievuldigheid te weer stelden tegen de duivel. De ware Drievuldigheid is openlijk in het ware katholieke geloof verkondigd geworden toen de Zoon van God op het einde van de tijden door God de Vader in de wereld werd gezonden, en zijn leer overvloedig heeft verkondigd. Dat vond als het ware plaats in de westelijke hoek. Daar stond een muur. Die muur stelt het volk van Israël voor, gevestigd in de Wet van Gods gerechtigheid. Die gaat te werk overeenkomstig de bedoeling van de almachtige Vader, in toom gehouden door het Oude Testament en verbonden met Hem. Na het vertoon van deze harde tijd die door de instelling van de oude wetgeving via Gods ijver tot stand is gekomen, zijn de reglementen van de nieuwe waardigheden al vooraf aangeduid.
Het Oude Testament neeg immers naar het Nieuwe. Het Oude Testament bracht de wetsvoorschriften van het Nieuwe Testament voort, en die waren veel groter dan die eerder in het Oude Testament waren ontstaan. Dus uit het mindere is het meerdere ontstaan. Uit de mindere leer van de oude geboden is de grotere en bredere leer van de nieuwe geboden voortgekomen. Het Oude Testament was slechts als het ware het fundament dat eerst gelegd moest worden. Daarop stoelt de diepste wijsheid van elke leerstelling, die openbaar werd bij de menswording van Gods Zoon, en die zich uitstrekt vanaf de oude wet van de besnijdenis tot aan de nieuwe regeling van het doopsel, opgesmukt met de allergrootste geboden.
2. De dingen die door de hardheid van de Wet verborgen werden gehouden als onder een sluier, zijn door de genade van de Heilige Geest aan het licht gebracht bij de menswording van de Zoon van God.
Diezelfde muur – bedoeld is het joodse volk – is in het binnenste van zijn bewustzijn, dus daar waar de menselijke ziel God kent, overal met bogen omgeven. Dat wil zeggen dat het helemaal ommuurd is door het leergezag van hun voorgangers. Die dreunen de voorschriften van de Wet van God op en houden zich die zelf voor als een omwalling, zoals geringe mensen zichzelf belangrijk plegen te maken door zich te tooien met gewichtigere personen dan zij zelf zijn.
Dat gebeurt in de nabijheid van de constructie van het hekwerk. Dat hekwerk is de voorafbeelding van de Heilige Geest die bij de menswording van de Zoon van God de harde letters doorboort. Aan wie er Hem om vroegen heeft de Heilige Geest de omheining van zijn barmhartigheid meer dan volledig laten zien.
Die muur is niet opengebroken doordat de deurwachter, de Heilige Geest, het geestelijk vermogen van het Oude Testament heeft blootgelegd. Dat is later wel gebeurd bij het hekwerk van barmhartigheid, namelijk in het vlees bij het verschijnen van de Zoon van de Almachtige.
Die muur is evenwel intact gebleven in de hardheid van de menselijke voorschriften. Naderhand zijn die door de Heilige Geest in het bad van het levend water doorschijnend geworden.
3. De mens die bekleed is met de waardigheid van het leergezag, is de plaatsbekleder van God.
In elke boog staat iets als een afbeelding van mensen. Dat betekent: zoals iedere afbeelding de gestalte van een mens laat zien, zo is een mens die als het ware in een ereboog staat, in gezag gesteld is, plaatsbekleder van God. Hoe is dat dan?
Dat is zo omdat de diepste en voornaamste wijsheid door Gods genade in de mond van een met rede begaafde mens is gelegd, zodat die mens in naam van God kan besturen door de uitoefening van de gerechtigheid en de werken van barmhartigheid van de Allerhoogste zelf.
4. Behalve mensen met geestelijk leergezag zijn er ook hoger en lager geplaatsten met wereldse macht om over het volk te regeren.
Nu wat betreft: aan de buitenzijde van die muur zie je twee kleinere muren.
Dat betekent dat er in de uiterlijke aangelegenheden buiten het geestelijk gezag nog een onderscheiden bestel van hogere en lagere standen bestaat. Op bevel van God vormen zij als het ware twee muren.
De buitenste muur zijn volgens mijn bedoeling de hoger geplaatste personen die geboren zijn uit de kracht van de wereldlijke macht. En de binnenste muur zijn de lager geplaatsten. Zij staan zowel onder de macht van geestelijke als van wereldlijke personen. Zij staan als het ware tussen de boog van de binnenste genoemde muur (dat is dus van het geestelijk bestuur) en van de buiten muur. Dat zijn de mensen die de wereldlijke macht bezitten, zoals al gezegd is. Daarom staan die twee muren ook buiten het bereik van de binnenste muur met bogen. Want wereldse personen gaan meer over wereldse aangelegenheden, dan zij die over innerlijke zaken gaan. Maar zij horen toch thuis in het bestel van mijn wijngaard. Hoe dan?
(NB. De volgende nummers 5-12 zijn een antwoord op deze twee woorden: Hoe dan? Pas bij nr. 13 hervat Hildegard haar commentaar op het zesde visioen.)
5. Door het uiterlijke dienstwerk kan het innerlijke worden begrepen.
Door het uiterlijke wordt het innerlijke begrepen. Immers zoals een mens via een zichtbare en hoogstaande persoon aan de weet komt hoe men een mens moet vrezen, eren en beminnen, zo begrijpt hij met hetzelfde verstand dat de onzichtbare en allerhoogste God bovenal gevreesd, geëerd en bemind moet worden. Want via de uiterlijke en wereldlijke overheid wordt bij de mens de gedachte opgeroepen aan de innerlijke en geestelijke macht van de goddelijke majesteit. Die is zozeer afgesloten en verborgen voor de mens dat hij die niet met zijn vleselijke ogen kan waarnemen. Dat kan hij alleen met de mate van zijn geloof. En ofschoon God nu eenmaal voor het sterfelijk schepsel onzichtbaar is, kan de mens toch uiteindelijk via het zichtbaar leergezag de Allerhoogste zelf leren kennen en vereren als de Stichter van dat leergezag. Hoe dan wel?
6.Waarom God toegestaan heeft dat een soort mensen boven het andere uitsteekt en het andere daaraan onderworpen is.
De scheppende werking van God heeft het in het zelfverstaan van de mensen gelegd dat in een juist bestel van de volken grote persoonlijkheden de leiding hebben. Die moeten door de mensen geëerbiedigd en geëerd worden. In dat bestek heeft God het toegestaan dat één soort mensen overheersend is en het andere ondergeschikt, en dat de mensen zó onderverdeeld zouden worden dat zij elkaar niet zouden ombrengen en teloor gaan. Was dat niet zo dan zouden ze lui worden, niet wetend hoe zij tot kennis van God zouden kunnen komen. Dat kan alleen wanneer er vrees en eerbied bij de mensen aanwezig is.
NB. Op dit moment schijnt Hildegard geen rekening te houden met mensen die mogelijk misbruik maken van hun positie en met mogelijke egoïsten onder de leidinggevers. Bovendien ziet zij voor de machthebbers niet de taak weggelegd om te dienen. Toch moet zij ook de uitspraak van Jezus in gedachte hebben: Wie onder u de grootste wil zijn, moet aller dienaar zijn. (Mt.20,26)
En zo is de Heilige Geest te werk gegaan toen Hij de mensen tot de innerlijke wet van de Geest bracht. Door die wet moest de mens van binnenuit en van buitenaf geleid worden totdat er aan de wereld een opborrelende bron ontsproten is en in volheid van gerechtigheid verschenen is om te regeren over lichaam en geest. Daarom is de zorg van de wereldlijke macht ingesteld om te zorgen voor de aardse zaken zodat het lichaam gevoed wordt en niet bezwijkt. Het geestelijk leiderschap is ingesteld om zorg te hebben voor de innerlijke verzuchting om te komen tot de dienst aan God (Jezus Sirach 2,1) opdat de ziel naar het hemelse blijft verlangen.
Zo zit dit alles in elkaar omdat Ik het verordend heb. Dat komt overeen met wat Izaak tegen zijn zoon Jacob heeft gezegd….
7. Woorden van Izaak tot Jacob over deze aangelegenheid (Gen.27,29).
Jij moet de leider zijn van je broers, en dat de kinderen van je moeder zich voor jou buigen (Gen.27,29). Dat betekent het volgende. Jij moet de leidsman van je broers zijn, macht over hen uitoefenen met de bijbehorende eerbetuigingen en gelukzaligheden, gezegend met de zegeningen die God ook aan mij (=Izaak) gegeven heeft. En dat alle zonen die uit jouw moeder geboren zijn, zich voor jou zullen buigen, onderworpen als zij aan jou zijn vanwege deze uitzonderlijke zegening van jou. Uit jou zal een groot nageslacht te voorschijn treden (cfr.Mt. 2,6b) waaruit een zeer sterke en machtige man opstaat. Zijn broers zullen hem verjagen en vervolgen. Maar als een leeuw zal hij zich uiterst snel en uit alle macht aan hen ontrukken en in een alles overtreffende macht over hen heersen. Zich beroepend op die macht, die nooit door een doodgewone onbenul zal worden uitgewist, onderdrukt hij hen, terwijl zijn broers onbenullig worden.
Zo heb ook Ik, de hemelse Vader, tot mijn mens geworden Zoon gezegd: “Wees Heer over alle nakomelingen die voortgekomen zijn uit menselijk zaad en die Ik via Jou heb geschapen. Want Jij bent op wonderbare wijze uit een Maagd geboren en niet ontvangen via het zaad van een man. Jij bent van Mij uitgegaan als door opvlammend vuur, op aarde verschijnend als een echte mens terwijl het maagdenvlies van de aller ongereptste en zuiverste Maagd gesloten is gebleven.

anwege de opperste klaarheid van je goddelijkheid ben Jij dan ook de Heer over hen die jouw broeders zijn vanwege je menswording waardoor Jij mens bent. En laat de buiging, dat is de onderwerping, door de zonen van je moeder (de moeder namelijk van je menswording), en in gehoorzaamheid van vrome toewijding, zelf geboren uit mensen, aan jou onderworpen zijn.
En omdat de Zoon van God op deze wijze Heer van alle schepselen is, is ook door Hem de instelling van de verschillende machten in de wereld tot stand gekomen overeenkomstig de wil van de Vader en de stimulans van de Heilige Geest. Hoe is dat gebeurd?
Doordat God de buitensporige trots en grootspraak heeft weggenomen waarmee het ene volk het andere niet eerbiedigde, en iedereen maar deed wat hem goed leek, als God dit niet in de onvoorstelbare wijsheid van zijn raadsbesluit ongedaan had gemaakt. Hij heeft zelf temidden van de bevolking een volk apart aangewezen, het kleinste namelijk om dienstbaar en gehoorzaam onderworpen te zijn aan de meer begaafden, maar dat de meer begaafden in iedere vorm van dienstbaarheid deskundig en toegewijd hulp zouden bieden aan de minder begaafden, zoals het ook door de gloedvolle ingeving van de Heilige Geest aan Jakob door zijn vader gegeven is geworden om heer te zijn over zijn broeders, zoals hierboven vermeld is geworden.
8. Hier vinden we een aanduiding over de drievoudige sociale ordening: de heersende klasse, de vrijen en de horigen.
Het feit dat één de leiding moet hebben, is duidelijk in het wereldse bestel waarin één persoon de beschikking heeft over de vrijheid van de anderen.
Vanwege de eerbied die door hen aan hem wordt bewezen, moet hij hen met zijn macht ontzien. Hij mag hen niet onderdrukken met een beroep op het recht tot dienstbaarheid. Hij moet hen liefhebben alsof het zijn broeders zijn. Maar waar gezegd wordt dat er voor hem gebogen moet worden, wordt blijk gegeven van hun bereidheid tot dienen. Zij die door de band van horigheid aan hun meesters onderworpen zijn, zijn als eigen kinderen; die krijgen lijfelijke verzorging.
(Met verwijzing naar Rom.9,8: Niet de kinderen naar het vlees zijn kinderen van God, maar de kinderen van de belofte worden als kinderen beschouwd.)
Maar toen Jakob deze zeggingschap via de zegen van zijn vader aan zijn broer ontfutseld had (cfr.Gen.27,36), heeft hij via een gedenksteen die hij oprichtte (cfr.Gen.31,45) en met tienden die hij beloofde te zullen geven, vastgesteld dat hij de belangrijkste persoon is in de geestelijke legerschare. Want elke gelovige moet van de onderste trede naar de hoogste opklimmen, en moet ook via de wereldlijke macht het hogere gezag leren van het helderdere licht van het geestelijk leven. In dat licht wordt ook de taak van schipper*) vervuld om de weg van het onbevlekte Lam te volgen.
(* De Kerk wordt vaak voorgesteld als een schip, met Petrus en zijn opvolgers als de kapiteins of de roergangers aan boord).
Het Lam voert de mens omhoog in de volle goedheid van de gerechtigheid, namelijk door de mens overeind te helpen die neerligt als gevolg van de hinderlagen van een perverse rover.
9. Over het feit dat zowel de wereldlijke als de geestelijke stand in vier groeperingen opgedeeld kan worden.
Vandaar ook dat deze twee lagen (van de bevolking) namelijk de mensen die voorgaan bij de aardse aangelegenheden en zij die dat doen in de hemelse, in vier groeperingen worden opgedeeld.
God heeft immers de grote kracht van het verstandelijk weten aan de mensen gegeven zodat men onder verlichting van de Heilige Geest deze zaken bij zichzelf zou onderzoeken aan de hand van de vier elementen (i.e. water, aarde, lucht en vuur). Ik veracht of verwerp niet dat men die toepast op de twee genoemde lagen van zijn.
Want wie het mindere in mijn Naam uitvergroot is waard om zijn loon te ontvangen (Lukas 10,7) en geen verwerping. Die vier elementen zijn evenzeer aanwezig in wereldse zware lasten als in geestelijke aangelegenheden. Hoe dan?
In wereldlijke aangelegenheden spelen edele en nog edelere mensen een rol, en er zijn mensen die dienen en mensen die gehoorzamen. In geestelijke zaken zijn
er ook hogergeplaatsten en oversten, en er zijn mensen die gehoorzamen en mensen die bestraffen.
10. Niemand mag zich een geestelijke of wereldlijke waardigheid toeëigenen door roof of diefstal of tegen betaling.
Ik (=God) wil absoluut niet dat deze dingen die door mijn verordening zijn ingesteld, versjacherd worden als dingen die op een veiling te koop zijn. Ik wil dat men er op redelijke wijze mee omgaat. Zij die deze taken op zich nemen, moeten dienstbaar zijn voor God en mensen. Maar oh wee! Sommige giftige schorpioenen overtreden mijn gerechtigheid. Met het dodelijk gif van hebzucht en trots roven zij deze zaken niet alleen op werelds gebied maar ook in geestelijke aangelegenheden. Het roven van wereldlijke waardigheden, aardse zaken die met aardse middelen verworven worden, moeten weliswaar ten strengste met wrekende ijver van God onderzocht worden, maar bij het roven van geestelijke zaken moet dat met nog meer gestrengheid en ijver gebeuren.
Want in uiterlijke zaken zijn wereldse mensen vlees van vlees, maar geestelijke mensen hebben een band met de innerlijke zaken van de geest. Maar ofschoon wereldse mensen zich bezig houden met uiterlijke zaken en een aardse taak hebben, moeten zij toch ook in die aangelegenheden zelfbeheersing aan de dag leggen. Geestelijke mensen daarentegen die in de religieuze leefsfeer vertoeven en in de verachting van de wereld, staan gericht op het hart van de almachtige Vader en moeten veeleer in de naam van het geestelijke vurig Gods Zoon navolgen in het hoge priesterschap. Want zoals de Zoon uit het hart van de Vader is voortgekomen, zo heeft de Vader in zijn Zoon personen van het magisterium (leergezag) bij Zich geplaatst. Die bekleden een boven de kudde staande positie ten bate van de Kerk met God verbonden in het juiste dienstwerk. Hoe dan?
11. Zij die rijp van inzicht zijn en een goed geweten hebben en niet de vluchtige, vleiende woorden van mensen zoeken, die zijn waardig om voor een bestuurstaak gekozen te worden.
Zij die bezonnen, trouwhartig en evenwichtig van geest zijn, met een hart dat geheel naar Mij openstaat, dat zijn mijn zeer geliefde en trouwe behoeders en mijn zekerste vrienden. Zij hebben een goed geweten, zodat zij niet op verdorven en averechtse wijze het leraarsambt begeren en dat ook niet via duivels gekonkel proberen te bemachtigen. Ook proberen zij het niet met geld of via wereldlijke macht te verwerven en daarmee de vluchtige en vleiende woorden van mensen te zoeken. Zij aanvaarden het ambt in alle nederigheid alleen als een echte uitverkiezing van mijn kant en van het volk. Deze zijn mijn dierbaarste en deugdelijkste behoeders en mijn dierbaarste vrienden.
12. Alwie bestuursmacht verwerft ongeacht of het God behaagt of niet, en die wegvlucht van God, staat aan de kant van de duivel. Aan zo iemand wordt geen weerstand geboden in de verwachting dat hij toch later erger gestraft zal worden.
Degenen die tegendraads zijn en dit ambt op een duistere wijze verwerven, bijvoorbeeld door heimelijk hemelse zaken door middel van aardse zaken in de wacht te slepen, vluchten weg van mijn aangezicht en doden daarmee hun eigen ziel op wrede wijze. Daarmee spotten zij met Mij, want zij negeren Mij en verzetten zich tegen mijn wil. Hoe gebeurt dat?
Zij verachten Mij omdat zij de macht van het leergezag/het bestuur niet door tussenkomst van Mij wensen te verkrijgen, met hun innerlijke blik op Mij gericht en zeggend: Is dit welgevallig aan God, of niet? Nee, ieder van hen zegt daarentegen: Ook al is dit verkeerd in de ogen van God, ik neem dit toch op mij, vertrouwend op de Heer, omdat ik het nog tijdens mijn leven uitboet in mijn lichaam. Op die manier verwerven zij het leraarsambt buiten Mij, de levende God, om. Zij vragen het Mij niet eens; zij wagen het zelfs niet om Mij hierover te benaderen. In hun brandende begeerte vluchten zij van Mij weg. Zo roven zij het leraarsambt van Mij weg, en lijden zij schipbreuk ten aanzien van mijn medelijden.
Zulke mensen bevinden zich niet in het hart van de hemelse Vader. Zij bevinden zich in het Noorden (d.i. de verblijfplaats van de duivel) die voor deze aangelegenheden hun vorst is. Mij, de Schepper van alles en allen, willen zij niet zoeken. Zij zoeken hun eigen wil. Die beschouwen zij als hun God. Die volgen zij, en Mij laten ze in de steek. Zij willen Mij niet kennen. Ik ken hen ook niet. Hun begeerte geeft hun in wat zij willen. En omdat zij weigeren om Mij te vrezen, wil Ik hen ook niet in de weg staan met de verschrikking van mijn toorn, tot de dag komt waarop tegen hen wordt opgetreden en hen niets meer kan redden. Nog in dit leven worden zij volslagen overwonnen of anders zullen zij, zoals aangekondigd is, in het toekomstige gericht verantwoording moeten afleggen over de dingen die zij doen. Zij kennen Mij in hun geloof, maar in wat zij uitrichten, kijken zij niet naar Mij om.
(Vanaf 13 hervat Hildegard haar commentaar op het zesde visioen.)
13. Zoals al die genoemde mensen er waren, zo zijn ze er nu nog en zullen ze er ook altijd zijn, heel de tijd dat er mensen zijn onder het gezag van de goddelijke Voorzienigheid.
Nu gaan we naar wat je in het visioen kunt lezen: aan de buitenzijde van die muur zag ik twee kleinere muren even lang als de afstand die er was tussen de noordelijke en de westelijke hoek. Dat duidt op het feit dat er in de wordingsgeschiedenis van grotere en kleinere bevolkingsgroepen via Abraham en Mozes – als het ware van uit het Noorden tot aan de openbaring van het katholieke geloof in de ware Drieëenheid, – mijn Zoon dat geloof onderricht heeft tot in het Westen, nadat Hij door Mij naar de wereld was gezonden. Sindsdien hebben volken en hun vorsten en leermeesters in mijn Wet volhard als de kern en het voorbeeld van het volk van het Nieuwe Testament. Door mijn ijver bleven zij reikhalzend uitzien naar de komst van mijn Zoon, geboren in het vlees. Zo waren er, zijn er en zullen er altijd verschillen zijn tussen mensen van binnen en van buiten, dat wil zeggen: geestelijke en wereldlijke mensen, hogere en lagere.
De twee kleinere muren zijn aan beide zijden aan de hoeken met elkaar verbonden bij wijze van een schildpad. Want de volken, zowel van het Oude als van het Nieuwe Testament, zijn vanuit hun oorsprong, in eer en in bestuur als een eenheid verklaard als de dubbele schelp van een schildpad. Dat betekent dat zij op gezag van de goddelijke Voorzienigheid goed en waardig op elkaar aansluiten als het ene gebouw van het hemelse Jeruzalem.
14. In de stand van de hogere en de lagere leken zijn er drie geledingen.
Nu over wat er staat: De hoogte evenwel van de twee lagere muren bedraagt drie el. Dat betekent dat er in de rangorde van de rechtmatige twee wereldse standen, namelijk de hogere en de lagere, drie geledingen onder de mensen bestaan, namelijk de meer vooraanstaande bestuurders, de anderen die vrijzijn van de slavenband van de geknechten, en het gewone volk dat in dienstbaarheid onderworpen is aan hen die boven hen staan.
15. De geestelijke leermeesters dienen in eenheid van geloof voor te gaan aan het volk.
Daarom staat er: De breedte tussen de binnenste muur met bogen en de middelste muur bedroeg één el. Dat is een verwijzing naar de ruimte die er ligt tussen de hogergeplaatste personen van het leergezag en de lagere rangen van de aardsgerichte dienstbaarheid. Die ruimte is volgens God bedoeld om de onderdanen te roepen tot de orde van de eenheid van het geloof.
16. De wereldlijke en bestuurlijke macht en het volk moeten elkaar met zuivere bedoelingen en met eenvoudige toewijding tegemoet komen.
En de breedte tussen de buitenste muur en die van in het midden bedroeg één palm, maar dan wel de palm van een kinderhand. Dat duidt er op dat er tussen de lagere macht van het wereldlijk gezag en het onderworpen zijn van de civiele dienstbaarheid, de ruimte bestaat van een terecht ontzag, zodat deze twee vormen van eensgezinde en kinderlijke onschuld elkaar steunen en de handen ineen slaan in hun samenwerking.
17. Bij het werk van God gingen zes deugden aan de overige vooraf.
Nu over de woorden:
Binnen dat gebouw zijn zes gestaltes te zien. Zij staan op het plaveisel van dat gebouw vóór de muur met de bogen.
Dat betekent dat er bij het werken van Gods goedheid zes deugden actief zijn. Die gaan aan de overige deugden vooraf, en duiden op het feit dat God zijn schepping in zes dagen heeft voltooid. Met het oog op de toekomstige zaken staan die deugden vóór de muur. Dat betekent dat zij staan vóór het Israëlische volk. Dat wordt in het gareel gehouden door de goddelijke Wet, en is omwald door het leergezag en ook door de verdediging van hun voorgangers. Ondertussen vertrappen zij ook, in deze zin van het woord, het plaveisel van hun aardse zorgen in het gebouw van de hoogste Vader, opdat de christelijke heerschare zich met deze zes deugden tegen de duivel zal verzetten.
18. Over de waarde van de onthouding, de vrijgevigheid, de waarheid, de vrede, de gelukzaligheid, het onderscheidingsvermogen, de verlossing van de zielen en de betekenis daarvan.
Vervolgens staat er: Drie stonden dicht bij elkaar vóór de muur kort bij de hoek die op het Noorden gericht was.
Dat betekent dat de Heilige Drieëenheid, die in de kracht van haar majesteit niet van elkaar te scheiden is, en die aan het begin van het Oude Testament – dat een aanvang nam met Abraham en Mozes en die zich verzet hebben tegen de duivel – door verschillende en geheime gestaltes aangeduid is geworden.
Drie andere gestaltes stonden ook samen aan het einde van die muur kort bij de hoek die naar het Westen gericht staat.
Dat betekent dat de Drievuldigheid, in eenheid van heiligheid regerend, aan het einde van het tanende Oude Testament, openlijk met die Naam is aangekondigd, toen de Zoon van God in het vlees geboren is ten bate van de verlossing van de mens die ten onder dreigde te gaan.
Ze keken alle drie naar de schilderingen die in de bogen waren aangebracht.
Dat betekent dat Zij altijd met gelijke en toegewijde aandacht er op letten, hoe bij de mensen het leergezag van Gods ordening, zowel in het Nieuwe als in het Oude Testament, op hun gezag in praktijk gebracht wordt.
Dan nu de zinsnede: Aan het einde van die muur zie je binnen in het gebouw nog een andere gestalte op een steen zitten. Die steen was bij wijze van zetel op de vloer geplaatst.
Dat betekent dat bij de afschaffing van het Oude Testament van het oude volk, en bij het begin, toen het nieuwe geloof in de ware Drievuldigheid een aanvang nam en God aan de Kerk alle standvastige deugden onderrichtte, ontsproot ook die deugd op bescheiden wijze door toedoen van de opperste Vader. Die deugd blijft via de mens ook tot aan het einde van de wereld van kracht.
Daarom zetelt die deugd of kracht op een zeer stevige steen, dat wil zeggen op de enige Zoon van God, die de zetel en het rustpunt is van alle gelovigen die neerkijken op wat vergankelijk is, en van allen die in het zuivere geloof op Hem vertrouwen.
Met de rechter zijde leunde de gestalte tegen de muur.
Dat betekent: de gestalte bevindt zich in de juiste rust en aan de kant van het heil voor dit volk. Het volk is door de beschikking van God onder het leergezag geplaatst, zodat de hoger geplaatsten samen met de lager geplaatsten de gestalte met hun doen en laten zullen eren.
Maar het gelaat van de gestalte staat gericht naar de kolom van de ware Drieëenheid..
Want bij alles richt de gestalte haar blik op de Drieëenheid zelf met de volle inzet van haar aandacht. Want zoals de eeuwige Drieëenheid zonder mankeren in drie Personen gedacht moet worden, zo moeten allen die God vereren Hem met hun daden heel nauwkeurig voor ogen houden, en, terwijl zij dat doen, Hem niet uit het oog verliezen.
Nu over: aan het einde van die muur zag ik evenwel nog een andere gedaante op een hogere plek op de muur staan.
Dat betekent dat deze deugd ook in de overgang van de schaduw van de Oude Wet naar het geloof in de Heilige Drieëenheid, zowel bij het belangrijke leergezag als ook bij het gewone volk, opgeklommen is tot een hogere top van hemels verlangen terwijl het ware licht van de gerechtigheid oplicht, recht overeind en strijdend in de Zoon van God, vechtend tegen de ondeugd. Want door Hem is het begonnen, en met Hem zal het blijven in het hemels Jeruzalem, ook na het einde van de tijden.
Eveneens kijkend naar die voornoemde kolom van de ware Drievuldigheid….
Want door de heilige en onzegbare Drieëenheid gesterkt, brengt de gestalte de zielen naar het vaderland terug.
19. Over de praktijk van die deugden en wat die inhoudt.
Eerst dit: bij deze gestaltes zag ik de volgende gelijkenis… Dat duidt op het feit dat dezelfde deugden eender zijn bij de verschillende gaven van God.
Daarom zijn zij evenals de vorige gestaltes als het ware gekleed in zijden gewaden. Die gewaden zijn de lieflijkste werken om hen heen alsook om de overige deugden heen die in goddelijke wetmatigheid de vereerders van God verbeelden omdat zij die goede werken verrichten in waarachtige gerechtigheid.
Zij dragen ook wit schoeisel, want in hun vurigheid zit ook de witte gloed van het volgen van het voorbeeld van de goede werken bij de mensen.
…behalve de gedaante die rechts van de middelste van de drie stond die ik op het einde van die want had gezien. Die was zó volkomen vol van zuiver, helder licht, dat ik vanwege de grote schittering zijn gedaante niet duidelijk kon waarnemen.
Het gaat over de deugd die door de gave van de Heilige Drieëenheid op het einde van de oude gestrengheid oprijst, helemaal doorschijnend en puur. Geen enkele duivelse ongerechtigheid valt aan die gestalte op te merken. Zij verkeert in de blije klaarte van de vreugdevolle eensgezindheid onder de mensen. Dat is zo sterk dat, vanwege de hoeveelheid glorie en eer die zij bij de hemelingen heeft, haar gestalte op geen enkele wijze door geen enkele sterfelijke mens waargenomen kan worden tenzij God het goed vindt om het te laten zien.
Op de muur stond een gestalte die zwart schoeisel aan had.
Dat duidt op het feit dat er vóór de menswording van mijn Zoon, zowel in de hogere als in de lagere klasse, onder de mensen het teken en het spoor van de dood aanwezig was.
Maar geen van hen droeg een mantel… Dat betekent dat zij zowel de aardse Godsverering als ook de samenhang met de instelling van de Wet verworpen hadden. Innerlijk beschouwen zij de ware gerechtigheid. …met uitzondering van de middelste van de drie die op het voorste deel van de muur stonden. Die droeg wel een mantel. Want deze gestalte was omgeven door Gods begrijpende liefde toen zij zich aan het begin van de Wet van Gestrengheid aftobde onder Gods bescherming. Met verwerping van de vleselijke lusten heeft deze gestalte haar hemelse schat opgeborgen in Gods begrijpende liefde.
En twee van de drie hogergeplaatste gestaltes, namelijk die rechts en links van de middelste gestalte stonden, en twee van de drie lagergeplaatste gestaltes – de middelste met name en die links stond – droegen geen vrouwelijke sluier op hun hoofd; zij stonden daar blootshoofds met hun witte haren.
Want Wet en Profeten treden naar voren door de kracht van de allerhoogste Majesteit. Door hun kracht laten zij leven en dood zien met daarbij de twee geboden van de dubbele liefde (de liefde tot God en die tot de naaste). Die geboden komen voort uit de éne en dezelfde kracht van God. Zij bezitten de standvastigheid van de innerlijke, attente aandacht en kennen de zoete vreugde ten aanzien van goddelijke zaken. Zij zijn absoluut vrij van onderworpen te zijn aan pijn en aan de strikken van de dood. Dat komt vanwege hun verbondenheid met Christus, mijn Zoon. Met hun onbedekte haren schitteren zij in hun blanke maagdelijkheid. Want God houdt heel veel van de maagdelijkheid van de Maagd Maria.
Nu over: Maar de middelste van de eerste drie gestaltes en die andere die op de steen tegen de muur aan zit, hebben een witte sluier op het hoofd, zoals dat bij vrouwen gebruikelijk is.
Dat betekent dat deze gestaltes met de hulp van de Allerhoogste en in het standvastig bewaren van de gelukzalige rust, puur en zacht gebonden zijn door de sterke band van onderdanigheid. In hun serene en vrome toewijding vereren zij God als het hoofd van alle gelovigen, zoals een echtgenoot door zijn vrouw met oprechte eerbied geëerd dient te worden.
Diezelfde gestalte, de middelste van de eerder genoemde drie, en de gestalte die aan haar rechterhand staat, zijn in het wit gekleed.
Want door de kracht van de goddelijke majesteit en in hun allerzoetste gelukzaligheid stralen hun fel lichtende en blanke werken uit bij de mensen. Zij staan standvastig onder de Wet van God waarmee zij verbonden zijn.
Maar toch zie je een verschil tussen hen beide. Dat wil zeggen dat zij bij God toch onderscheiden deugden bezitten waarmee zij Hem eenparig vereren.
20. In het bijzonder over de onthouding en de praktijk daarvan, en wat dat betekent.
Daarom de gestalte die in het midden van de drie hogere gestaltes stond verbeeldt de onthouding. Zij is immers in haar eerste strijd als het ware een stad, een hemelgewelf en versiering van deugden die haar aankleefden toen zij zich onthield van de zonde bij het in acht nemen van strenge zeden. Op die manier heeft zij alle kinderachtigheden van het kwade onderzocht en heeft zij ze afgewezen. Zij heeft er zich absoluut niet mee ingelaten. Zij is eerder een moeder temidden van de deugden die verwijzen naar de glorie van God bij het begin van de Wet van het oude volk.
En op haar hoofd droeg zij bij wijze van een kroon een safraankleurige aureool. Op de rechter zijde daarvan stond gegraveerd: “Altijd aansteken!”
Want op haar hoofd is zij gekroond met een paarsachtige uitstraling van een zon
namelijk van Gods Zoon. Door zijn heldere uitstraling is zij geheel omgeven. Zij verlangt naar niemand anders dan naar Hem die haar altijd in vuur en vlam zet aan de rechter zijde van haar ziel.
Zoals je ziet: aan de rechterzijde van de gestalte komt een duif aangevlogen. Die duif ademt met zijn snavel in de richting van de Schrift. Want aan de rechterkant van het hemels heil is immers de gave van waarachtige eenvoud aanwezig, dat wil zeggen van de Heilige Geest. Bij onthouding ontsteekt de Heilige Geest alle goede dingen door zijn verheven ingeving tot redding van de zielen. Dezelfde kracht geeft dat ook aan in de bovenvermelde woorden van zijn vermaning.
21. In het bijzonder over de vrijgevigheid en de praktijk daarvan, en wat er de betekenis van is.
Een andere gestalte die rechts van hem stond…
Die woorden betekenen vrijgevigheid die in kinderlijke eenvoud aanwezig is. Daarin zit geen enkele stompzinnigheid of hardheid tegenover het lijden van mensen. Door haar onbaatzuchtigheid weerhoudt zij zich altijd van ruwheid bij het verrichten van goede werken. Zo streeft zij altijd naar God. Ruimhartigheid is altijd het uitgangspunt van haar handelen zodra zij met onbaatzuchtigheid haar werk aanvat.
In haar hart heeft zij iets dat op een leeuw lijkt, blinkend als een spiegel.
Het is mijn Zoon Jezus Christus die in haar hart verborgen is als een zeer sterke leeuw, en aanwezig is als in de spiegel van haar vrome en prachtige liefde.
Nu over: Aan haar hals draagt de gestalte iets dat wel een bleekkleurige slang lijkt en dat eveneens in een kromme bocht als een twijg op haar borst hangt. Dat duidt op het feit dat zij mijn zeer behoedzame Zoon om haar hals draagt, terwijl Hij kromgebogen onder de bleke angst van het vleselijk lichaam, met veel geduld de pijn van de krommende straffen, inclusief de verheffing op het kruis, heeft ondergaan als medicijn voor alle wonden. Die ruime goedgeefsheid wordt door de hemelse liefde op haar borst gedrukt. Dat neemt zij vaak waar in de gedachten van de mensen, zoals ook duidelijk blijkt uit de voornoemde woorden van haar aansporing.
22. In het bijzonder over de vroomheid en de praktijk daarvan, en wat er de betekenis van is.
De derde gestalte, links van haar, laat de vroomheid zien die absoluut vrij is van haat of nijd ten aanzien van het geluk van een mens. Zij verwelkomt integendeel de voorspoed van alle mensen en verheugt er zich steeds over. Met haar levenskracht en haar zalving van grootmoedigheid weerstaat zij aan de snode kant van de duivelse inblazing. Want bij ieder gevecht van betekenis bestaat haar vroomheid helemaal uit terughoudendheid. Door die vroomheid blijft zij altijd als winnares overeind.
Die gestalte droeg een kleed dat roodachtigpaars van kleur was. Want die gestalte is omkleed met haar allermooiste bezigheid. Zij volhardt namelijk op heel mooie wijze bij bloedige gevechten die namelijk schuilgaan bij het ondergaan van beledigingen naar het voorbeeld van het lijden van mijn Zoon. Zij volgt dan zijn voorbeeld na.
(NB.Schildert Hildegard hier zichzelf in haar strijd naar onafhankelijkheid van de monniken van Disibodenberg?)
Op zijn borst verscheen een engel die aan beide zijden een vleugel had,
Dat betekent dat een mens in zijn gedachte altijd de leefhouding van de engelen
moet nabootsen, en wel door te houden van iedere ordening als van een instelling van God. Want aan beide kanten, op één en op twee vleugels, zijn er gunstige en minder gunstige dingen. In de ene God moet men met deze dubbelzijdige realiteit niet te zeer leunen op wat goed is, en evenmin te zeer gebukt gaan onder het kwade. Men moet opstijgen als op vleugels. Dat wil zeggen: met een zuiver hart opkijken naar God, aldus opstijgend naar God en niet zich neerwerpend op de aarde.
Daarom staat er ook de rechter vleugel zit vast aan de rechter schouder van die gestalte, want het welzijn van een mens wordt aan de rechter kant van het heil van de zielen aangereikt als hulp tot vroomheid wanneer mijn Zoon een mens naar het vaderland heeft teruggebracht.
En de linker vleugel zit vast aan zijn linker schouder. Dat betekent dat links de duistere kant van de duivelse hinderlagen is, en dat daarom de mens daar een vleugel heeft waarmee hij die duistere werken kan verwerpen en zijn toevlucht omhoog kan nemen tot het toevluchtsoord van mijn Zoon. Door Hem is hij immers sterk tegen elke tegenwerking en volgt hij het leven van de rechtvaardigen na. Deze deugd brengt hij ook met woorden tot uitdrukking. Ook dat is hierboven vermeld.
23. In het bijzonder over de waarheid en de praktijk daarvan, en wat er de betekenis van is.
De gestalte, de middelste van de drie lagergeplaatsten, verwijst naar de waarheid. Want na de onthouding en de daarmee samenhangende deugden,
komt de waarheid opzetten met alle daarbij behorende attributen zoals de toren en de vestingwal. Dat stelt een krachtige leiding voor, met name is dat de Heilige Drievuldigheid temidden van haar werkzame krachten bij gelegenheid van de ondergang van de Joodse leefwijze en de opkomst van het ware geloof.
Op de rechter schouder van de gestalte zat een heel witte duif die haar met zijn snavel iets in haar rechter oor ademde. Dat betekent dat op het hoger gelegen gedeelte van rechts, te weten van de gelukzalige terugkeer naar het leven door de menswording van de Zoon van God, de bewonderenswaardige kracht van de Heilige Geest verschijnt, die door zijn aanraking in het rechter oor heeft geademd. Dat betekent: in het hart van de gelovige mensen, zodat zij begrijpen kunnen wat God in zijn goddelijke macht vermag.
En dan de woorden: Maar op zijn borst verscheen toen een monsterachtig en wanstaltig mensenhoofd. Dat duidt er op dat God toestaat dat er ellende in de harten van zijn uitverkorenen zal zijn en dat er vervolgingen door vorsten zullen plaatsvinden, zoals Hij ook gewild heeft dat zijn Zoon te lijden heeft gehad door de opperpriesters (cfr. Mat.16,21) . En omdat God in het hart van de gelovige mens aanwezig is, daarom moet hij ook ter liefde Gods geduldig vervolging ondergaan. En omdat de dood bij de val van de duivel is ontstaan, daarom moet ook de gelovige mens moeitevol veel strijd leveren tegen de duivelse boosaardigheden, die lichamelijk vaak lastig zijn en de mens tegenstaan. Het is eigen aan de mens dat het oude serpent hem altijd achtervolgt. Waar gaat dat over? Over de begeerte van het vlees waarop die boosaardige vijand, in een hinderlaag gelegen, altijd loert.
Maar nu over de woorden:
Ook lagen er onder de voeten van de gestalte als het ware de door haar vertrapte en verbrijzelde mensen. Dat betekent dat onder de voeten van de waarheid alle duivelse valsheden, die in het doen en laten van de mensen voorkomen, tot niets gereduceerd worden. De gestalte zelf is vol liefde om de Kerk op te bouwen, terwijl alle deugden duidelijk aan het licht treden, en in de realiteit als echt beproefd worden. Die echtheid was onzichtbaar opgesloten geweest in het hart van de Vader vóór alle eeuwen. Maar op het einde der tijden is zij zichtbaar verschenen in het lichamelijk vlees van de Zoon.
Vandaar dat er staat:
In haar handen hield de gestalte evenwel een open gerolde boekrol. Op één zijde, namelijk die naar de hemel gericht was, stonden zeven regels geschreven.
Dat betekent dat door Gods genade in alle werken van de waarheid de tekst van de vastgestelde Wet voor het Christenvolk opengeslagen is, deels om openlijk de hemelse gaven te koesteren, en deels om de vleselijke begeertes te vrezen. Daarin zijn de zeven gaven van de Heilige Geest duidelijk zichtbaar, met name het onoverwinnelijke verweer tegen de duivelse hinderlagen van de dood. Je wilt die brief lezen, maar dat kan niet. Want ofschoon de mens er hevig naar verlangt om de geheimen en de verborgen dingen in de gaven van God te kennen, het is niet mogelijk voor de mens. Met zijn sterfelijk lichaam is hij er te log voor om te begrijpen en te bevatten wat God in zijn wonderdaden wil laten gebeuren. Toch kan de mens de dingen naar waarheid begrijpen en bevatten als hij de voorschriften van God opvolgt. Met wat gezegd is, laat deze deugd dit ook zien.
24. In het bijzonder over de vrede en de praktijk daarvan, en wat er de betekenis van is.
De andere gestalte, rechts van de vorige duidt op vrede die een verheven teken en een engelachtige gezel heeft, want zij gedijt in de volle groene groeikracht van de waarheid. Die waarheid is immers aan de rechterzijde van het heil van de zielen omgeven met buitengewone en zeer verheven gaven. Zij bevat ook de vrede door de Zoon van God. Hoe dan? Zoals beschreven in de engelenzang waar gezegd wordt: “Eer aan God in de hoge, en vrede op aarde aan de mensen van goede wil”. Dat betekent: de mens schittert in de allerhoogste God, en God doet het in de mens. De Zoon van God is immers op wonderbare wijze mens geworden. Daarom is God ook in de hemel lofwaardig en glorierijk door heel zijn schepping. Daarom kan er ook op aarde vrede zijn voor die mensen die met toewijding en geloof de wil van de Vader op zich nemen. Want de vrede van de goede wil is tevens de wil van heel de goedheid van de Vader. Die goedheid is zijn Zoon die zowel God als mens is.
En hoe is Hij dan vrede? Hijzelf is vrede voor de mensen door hen te verdedigen tegen de hinderlagen van het oude serpent. Dit oude serpent is de eerste overtreder die het levenslicht verloren heeft en verworpen is in duisternis. De ware vrede, dat is de ware Zoon van God, heeft het licht bij de mensen gebracht. Zo zijn zij op een zalige plek, die de duivel verloren heeft, deelgenoten van het Rijk van God geworden.
En zoals je ziet heeft die genoemde deugd het gelaat van een engel, want zij vlucht weg van alle kwaad door met een engelachtig verlangen en met een heilige bedoeling op te kijken naar het gelaat van God. Daarom staat er: die gestalte heeft aan beide zijden een vleugel om te vliegen. Want zowel bij rust als bij storm richt zij haar blik omhoog naar God. Zij raakt niet verschrikt en wordt niet verbitterd, maar blijft altijd in kalme gemoedsrust recht overeind.
En evenals de overige deugden verschijnt zij in een menselijke gedaante. Want zij is op wonderlijke wijze aan het licht getreden door de Zoon, toen ook alle deugden door haar bij de mensen op de proef gesteld werden, zodat zij op geen enkele wijze wedijver of wrijving zoekt, maar in tegendeel juist altijd zachtmoedigheid. Op die wijze stelt zij zich teweer in de strijd tegen de duivel, zoals ook blijkt uit boven aangehaalde woorden.
25. In het bijzonder over de gelukzaligheid en de praktijk daarvan, en wat er de betekenis van is.
De derde gestalte die aan zijn linkerzijde stond…die duidt op de gelukzaligheid die naar eeuwig leven streeft. Door haar trouw en innige zachtmoedigheid weerspreekt de waarheid elke valsheid van slangachtige overredingskracht die aan de linkerkant de mens misleidt die met hem instemt. De gelukzaligheid is immers de toestand van de onoverwonnen veiligheid van het ware licht waardoor de gestalte het ongeluk van de dood niet vreest. Daarom staat er ook: die gestalte
had een wit gewaad aan afgewisseld met groen. Zij is immers omhangen met trouwe goede werken die zijn wit-schijnend vanwege haar hemels verlangen, en ook is zij omhangen met veelsoortige gaven als een fris-groenkleurig sierraad in de groene groeikracht van de Heilige Geest.
Zij had ook een soort schaaltje met een bleke glans in haar handen. Dat betekent dat de mens in zijn manier van leven laat zien hoe hij als in een armzalig vaatwerkje (bedoeld is in de geheime vermorzeling van zijn hart) God door zijn geloof aanhangt, evenwel in de bleke broosheid van het menselijk vlees. Want het geloof moet juist in het sterfelijk leven zuiver beoefend worden, daar waar de miserie de mensen niet verlaat. Van dat schaaltje ging veel licht uit als van een bliksemschicht, en scheen op het gelaat en de hals van de gestalte. Want het kennen van het eeuwige Licht bevindt zich zowel in het vrezen van God alsook in het beminnen van Hem. Of nog anders gezegd: het trekt vanuit het binnenste van het mensenhart over naar zijn gelaat. Dat wil zeggen dat het overgaat naar de aanvang van een goed werk dat duidelijk de goede bedoeling laat zien.
En de woorden: en de hals. Die betekenen dat later in het goede werk overal voorzichtig een kracht aanwezig blijkt te zijn voor degene die het begrijpt. Want door de gelukzaligheid glanst dit voor God in de mens helderder dan de zon, zoals ook in deze uiteenzetting van de deugd duidelijk blijkt.
26. In het bijzonder over de onderscheiding van de geest en de praktijk daarvan, en wat er de betekenis van is.
De gestalte die op het einde van de muur op een steen zit, stelt het onderscheidingsvermogen voor. In het onderhouden van de oude leefregel blijkt zij volledig tot rust gekomen. Zij is zeer bedreven in het uitzeven van alles. Zij behoudt wat bewaard moet worden, en verwijdert wat verwijderd dient te worden zodat het graan van het kaf gescheiden wordt.
Zij is gekleed in een bijna zwart gewaad. Dat betekent dat zij omkleed is met versterving van het lichaam. Lichtzinnige ijdelheid verwerpt zij volledig. Wat betreft: Op haar rechter schouder draagt zij een soort kruis met daarop de afbeelding van Jezus Christus. Dat betekent dat die deugd geworteld staat in het rechtse deel van Gods kracht, want de almachtige God heeft zijn Zoon op wonderbare wijze gezonden om mens te worden en nederig lijden te ondergaan. Zijn denkend vermogen gaat gepaard met zijn liefde. Door Hem is immers duidelijk geworden dat door het denkend vermogen elke rechtgeaardheid aan het licht kan komen. En zoals God de verlener is van de passende menselijke staat, zo is het onderscheidingsvermogen zijn navolgster in haar taak. Zij vervult haar taak dan ook in het samengaan met de verdeler van alle goeds, de gekruisigde Zoon van God, omdat zij beide waardigheden bezit, de goddelijke en de menselijke.
Terwijl zij zich nu eens hier en dan weer daarheen wendt. Dat duidt op het feit dat zij via de betekenis van het heilig kruis begrip heeft van de wijdte die er ligt tussen de goeden en de kwaden. En wat betreft: Uit de wolken bliksemt als het ware een glans van bijzondere helderheid in haar borst. Dat betekent: vanuit het medelijden van God wordt als het ware vanuit een wolk een zeer heldere gloed van goddelijke vroomheid in het denkvermogen van de mens geblazen. Die activeert het onderscheidingsvermogen in hem, en die verlicht hem.
Daarom staat er ook: Die glans valt in veel stralen uiteen zoals de glans van de zon zich verspreidt en tegelijkertijd ergens door smalle en vele kieren binnendringt… Dat duidt erop dat de Heilige Geest in opperste kracht de verschillende stralen van zijn gaven aan de mensen uitdeelt. Ze zijn helderder dan de zon. Onzegbaar diskreet stort Hij ze in nietige holtes uit. Dat wil zeggen dat Hij ze uitstort via de indringende blikken van de zielen die in Hem geloven. Daarmee verlicht Hij hun zinnen en verstand zodat zij een heel scherp inzicht krijgen in die zaken om te weten wat zij geschikt kunnen doen in God.
Maar de gestalte heeft in haar hand een stuk hout bij wijze van een waaier. Dat betekent dat het waarnemingsvermogen altijd ter rechterzijde van het heil van de zielen door de gave van de Heilige Geest bij de mensen in hun bezigzijn gade slaat als was het in het broze hout van het zwakke vlees. Dat draagt evenwel dit teken met zich mee dat het met Gods hulp de diverse vliegen van duivelse verleidingen weg jaagt, zodat de ziel niet in allerlei ijdelheden verstrooid raakt.
Daarom ook ontspruiten op wonderlijke wijze uit de top (van dat stuk hout) drie takjes met een bloem er aan. Dat verwijst naar het feit dat gelovige mensen boven alles en in alles trouw moeten geloven in de Heilige Drieëenheid die in haar wonderdaden altijd als het ware in bloei staat, en zeer glorievol regeert vanuit haar goddelijke eenheid. Gelovige mensen moeten niet overmoedig bij zichzelf de hemelse geheimenissen onderzoeken. Zoals God al zijn werken in zijn verschillende schepsels op juiste en verschillende manieren ten toon spreidt, zo moeten ook de mensen vanuit hun bescheidenheid al zijn daden goed en juist beoordelen.
Nu over het feit dat de gestalte in haar schoot zeer kleine steentjes van allerlei edelstenen heeft. Zij bekijkt ze zorgvuldig en nauwkeurig zoals een handelaar zijn koopwaar heel nauwkeurig pleegt gade te slaan. Dat betekent dat de gestalte in de schoot van het menselijk denken alles wat geschikt en passend is, via zeer nauwkeurige overwegingen en vakkennis, voor edelstenen van deugden houdt. Daartoe onderzoekt zij nauwkeurig en zorgvuldig elke gerechtigheid die door God is vastgesteld, opdat die overal en in alles op passende en correcte wijze voortgang kan vinden in de harten van de mensen. Met het oog op de beloning voor het werk worden die harten zeer scherp in het oog gehouden, want daar vindt de vergelding bij God plaats, zoals de gestalte dat ook met eigen woorden aankondigt, zoals vermeld is geworden.
27. In het bijzonder over de verlossing van de zielen en de praktijk daarvan, en wat er de betekenis van is.
De gestalte die op het uiteinde van de muur staat…dat duidt op de redding van de zielen. Want te midden van de oude harde toestand schitterde die gestalte op het hoogtepunt van het gezag van de nieuwe genade. Dat was als het ware de grond voor het breekpunt (het nieuwe begin: het Nieuwe Testament) waarmee en waarop het heil van de zielen verschijnt, ontsproten in de Zoon van God, toen Hij uit een Maagd geboren werd voor het heil van de mensen.
De gestalte was blootshoofds en had zwart kroeshaar. Zij was naakt vanwege haar onderworpen dienstbaarheid, evenwel vol vrije waardigheid, want zij hangt openlijk de Zoon van God aan. Hij heeft haar dan ook genadevol doen opstaan.
Zij verdraagt evenwel dat haar haren zwart zijn. Want bij het Joodse volk leek zij duister te zijn zonder ware helderheid, in veel dingen anders zoals het “kroeshaar” van anderssoortige leefgewoontes.
De gestalte heeft ook een donker gelaat alsof men vóór de menswording van de Zoon van God in de schaduw van de dood niet zag dat zij het geluk van het eeuwig heil bezat. Daarom draagt die gestalte een heel bont kleed met zeer veel kleuren doorweven. Binnen het oude volk was de gestalte immers omgeven met een veelvoud van bezigheden, waaronder een veelvoud van ondeugden.
Maar zoals je kunt zien, staat de gestalte daar naakt, want zij heeft dat kleed en het schoeisel uitgetrokken. Dat betekent dat zij door het lijden van mijn Zoon schoongewassen is van de dood, toen, na de komst van de Heilige Geest, het geluid en de woorden van de Apostelen de wereld in gezonden werden. Toen is het heil van de zielen ontstaan, zodat zij door het kwaad te verachten en het verkeerde spoor te verlaten, hevig ontdaan en ontbloot van de duivelse overheersing, gezegd heeft: “Jij, allersmerigste duivel, nooit zou jij mij losgelaten hebben, als ik niet verlost zou zijn geworden door het bloed van het Lam (Apoc.22,14). Jij wilde mij in de helse modderpoel vasthouden, maar nu ben ik vrij en verlost, dankzij God”.
En zo stralen nu haar haren en gelaat door een mooie blankheid en nieuwheid als van een pasgeboren kind. Want na de menswording van mijn Zoon is er een groot volk gegroeid als de haren op het hoofd van de gestalte. Op het innerlijk gelaat van haar ziel is dat volk helder oplichtend, want het hangt de ware en schitterende gerechtigheid aan. Dat bracht met zich mee dat de gestalte op zoek ging naar het eeuwige geluk, vol vertrouwen om gered te worden via het wit-glanzende leven en via de bevrijding van de gelovige ledematen die Christus, hun Hoofd, aanhangen om via een nieuwe wedergeboorte en via de ware kinderlijke onschuld gered te worden tot het hemels leven.
Over heel haar lichaam straalt de gestalte zoals een zuivere glans in helderheid oplicht. Dat betekent zoiets als dat de gestalte in al haar ledematen – dat wil zeggen in het volk dat zich aan mijn Zoon onderworpen heeft – zuiver geworden is in duifachtige eenvoud en helder in de zeer oplichtende schoonheid van Gods gerechtigheid.
Nu over het feit dat je op de borst van de gestalte een prachtig kruis ziet staan met de beeltenis van Jezus Christus er op. Het kruis staat op een kleine struik tussen twee bloemen, een lelie en een roos. Die buigen zich een beetje omhoog in de richting van het kruis. Dat betekent dat die kracht voor de gelovige mensen een sterk afweerschild geworden is bij het lijden van Jezus, de Zaligmaker. Hij heeft met zijn marteldood, als een spoor van zijn goed voorbeeld, de boom van dood en verderf van Adam omgehakt en vertrapt. Tegen die boom zijn ook de twee testamenten – het Oude Testament in het wit en het Nieuwe in het rood – volgens Gods opzet met afkeer te werk gegaan. De twee Testamenten hebben zich met hoog geestelijk verstand gebogen naar het lijden van de vrome en alleredelste Verlosser en naar zijn gerechtigheid bij het ondergaan van de dood.
Daarom zie je hoe de gestalte haar tuniek en haar schoenen uittrekt en flink uitschudt zodat daar veel stof uit verwijderd wordt. Dat betekent dat het heil van de zielen in de nieuwe en goede werken van de mensen de uitgetrokken kleding laat zien van de vorige leefgewoonte en van al het kwaad van de oude wandaden en van alle oude overtredingen en van het verwerpelijke voorbeeld van de overtreding van Adam. Na een heel gedegen onderzoek maakt de gestalte deze dingen bespreekbaar en veracht ze en verwerpt ze als stof van ijdele glorie en als zonden van andere zondaars. Hierboven in het voorwoord zegt de gestalte dat ook over zichzelf
Wie evenwel scherpe oren aan zijn innerlijk denkvermogen heeft, doet er goed aan om in vurige liefde voor mijn spiegel naar deze woorden te hunkeren en ze op te schrijven in het geweten van zijn gemoed!

SCIVIAS, DEEL III
Sc. 3.7

HOOFDSTUKKEN VAN HET ZEVENDE VISIOEN
VAN HET DERDE DEEL
1. De onuitsprekelijke Drieëenheid die op het einde der tijden werd geopenbaard, moet door de gelovigen met een eenvoudig en nederig hart geloofd en vereerd worden.
2. De wereld is gered door het bloed van Christus,
De verering van de Heilige Drieëenheid is uitdrukkelijk afgekondigd,
maar kan door geen enkel verstand begrepen worden.
3. De onuitsprekelijke Drieëenheid openbaart zich aan ieder schepsel op een heel open regerende en machtige wijze, behalve aan ongelovige harten, waarbij zij toch als een diep snijdend zwaard doordringt.
4. Zij die zich binnen de christelijke gemeenschap van het katholieke geloof te weer stellen in dorheid en ongeloof, worden door God in verwarring gedood.
5. De Godheid verwerpt de grootspraak van het Joodse volk.
6. Het duivels schisma van het heidenvolk leidt naar het verderf, afgescheiden van God.
7. Een parabel hierover.
8. Woorden van Johannes hierover.
9. Over het onderscheid en de eenheid van de drie Personen.
10. Over de drie gelijkenissen in de Drieëenheid.
11. Woorden van het boek Koningen hierover.
HET ZEVENDE VISIOEN VAN HET DERDE DEEL
Daarna zag ik hoe in de westelijke hoek van het gebouw een wonderlijke , geheimnisvolle en zeer forse zuil te zien was, purperachtig zwart van kleur. Hij stond zó in die hoek opgesteld dat hij zowel binnen als buiten het gebouw goed zichtbaar was. In omvang en hoogte was hij zó geweldig dat ik er met mijn verstand niet bij kon komen. Bovendien was hij wonderbaarlijk glad en zonder enige oneffenheid. Wel had hij aan de buitenkant, van de voet tot aan de top, drie staalkleurige vlijmscherpe kanten, zo scherp als een goed gewet zwaard.
De kant die op het zuidwesten gericht was, had veel droog stro afgesneden. Dat lag daar verspreid rond.
De kant die op het noordwesten stond, had veel veertjes afgesneden. Ook die lagen daar rond verspreid.
En de middelste scherpe kant wees naar het westen. Die had meerdere dorre takken afgesneden. Ook die lagen daar verstrooid. Vanwege de lichtzinnige vermetelheid was dat allemaal door die scherpe kanten weggesnoeid.
En opnieuw sprak Degene die ik op genoemde troon zag zitten en die mij dat alles had laten zien, tot mij: “Al deze geheime en bewonderenswaardige en onbekende, overvolle gaven die jou, mens, in het ware licht zo helder voorkomen, laat Ik jou zien en deel ze jou mee om er de vurige harten van de gelovigen mee in vuur en vlam te zetten. Zij zijn de zeer zuivere bouwstenen voor de bouw van het hemelse Jeruzalem”.
1. De onuitsprekelijke Drieëenheid die op het einde der tijden werd geopenbaard, moet door de gelovigen met een eenvoudig en nederig hart geloofd en vereerd worden.
De heilige en onuitsprekelijke Drievuldigheid van de opperste eenheid was verborgen voor hen die Hem onder het juk van de Wet dienden. Maar door een nieuwe genade is Hij geopenbaard aan hen die bevrijd zijn van de slavernij. Door zijn getrouwen moet Hij in eenvoud en nederigheid van hart als de ene en ware God geloofd worden, en niet overmoedig nageplozen. Niemand moet ontevreden zijn met de gave die hij van de Heilige Geest heeft ontvangen.
Wanneer iemand meer verlangt dan passend is, omdat hij hardnekkig op zoek is naar zelfverheffing, die komt slechter terecht dan wat hij ongepast graag zou hebben. Dat laat dit visioen ook zien.
De zuil die in de westelijke hoek van het aangeduide gebouw te zien is, is de uitbeelding van de ware Drievuldigheid. De Vader, het Woord en de Heilige Geest is de enige God in drievuldigheid, en de Drievuldigheid in eenheid, afgebeeld als en volmaakte kolom van alles goeds, doordringend in de hoogste en in de kleinste zaken, en heersend over heel de aardbol.
Deze zuil duikt op in het westen. Als het ware bij toeval is de Zoon van God mens geworden. Hij heeft zijn Vader overal eer gebracht en de Heilige Geest aan zijn leerlingen beloofd. Dat heeft de Zoon gedaan door volgens de wil van de Vader de dood te ondergaan. Daarmee heeft Hij aan de mensen het goede voorbeeld gegeven, zodat ook de mensen op correcte wijze de woning van de hoogste Vader konden binnengaan door de ware en juiste werken van de Heilige Geest te volbrengen.
Maar die zuil laat zich zien als wonderbaarlijk en geheimnisvol en heel sterk.
God is immers zo wonderbaarlijk in zijn schepselen aanwezig dat Hij op geen enkele wijze volledig door hen herleid kan worden. Ook is Hij zo vol geheimnissen dat Hij op geen enkele wijze – noch met verstand noch met gevoel – door hen ten einde toe herleid kan worden. Die volheid van geheimenissen is zo volledig dat Hij door geen wetenschap of aanvoelen van zijn schepselen hardnekkig onderzocht dient te worden. Ook is Hij zelfs zo krachtig dat elke kracht van zijn schepselen door Hem aangestuurd wordt, en dus op generlei wijze vergelijkbaar is met de zijne.
2. De wereld is gered door het bloed van Christus,
De verering van de Heilige Drieëenheid is uitdrukkelijk afgekondigd,
maar kan door geen enkel verstand begrepen worden.
Nu over de zinsnede:
De zuil was purperachtigzwart van kleur. Hij stond zó in die hoek opgesteld dat hij zowel binnen als buiten het gebouw goed zichtbaar was. Dat betekent dat de enige Zoon overeenkomstig de wil van de Vader, zijn purperen bloed vergiet voor de zwarte viesheid van de zonden van de mensen. Zo redt Hij de wereld door zijn lijden en heeft Hij het ware en juiste geloof naar zijn getrouwen gebracht. Want bij de ondergang van de oude geloofspraktijk en bij het begin van de eredienst van de nieuwe heiligmakende verering van de Heilige Drievuldigheid is het overduidelijk geworden dat de opperste Vader zijn Zoon in de wereld heeft gezonden nadat Hij door de werking van de Heilige Geest ontvangen was geworden. Hij heeft de eer van de Vader gezocht en niet die van zichzelf. Hij heeft de diepe troost van de Heilige Geest toegankelijk gemaakt, zoals hierboven vermeld werd. En dat heeft Hij zó gedaan dat die nergens verborgen kon blijven zonder dat die niet alleen aan de gelovigen, binnen het werk van God verblijvend, verkondigd zou worden, maar ook aan de ongelovigen die buiten het geloof staan.
En ook: (de zuil) was zó groot dat zowel de omvang alsook de hoogte daarvan je begripsvermogen te boven gaat. Dat betekent dat die Drievuldigheid zo onzegbaar glorierijk en machtig is, dat Zij noch in de grootheid van haar majesteit, noch in de hoogte van haar Godheid, omschreven kan worden door welke grote bewoordingen of omvangrijkheid van menselijke geest dan ook.
De zuil is op wondermooie wijze glad en zonder enige oneffenheid. Want wat buitengewoon bewonderenswaardig is, is het feit dat de zuil zeer nederig in genade is en altijd welwillend. Voor wie aangesneld komen is de gestalte altijd toegankelijk in zoete gerechtigheid. zo wordt er bij haar niets ruws van enige ongerechtigheid gevonden. Zij staat rechtvaardig en goed aan de kant van de verlossing.
3. De onuitsprekelijke Drieëenheid openbaart zich aan ieder schepsel op een heel open regerende en machtige wijze, behalve aan ongelovige harten, waarbij zij toch als een diep snijdend zwaard doordringt.
Nu over het feit:
Wel had hij aan de buitenkant, van de voet tot aan de top, drie staalkleurige vlijmscherpe kanten, zo scherp als een goed gewet zwaard.
Dat betekent dat de onuitsprekelijke Drieëenheid over heel de wereld heel open verschijnt in haar eenheid van het God-zijn, zich verzettend tegen elke duisternis. Tegenover geen enkel van zijn schepselen blijft God in gezag en macht verborgen, met uitzondering tegenover ongelovige harten. Voor hen blijft de Drieëenheid verborgen vanwege hun ongeloof. Omwille van dat ongeloof doodt het oordeel van God hen. Dat gebeurt terecht omdat zij dat verdienen. Het gebeurt zoals het allersterkste staal zonder geluid te maken neerkomt op alles wat zich teweer stelt. Vandaar dat er geschreven staat: van onder tot boven
(cfr.Jer.25,33 van het ene einde der aarde…) vanaf het begin van de schepping tot het einde ervan. En wat er overblijft heeft Hij op machtige wijze en vanuit zijn vlijmscherpe goddelijkheid altijd met een doorklievend zwaard, met wijsheid en kracht doorboord, en dat doet Hij nog altijd.
4. Zij die zich binnen de christelijke gemeenschap van het katholieke geloof te weer stellen in dorheid van ongeloof, worden door God in verwarring gedood.
De kant die op het zuidwesten gericht was, lag vol met veel afgesneden droog stro. Dat lag daar verspreid rond.
Dat duidt op het zeer rechtvaardig God-zijn van de Drieëenheid. Binnen de christelijke gemeenschap verzet Hij zich tegen elke dorheid van menings-verschil, van tegenstrijdigheid en verwerping van het allerzuiverste katholieke geloof. Tot hun zeer grote verwarring doodt en verbrandt Hij de mensen die dat doen. Dat gebeurt als hooi dat platgetrapt en in het vuur verbrand wordt nadat het gescheiden is van de vruchtdragende aar. Daarmee wordt het geloof bedoeld met zijn werken bij het kennen van de Schrift. Alles wat tegen het ware geloof indruist en niet nuttig is, wordt als ongeloof verstrooid en weggedaan. Maar het domme volk, dat onwijs vee, benut het weer.
5. De Godheid verwerpt de grootspraak van het Joodse volk.
Een andere scherpe kant stond op het noordwesten gericht. Daar vielen veel veertjes die zij had afgesneden.
Want die Godheid heeft de verregaande grootspraak van het joodse volk verworpen, toen het in zichzelf met grote hovaardigheid rondvloog en niet in God rechtvaardig wilde zijn maar in zichzelf. Bijvoorbeeld de Farizeeën die probeerden om in de hoogste hemel op te stijgen, vertrouwend op zichzelf en overeenkomstig hun eigen overtuiging.
6. Het duivels schisma van het heidenvolk leidt, afgescheiden van God,
naar het verderf.
En de middelste scherpe kant wijst naar het westen. Die heeft meerdere dorre takken afgesneden. Ook die liggen daar verstrooid in het rond. Want het schandelijk en duivels schisma wordt als rot hout dat lastig en nutteloos is voor het gebruik van de mensen, door de Drieëenheid zelf afgesneden en weggeworpen van de levensvreugde. Het geeft immers méér om de duivelse verzinsels dan om de goddelijke geboden.
Daarom staat er ook: vanwege hun hardnekkigheid zijn zij één voor één door diezelfde scherpe kanten weggesnoeid. Want in alle genoemde gevallen laat de Heilige Drieëenheid toe dat de ongelovigen die ofwel overmoedig met Hem willen breken of die hardnekkig niet in Hem willen geloven, van Hem los gesneden worden en naar het verderf gaan. Op een razende en domme wijze vallen zij de Godheid aan. Zij willen niet buigen voor het geloof dat de Zoon van God zelf heeft aangedragen, en dat ook door zijn leerlingen aan de mensen werd overgedragen, zoals deze vertelling bericht.
7. Een parabel hierover.
Een heer had eens een vuursteen die hij zelf en via zijn bodes aan veel mensen wilde doorgeven als een noodzakelijk iets. Maar die bodes waren niet zo wijs en ook niet erg slim om de woorden van hun heer te begrijpen; zij waren te dom en te onwetend om hun opdracht te volbrengen. Ondertussen komt er een noodweer en hevige storm opzetten met stortregen en wild geraas. De aarde beefde ervan en stenen spleten uiteen (cfr. Mat.27,51). Dat noodweer was zo hevig dat een vat, met daarin een flink aantal kleine kruikjes en dat met de rug naar de hemel gekeerd lag, met heel grote kracht losgerukt werd van de aarde en omgekeerd werd met de opening naar boven.
Door toedoen van die heer kwam er toen een heel hevige steekvlam uit die vuursteen. Die vlam ging met zoveel hitte dwars door de boodschappers heen, dat al hun aderen verhit werden en dat elke angstige aarzeling zo snel van hen afgeschud werd zoals alles wat op een droge huid valt, er ook weer even snel van afvalt. Toen pas herinnerden zij zich alles (cfr,Jo.2,22) wat zij van hun heer gehoord hadden. Zij gingen naar een volk dat geen navel had, en waarvan de stad verwoest was. Aan die mensen gaven zij toen de boodschap van hun heer door. Maar aan sommigen van hen gaven zij ook hun navel terug. Ook gaven zij aan hen hun stad terug nadat zij die hersteld hadden. Aan anderen evenwel gaven zij noch hun navel noch hun stad terug. Integendeel zij slachtten hen af als varkens en sneden hen in stukken.
Zo is die steen over heel de wereld bekend geworden, alle bedrieglijke dingen van de mensen deerlijk treffend en dodend.
Dit is de betekenis van dit verhaal. Die Heer is de almachtige Vader. Zijn eniggeboren Zoon is bij Hem. Hij is de hoeksteen die door de vurige Heilige Geest ontvangen is en uit een volkomen ongerepte Maagd is geboren. Hij is de witste en mooiste bloem die bestaat in de blanke schoonheid van totale heiligheid. Want naar zijn godheid was de Zoon van God al bij de Vader samen met de Vertrooster nog vóór de tijd (cfr. Eccli.1,1 oftewel de Wijsheid van Jezus Sirach) dat er ook maar iets bestond. Daarna is Hij op een gunstig moment door de Vader gezonden, ontvangen door de Heilige Geest. Zoals voorzegd was, is Hij waarachtig mens geworden uit een Maagd, om aan de gelovende mensen de blanke schoonheid van het leven te brengen.
En nadat de Zoon mens geworden was, heeft de hemelse Vader welwillend al het noodzakelijke door Hem en door zijn leerlingen verkondigd, het heil namelijk en de verlossing van de mensen die in Hem geloofd hebben. Maar zolang de Zoon lijfelijk op aarde bij zijn leerlingen vertoefde, waren zij te dom en te traag (cfr. Lc.24,25) om zijn woorden waakzaam in hun geest op te nemen en in daden om te zetten. Zij vingen zijn woorden als het ware nog op in een roes van eenvoud, nog niet gesterkt, maar nog angstig en bang als gewone mensen.
Ondertussen brak de tijd van de waanzinnige harten aan. De Joden veroorzaakten heibel. Zij zochten om hevige verdeeldheid tegen de Zoon van God te zaaien met de bedoeling om Hem tijdens die onrust te kunnen doden. En toen zij al hun boosaardigheid voltrokken zoals zij dat gewenst hadden, toen is in dit onverwacht en geweldig gedonder zo’n groot bloedbad aangericht als nooit eerder geweest is en ook later nooit meer zal plaatsvinden. De aarde werd er hevig door geraakt, dat wil zeggen dat de aardsgerichte geest van de mensen erdoor geschokt werd en die van heel de schepping. De stenen Wet van de Joden brak in stukken door hun misdadige handelwijze.
Toendertijd lag de eerste mens met heel zijn nageslacht, inclusief heel de rest van de schepping, begraven in de dood. Heel zijn aandacht stond gericht op aardse zaken. Met zijn rug naar de hemel gekeerd, wilde hij niet opzien naar God. Evenwel is hij toen door de grote kracht van de Zoon van God weggerukt uit het land van de dood waarin hij met zijn kinderen lag te slapen. Met heel zijn hart verzuchtte hij, en bij volle bewustzijn heeft hij zich als in de baarmoederhals naar het hemels vaderland gekeerd, want hij had vernomen dat Christus, de Zoon van God, omwille van hem was gedood.
Maar nadat de Zoon van God naar de hemel was opgestegen, is de Heilige Geest gekomen van bij de Vader en door de Zoon, zoals de Zoon zelf had beloofd. Want heel de aarde vloeide over van hemelse zoetheid omdat het hemelse brood in de wereld had vertoefd. Ongelovigen hadden daar geen aandacht aan geschonken als was het een gerucht van voorbijgaande aard.
Gelovigen daarentegen hadden het met alle toewijding opgevangen. Omdat dus het ware Woord mens geworden was, is de Heilige Geest verschenen, zichtbaar in vurige tongen. Door toedoen van de Heilige Geest is de Zoon ontvangen en Deze brengt de wereld tot de waarheid. En toen ook de apostelen door de Zoon onderricht waren, heeft de Heilige Geest hen zo met zijn warmte overstroomd dat zij met ziel en lichaam in verschillende talen konden spreken. Want in hen overheerste de ziel het lichaam. Doordat zij zo riepen kwam heel de aardbol door hun woorden in beweging.
Ook nam de Heilige Geest het menselijk opzicht bij hen weg, zodat zij absoluut geen angst hadden voor de woede van de mensen waardoor zij het woord van God niet zouden verkondigen. Maar zo’n vrees werd met zoveel gloed en haast van hen weggenomen, dat zij veeleer gesterkt en helemaal niet week waren. Tegenover iedere weerstand die hen zou kunnen overkomen, waren zij als dood.
Vandaar ook dat zij zich met prompte zin alles herinnerden (cfr.Jo.2,22) wat zij voordien traag gelovend van Christus gehoord en aangenomen hadden. Het kwam weer in hun geheugen terug alsof zij het op dat moment van Hem vernamen.
En zij gingen op pad, reizend temidden van ongelovige volken die geen navel hadden. Dat wil zeggen dat ze niet het merkteken hadden omdat ze geen weet hadden van de heilige onschuld en de rechtschapenheid. Hun stad was door hun ontrouw verwoest, dat wil zeggen de hulpmiddelen van de Wet van God. De geloofsverkondigers brachten hun de woorden van het heil en van het ware geloof in Christus. Zo hebben zij velen uit de grote menigte tot kennis van God gebracht door hen terug te leiden naar de navel, oftewel naar de bron van het doopsel. Daarin ontvingen zij opnieuw de heiligheid die door hun hoogmoedige en trotse overtreding verloren was geraakt. Zij hebben ook de heilige stad van Gods geboden opgericht door die opnieuw voor hen op te bouwen. De duivelse belager had hen daarvan verdreven in de persoon van Adam. Maar de geloofsverkondigers hebben hun die stad teruggeven voor hun heil.
Maar aan de mensen die het geloof van het doopsel en de bepantsering van Gods gebod (=het sacrament van het vormsel) niet wilden ontvangen vanwege hun ongeloof, aan hen zijn zij voorbijgegaan met de boodschap die vervat lag in de tekenen. Om hun verharding en ongeloof hebben zij hen overgeleverd aan de dood. Deze mensen wentelen zich in hun misdrijven en hun smerige lichamelijke bezoedelingen en in de verlokkingen van hoererijen en overspel, zoals varkens die zich wentelen in hun eigen mest. Zij hebben zich niet tot het ware geloof willen bekeren. Daarom zijn zij van het leven afgesneden en verwijderd.
Zo is de Zoon van God via veel verbazingwekkende tekenen over heel de aardbol bekend gemaakt. Op onuitsprekelijke wijze is Hij naar zijn godheid vóór alle tijden uit de Vader voortgekomen. Vervolgens heeft Hij in de tijd op wonderbare wijze een vleselijk lichaam aangenomen uit een Maagd. Dat is zo indrukwekkend dat de harten van allen die het horen, heel erg met angst en beven geschokt en verslagen zijn. De ijdele en verkeerde handelingen die zij in hun wellust hebben bedreven, zijn met hun verachting van de dood tot nietswaardig herleid geworden. Evenwel door het Woord van God dat getuigenis aflegt van de Heilige Drieëenheid en van het levendmakende heil terug naar het leven gebracht, zoals Johannes met zijn vermanende woorden aangeeft waar hij zegt…..
8. Woorden van Johannes hierover.
De Geest getuigt er van dat Christus de waarheid is. Want er zijn drie getuigen, de Geest, het water en het bloed, en deze drie zijn één. En Zij zijn met hun drieën die getuigenis afleggen in de hemel: de Vader, de Zoon en de Geest. En die drie zijn één.
( N.B. Hildegard citeert deze bijbelplaats volgens een eigen interpretatie Cfr.1Jo.5,6-8.)
Dat betekent het volgende:
De geest van de mens is geestelijk. Dat wil zeggen dat die geest niet voortkomt uit het bloed en ook niet geboren wordt uit het vlees, maar dat die ontspruit aan Gods geheimenis. Die is voor de mens onzichtbaar omdat de mens aan verandering onderhevig is. Daarom is het getuigenis van de menselijke geest gericht op Gods Zoon. De glorie van Gods Zoon is wonderlijk in de mystieke sfeer die door geen mens volmaakt begrepen kan worden. Neem bij voorbeeld hoe de eniggeboren Zoon van God door de Heilige Geest ontvangen is geworden om op deze aarde te komen. Zo kan ook geen mens ten volle begrijpen hoe de ziel in het lichaam en het bloed van een mens kan komen zodat die één levend wezen wordt.
Zo is het ook met de geest van de mens gesteld. Daarin ligt beslist de grond voor de kennis die hem door God is verleend. Met die kennis kan hij overal in doordringen wat hem maar door God vergund is geworden. Want het leven is niet verkeerd of bedrieglijk maar juist heel correct. Zo is ook Christus de volmaakte waarheid waarin het leven is verrezen en het licht van het heil is opgelicht. Daardoor is de dood gedood, want die is een grote leugen.
En die drie elementen (n.l. geest, water en bloed) geven op aarde een duidelijk getuigenis van de Heilige Drievuldigheid, zodat zij vandaag de dag het geneesmiddel van het levendmakend heil laten zien en meedelen. Daarmee kunnen wij tot de hemelse zaken geraken die voor altijd blijvend zullen zijn. Zij zijn echter nu nog niet voor handen in het sterfelijk vlees, maar worden wel hoopvol verwacht.
Van Mij uit draagt de menselijke geest het getuigenis in zich dat hij nog niet in het volle leven van de verrijzenis verkeert. Dat gebeurt pas wanneer hij door Mijn toedoen herrijst via het water van de wedergeboorte. Hem ontbreekt immers het licht dat in Mij aanwezig is. Hij is uit het geluk verdreven toen hij ontvangen werd door de bezoedelde daad van de verwekking die voortwoekert in het bloed.
Het water heeft ook de eigenschap dat het elke onreinheid schoon wast. Zo staat het water dan ook voor het feit dat het het dood brengende bederf van de dood doet verdwijnen door haar allerzuiverste afwassing. Hier wordt het water eerder met de geest verbonden dan met het bloed. Immers zoals de geest geestelijk is, zo draagt water ook geestelijke heiliging aan. Het water bevindt zich in het midden tussen de geest en het bloed, want door geestelijke omvorming verwerft het kracht en brengt het leven voort.
Ook het bloed getuigt van het feit dat het zijn vergiftigde loop ombuigt naar het huis van heiligheid door het water van de verlossing. Dat is een geneeskrachtige eigenschap die begonnen is in mijn Zoon, en die in Hem tot leven strekt. Want bloed heeft het erg in zich om schuldige misdaden te bevatten en ook hevige onrust over ongerechtigheid vanwege het feit dat het op zoete dwaalwegen voort snelt. Die zoetheid staat in dienst van gloeiende hartstocht, en verstikt de onschuld met afschuwwekkende ondeugden. Dat begint te groeien door de lust om mee te eten op aanraden van de belager, de duivel. (Verwijzing naar Ge.3,6)
En deze drie elementen – geest, water en bloed – vormen samen één geheel. Want de geest is geen levende mens als hij geen bloed in zijn lichaam heeft. Evenmin is de mens een levend wezen, zelfs met de materie van het bloed in zijn lichaam, als hij geen ziel heeft. En zelfs deze twee elementen doen de mens niet herleven in de genade van het Nieuwe Testament. Dat gebeurt alleen via het water van de wedergeboorte. En zo vormen deze drie elementen één geheel ten bate van de verlossing. Ze blijven onvolledig voor het heil zolang de elementen niet aangevuld worden door het heilzame water (van de doop).
Want de uitzonderlijke eer van het leven ontbreekt aan het redenerend verstand.
De verloste mens zal daarbij altijd de volmaakte lofprijzing moeten laten meeklinken naar God toe, want Die heeft hem zijn redelijk verstand gegeven.
God heeft de mens immers uit eigen wil geschapen tot de eer die in het lichaam van zijn Zoon zijn volheid bereikt in het eeuwige leven, terwijl de verloren mens herleeft tot eer van het leven, verlost in God door heilzame genade.
En de geest die weliswaar voor de lichamelijke menselijke ogen onzichtbaar is, wijst naar de Vader die voor heel de schepping onschatbaar is.
En het water dat afwassing van ongerechtigheid bewerkt, verwijst naar het Woord. Dat is de Zoon die door zijn lijden de smetten van de zonden van de mensen afwast.
En het bloed dat de mens omhelst en verwarmt, verwijst naar de Heilige Geest die bij de mensen heel heldere deugden opwekt en ontsteekt.
Zo zijn deze drie, te weten Geest, water en bloed, één, en in hun eenheid drie.
En zoals gezegd zijn zij één in de verlossing, en doen zij zich kennen als Drievuldigheid in eenheid, en als één in Drievuldigheid. Hoe dan wel?
De heilige en hemelse Drievuldigheid legt een hemels getuigenis af. Het komt dus niet van iemand anders, maar vertoont zich duidelijk vanuit zichzelf. Hoe dan?
Van de Vader wordt getuigd dat Hij zijn unieke vruchtbare Woord van alle eeuwigheid voortbrengt, en dat Hij door Hem alles geschapen heeft. Vervolgens dat Hij Hem op het voorbestemde tijdstip zeer glorievol heeft doen opbloeien in een Maagd.
Van het Woord wordt getuigd dat Hij van de Vader is uitgegaan, zich heeft neergebogen naar de menselijke natuur, en vlees geworden is in de bescheidenheid van een Maagd. Hij is dus op geestelijke wijze uitgegaan vanuit de Vader, en is ook weer naar de Vader teruggekeerd in de vruchtbaarheid van het vleselijk bestaan.
Dit is ergens in het midden te situeren. Hij is immers onzichtbaar vóór alle tijden uit de Vader voortgekomen, en in de tijd is Hij door de Heilige Geest in de schoot van een Maagd lichamelijk ontvangen.
Van de Heilige Geest wordt getuigd dat Hij de ongereptheid van de Maagd in vlam gezet heeft, zodat zij het Woord van God kon ontvangen. De Heilige Geest heeft ook de leer over het Woord van God in vurige tongen bevestigd (cfr.Aa.2,3) toen Hij de Apostelen zozeer overstroomde dat zij over heel de wereld de ware Drievuldigheid zouden verkondigen. Hoe dan?
Luidkeels hebben zij verkondigd dat God de Vader dit heeft volbracht, en dat Hij de mens geschapen heeft voor het hoogste geluk waarvan de mens beroofd is geworden. Want de mens, gevormd uit leem van de aarde en rechtop geplaatst, was door eigen wil weer naar beneden teruggekeerd naar de aarde. Genadevol is hij nu weer opnieuw door de mensgeworden Zoon van God overeind gezet, en door de Heilige Geest verlicht en versterkt (=het vormsel) opdat hij niet in het verderf ten onder zou gaan. Hij is teruggeplaatst in het eeuwige licht opdat hij gered zou worden door verlossing.
9. Over het onderscheid en de eenheid van de drie Personen.
Zo wordt van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest getuigd dat er totaal geen verschil is in macht, ofschoon Zij als persoon onderscheiden zijn. Zij werken samen in de eenheid van hun enkelvoudige en onveranderlijke wezen. Hoe dan?
De Vader schept namelijk alles door het Woord – dat is door de Zoon – in eenheid met de Heilige Geest. De Zoon is degene door wie alles tot stand komt in de Vader en de Heilige Geest. De Heilige Geest is degene door wie alles in de Vader en de Zoon zijn groene groeikracht krijgt. En deze drie Personen bestaan zozeer in de eenheid van hun onafscheidelijk samengaan, dat Zij niet in elkaar verdwijnen. Hoe zit dat? Degene die voortbrengt is de Vader, en die geboren wordt is de Zoon, en die van de Vader en de Zoon uitgaat in zeer gloedvolle groene groeikracht, en die in de gedaante van een onschuldige vogel boven de wateren verschijnt en die wateren heeft geheiligd (cfr. Gen.1,2) en die de apostelen heeft geheiligd met vurige gloed (cfr.Hand.2,3), dat is de Heilige Geest.
De Vader had de Zoon al van vóór de tijd van de eeuwen, en de Zoon was al bij de Vader, samen met de Heilige Geest, die al van alle eeuwen met de Vader en de Zoon eeuwig is in de eenheid van het God-zijn.
Vandaar dat men bedenken moet dat, wanneer er van deze Drie er twee of één zoud ontbreken, God niet volledig zou zijn. Hoe dan? Omdat Zij samen een eenheid van God-zijn vormen. Want als er één van Hen zou ontbreken, zou God niet volledig zijn. Waarom is dat zo? Omdat Zij samen de eenheid van het God-zijn vormen, met als gevolg dat, wanneer er éen van Hen zou ontbreken, er geen God zou zijn. Want, ofschoon die Personen onderscheiden worden, vormen Zij toch samen één enkel, volledig en ondeelbaar wezen van onschatbare schoonheid, steeds bestaand in één ondeelbare eenheid. Hoe is dat?
10. Over de drie gelijkenissen in de Drieëenheid.
Op het drievoudig toppunt van bedrijvigheid gaan kracht, wil en warme gedrevenheid gloedvol samen. Hoe dan wel?
In de kracht zit de wil, en in de wil de warme gedrevenheid. Zij gaan steevast samen zoals de adem van de mens aanwezig is bij het uitademen. Hoe zit dat?
Bij die ademhaling van de mens zit in die ademtocht, in één en dezelfde uitademing, zowel vochtigheid als warmte. Dat is ook het geval bij het functioneren van je oog. Hoe dan wel? De ronding van je oog heeft twee dingen in zich die licht doorlaten, maar heeft toch maar één oogholte. Daarmee wordt alles geregeld wat daartoe bestemd is. Luister en begrijp, mens!
Zo zijn er drie Personen in het ene onveranderlijke bestaan van het Goddelijk Wezen. In de Vader is de Zoon, in Hen beiden is de Heilige Geest, en ze zijn één, onderling onafscheidelijk samenwerkend. De Vader doet immers niets zonder de Zoon, en de Zoon niets zonder de Heilige Geest, en de Heilige Geest niets zonder Hen, en de Vader en de Zoon doen niets zonder de Heilige Geest, want Zij vormen een ondeelbare eenheid. Zo is God in drie Personen zonder begin en van vóór de tijd, nog vóór het ontstaan van de wereld, toen de aanname van een lichaam door de Zoon nog niet had plaatsgevonden, tot aan de voorbeschikte tijd toen de voltooiing van die tijd plaatsvond en God zijn Zoon gezonden heeft (Cfr. Gal.4,4). Maar ook bij de menswording van de Zoon was God in drie Personen aanwezig. Hij wil dan ook in de drie Personen aangeroepen worden. Want dezelfde maagdelijke bloem heeft gebloeid in de ongereptheid van de maagdelijkheid. Ook toen is er geen extra persoon aan de onuitsprekelijke Drieëenheid toegevoegd, maar heeft alleen de Zoon van God zelf het vlees aangenomen zonder geschonden te worden.
Vandaar dat deze drie personen één God zijn in hun goddelijkheid. En wie dat zo niet gelooft, wordt van het Rijk van God afgesneden, omdat hij scheuring brengt in de onschendbare grootheid van het Goddelijk Wezen, en ook van zichzelf in het geloof, zoals dat beschreven staat.
11. Woorden van het boek Koningen hierover.
Op de derde dag verscheen iemand, komend van het kamp van Saul, met gescheurde kleren en met as op zijn hoofd (2 Sam.1,2).
Dat slaat op het volgende.
Op de dag dat het katholieke geloof zijn oorsprong vond in het openbaar worden van de Heilige Drievuldigheid, vervielen de mensen in grote verdeeldheid. Zij kwamen vanuit het dood brengende kamp van mensen die op perverse wijze op zoek zijn naar iets dat voor de mens onmogelijk is om te weten. Gebukt onder veel duivelachtig geredeneer doen zij het voorkomen alsof zij zo hoog opklimmen dat zij méér dan hun gegeven is, kunnen en willen weten over het onbegrijpelijke wezen van God. Omdat zij tegen God ingaan, worden zij losgescheurd van het kleed van heil en gerechtigheid. Zij rotten weg door de gespletenheid van de verwarring in hun hoofd ten aanzien van het geloof. Zij hebben geen volledig geloof. De unieke eer van God splitsen zij op in veel sekten. Zij doen afbreuk aan hun eigen hogere eer in een of ander bespottelijk schisma. Zij zullen allen door God veroordeeld worden. Dat wordt in wat volgt, aldus samengevat. (2 Sam.1,13-16):
David sprak tot de jongeman die hem de boodschap (van de dood van Saul) gebracht had: “Waar kom je vandaan?” Deze antwoordde: “Ik ben de zoon van een Amalekiet die hier als vreemdeling verbleef”. En David sprak tot hem: ”Hoe heb je het gewaagd om de hand te slaan aan de gezalfde van God en hem te vermoorden?” Toen riep David een van zijn dienaren en zei: “Kom hier en steek die man neer”. Die heeft hem toen neergestoken en de man stierf. David zei nog tegen hem: “Jouw bloed komt op je eigen hoofd neer. Jouw mond heeft je eigen vonnis geveld door te zeggen: “Ik heb de gezalfde vaan de Heer gedood”.
Dat betekent het volgende:
De Zegevierende, die door geen enkel schepsel te begrijpen valt, spreekt de kinderlijke onwetendheid van de mens toe. Hij spreekt tot het kinderlijke dat zichzelf hoog prijst. Zo’n mens wil dingen weten die niet te bevatten zijn. In zijn domheid probeert hij met grootspraak bij God binnen te dringen door Hem overmoedig toe te spreken: “Ik ken U goed, Heer!” Daarom spreekt Hij hem toe en zegt: “Waar kom jij eigenlijk vandaan, jij die ergens een begin hebt gehad, dat je alles wilt kennen en weten over wat geen begin heeft?” En de stompzinnigheid die bij zo’n mens opgekomen is, een mens die wél een begin kent, antwoordt als vanuit zijn onderbewustzijn: “Ik ben een mensenkind, een zwerver, komend van deze vervloekte aarde (cfr. Gen.3,17) . De eerste mens die ten val gekomen is door te eten van een appel, is op weg gegaan naar dit ballingsoord. En daar stam ik van af”.
Dan zegt God tegen hem: “Omdat je iemand bent van deze vervloekte aarde, en als balling uit je vaderland verdreven, waarom ben je er dan niet voor teruggedeinsd om zo zelfingenomen aan de weet te komen wat je niet behoort te weten. Wat je doen moet, laat je na, zodat het waardeloos is voor het licht van hoop. Het lijkt op het kwaad van doodslag. Want wie overmoedig probeert te achterhalen wie of wat God was vóór de schepping van de wereld, of wat God gaat doen na de laatste dag, die is voorgoed verwijderd van deelname aan de zalige gemeenschap. Wie al bezwaard is met een dodelijk begin van zonde, komt het niet toe zoiets te weten. Hij zal op ellendige wijze verstoken blijven van het gelukzalig heil van de juiste kennis, omdat hij hardnekkig was om aan de weet te komen wat hij niet had moeten onderzoeken.
Daarom, als jij overmoedig en ruwweg dingen doet zoals een doodslag, dan vermoord je in jezelf het zalig begrijpen van de koninklijke profetie. Je ziel zou immers voor zichzelf zuivere kennis moeten zien te verwerven, gelovig namelijk, in de eenvoud die past bij het geloven in God.
In de ijver van zijn allerzuiverste gerechtigheid die geen enkele smet van ongerechtigheid bevat, roept Hij de mens in de meest correcte eenheid van het oordeel aller oordelen, en spreekt aldus: “Kom snel en neem hem de juiste kennis die hij gehad heeft, van hem af, zodat hij in zijn gemoed geen enkele vreugde ondervindt, want hij heeft in zijn hart geen enkele rustplaats voor Mij bereid”.
En zo slaat het onheil van Gods ijver hem neer. Niet de minste twinkeling blijft nog in zijn oog aanwezig om iets te zien, om God te kennen. Daarom sterft ook in hem de gerechtigheid van de leven makende troost, want hij is niet in staat om zichzelf in toom te houden. Dan zal God tegen hem zeggen: “Jouw bloedige ongerechtigheid waarmee jij je tot de hemelse dingen verheft die je niet kunt aanschouwen, moge over jouw geest komen. Jij hebt die geest onterecht tegen Mij in opstand gebracht. Dat kwaad zal jou vertrappen op de naargeestige plek waar je niet in staat bent om op te staan tot de juiste mate van het voorgestelde geloof. Jij hebt niet in het rechte spoor willen treden, maar uit vrije keuze heb je gekozen voor een grote afscheiding. Jouw mond zal verstoken blijven van woorden van wijsheid, want die heeft gesproken tegen jouw heil toen je op onterechte wijze het onbegrijpelijke geheim van het goddelijk Wezen hebt nageplozen. Overmoedig wilde je dingen weten die niet gekend kunnen worden, terwijl je koppig bij jezelf zei: “Wie en wat God is, weet ik best!” Door die overmoed dood je jouw innerlijk heil. Je hebt immers niet in God willen geloven, maar je hebt je trots tegenover Hem opgesteld.
Wie evenwel scherpe oren aan zijn innerlijk begripsvermogen heeft, moet uit vurige liefde voor mijn spiegelbeeld smachten naar mijn woorden en ze opschrijven in het begripsvermogen van zijn ziel.