Scivias deel 2

TWEEDE DEEL


Scivias 2.1

HET EERSTE VISIOEN

HOOFDSTUKKEN VAN HET EERSTE VISIOEN VAN HET TWEEDE DEEL

  1. Over de almacht van God.
  2. Woorden van Job hierover.
  3. Waarom het Woord (van God), vóór en na het aannemen van het mens zijn, onverdeeld en eeuwig bij de Vader is.
  4. Waarom de Zoon van God Woord genoemd wordt.
  5. Over het feit dat door toedoen van het Woord van God ieder schepsel is ontstaan en de mens door de verlossing tot nieuw leven is gewekt.
  6. Over het feit dat de onbegrijpelijke macht van God de wereld gemaakt heeft en de verscheidenheid aan soorten te voorschijn geroepen heeft.
  7. Over het feit dat na de schepping van de andere schepselen, de mens geschapen is uit leem van de aarde.
  8. Over het feit dat Adam, nadat hij eerst het zoete gebod om overduidelijk gehoorzaam te zijn aanvaard had, toch op aanraden van de duivel ongehoorzaam geworden is.
  9. Over het feit dat Abraham, Izaak en Jakob en de andere profeten de duisternis van de wereld door hun tekenen teruggedrongen hebben.
  10. Over het feit dat de belangrijkste profeet Johannes, uitblinkend door zijn wonderdaden, de Zoon van God heeft aangewezen.
  11. Over het feit dat door de menswording van het Woord van God het grote en aloude raadsbesluit zichtbaar geworden is.
  12. Over het feit dat de mens de geheimen van God niet verder moet napluizen dan God zelf aan hem wil openbaren.
  13. Over het feit dat de Zoon van God in de wereld gekomen, door zijn dood de duivel heeft overwonnen en zijn uitverkorenen naar hun erfdeel heeft teruggeleid.
  14. Woorden van Hosea hierover.
  15. Over het feit dat het lichaam van Gods Zoon na drie dagen in het graf gelegen te hebben, is verrezen, en dat aan de mens de weg van de waarheid getoond is om van dood naar leven over te gaan.
  16. Over het feit dat de Zoon van God, na uit de dood te zijn verrezen, meerdere malen aan de leerlingen is verschenen om hen te bemoedigen.
  17. Over het feit dat, toen Jezus naar zijn Vader opsteeg, zijn bruid gegrondvest is geworden met allerlei pracht en praal.

HET EERSTE VISIOEN VAN HET TWEEDE DEEL

En ik, mens (= Hildegard), ben niet vurig zoals krachtige leeuwen dat zijn. Ook ben ik niet behept met hun uitstraling. Ik verwijl eerder in de zwakheid van een kwetsbare rib (cfr. Eva die gevormd is uit een rib van Adam – Gen.2,21-22), zij het ook vervuld met een mystieke ademtocht.

Ik zag als het ware een heel helder vuur, onbegrijpelijk en onblusbaar, heel levendig: het was één en al leven. Het had een vlam in zich met de kleur van de lucht. Door een zuchtje wind flakkerde die vlam vuriger op. Zij was in het oplichtende vuur aanwezig zoals de ingewanden in een mens.

En ik zag hoe die vlam oplichtend wit van kleur werd. En zie, plotseling kwam er een donkere lucht opzetten, rollend en heel geweldig. De vlam stootte er meerdere keren tegen aan waardoor er telkens vonken uitspatten, totdat die lucht voltooid was en hemel en aarde in hun volledige gedaante liet zien. Daarna reikte de vlam, in vuur en warme gloed, uit naar een armzalige klomp klei die daar op de bodem van die lucht lag. Zij verwarmde de klomp klei zodat die vlees en bloed werd. Toen blies hij hem adem in zodat er een levende mens overeind kwam. Vervolgens gaf dat lichtend vuur door middel van die vlam met een lichte aanblazing maar toch vurig brandend, aan die mens een zeer blanke bloem die neerhing in diezelfde vlam zoals dauw hangt aan het gras. De geur van die bloem heeft de mens wel waargenomen, maar de smaak ervan met zijn mond niet geproefd, en ook heeft hij haar niet met zijn handen aangeraakt. Hij heeft zich klaarblijkelijk afgewend en is in een zeer diepe duisternis terecht gekomen waaruit hij niet meer kon opstaan. Die duisternis in de lucht breidde zich steeds dichter en intenser uit. Toen verschenen er in die duisternis drie grote sterren die onderling met hun straling verbonden waren. Daarna nog veel andere, kleine zowel als grote, schitterend in hun zeer grote pracht. Vervolgens verscheen er een zeer grote ster met een verbazingwekkende helderheid. Die straalde zijn glans uit naar de al eerder genoemde vlam. Maar ook op aarde verscheen een stralende gloed als een dageraad. Daarin was dezelfde vlam op uitzonderlijke wijze aanwezig, maar niet los van het vuur waarvan hierboven sprake was.

En zo is in voornoemde gloed van de dageraad een zeer bereidwillige wil aangestoken geworden.

Toen ik de opkomst van die wil nauwkeuriger wilde nagaan, werd mij in datzelfde visioen een stilzwijgend halt toe geroepen. Ik hoorde een stem uit de hoogte die tot mij sprak: “Van dat geheim kun je verder niets ontwaren, tenzij het je gegeven wordt ter wille van het wonder om te geloven”.

En ik zag hoe een zeer serene mens te voorschijn trad uit de zo even genoemde dageraad. Die mens stortte zijn licht uit over de vermelde duisternis. Maar toen hij door de duisternis werd teruggekaatst, werd hij bloedrood en lijkbleek en dreef hij de duisternis met grote kracht terug. De mens die in die duisternis neerlag, werd door hem aangeraakt. Hij begon helder te stralen, kwam overeind en ging weg uit de duisternis. Diezelfde serene mens die uit de genoemde dageraad te voorschijn gekomen was, is in zo’n grote helderheid verschenen, dat menselijke taal tekort schiet om dat te beschrijven. Hij is vertrokken naar de uiterste hoogte van onnoemelijke glorie, waar hij nu straalt in de volheid van zijn vruchtbaar leven en vertoeft in een wonderbaarlijke geur.

En vanuit voornoemd levend vuur hoorde ik een stem die tot mij sprak:
“O jij, miserabel stukje aarde, en als vrouw niet onderwezen in welke geleerdheid van menselijk onderricht dan ook, zoals het lezen van geschriften met het inzicht van filosofen. Jij bent enkel geraakt door mijn licht dat jou van binnen raakt als een brand die heet is als de zon. Roep, spreek en schrijf deze geheimenissen van Mij die je ziet en hoort in een mysterieus visioen. Ik wil niet dat je bedeesd bent, maar dat je uitspreekt wat je in je geest begrijpt. Want Ik zeg die dingen via jou, omdat zíj te bang zijn om aan mijn volk de rechte weg te tonen. Vanwege hun losbandige gewoontes weigeren zij openlijk de rechte weg te verkondigen die zij kennen. Zij willen hun slechte gewoontes niet loslaten. Die kleven hen zo aan dat zij er meesters in geworden zijn. Zij doen hen vluchten voor het aanschijn van de Heer. Zij schamen er zich voor om de waarheid te spreken. Dus, mijn kleintje, innerlijk ben je onderwezen door een mystieke ademtocht, ofschoon je door het mannelijk deel van de mensheid vertrapt wordt wegens de misstap van Eva. Maar toch, spreek vurig met een zekere en vastberaden overtuigingskracht over dat wat jou geopenbaard wordt. De levende God die alles door zijn Woord geschapen heeft, heeft ook door Hem via zijn menswording de geschapen mens teruggevoerd naar het trouwe heil, omdat deze zich in duisternis gedompeld had.

Wat betekent dit alles?

1. Over de almacht van God.

Dat heel heldere vuur dat je ziet, verwijst naar de almachtige en levende God. In zijn uitermate heldere klaarheid is Hij nooit door enige ongerechtigheid aangetast. Hij blijft onbegrijpelijk, want geen enkele verdeeldheid kan Hem opdelen. Hij kent begin noch einde, en geen enkel sprankje kennis van zijn schepsel is in staat te begrijpen hoe Hij is. Hij is niet weg te vagen, want Hij is de volheid die nooit door eindigheid is aangeraakt. Absoluut niets blijft voor Hem verborgen zodat Hij het niet zou weten. Hij is zelf één en al leven, want alles wat leeft, ontvangt het leven van Hem.
Door Mij geïnspireerd spreekt Job als volgt hierover…

2. Woorden van Job hierover.

Wie weet niet dat dit alles door Gods hand gemaakt is? Ieder levend wezen is in de hand van God, en elke geest van een vleselijke mens eveneens (Job 12, 9-10).

Wat betekent dit? Geen enkel schepsel is zo afgestompt in zichzelf dat het de onderlinge betrokkenheid van alles niet zou herkennen in de dingen waarin het vruchtbaar bestaat. Hoe zo?

Het hemelgewelf is vol licht, het licht zit in de lucht, de lucht heeft het gevogelte, en de aarde voedt de groene groeikracht (Dit is een typische, eigen term van Hildegard om vruchtbaarheid aan te duiden), de groene groeikracht brengt vruchten voort, de vruchten zijn er voor de levende wezens. Dat alles duidt er op dat het door een zeer krachtige hand tot stand is gebracht, in feite door de allergrootste macht van de Beheerder van alle dingen. Vanuit de kracht van zijn vermogen heeft Hij het zo gemaakt dat niets aan hun functioneren ontbreekt. Alles wat leeft, komt in beweging door de almacht van die Maker. Dat betreft ook de wezens die de aarde zoeken ten bate van aardse dingen zoals het vee; zij hebben geen verstand van Gods ingevingen. Maar het betreft ook de opwekking van hen die in menselijk vlees gehuld zijn. In hen is verstand aanwezig, onderscheidingsvermogen en wijsheid.

Hoe zit dat?

Onze geest dwaalt rond in aardse zaken en vermoeit zich met veel wisselvalligheden naar gelang onze vleselijke verlangens het eisen. Onze geest oriënteert zich evenwel in twee richtingen. Ofwel hij verzucht, verlangt en streeft reikhalzend naar God, ofwel hij is dwangmatig op zoek naar bezit of macht of een keuze in verscheidene zaken. Hij heeft immers in alle redelijkheid onderscheidingsvermogen. Vandaar ook dat hij zowel iets hemels als iets aards in zich heeft.

Hoe dat?

De mens leeft in een cirkel. Daar is doorzicht aanwezig, ademtocht en redelijkheid. Het is zoals we aan de hemel dingen kunnen zien die licht geven, lucht en gevogelte. Daar is ook ruimte voor vochtigheid, kiemkracht en geboorte, en op aarde is groene groeikracht aanwezig, vruchtdragend gewas en levende wezens. Wat betekent dit?

O mens, jij bent totaal schepsel, en jij zou je Schepper vergeten? Jij bent totaal aan Hem onderworpen, zoals Hij heeft vastgesteld, en jij zou zijn geboden overtreden?

3. Waarom het Woord (van God), vóór en na het aannemen van het mens zijn, onverdeeld en eeuwig bij de Vader is.

Maar je ziet dat het vuur een vlam in zich bevat met de kleur van de lucht. Door een zuchtje wind flakkert die vlam vuriger op. Zij is in het oplichtende vuur aanwezig zoals het innerlijk leven (de ingewanden*) in een mens.

Dat betekent, dat nog vóórdat de schepping had plaats gevonden, het Woord al oneindig bij de Vader aanwezig was. Dit Woord moest na verloop van de voortijlende eeuwen mens worden in de gloed van de liefde zonder smet en zondenlast. Dat vond plaats in de dageraad van de zalige Maagd door de “groene groeikracht” van de zachtaardige Heilige Geest. Dat gebeurde evenwel zó dat Hij onlosmakelijk in de Vader zou blijven, zoals Hij ook vóór de aanname van het vleselijk bestaan onafscheidelijk met de Vader verenigd was. Want het enige Woord van God moet evenmin los van de Vader gezien worden, als dat de mens zonder de leven gevende werking van een moederschoot*) bestaat.

(*Hildegard gebruikt hier de term viscera.= ingewanden. Deze term komen we vaker tegen in het bijbels spraakgebruik om aan te duiden dat men iemand (eventueel opnieuw) liefdevol een plek geeft in zijn eigen bestaan. Iemand een plaats geven in je hart, iemand opnemen en toelaten in je diepste eigenheid . Vaak vertaald met: barmhartig zijn, medelijden hebben enz. Zie bv. Jer.31,20, Lukas 1,78 enz. We kennen de uitdrukking: door het doopsel worden we opgenomen in de schoot van de Kerk. Daar komen we pas echt tot leven. Jezus is in de schoot van de Vader.)

4. Waarom de Zoon van God Woord genoemd wordt.

En waarom wordt Hij het Woord genoemd?

Het plaats- en tijdgebonden woord dat bij een stoffelijke mens van voorbijgaande aard is, wordt toch als een bevel van een gezagsdrager opgevat door mensen die begrijpen en inzien welke reden er ten grondslag ligt aan het bevel van de gezagsdrager.

Zo ook is het niet aan plaats- en tijdgebonden Woord niet van voorbijgaande aard omdat het door zijn onuitblusbaar leven in eeuwigheid niet voorbij gaat.

De kracht van de Vader wordt waarachtig gekend door de verschillende schepselen die Hem aanvoelen en begrijpen vanaf de oorsprong toen zij geschapen werden.

Zoals door een gezagvol woord de macht en de eer van een mens gekend wordt, zo wordt de heiligheid en de schoonheid van de Vader weergegeven door het volledige Woord van God.

5. Over het feit dat door toedoen van het Woord van God ieder schepsel is ontstaan en de mens door de verlossing tot nieuw leven is gewekt.

En nu zie je hoe die vlam oplichtend wit van kleur wordt. Dat betekent dat het Woord van God als het ware oplichtend zijn kracht laat zien, want door Hem is ieder schepsel ontstaan en als het ware in licht ontstoken. Hij is mens geworden als in de dageraad en de pure helderheid van de maagdelijkheid, zodat van daaruit alle deugden in erkenning van God neer gedruppeld zijn, toen de mens opnieuw tot leven kwam via de verlossing van de zielen.

6. Over het feit dat de onbegrijpelijke macht van God de wereld gemaakt heeft en de verscheidenheid aan soorten te voorschijn geroepen heeft.

En zie, plotseling is er een donkere lucht op komen zetten, rollend en heel geweldig. Bedoeld is de werking van de dingen, nog gehuld in de duisternis van de onvolmaaktheid, oftewel nog niet volkomen duidelijk in hun volle betekenis. En “rollend en heel geweldig” om aan te geven dat alles onderworpen is aan de onbegrijpelijke almacht van God waarbij zijn godheid nergens afwezig is. Toch is die werking er door de opperste macht van God, als het ware in een oogwenk optredend via zijn verheven wilsbeschikking.

Hierover het volgende: Als een smid stootte de vlam er meerdere keren tegen aan waardoor er telkens vonken uitspatten, totdat die lucht voltooid was en hemel en aarde in hun volledige gedaante liet zien.

Daarmee wordt gezegd: Het hoogverheven Woord dat uitstijgt boven elk schepsel, toont de aard van zijn macht in de schepping van de schepselen die in dienstbaarheid aan Hem onderworpen zijn. Uit dezelfde werking van de dingen haalt Hij de verschillende schepselen te voorschijn, schitterend in hun wonderbaarlijk ontstaan. Als een bekwaam vakman maakt hij hun gestaltes uit lucht zodat zij schitteren in hun volle pracht. Van boven tot beneden zijn ze blijvend perfect en mooi, zodat de hogere schepsels weerkaatsen in de lagere, en de lagere in de hogere.

7. Over het feit dat na de schepping van de andere schepselen, de mens geschapen is uit leem van de aarde.

Vervolgens:
Daarna reikte de vlam, in vuur en warme gloed, uit naar een armzalige klomp klei die daar op de bodem van die lucht lag.

Dat betekent: het Woord van God samen met de krachtige wil van de Vader en de liefde van de verheven Zachtmoedigheid (de Heilige Geest) kijkt om naar de armzalige en breekbare materie van de weke en toch stevige kwetsbaarheid van de mensheid van de nog te scheppen mensen, goede zowel als slechte. Die materie is op het dieptepunt van zijn gevoelloosheid en zijn logheid ter zijde gelegd en nog niet tot leven gewekt door een felle en leven gevende aanblazing.

Die verwarmde de klomp klei zodat die vlees en bloed werd.

Dat betekent dat het Woord hem in groene groeikracht warmte ingegoten heeft. Want aarde is de vleselijke materie van de mens. Die voedt hem zoals een moeder haar kinderen voedt met haar melk.

Toen blies Hij (het Woord) hem adem in zodat er een levende mens*) overeind kwam. Het Woord heeft die materie met zijn verheven kracht opgewekt, en er op wonderlijke wijze een met reden begiftigde mens met ziel en lichaam uit te voorschijn geroepen.

(*Hildegard heeft hier een vrouwelijke mens voor ogen! – “homo erecta est”!)

8. Over het feit dat Adam, nadat hij eerst het zoete gebod om overduidelijk gehoorzaam te zijn aanvaard had, toch op aanraden van de duivel ongehoorzaam geworden is.

Vervolgens gaf dat lichtend vuur door middel van die vlam met een lichte aanblazing maar toch vurig brandend, aan de mens een zeer blanke bloem die neerhing in diezelfde vlam zoals dauw hangt aan het gras.

Toen de Vader vanuit zijn zeer oprechte klaarheid Adam geschapen had, heeft Hij hem door zijn Woord en in de heilige Geest een mild gebod tot zeer open gehoorzaamheid gegeven.
De gehoorzaamheid was er op gericht om het Woord aan te hangen als vochtige groene groeikracht om vruchtbaar te zijn. Want via dat Woord is het aller zoetste vocht van heiligheid neergesijpeld van de Vader in de Heilige Geest. Het brengt een zeer grote hoeveelheid en verscheidenheid aan vruchten voort, zoals zuiver vocht dat doet dat passende vrucht voortbrengt als het op gewas terecht komt.

De geur van die bloem heeft de mens wel waargenomen, maar de smaak ervan met zijn mond niet geproefd, en ook heeft hij haar niet met zijn handen aangeraakt.
De mens heeft het gebod van Gods Wet met het verstand van zijn wijsheid als het ware via zijn neus binnengehaald. Maar de volle omvang van die intense omhelzing heeft hij dan nog niet met zijn mond geproefd, en ook nog niet in volle gelukzaligheid ervaren door aanraking met zijn handen.

Hij heeft zich klaarblijkelijk afgewend en is in een zeer diepe duisternis terecht gekomen waaruit hij niet meer kon opstaan. Op aanraden van de duivel heeft de mens het goddelijk gebod de rug toegekeerd en stortte daardoor in de opengesperde muil van de dood. Hij heeft God niet gezocht, noch in geloof, noch in zijn daden. Daarom kon de mens, zwaar van zonde, pas opstijgen tot de ware wijsheid na de komst van Hem die volkomen en zonder zonde aan zijn Vader heeft gehoorzaamd.

Die duisternis in de lucht breidde zich steeds dichter en intenser uit.
De macht van de dood heeft zich in de wereld steeds verder uitgebreid naar gelang de toename van de ondeugden, terwijl het weten van de mens zich wentelt in veelvuldige verscheidenheid van ondeugden via de verschrikking van openbarstende en stinkende zonden.

9. Over het feit dat Abraham, Izaak en Jakob en de andere profeten de duisternis van de wereld door hun tekenen teruggedrongen hebben.

Toen verschenen er in die duisternis drie grote sterren die onderling met hun straling verbonden waren. Daarna nog veel andere, kleine zowel als grote, schitterend in hun zeer grote pracht.
Dit zijn de grote lichten naar het model van de allerhoogste Drieëenheid namelijk Abraham, Izaak en Jacob. Zij omhelzen elkaar zowel door hun trouwe levenswandel als door hun verwantschap naar het vlees. Zij verdrijven de duisternis van de wereld met de waarden van hun bestaan. Zeer veel andere profeten zijn hen gevolgd, zowel kleinere als grotere, die straalden door veel en bewonderenswaardige wonderdaden.

10. Over het feit dat de belangrijkste profeet Johannes, uitblinkend door zijn wonderdaden, de Zoon van God heeft aangewezen.

Vervolgens verscheen er een zeer grote ster met een verbazingwekkende helderheid. Die straalde zijn glans uit naar de al eerder genoemde vlam. Het gaat over de belangrijkste profeet namelijk Johannes de Doper. Hij schitterde door zijn zeer trouwe en serene levenswandel en wonderdaden. Daarmee heeft Hij het Woord, dat wil zeggen: de ware Zoon van God aangewezen. Omdat hij niet voor ongerechtigheid is geweken, heeft hij die juist door zijn werken van gerechtigheid strikt en sterk verworpen.

11. Over het feit dat door de menswording van het Woord van God het grote en aloude raadsbesluit zichtbaar geworden is.

Maar ook op aarde verscheen een stralende gloed als een dageraad. Daarin was dezelfde vlam op uitzonderlijke wijze aanwezig, maar niet los van het vuur waarvan hierboven sprake was.
Dat betekent dat God op de plek van het ontluiken (= in het Oosten, JvL) een grote gloed van wentelend licht heeft geplant. Vol verlangen heeft Hij zijn Woord daar naar toe gezonden, maar niet los van Zichzelf. Hij gaf het Woord als een voldragen vrucht en voedde Hem op tot een grote bron, zodat de keel van iedere gelovige mens, die ervan zou proeven, niet langer van dorst zou verdorren.

En zo is in voornoemde gloed van de dageraad een zeer bereidwillige wil aangestoken.
Dat betekent dat in het heldere licht met zijn roodgloeiende glans de groene groeikracht van het grote en aloude raadsbesluit zichtbaar geworden is, zodat alle engelenscharen die vooruit gezonden zijn, hier in opperste gelukzaligheid verwonderd over zijn.

12. Over het feit dat de mens de geheimen van God niet verder moet napluizen dan God zelf aan hem wil openbaren.

Maar jij, mens, die het voortreffelijke van dit raadsbesluit op menselijke wijze vollediger wenst te kennen, komt het slot van verborgenheid tegen. Want de geheimen van God moet men niet verder uitpluizen dan dat de goddelijke Majesteit, uit liefde voor de kleingelovigen, toestaat dat die aan hen geopenbaard worden.

13. Over het feit dat de Zoon van God in de wereld gekomen, door zijn dood de duivel heeft overwonnen en zijn uitverkorenen naar hun erfdeel heeft teruggeleid.

En je ziet hoe een zeer serene mens te voorschijn treedt uit de zo even genoemde gloed van de dageraad. Die mens stort zijn licht uit over de vermelde duisternis. Maar als hij door de duisternis wordt teruggekaatst, wordt hij bloedrood en lijkbleek en drijft hij de duisternis met grote kracht terug. De mens die in die duisternis neerlag, wordt door hem aangeraakt. Die begint helder te stralen, komt overeind en gaat weg uit de duisternis.

Dat betekent:

Het Woord van God is ongerept mens geworden in heldere en ongeschonden maagdelijkheid.

Zonder barensweeën werd Het geboren, en toch niet gescheiden van de Vader. Hoe dan?
Toen de Zoon van God geboren werd uit een Moeder, is Hij in de hemel verschenen in de Vader. De Engelen raakten ontroerd, en verheugd zongen zij heel blije lofliederen.

Hij die zonder zondesmet in de wereld kwam, heeft een zeer serene gelukzaligheid van goddelijke wijsheid en heil in de duisternis van het ongeloof gebracht. Maar door het ongelovige volk werd Hij verworpen en gemarteld. Hij heeft zijn kostbaar bloed gestort en lijfelijk de kelk van de dood gedronken. Daarmee heeft Hij de duivel overwonnen, en zijn uitverkorenen die in de hel gevangen neerlagen, daaruit bevrijd. Hij heeft hen met zijn verlossende aanraking barmhartig teruggebracht naar hun erfdeel dat zij door toedoen van Adam kwijt geraakt waren.

Toen zij in hun erfdeel aankwamen, weerklonk er muziek van timpanen en citers en allerlei gezang van engelen die in wonderlijke feestgewaden getooid waren. Want de mens die in het verderf neer had gelegen, was weer opgestaan in gelukzaligheid nadat de dood door een verheven kracht machteloos was gemaakt.

Mijn profeet Hosea heeft daar aldus over gesproken.

14. Woorden van Hosea hierover

(Het betreft Hosea 13,12-14. Ik geef deze Bijbeltekst weer in de vertaling van de Naardense Bijbel).

Gebundeld is Efraïms ongerechtigheid, opgeborgen in zijn zonde.

Als de barensweeën over hem komen, blijkt hij een kind dat niet wijs is,
want hij staat niet tijdig daar waar kinderen doorbreken. Uit de hand van de hel koop ik hen vrij, uit de dood zal ik hen verlossen. Dood, waar zijn je pestilenties? Hel, waar is je verderf?

Wat betekent dit?

De verdorvenheid van de duivelse boosaardigheid ligt zozeer in zware boeien geketend, dat zij niet verdient om door Gods ijver bevrijd te worden. De duivel heeft God immers nooit oprecht erkend, zoals zij Hem erkennen, die Hem op trouwe wijze vrezen. Hij is altijd in opstand tegen God en zegt: “Ik ben god”. Ook is hij altijd in dwaling omtrent de Gezegende van de Heer. Met name omwille van Hem weerspreekt hij de naam van “Christenen”.
Vandaar ook dat zijn boosaardigheid zó heimelijk is, dat die zonde het niet verdient om door enig geneesmiddel aangeraakt te worden tot verzoening. Het is een zonde die hij ruwweg in uiterst smerige hoogmoed heeft bedreven. Daarom zal hij verstokt in voortdurende smart vertoeven. Hij lijkt daarmee op een vrouw in barensnood die wanhopig en hulpeloos twijfelt of wat uit de ontsluiting van haar baarmoeder komt, wel zal kunnen leven. Die ongelukkige toestand zal zijn lot blijven bepalen, want het zalige geluk heeft hem voorgoed verlaten. De wijsheid van de kinderen heeft hem verlaten om nooit meer in hem terug te keren, zoals dat wél het geval is bij iemand die, tot inkeer gekomen, uit zijn onwaardig leven naar zijn vader terugkeert.*)

(*Hildegard roept hier het bekende verhaal van de verloren zoon in herinnering cfr. Lukas 15, 11-32.)

Daarom zal hij nooit vol vertrouwen volharden in het berouw waarmee de kinderen van het heil de dood van het gemeenste onrecht verbrijzelen, samen met de hoogverheven Zoon (van God). De sluwe slang heeft die dood doen opborrelen toen hij de eerste mens zijn arglistigheid influisterde waar de mens geen notie van had. Maar als de mensenkinderen het gif van de allergemeenste arglistigheid verachten, zal Ik hen verlossen uit de afgodendienst. De afgoden zitten vol valsheid en ze zijn in de macht van het verderf. De ongelovigen verzaken daardoor om hulde te brengen aan hun Schepper. Klaarblijkelijk spartelen zij in de strik van de duivel door te doen wat hij wil.

En daarom zal Ik de zielen van hen die Mij beminnen en vereren – de zielen van de heiligen en van de rechtvaardigen – vrijkopen van de straf van de hel. Want geen mens kan bevrijd worden van de band die hij met de duivel heeft. Daar ligt hij immers mee vastgeketend in de meest vreselijke dood vanwege de overtreding van Gods geboden. Hij is alleen te redden door loskoping van Hem die met zijn eigen bloed zijn uitverkorenen zal bevrijden.

Vandaar dat Ik jou, dood, volkomen zal vernietigen. Want Ik zal je verjagen uit datgene waarin je denkt te leven, zodat men je een nutteloos kadaver zal noemen. Met heel je grote macht zul je gevloerd neerliggen, zoals dat wat door de ziel verlaten wordt, volledig te gronde wordt gericht. Want de Bron van levend water zal jou verstikken. Dat zal gebeuren wanneer de zalige zielen barmhartig en in opperste gelukzaligheid zullen verrijzen door toedoen van de nieuwe mens die niets van doen heeft met giftig bedrog. Jij hel! Tot jouw grote verwarring zal Ik je ook nog doen knarsetanden wanneer Ik jou in mijn grote en krachtige macht de buit ontnemen zal die je met bedrog hebt binnengesleept. Dan zul je, terecht berooid, nooit meer de kop opsteken in de volheid van je rijkdommen. Maar je zult uitgestrekt gewond en stinkend neerliggen. Voor eeuwig zul je je ontsteltenis moeten dragen.

15. Over het feit dat het lichaam van Gods Zoon na drie dagen in het graf gelegen te hebben, is verrezen, en dat aan de mens de ware weg getoond is om van dood naar leven over te gaan.

Diezelfde serene mens, die uit de genoemde dageraad te voorschijn gekomen was, is in zo’n grote helderheid verschenen, dat menselijke taal tekort schiet om dat te beschrijven.

De bedoeling van deze woorden is om aan te tonen dat er drie personen zijn in de ene Godheid.

Het edelste lichaam van Gods Zoon, geboren uit de liefste Maagd, en dat drie dagen in het graf lag, heeft de Vader in zijn klaarheid aangeraakt zodat het ook de Geest heeft aangenomen en verrezen is in de meest stralende onsterfelijkheid. Geen mens die dat met zijn verstand bevatten kan of met zijn woorden kan uitleggen.

De Vader toont Hem met zijn open wonden aan de hemelkoren met de woorden: Dit is mijn geliefde Zoon (zie Mat.3,17) die Ik gezonden heb om voor mijn volk te sterven. Toen is er bij hen een onnoemelijke vreugde opgekomen die het menselijk verstand ver te boven gaat. Want het misdadig vergeten waardoor God niet werd erkend, is zozeer ter zijde geschoven dat het verstand van de mens opnieuw overeind geholpen is om God te erkennen nadat het tevoren door toedoen van de duivel uitgeteld neergelegen had. Want tot overmatig geluk van de mens is hem de weg van de waarheid getoond waarlangs hij van de dood naar het leven wordt geleid.

16. Over het feit dat de Zoon van God, na uit de dood te zijn verrezen, meerdere malen aan de leerlingen is verschenen om hen te bemoedigen.

Maar overeenkomstig het feit dat de kinderen van Israël, na hun bevrijding uit Egypte, gedurende 40 jaar door de woestijn getrokken zijn om het land van melk en honing te bereiken (Cfr. Ex. 3,8.17; 13,5 en 33,3), zo ook heeft de Zoon van God, na zijn opstanding uit de dood, zich gedurende 40 dagen welwillend aan zijn leerlingen getoond alsook aan de vrome vrouwen die weenden om zijn dood en die Hem vol verlangen wilden zien. Hij is hun verschenen om hen sterken zodat zij niet zouden twijfelen in hun geloof en zouden zeggen: “Wij zien Hem niet, dus kunnen wij ook niet geloven dat Hij onze redding kan zijn”. Hij is hun evenwel meerdere malen verschenen om hen te bemoedigen opdat zij niet ten val zouden komen.

17. Over het feit dat, toen Jezus naar zijn Vader opsteeg, zijn bruid gegrondvest is geworden met allerlei pracht en praal.

Hij is vertrokken naar de uiterste hoogte van onnoemelijke glorie, waar Hij nu straalt in de volheid van zijn vruchtbaar leven en vertoeft in een wonderbaarlijke geur.

Dat betekent dat deze Zoon van God opstijgt naar de Vader. Samen met de Zoon en de Heilige Geest is de Vader de steilste en verhevenste hoogte van onuitsprekelijke vreugde en blijdschap. (N.B. Hildegard gebruikt hier beeldspraak om het totaal eigen karakter van het hemels bestaan van God onder woorden te brengen!)

Daar verschijnt de Zoon glorievol aan zijn getrouwen in overvloed van de meest serene heiligheid en gelukzaligheid. Zij geloven in de eenvoud van hun gelovig hart dat Hij werkelijk God en mens is. Dan ook wordt de nieuwe bruid van dat Lam aangesteld met haar verschillende waardigheidstekenen. (Hildegard roept hier Openbaringen 21,9 in herinnering. Zie ook Openbaringen 19,7 en 21,2. De traditie ziet de Kerk als de bruid van het Lam.) De tekenen van waardigheid waarmee zij omkleed moet worden zijn deugden van allerlei aard waarmee het hele gelovige volk de strijd zal aangaan met de furieuze slang.

Wie met waakzaam oog toeziet en met open oren toehoort, omhelst met een kus de mystieke woorden van mij. Zij komen voort uit mij die leeft.

HOOFDSTUKKEN VAN HET TWEEDE VISIOEN VAN HET TWEEDE DEEL

  1. Over de betekenis van de geheimen van God.
  2. Over de drie Personen.
  3. Dat de mens nooit mag nalaten om de éne God in drie Personen vurig aan te roepen.
  4. Johannes over de liefde van God.
  5. De drie eigenschappen van steen.
  6. De drie eigenschappen van een vlam.
  7. De drie elementen van het menselijke woord.
  8. Over de eenheid van het wezen van alles.
  9. Woorden van Salomon.

HET TWEEDE VISIOEN VAN HET TWEEDE DEEL

Toen zag ik een zeer helder licht en daarin een saffier-kleurige gestalte van een mens, helemaal opvlammend van een roodkleurige gloed. Het heldere licht doorstroomde heel dat opvlammend vuur, en dat opvlammend vuur was in heel het heldere licht. Dat heldere licht was samen met het opvlammend vuur in heel die mensengestalte, zodat dit alles als één krachtbron van mogelijkheden aanwezig is.
En weer hoorde ik hoe hetzelfde levende licht tot mij zei:

1. Over de zin van de geheimen van God.

Dit is de zin van de geheimen van God, dat zij heel bescheiden aantonen en begrepen worden hoe de volheid er uit zou zien die nooit is waargenomen in zijn oorsprong en waarin nooit enig gebrek is opgemerkt in die zeer attente kracht die alle krachtstromingen in alles tot stand heeft gebracht. Want als in God zelf geen groene groeikracht zou zijn, wat zou zijn werk dan waard zijn? Heel duidelijk: totaal niets! Daarom: ken je Maker/Schepper in de totaliteit van zijn werk.

2. Over de drie Personen.

Daarom zie je een zeer helder licht. Dat verwijst naar de Vader, zonder een zweempje van zinsbegoocheling of zwakte of bedrog. In dat licht is de gedaante van een mens aanwezig, hemelsblauw van kleur, niet besmeurd door halsstarrigheid, afgunst of onrecht. Dat is de Zoon die naar zijn godheid vóór alle tijden uit de Vader is voortgekomen. Maar later is Hij vlees  geworden in menselijkheid. Deze menselijkheid gloeit helemaal van een heel zoet en roodgloeiend vuur. Dit vuur laat ons de Heilige Geest zien zonder smet van dorheid, sterfelijkheid en duisternis. De Eniggeboren Zoon van God is volgens zijn vlees ontvangen van de Heilige Geest en in de tijd geboren uit een Maagd. Hij heeft het licht van ware klaarheid over de wereld uitgestort.
Dat heldere licht doorstroomde heel dat opvlammend vuur, en dat opvlammend vuur was in heel het heldere licht. Dat heldere licht was samen met het opvlammend vuur in heel die mensengestalte, zodat dit alles als één krachtbron  van mogelijkheden aanwezig is.
Dat betekent
– dat de Vader de allerrechtvaardigste gelijkmoedigheid is, maar niet zonder de Zoon en zonder de Heilige Geest;
– dat de Heilige Geest de aanstichter is van de harten van de gelovigen, maar niet zonder de Vader en de Zoon;
– dat de Zoon de volheid van vruchtbaarheid is, maar niet zonder de Vader en de Heilige Geest.
In hun majesteit zijn Zij onafscheidelijk één, want de Vader is niet zonder de Zoon, en de Zoon niet zonder de Vader; en de Vader en de Zoon zijn niet zonder de Heilige Geest, en de Heilige Geest is niet zonder Hen.
Zo zijn deze drie personen één God in één totale majesteitelijke godheid. En de eenheid van het God-zijn is onafscheidelijk van alle drie de Personen samen. Hun godheid kan men niet in stukken scheuren, want die blijft altijd vrij van iedere veranderlijkheid. Maar de Vader is kenbaar via de Zoon, de Zoon door het ontstaan van de schepping, en de Heilige Geest door de menswording van de Zoon.
Hoe dan?
De Vader is degene die vóór alle eeuwen de Zoon heeft voortgebracht;
de Zoon is degene door wie alles bij het begin van de schepping is geschapen via de Vader;
de Heilige Geest is degene die verschenen is in de gedaante van een duif bij het doopsel van de Zoon, aan het einde van de tijden.

3. Dat de mens nooit mag nalaten om de éne God in drie Personen vurig aan te roepen.

Daarom moet de mens nooit vergeten om Mij, de enige God in drie personen, aan te roepen.
Ik heb die personen aan de mens kenbaar gemaakt, opdat de mens des te meer in liefde tot Mij zou ontbranden. Immers uit liefde voor de mens heb Ik mijn Zoon naar de wereld gezonden, zoals mijn geliefde Johannes dat getuigt als hij zegt:

4. Johannes over de liefde van God.

De liefde die God is, is onder ons verschenen doordat Hij zijn enige Zoon in de wereld gezonden heeft, om ons door Hem tot leven te brengen. Hierin bestaat de liefde: niet wij hebben God lief gehad, maar Hij heeft ons liefgehad, en Hij heeft zijn Zoon naar de wereld gezonden om onze zonden uit te wissen (1Jo.4,9-10)

Wat is dit? Dit betekent dat in het feit dat God ons heeft lief gehad, een ander heil is ontstaan dan wij in het allereerste begin gehad hebben, toen wij erfgenamen waren van onschuld en heiligheid. Want toen wij in de ellende verkeerden waar wij voor straf in terecht gekomen waren, heeft de verheven Vader ons zijn liefde getoond. Hij zond zijn Zoon in de duisternis van de wereld ten bate van de mensenkinderen. Hij alleen was volkomen heilig door zijn verheven deugdzaamheid. Toen heeft het Woord al het goede volbracht. Door zijn lieve zachtmoedigheid heeft Hij de mensen die verworpen waren vanwege hun onreine plichtsverzuim, teruggeleid naar het leven. De mensen waren zelf niet in staat om terug te keren naar de heiligheid die zij kwijt geraakt waren. Wat betekent dit?
Door de Levensbron zelf is de moederlijke omhelzing van God gekomen. Die heeft ons opgevoed tot leven. In gevaren is Zij onze toevlucht. Zij is ten diepste de allerliefste liefde die ons tot berouw opwekt*). Hoe dan?
(*Hildegard toont zich hier een feministische theologe avant la lettre. God als moeder!)

Vol medelijden is God zijn meesterwerk en kostbaarste parel, de mens, indachtig geweest.
Hij had hem immers uit leem van de aarde gevormd en hem zijn levensadem ingeblazen. Hoe dan? Zelf heeft Hij de mens geleerd te leven in boetvaardigheid die nooit zonder uitwerking zal blijven. Want de sluwe slang heeft de mens misleid met zijn trotse overredingskracht. Maar God heeft de mens doen buigen in boetedoening die met nederigheid gepaard gaat. Dat is iets waar de duivel geen weet van heeft en dat hij ook niet in praktijk gebracht heeft, want hij heeft zich niet weten op te richten om de rechte weg te gaan.

Dit heil van de liefde is niet van ons uitgegaan. Vandaar dat we ook niet wisten hoe God lief te hebben tot onze redding. We waren zelfs niet in staat om dat te doen. Ons heil is gekomen omdat de Schepper, de Heer van allen, zelf zozeer zijn volk heeft liefgehad, dat Hij zijn Zoon gezonden heeft om zijn volk te verlossen. Hij zond Hem als zijn Zoon, als vorst en verlosser van de mensen, die onze wonden heeft uitgewassen en gedept. Van Hem uit is de zoete stof gezweet waarin alle goeds voor ons heil vloeit. *)
(*Te denken valt aan Lukas 22,44: Jezus werd doodsbang en bad nog dringender; zijn zweet viel als druppels bloed op de grond. Of aan Johannes 19,34: Een van de soldaten doorstak met zijn lans de zijde van Jezus, en meteen kwam er bloed uit en water.)

Daarom, mens, begrijp goed dat niets wat vergankelijk is, ook maar iets aan God kan veranderen. Want de Vader is de Vader, de Zoon is de Zoon en de Heilige Geest is de Heilige Geest. Deze drie Personen bestaan samen ondeelbaar  in de eenheid van hun God zijn.
Hoe dan?

5. De drie eigenschappen van steen.

Zowel steen, als  een vlam, als een woord hebben ieder drie eigenschappen. Hoe dan?

In steen is vochtige groene groeikracht aanwezig. Je kunt er wijzer van worden door hem aan te raken. Een steen kan ook roodgloeiend worden. En de groene groeikracht die er in is, zorgt ervoor dat de steen niet uiteen valt of afbrokkelt. Door hem aan te raken, kun je ontdekken dat hij kan dienen om er een huis of een vesting mee te bouwen. In roodgloeiend vuur wordt de steen gebakken en wordt hij keihard.
De groene groeikracht verwijst naar de Vader die nooit in zijn werkzame kracht verstard of uitgeput raakt.
Het aanraken dat tot kennis leidt, is de Zoon, die geboren uit de Maagd, aangeraakt en begrepen kan worden.
En het roodgloeiende vuur verwijst naar de Heilige Geest die de harten van gelovige mensen aansteekt en verlicht.
Hoe moet je dat zien?
Een mens die vaker te maken heeft met de groene groeikracht (= hier: nuttigheid) van steen wordt er zwakker en slapper van (raakt vermoeid). Zo raakt ook al wie zo maar met zijn zwak  kenvermogen de Vader wil doorschouwen, zijn geloof  kwijt.
Maar via de kennis die mensen opdoen in hun omgang met steen, bouwen zij er huizen mee, en verschansen zij er zich mee tegen hun vijanden.
Zo is de Zoon van God, de ware hoeksteen *) en het woonverblijf voor het gelovig volk, tevens de burcht die het beschermt tegen boze geesten.
(*zie Mt.21,42;Ps.118,22;enz.)
En zoals het roodgloeiend vuur de duisternis verlicht, en alles verbrandt wat het tegenkomt, zo is ook de Heilige Geest. Die drijft alle ongeloof op de vlucht en maakt alles brandschoon van roest.
Zoals die drie eigenschappen aanwezig zijn in één steen, zo bestaat ook de Drie-eenheid in een reële eenheid.

6. De drie eigenschappen van een vlam.

Zoals één vlam in zijn ene warmte drie eigenschappen heeft, zo bestaat ook de ene God in drie personen. Hoe dan?

De vlam bezit immers heldere klaarheid, purperen levenskracht en brandende gloed.
De heldere klaarheid dient om bij te lichten, de purperen levenskracht om te waken, en de brandende gloed om te verbranden. De heldere klaarheid kun je beschouwen als de Vader die in vaderlijke toewijding zijn licht laat stralen over zijn gelovigen. De purperen levenskracht die daarmee gepaard gaat en waarin diezelfde vlam zijn eigenheid laat zien, kun je begrijpen als de Zoon die uit een Maagd een lichaam heeft aangenomen, waarin het God-zijn zijn wonderdaden heeft verricht. En in de brandende gloed kun je de Heilige Geest waarnemen die de gedachten van de gelovigen warm beïnvloedt. Maar als er geen heldere klaarheid is, noch purperen levenskracht en ook geen brandende gloed, dan is daar ook geen vlam. Zo ook waar noch de Vader, noch de Zoon, noch de Heilige Geest geëerd worden, daar wordt God niet waardig vereerd. Dus zoals we in de ene vlam drie eigenschappen kunnen ontwaren, zo kunnen we ook begrijpen dat er in het ene God-zijn drie personen zijn.

7. De drie elementen van het menselijk woord.

Zoals er drie elementen van het ene menselijk woord opgemerkt moeten worden, zo moet ook geconstateerd worden dat de Drie-eenheid aanwezig is in de ene goddelijkheid.
Hoe dan?
In een woord bevinden zich geluid, innerlijke waarde en adem. Het geluid dient om het woord te laten horen, de innerlijke waarde om het woord te begrijpen, en de ademtocht als drager van het woord.
Bij het geluid kun je denken aan de Vader die met onuitsprekelijke macht alles te voorschijn roept. Bij de betekenis van het woord kun je denken aan de Zoon die op wonderlijke wijze uit de Vader voort gekomen is. Bij de ademtocht moet men denken aan de Heilige Geest die zachtjes in Hen brandt. Waar evenwel geen geluid gehoord wordt, daar is geen betekenisoverdracht en geen ademtocht, en daar wordt ook geen woord verstaan. Dat is ook zo bij de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Zij bestaan niet los van elkaar. Wat Zij doen, doen Zij eensgezind samen. Zoals deze drie elementen in één woord werkzaam zijn, zo is ook de verheven Drievuldigheid in wonderlijke eendracht verenigd.

Samenvattend:
Als er in een steen geen groene groeikracht werkzaam is, komt dat omdat er geen begrip is ontstaan door aanraking en door brandend vuur. Ook is er geen begrip door aanraking zonder groene groeikracht en zonder brandend vuur. En er is geen brandend vuur zonder groene groeikracht en zonder begrip door aanraking.
En in een vlam is geen schitterend licht aanwezig als er geen purperen gloed is en geen brandend vuur. Ook is er geen purperen gloed als er geen schitterend licht is en geen brandende vuur. Er is ook geen brandende vlam als er geen licht schijnt en er geen purperen gloed is.
Er is ook geen sprake van een woord als er gen geluid is met een betekenis en als er geen ademtocht aan te pas komt. Er is geen betekenisoverdracht als er geen ademtocht met geluid aan te pas komt. En een ademtocht zonder geluid en betekenis, is eveneens nutteloos.
Al deze elementen werken onderling samen.

Zo is het ook met de drie personen van de ware Drie-eenheid. Zij zijn onafscheidelijk samen in hun goddelijke majesteit, en Zij zijn niet van elkaar te scheiden.
Dus, mens, begrijp dat de ene God bestaat in drie Personen.

Maar jij, met je domme verstand, meent dat God zo krachteloos is dat het voor Hem onmogelijk is om werkelijk te bestaan in drie Personen, en dat Hij alleen maar bestaat in een flauw bestaan. Wat een vergissing!
God is waarlijk God in drie Personen: Hij is de eerste en de laatste (Apoc.1,17).

8. Over de eenheid van het wezen van alles.

Dus de Vader is niet zonder de Zoon, de Zoon niet zonder de Vader, en de Vader en de Zoon zijn niet zonder de Heilige Geest, en de Heilige Geest is niet zonder Hen. Want deze drie Personen bestaan onafscheidelijk samen in de eenheid van hun God-zijn.

Hoe kun je dat verklaren?
Een woord klinkt uit de mond van een mens. Maar als er geen mond is, klinkt er ook geen woord. En een woord bestaat niet als er geen leven is. En waar bevindt zich het woord? In de mens! En vanwaar komt het woord tot stand? Van de mens! Hoe dan? Dat kan alleen als de mens lééft.

Zo bestaat de Zoon in de Vader. De Vader heeft Hem voor het heil van de mensen naar de duistere aarde gezonden, ontvangen in een maagd door de werking van de Heilige Geest.
Zoals de Zoon enig geboren is in de Godheid, zo is Hij ook enig geboren in de maagdelijkheid. En zoals Hij de enige Zoon van de Vader is, zo is Hij ook de enige Zoon van de Moeder. Want zoals de Vader Hem als enige vóór alle tijden verwekt heeft, zo heeft de Moeder-maagd Hem als enige in de tijd gebaard, want na de geboorte is zij maagd gebleven.

Dus, mens, begrijp in deze drie Personen wie jouw God is, die jou geschapen heeft door zijn goddelijke kracht, en die jou verlost heeft van de ondergang. Wil dus je Schepper niet vergeten. Salomon bezweert het je met de volgende woorden:

9. Woorden van Salomon.

Eer je Schepper zolang je nog jong bent, voordat de kwade dagen komen en de jaren dat je zegt: “Het bevalt me niet meer”. (Prediker 12,1)

Wat hiervan te denken?
Met je verstandelijk vermogen moet je je Diegene in herinnering roepen die jou geschapen heeft. Met name in de dagen dat je roekeloos meent te kunnen doen en laten wat je maar wilt, hoog klimmend of je in de diepte neerstortend, in voorspoed verkerend en in ellende neervallend. Want de levenwekkende kracht in jou is er steeds op uit om voltooid te worden tegen de tijd dat zij haar volheid heeft bereikt. Hoe dan?

Vanaf zijn prille begin groeit een kind uit tot zijn volwassen gedaante en blijft vervolgens in die volwassenheid. Het laat dan de uitgelatenheid van geest achter zich die hoort bij de dwaze leefwijze van de jeugd. Slechts met de grootste moeite kan hij zorgvuldig vooruit kijken naar wat in zijn leven gedaan dient te worden. Dat heeft hij niet gedaan zolang hij in de dwaasheid van zijn jonge jaren vertoefde. Het is te wensen dat een gelovige mens zo handelt. Hij moet kinderlijk gedrag afleggen en zich toeleggen op het onderhouden van de volheid van deugden. Hij moet volharden in de kracht van die deugden. Hij zal de uitzinnigheid van zijn lusten moeten laten varen. Die leunt aan tegen de dwaasheid van de ondeugd. Bij aandrang van zorgen (bekoringen) doet hij er goed aan om te overwegen wat goed voor hem is, waar hij als kind geneigd was om zich kinderlijk te gedragen.

Daarom, mens, omhels aldus je God in het licht van je kracht. Doe dat voordat het uur van de uitzuivering van je gedragingen is aangebroken. Dan zal immers alles openbaar gemaakt worden. Niets zal onopgemerkt blijven zodra de tijd daarvoor is aangebroken. Die tijd komt er zeker en dan zul je mopperend bij jezelf zeggen: “Die ongerustheid zint mij niet omdat ik niet begrijp of ze mij tot voordeel of tot nadeel is”. De menselijke geest is hierover altijd in twijfel. Als hij het goede doet, vraagt hij zich angstig af of het God wel behaagt of niet. En als hij het kwade doet, vreest hij om verworpen te worden. Maar voor wie met waakzame ogen kijkt en met open oren luistert, zijn deze mystieke woorden van Mij een omhelzing en een kus die uitgaan van Mij, de Levende.

HET DERDE VISIOEN

HOOFDSTUKKEN VAN HET DERDE VISIOEN VAN HET TWEEDE DEEL

  1. Over de opbouw van de Kerk die haar kinderen altijd voortbrengt in de wedergeboorte van Geest en water.
  2. De Kerk is vanaf haar ontstaan gesierd met apostelen en martelaren.
  3. De Kerk onderscheidt zich door het priesterambt en de uitdeling van aalmoezen.
  4. Over de moederlijke lieftalligheid van de Kerk.
  5. Dat de Kerk, die in de tijd van de zoon van het verderf nog niet tot stralende volheid is uitgegroeid, wel naar volmaaktheid wordt geleid.
  6. Hoe de Kerk haar kinderen op zeer vrome en zuivere wijze (aan God) opdraagt.
  7. Dat geen enkele verdorvenheid van duivelse geslepenheid de Kerk kan bezoedelen.
  8. Dat geen menselijk verstand ten volle de geheimen van de Kerk kan doorschouwen.
  9. Over de maagdelijkheid van Maria.
  10. Over de toediening van de sacramenten van de ware Drie-eenheid.
  11. Dat de dienst van de engelen ter beschikking staat van iedere gelovige.
  12. Over hen die door toedoen van moeder de Kerk,  herboren worden in het geloof in de heilige Drie-eenheid. Zelf blijft zij ongerept.
  13. Gelijkenis met balsem, onyx en een gloeiend kooltje.
  14. Over het feit dat de heilige Drie-eenheid in het doopsel aan de gedoopten verschijnt vanuit de geopende hemel. Nadat de smerigheid van de zonden afgewassen is, trekt Zij iedere dopeling een wit gewaad aan.
  15. Over de klacht van de Kerk over de dwaling van haar kinderen.
  16. Dat er aan de mens twee merktekens gegeven zijn om zich te verdedigen.
  17. De gelijkenis met de jongeman.
  18. Waarom aan Adam geen dubbele wet/verbond gegeven moest worden.
  19. Over het feit dat de opkomende vermaning van de Heilige Geest het oude serpent bedreigd heeft in de persoon van Noë, en de besnijdenis hem een kaakslag heeft gegeven in de persoon van Abraham, en de Kerk hem aan banden heeft gelegd.
  20. Over de betekenis van de drie vleugels.
  21. Over het feit dat mannen die in de tijd van de besnijdenis niet besneden waren, overtreders van de Wet waren.
  22. Zoals bij de schepping van Adam drie redenen aan te wijzen zijn, zo zijn er ook drie redenen in de man om kinderen voort te brengen.
  23. Dat de vrouw die uit liefde tot God maagd blijft, zeer door God wordt getooid.
  24. Dat de man die uit liefde tot God afziet van huwelijksgemeenschap, door God opgenomen wordt in gemeenschap met de Zoon van God.
  25. Woorden van de profeet Jesaja.
  26. Dat de val van Adam de hemel gesloten heeft voor de mens, en dat die gesloten is gebleven tot (de komst) van Gods Zoon.
  27. Woorden van het Evangelie.
  28. Woorden van aansporing afkomstig van God.
  29. Dat in de besnijdenis van Abraham slechts één lid besneden werd; in het doopsel echter zijn alle ledematen besneden.
  30. Woorden van het Evangelie.
  31. Dat ten alle tijden en de eeuwen door ieder geslacht, zowel het mannelijke als het vrouwelijke, in het doopsel door God wordt opgenomen.
  32. Dat ter ere van de Drie-eenheid drie personen aanwezig moeten zijn bij een doopsel: de priester en twee andere personen die voor de dopeling het geloof belijden. Zij mogen geen geslachtelijk verkeer met hem hebben/niet met banden van het vlees met de dopeling verbonden zijn.
  33. Vergelijking met een klein kindje.
  34. Over het feit dat in het doopsel alle zonden worden vergeven.
  35. Ook al is de priester een zondaar, God zal zijn toediening van het doopsel accepteren.
  36. Gelijkenis met een rijke mens.
  37. In geval van nood als er geen priester aanwezig is het wie dan ook toegestaan om te dopen mits de vorm van het doopsel gehandhaafd blijft.


HET DERDE VISIOEN VAN HET TWEEDE DEEL

Daarna zag ik iets als een vrouwengestalte. Zij was zo groot als een grote stad. Haar hoofd was wonderlijk getooid met een kroon. Haar armen straalden van een glanzend licht dat als mouwen naar beneden hing. Er ging een straling van haar uit die van de hemel tot de aarde reikte.
Haar buik was als een net met veel mazen. Daarin krioelde een grote menigte mensen. Benen en voeten had zij niet. Zij stond voor het altaar – dat wil zeggen voor Gods aanschijn, terwijl alleen haar bovenlichaam zichtbaar was. Met uitgespreide handen omarmde zij God. Met haar ogen keek zij zeer intens heel de hemel door. Haar kleding kon ik niet zien. Ik zag alleen dat zij helemaal licht was, omgeven door een schitterende helderheid. Op haar borst was als het ware een ochtendgloren met een roodkleurige gloed. Ik hoorde er ook veelsoortige muziek waarmee haar toegezongen werd: “Zij is als het ware stralend als het zeer gloeiend ochtendrood”.

En dezelfde gestalte verspreidde haar glans als een kleed terwijl ze zei: “Ik ben bestemd om te ontvangen en te baren”. En direct daarna kwam als de weerlicht een menigte engelen aangesneld die trappen en zetels in haar nabijheid opstelden voor de mensen. Dat was om haar gestalte te voltooien.

Vervolgens zag ik in de buurt van de aarde zwarte kindjes die door de lucht als vissen in water rond zwommen. Zij zwommen de buik van de vrouwengestalte binnen via de mazen die daar aanwezig waren. Maar de vrouw zuchtte en trok hen omhoog tot in haar hoofd waar zij aan haar mond naar buiten kwamen. Maar zijzelf bleef ongedeerd.

En zie, dat heldere licht verscheen mij opnieuw, en daarin dezelfde mensengestalte volledig stralend van een heldere gloed ( overeenkomstig het visioen dat ik eerder gezien had). Bij ieder van hen stroopte zij de pikzwarte huid af. Die gooide zij weg langs de kant van de weg.
Vervolgens kleedde zij ieder van hen met een hagelwit kleed. En er verscheen hun een zeer helder licht. Tot ieder van hen sprak zij:
“Leg de oude ongerechtigheid af en trek de nieuwe heiligheid aan. Want de deur naar je erfgoed is opnieuw open gegaan. Neem dus in acht hoe je onderwezen bent geworden, zodat je jouw Vader kent die je beleden hebt. Ik heb je opgenomen, en jij hebt Mij beleden. Nu liggen er twee wegen voor je open: één naar het oosten en de andere naar het noorden. Maar als je met je innerlijke blik nauwkeurig naar Mij blijft kijken, zoals het je in het geloof is geleerd, zal Ik je opnemen in mijn rijk. En als je Mij oprecht lief hebt, zal Ik doen wat je maar wilt. Maar als je Mij veracht en je van Mij afwendt, als je achterom kijkt en Mij niet wilt kennen of begrijpen, zal Ik jou, -vies van zondensmet –  terugroepen naar een oprecht berouw. Maar als jij toch je toevlucht neemt tot de duivel alsof die je vader is, dan zal het verderf je treffen. Want naar je werken zul je geoordeeld worden, omdat je Mij dan niet hebt willen kennen ofschoon Ik je het goede gegeven heb”.

De kindjes echter die door de buik van de voornoemde gestalte gegaan waren, wandelden in het heldere licht dat hen had omgeven. En die gestalte sprak met droeve stem terwijl zij hen liefdevol aankeek: “Deze kinderen van mij zullen weer tot stof vervallen”. Velen van hen die ik ontvang en baar, zullen mij, hun moeder, afmatten en terneer drukken met hun wilde gedragingen. Zo zullen zij mij bestrijden met ketterijen en schisma’s en zinloos geweld, met roof en doodslag, met ontucht en overspel en met nog andere dergelijke ongerechtigheden. Maar heel velen van hen staan op in oprecht berouw tot eeuwig leven, en ook heel velen vallen door hun valse verharding in de eeuwige dood.

En opnieuw hoorde ik een stem uit de hemel die tot mij zei: “Zie het volledige bouwwerk van levende zielen dat in de hemel wordt opgetrokken met levende stenen, en dat versierd is met de enorme pracht van deugden in haar kinderen. Zij omarmt hen zoals een heel grote stad een grote menigte mensen omarmt, en zoals een heel wijd net een overgrote hoeveelheid vissen bevat. Zij bloeit prachtig vanwege haar verheven deugden zoals gebruikelijk bij de leefwijze van mensen die zich christen noemen.

1. Over de opbouw van de Kerk die haar kinderen altijd voortbrengt in de wedergeboorte van Geest en water.

En nu: Je ziet iets als een vrouwengestalte. Zij was zo groot als een grote stad.

Het gaat over de bruid van mijn Zoon die haar kinderen altijd voortbrengt in de wedergeboorte van Geest en water. Want de aller-krachtigste Strijder heeft haar aangesteld om te midden van haar uitverkorenen een heel grote menigte op te nemen en tot volmaaktheid te brengen. Geen enkele vijand is in staat haar uit te schakelen in een tegenaanval. Zij weert ontrouw af en breidt zich getrouw uit. Hieruit valt te begrijpen dat in de vergankelijke tijd elke gelovige een voorbeeldfunctie heeft ten opzichte van zijn naaste, en zeer veel goede werken verricht voor de hemel. En wanneer een van de rechtvaardigen aankomt bij de kinderen van het licht, zal daar elk goed werk dat verricht werd, openbaar worden. Ten tijde dat de as*) nog sterfelijk is, is dit niet mogelijk aangezien het goede verduisterd wordt in de schaduw van de onrust.
*) “As” symboolwoord voor de “vergankelijke mens”. Cfr. Gen.18,27 Abraham tot God: “Ofschoon ik maar as en stof ben….”

2. De Kerk is vanaf haar ontstaan gesierd met apostelen en martelaren.

En Haar hoofd was wonderlijk getooid met een kroon. Dat staat er om aan te geven dat zij bij haar ontstaan is opgewekt in het bloed van het Lam *) en op passende wijze getooid is met apostelen en martelaren en, als in een ware verloving, de bruid van mijn Zoon geworden is. Want toen Hij zijn bloed vergoot, is Zij Hem trouw gebleven tot stichting van heilige zielen.

3. De Kerk onderscheidt zich door het priesterambt en de uitdeling van aalmoezen.

Vandaar dat er staat: Haar armen straalden van een glanzend licht dat als mouwen naar beneden hing. Er ging een straling van haar uit die van de hemel tot de aarde reikte.
Dat duidt op de krachtige werking die in de priesters aanwezig is. Ondersteund door de goede werken dragen zij met zuiverheid van hart en handen op het altaar het hoogheilig offer op van het lichaam en het bloed van hun Heiland. Dit is het puurste werk van hen die barmhartigheid in praktijk brengen, die altijd en overal grootmoedig bij elke smart bijstand verlenen, en met een zachtmoedig hart aalmoezen aan arme mensen geven en van ganser harte zeggen: “Dit behoort mij niet toe, maar Hem die mij geschapen heeft”. Want dit werk  wordt door God geïnspireerd, en stijgt op tot voor zijn ogen in de hemel, als het hier op aarde tijdens de eredienst wordt voltooid door trouwe mensen.

4. Over de moederlijke goedheid van de Kerk.

Haar buik was als een net met veel mazen. Daarin krioelde een grote menigte mensen.
Dat duidt op de moederlijke genegenheid van de Kerk die er op uit is om zielen van gelovigen te vangen via toegespitste deugden, waar gelovigen van het volk via een oprecht geloof mee bezig zijn. Maar degene die het net uitwerpt om vissen te vangen is mijn Zoon*). Hij is de bruidegom van zijn geliefde Kerk. Bij het vergieten van zijn bloed heeft Hij zich met Haar verloofd om de val van de verloren mens te herstellen.
(*Mat. 4, 19 Ik zal mensenvissers van u maken.)

5. Die nog geen benen en voeten heeft.

Dit wordt van de Kerk gezegd omdat zij nog niet tot de volle kracht van haar standvastigheid is gekomen. Ook is zij nog niet tot de puurheid van haar voltooiing geleid. Want tegen de tijd van de zoon van het verderf, die de dwaling in de wereld brengt, zal de Kerk in haar leden te lijden hebben van een zeer diep vlammende en bloedige nood vanwege heel erge slechtigheid.
Via die noodtoestand wordt zij met bloedige wonden naar haar volmaaktheid geleid. Dan zal zij haastig naar het hemelse Jeruzalem snellen, wanneer zij rustig in het bloed van mijn Zoon als een nieuwe bruid is opgestaan. Dan treedt zij via die warme gloed het leven binnen, terwijl zij zich ten volle verheugt over haar nakomelingschap.

6. Hoe de Kerk haar kinderen op zeer vrome en zuivere wijze (aan God) opdraagt.

Maar zij staat slechts met haar bovenlichaam voor het altaar van God, dat wil zeggen: voor zijn ogen. Zij omarmt Hem met uitgestrekte handen.
Omdat zij altijd zwanger is en haar kinderen voortbrengt in een oprechte afwassing (= door het doopsel), draagt zij hen ook heel toegewijd aan God op vergezeld door de oprechte gebeden van de heiligen en door de heerlijke geur van zowel de verborgen als de openlijke deugden. Zij worden beoefend onder de meest heldere aandacht van de ogen van de geest, afkerig van elke smerige veinzerij en wars van de eer die voortkomt uit menselijke eerbetoon. Het is als wierook die gezuiverd wordt van alle kwalijke reukstoffen die de goede geur bederven. Dit goede werk is voor het oog van God een heerlijke offerande waartoe de Kerk zich veelvuldig inspant. Zij reikhalst vol verlangen naar hemelse zaken via een vruchtbaar en deugdzaam leven. Zo bouwt zij met een dertig-zestig en honderdvoudige vrucht een hemelse toren op met hemelhoge muren*).
(*Hildegard verwijst hier enerzijds naar de parabel van de zaaier – Mat.13,8.23, en anderzijds naar die van de bouw van een toren – Luk.14,28-30)

7. Dat geen enkele verdorvenheid van duivelse geslepenheid de Kerk kan bezoedelen.

Met haar ogen kijkt zij zeer intens heel de hemel door.
Want de ijver waarmee zij heel toegewijd met hemelse zaken bezig is, kan door geen enkele smerige opzet verduisterd worden. Dat vermag geen enkele duivelse opzet, ook geen dwaling van een kreupel volk, en evenmin opstekende stormen op verschillende plekken op aarde waar waanzinnige mensen in het ongeloof van hun razernij wreed afbreuk doen aan zich zelf.

8. Dat geen menselijk verstand ten volle de geheimen van de Kerk kan doorschouwen.

Haar kleding kun je niet zien.
Dat betekent dat het menselijk verstand, zwaar door zijn zwakke broosheid, niet in staat is om al haar geheimen ten volle te bevatten.
Je ziet alleen dat zij helemaal licht is, omgeven door een schitterende helderheid.
Dat is zo omdat de ware Zon haar geheel doorstroomt met de puurste doorstraling van de Heilige Geest en de zeer mooie tooi van deugden.

9. Over de maagdelijkheid van Maria.

Op haar borst was als het ware een ochtendgloren met een roodkleurige gloed.
Dat betekent dat de ongeschondenheid van de allerheiligste Maagd die de Zoon van God ter wereld brengt, met de grootst mogelijke warme toewijding in de harten van de gelovigen  aanwezig is.
Je hoort er ook veelsoortige muziek waarmee haar toegezongen wordt: “Zij is als het ware stralend als het zeer gloeiend ochtendrood”.
Want elke stem van de gelovigen, zoals je gegeven wordt te begrijpen, moet volmondig instemmen met de maagdelijkheid van de ongeschonden Maagd zoals die met algehele aandacht in de Kerk beleden moet worden.

10. Over de toediening van de sacramenten*) van de ware Drie-eenheid.

(* In feite gaat het hier slechts over één sacrament t.w. het Doopsel.)

En dezelfde gestalte spreidde haar glans uit als een kleed terwijl ze zei: “Ik ben bestemd om te ontvangen en te baren”.
Dat betekent dat het sacrament van de ware Drie-eenheid in de Kerk wordt toegediend. Het is de schutsmantel van de Drie-eenheid ter bescherming van de gelovige volken. Door die volken rijst de Kerk zelf overeind tot een bouwwerk van levende stenen, witgewassen in de bron van het zuiverste water.
Zo verkondigt zij zelf ook dat het noodzakelijk is voor de verlossing, dat zij kinderen ontvangt in zegening en dat zij hen baart in afwassing door wedergeboorte in Geest en water.

11. Dat de dienst van de engelen ter beschikking staat van iedere gelovige.

En direct daarna kwam als de weerlicht een menigte engelen aangesneld die trappen en zetels in haar nabijheid opstelden voor de mensen. Dat was om haar gestalte te voltooien.
Voor iedere gelovige mens staat de eerbiedwaardige en beminnelijke dienst van de zalige geesten ter beschikking. Zij hebben tot taak om de gelovigen klaar te maken voor hun opgang door het geloof en voor het tot rust komen in de grootst mogelijke rust. Men weet dat de gelukkige moeder-Kerk in die gelovigen tot haar volle waardigheid moet komen.

12. Over hen die door toedoen van moeder de Kerk,  herboren worden in het geloof in de heilige Drie-eenheid. Zo blijft zij zelf ongerept.

Vervolgens zag ik in de buurt van de aarde zwarte kindjes die door de lucht rond zwommen als vissen in water. Zij zwommen de buik van de vrouwengestalte binnen via de mazen die daar aanwezig waren.
De zwartheid van die domme mensen duidt er op dat zij nog niet schoon gewassen zijn in het bad dat tot heil leidt. Zij houden van aardse dingen. Overal lopen zij er naar te zoeken. Onrustig vestigen zij hun verblijfplaats in deze zaken. Maar uiteindelijk komen zij toch aan bij de moeder van heiligheid. En als zij dan de waarde van haar geheimenissen zien, aanvaarden zij haar zegening. De duivel had hen daarvan weerhouden, maar door God zijn zij teruggekeerd. Zo treden zij toe tot de instelling van de kerkelijke ordening waarbinnen de gelovige mens zijn heil moet zoeken doordat hij ten bate van zichzelf zegt Ik geloof in God, en al het andere wat tot het geloof (de geloofsbelijdenis) behoort.

Maar de vrouw zuchtte en trok hen omhoog tot in haar hoofd waar zij aan haar mond naar buiten kwamen. Maar zijzelf bleef ongedeerd.
Deze gelukzalige moeder slaakt hartgrondige zuchten wanneer het doopsel gevierd wordt samen met de zalving tot heiliging in de Heilige Geest. Ook omdat de mens in een ware besnijdenis van Geest en water nieuw gemaakt dient te worden, nadat hij in de grootst mogelijke gelukzaligheid die boven alles gaat, een toegewijd lid van Christus is geworden. Hij wordt opnieuw geboren door aanroeping van de Heilige Drie-eenheid. Dan wordt hij tot zijn heil als het ware herboren via de mond van de gelukzalige moeder. Daarbij loopt die moeder geen enkel letsel
op, want zij behoudt voor eeuwig de gaafheid van haar maagdelijkheid. Zo is het katholieke geloof. Want zij is voortgekomen uit het bloed van het ware Lam, haar innige bruidegom, die zelf zonder enig nadeel voor zijn algehele gaafheid, geboren werd uit de zeer gave maagd. Zo ook zal deze Bruid zelf ongeschonden blijven, zodat geen enkel schisma haar kan deren.

Heel vaak zal zij immers door slechte mannen aangevallen worden. Maar met behulp van haar Bruidegom verdedigt zij zich heel krachtig. Ofschoon een maagd vaak wordt aangevallen door hartstochtelijke gevoelens en door duivelse listigheid en overtuigingskracht van veel mannen, zal zij toch via de gebeden die zij tot God richt, afdoende bevrijd worden van hun pogingen, en zal zij haar maagdelijkheid bewaren.
Zo ook verweert de Kerk zich tegen de allerslechtste rustverstoorders, namelijk de dwalingen van ketters – het maakt niet uit of die van christelijke, joodse of heidense huize zijn – die haar maagdelijkheid vergiftigen. Het is het katholieke geloof dat zij willen verpesten. Maar zij verweert zich heftig om niet verdorven te raken. Zij is altijd maagd gebleven, is dat nóg en zal het altijd blijven ook. Door het ware geloof, dat het fundament van haar maagdelijkheid is, zal zij altijd staande blijven tegen elke dwaling in. Op deze wijze blijft ook de eer van een zuivere maagd, waar het haar lichamelijke kuisheid betreft, ongerept tegen iedere onkuise aanraking.
Vandaar ook dat de Kerk de maagdelijke moeder van alle christenen is. Want zij ontvangt en baart hen door de geheimenisvolle invloed van de Heilige Geest. Zij  biedt hen vervolgens aan God aan, zodat zij ook kinderen van God genoemd worden.
En zoals de Heilige Geest de zalige Moeder overschaduwd heeft, waardoor zij zonder barensweeën op wonderlijke wijze de Zoon van God ontvangen en gebaard heeft en toch maagd gebleven is, zo verheerlijkt de Heilige Geest ook de Kerk als de gelukkige moeder van de gelovigen. Daardoor ontvangt en baart zij haar kinderen eenvoudig en zonder barensnood, en blijft zij maagd.
Hoe moet je dat zien?

13. Gelijkenis met balsem, onyx en een gloeiend kooltje.

Zoals balsem als zweetdruppels uit een boom sijpelt, en als heel krachtige medicijn die erin aanwezig is, uit een vaas van onyx gegoten wordt; en zoals de straling die ongehinderd , uitgaat van een gloeiende kool, zo is ook de Zoon van God zonder enige schade berokkende weerstand uit een Maagd geboren. Zo baart ook de Kerk, zijn bruid, haar kinderen zonder weerstand van dwaling., terwijl zij toch maagd blijft in de ongereptheid van het geloof.

14. Over het feit dat de heilige Drie-eenheid in het doopsel aan de gedoopten verschijnt vanuit de geopende hemel. Nadat de viezigheid van de zonden af gewassen is, trekt Zij iedere dopeling een wit gewaad aan.

Je ziet dus hoe dat heldere licht jou opnieuw verschijnt, en dat jou daarin dezelfde mensengestalte verschijnt volledig stralend van een heldere gloed ( overeenkomstig het visioen dat je eerder zag). Dat betekent dat jou de ware Drie-eenheid wordt getoond om je geloof te bevestigen. Dat is de ware Drie-eenheid in werkelijke eenheid. Namelijk de aller heerlijkste Vader, en in de Vader zijn liefste Zoon die van vóór alle tijden in zijn goddelijk wezen in de Vader verblijft, maar die in de tijd naar het vlees ontvangen werd van de Heilige Geest en uit een Maagd werd geboren. Dat is je hiervoor in een zeer achtenswaardig visioen aangetoond en dat wordt je nu voorgelegd ter bevestiging van je geloof. Want in het doopsel verschijnt dezelfde Heilige Drie-eenheid in een open hemel aan de gedoopten, opdat de gelovige mens dit geloofsgegeven zou aanvaarden en daardoor de ene God zou vereren in ware drievuldigheid, zoals Hij ook werkelijk verschenen is bij het eerste sacrament van het doopsel.*)
(*Hildegard verwijst hier waarschijnlijk naar Mat.3,16-17 waar de doop van Jezus wordt verhaald.)

Bij ieder van hen stroopte zij de pikzwarte huid af. Die gooide zij weg langs de kant van de weg. Vervolgens kleedde zij ieder van hen met een hagelwit kleed. En er verscheen hun een zeer helder licht. Tot ieder van hen sprak zij woorden van een gelukkig makende bemoediging.
Dit betekent:
De goddelijke macht ziet om naar de harten van de mensen. Vol medelijden wast zij hun in het bad van het doopsel de ontrouw van hun misstappen af en werpt die weg*) langs de weg die Christus is.
(* Cfr.Jo.14,6: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven”.)
In Christus is via een eerlijke bekentenis en de vergeving van de zonde niet de dood maar het leven. Door Hem krijgt iedere gelovige het witte kleed van het heil aangetrokken. En daarmee wordt hij ook door Hem deelachtig aan de klaarheid van de gelukzalige erfenis waarvan hij tevoren uitgesloten was. Door woorden van  waarheid  wordt hij aangespoord om de oude gewoonte van ondeugd af te leggen en om de nieuwe gave van genade aan te nemen tot zijn heil.Over het feit dat de heilige Drie-eenheid in het doopsel aan de gedoopten verschijnt vanuit de geopende hemel. Nadat de viezigheid van de zonden af gewassen is, trekt Zij iedere dopeling een wit gewaad aan.

Je ziet dus hoe dat heldere licht jou opnieuw verschijnt, en dat jou daarin dezelfde mensengestalte verschijnt volledig stralend van een heldere gloed ( overeenkomstig het visioen dat je eerder zag). Dat betekent dat jou de ware Drie-eenheid wordt getoond om je geloof te bevestigen. Dat is de ware Drie-eenheid in werkelijke eenheid. Namelijk de aller heerlijkste Vader, en in de Vader zijn liefste Zoon die van vóór alle tijden in zijn goddelijk wezen in de Vader verblijft, maar die in de tijd naar het vlees ontvangen werd van de Heilige Geest en uit een Maagd werd geboren. Dat is je hiervoor in een zeer achtenswaardig visioen aangetoond en dat wordt je nu voorgelegd ter bevestiging van je geloof. Want in het doopsel verschijnt dezelfde Heilige Drie-eenheid in een open hemel aan de gedoopten, opdat de gelovige mens dit geloofsgegeven zou aanvaarden en daardoor de ene God zou vereren in ware Drievuldigheid, zoals Hij ook werkelijk verschenen is bij het eerste sacrament van het doopsel.
(Hildegard verwijst hier waarschijnlijk naar Mat.3,16-17 waar de doop van Jezus wordt verhaald.)

Bij ieder van hen stroopte zij de pikzwarte huid af. Die gooide zij weg langs de kant van de weg. Vervolgens kleedde zij ieder van hen met een hagelwit kleed. En er verscheen hun een zeer helder licht. Tot ieder van hen sprak zij woorden van een gelukkig makende bemoediging.
Dit betekent:
De goddelijke macht ziet om naar de harten van de mensen. Vol medelijden wast zij hun in het bad van het doopsel de ontrouw van hun misstappen af en werpt die weg* langs de weg die Christus is.  (*Cfr.Jo.14,6: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven”.)
In Christus is via een eerlijke bekentenis en de vergeving van de zonde niet de dood maar het leven. Door Hem krijgt iedere gelovige het witte kleed van het heil aangetrokken. En daarmee wordt hij ook door Hem deelachtig aan de klaarheid van de gelukzalige erfenis waarvan hij tevoren uitgesloten was. Door woorden van waarheid wordt hij aangespoord om de oude gewoonte van ondeugd af te leggen en om de nieuwe gave van genade aan te nemen tot zijn heil.

De kindjes echter die door de buik van de voornoemde gestalte gegaan waren, wandelden in het heldere licht dat hen had omgeven.
Het gaat over hen waar de Kerk de gelukkige moeder van is door de bron van het heilig doopsel. Zij moeten volharden in de goddelijke wet waardoor deze moeder zo stralend en opgetogen is. Zij moeten die wet onderhouden, om, als zij die op ontrouwe wijze zouden verwerpen, niet opnieuw besmeurd te worden door de zonden waarvan zij gereinigd waren.

 

 

 

(III, 15-37 volgt)

HET VIERDE VISIOEN

HOOFDSTUKKEN VAN HET VIERDE VISIOEN VAN HET TWEEDE DEEL

  1. Elke gedoopte moet door de zalving van de bisschop getooid en gesterkt worden.
  2. De onmetelijk en volkomen zachte kracht van de Heilige Geest wordt ons geschonken in het vormsel.
  3. In het vormsel treedt de onuitsprekelijke Drie-eenheid aan het licht, en bekrachtigt zichzelf in zeer vruchtbare deugden.
  4. Gesterkt door de zalving van de Heilige Geest kan de Kerk nooit in de dwaling van het verderf terecht komen.
  5. Woorden tot Mozes gesproken over deze aangelegenheid.
  6. De gedoopten worden door een bisschop eervol onderscheiden met de zalving van het chrisma.
  7. Woorden over deze aangelegenheid in het boek Koningen.
  8. Wie gedoopt is maar niet gevormd, bezit  wel de helderheid van het doopsel, maar mist het sieraad van de gloed van de zalving, toegediend door een hogere kerkdienaar.
  9. Ter ere van de Heilige Geest moet het vormsel alleen door bisschoppen worden toegediend.
  10. Degene die aan de vormeling de handen oplegt, mag met hem geen huwelijksrelatie aangaan.
  11. Wie na het doopsel terugkeert naar de duivel, wordt verdoemd, tenzij hij zich bekeert. Wie evenwel trouw blijft aan zijn doopsel, wordt door God opgenomen omdat de Kerk tot God bidt voor haar kinderen.
  12. Drie manieren waarop de Kerk schalt als een klaroen.
  13. Over de grote verscheidenheid van gedoopten.
  14. Woorden van Ezechiël over deze aangelegenheid. (Ez.7,27)

HET VIERDE VISIOEN VAN HET TWEEDE DEEL

En vervolgens zag ik iets als een grote ronde toren, geheel en al lijkend op een witte steen. An de top daarvan bevonden zich drie vensters waaruit zo’n felle gloed straalde dat zelfs het dak, dat als een kegel omhoog stak, nog duidelijker te zien was in de heldere straling van die gloed.
De ramen zelf waren omgeven met zeer prachtige smaragden. Maar de toren leek midden op de rug van voornoemde vrouwengestalte te staan, zoals een toren op een stadsmuur, zodat die gestalte vanwege haar sterkte volstrekt niet kon instorten.
En ik zag hoe de kinderen die door de buik van de vrouwenfiguur waren gegaan – zoals eerder vermeld (zie het 3e visioen) -, schitterden vanwege een zeer helder licht. Sommigen van hen waren van top tot teen goudkleurig, anderen hadden wel diezelfde schittering maar misten die kleur.
Wel keken sommige van die kinderen naar een zuivere en heldere schittering, maar anderen neigden naar het oosten en keken naar een onrustig rossige gloed. Van de kinderen die naar die zuivere en lichtende schittering keken, hadden sommigen heldere ogen en stevige voeten, en zij gingen kordaat de buik van de vrouwengestalte binnen. Maar anderen hadden slechte ogen en zwakke voeten en werden door de wind her en der gedreven. Met een stok in de hand dwaalden zij voor de vrouwengestalte heen en weer en raakten haar soms even flauwtjes aan.
Andere kinderen die wel heldere ogen maar zwakke voeten hadden, zwierven her en der in de lucht voor de vrouwengestalte door. Weer andere met zwakke ogen maar sterke voeten dwarrelden toch flauwtjes om de vrouwengestalte heen.
Maar van hen die naar een onrustige en rossige gloed keken, traden sommigen goed gekleed en kordaat voornoemde vrouwengestalte binnen. Maar anderen ontworstelden zich aan haar en bestreden haar en verzetten zich tegen de door haar vastgestelde verordeningen. Maar, bewogen door berouw, keerden sommigen van hen nederig tot haar terug, terwijl anderen door een verstokte verharding achter bleven in de keuze voor de dood.
En opnieuw hoorde ik een stem die tot mij sprak…

1. Elke gedoopte moet door de zalving van de bisschop getooid en gesterkt worden.
    (Over het vormsel)

De jonge bruid van het Lam (cfr. Apok.19,7. Jezus is het Lam Gods) is getooid door het uitgegoten water (= de doop). Haar tooi is afkomstig van de Zon van gerechtigheid (= God. cfr.Maleachi 3,20) die de wereld met zijn straling heeft geheiligd. In de vurige warmte van de Heilige Geest is zij getooid en gesterkt om haar stralende schoonheid te vervolmaken.

Zo ook moet de gelovige mens, die de wedergeboorte in Geest en water ontvangt,  nog getooid en bevestigd worden door de zalving van een hogere dienaar van de leer.  Die mens wordt daardoor in heel zijn wezen gesterkt om geluk te bewerken en de volle vrucht van opperste gerechtigheid voort te brengen.  Zo zal hij de pracht van zijn tooi ten volle bereiken.

Daar slaan de woorden op: deze toren die je ziet. Ze duiden op de vlammende vurigheid van de Heilige Geest die de Vader naar de wereld gezonden heeft uit liefde voor zijn Zoon om de harten van diens leerlingen met vurige tongen in vuur en vlam te zetten (Hand.2,3). Daar zijn ze sterker door geworden in naam van de heilige en ware Drie-eenheid.

Maar het feit dat zij vóór de komst van de vurige Heilige Geest opgesloten zaten in de opperzaal (cfr.Jo.20,26), duidt er op dat zij gevangen zaten in hun lichaam. Zij waren bang om de gerechtigheid van God te verkondigen. En ze waren als kleine kinderen te zwak om de straffen van de tegenstanders te ondergaan. En omdat zij mijn Zoon in levende lijve gezien hadden, hielden ze van Hem in zijn lichamelijke verschijningsvorm terwijl hun innerlijke blik nog gesloten was. Maar dat had tot gevolg dat zij toen geen oog hadden voor de duidelijke leer, die zij later openlijk verkondigden toen zij door de komst van de Heilige Geest sterker geworden waren. Door zijn komst zijn zij zo sterk geworden dat zij voor geen enkele straf meer terugschrokken; zij hebben die manmoedig verdragen.
Daar duidt de sterke toren op waarmee de Kerk versterkt  is, en die door geen enkele duivelse en ziekmakende razernij overwonnen kan worden.

2. De onmetelijk en volkomen zachte kracht van de Heilige Geest wordt ons geschonken in het vormsel.

En vervolgens zag ik iets als een grote ronde toren, geheel en al lijkend op een witte steen.
Dat betekent dat de zachte kracht van de Heilige Geest enorm is en als een wervelwind van genade alle schepselen omgeeft. Geen bederf kan haar in de volheid van haar gerechtigheid aantasten. Dat komt omdat zij zelf als een grote stroom elke aftakking van heiligheid doet uitgaan in stroompjes van zijn eigen heldere kracht. Daarin zal nooit een vlek van welke ongerechtigheid dan ook gevonden worden. De Heilige Geest is immers zelf  brandende en lichtverspreidende helderheid die nooit uitdooft, maar juist krachtig vurige deugden doet ontvlammen. Zo wordt door Hem elke duisternis verdreven.

3. In het vormsel treedt de onuitsprekelijke Drie-eenheid aan het licht, en bekrachtigt zichzelf in zeer vruchtbare deugden.

Aan de top daarvan bevonden zich drie vensters waaruit zo’n felle gloed straalde dat zelfs het dak, dat als een kegel omhoog stak, nog duidelijk te zien was in de heldere straling van die gloed.
Dit is het beeld van de onuitsprekelijke Drie-eenheid terwijl Zij bezig is met de uitstorting van de uitmuntende gaven van de Heilige Geest. Dat geschiedt op zulk een wijze dat door middel van de leer van de apostelen uit de zalige Drie-eenheid een heel grote en heldere gerechtigheid te voorschijn treedt. Daaruit blijkt ook hoe de zeer sterke kracht van God, die in de grootheid van zijn almachtige majesteit niet te begrijpen valt, toch aan een sterfelijk schepsel, namelijk  de mens, openlijker kenbaar gemaakt wordt. Evenwel gebeurt dit toch maar in de mate waarin hij waardig bevonden wordt, en het door het geloof en van de gelovige en trouwe mens bevat kan worden.

De ramen zelf waren omgeven met zeer prachtige smaragden. Dit wil zeggen dat de Drie-eenheid overal in heel de wereld openlijk verkondigd is geworden door de allervruchtbaarste deugden en inspanningen van de apostelen. Dorre lauwheid is bij hen nooit aangetroffen. Hoe dan?
Het is een bekend feit dat zeer vraatzuchtige wolven hen vanwege hun geloof in de waarheid met allerhande onheil belaagden. Daar zijn ze sterker van geworden om de strijd aan te gaan.
Op die manier hebben zij al strijdend de Kerk verworven en haar met heel krachtige deugden versterkt tot opbouw van het geloof, en haar met veelsoortige schitterende zaken getooid. En omdat de Kerk door hen op deze wijze sterk gevormd en onder invloed van de Heilige Geest geplaatst is, wil zij ook, en vereist het zelfs, dat haar kinderen met dit teken van de Heilige Geest onderscheiden worden. In diep medelijden is dan ook die Heilige Geest tot de harten van de gelovigen doorgedrongen. Dat medelijden is zo mystiek dat zij overeenkomstig de wil van God de Vader als vurige tongen in de wereld is gekomen (cfr.Hand.2,3). Daarom ook moet de mens, overgoten met het doopsel van heil, gevormd worden met de zalving van de hemelhoog verheven Leermeester, want ook de Kerk is stevig gegrondvest op een stevige rots. (cfr.Luk.6,48 en 1Kor.10,4)

4. Gesterkt door de zalving van de Heilige Geest kan de Kerk nooit in de dwaling van het verderf terecht komen.

Maar de toren leek midden op de rug van de vrouwengestalte te staan, zoals een toren op een stadsmuur, zodat die gestalte vanwege haar sterkte volstrekt niet kon instorten. In de allergrootste kracht van de menswording van Hem die de ware bruidegom van de Kerk is, heeft de Heilige Geest op verbazingwekkende wijze zijn wonderdaden verricht. Hij laat de Kerk zo sterk verschanst achter haar verdedigingsmuur zijn, dat zij vanwege de kracht waarmee zij is toegerust, door haar vurige gave nooit in een dwaling van welke verdorvenheid dan ook vallen kan. Vanwege die allerhoogste bescherming, zal zij zich zonder smet of rimpel (cfr.Ef.5,27) altijd verheugen over de liefde van haar bruidegom. Want ook mijn eniggeboren Zoon, die ontvangen is van de Heilige Geest, is heel nobel zonder smet uit een Maagd geboren, zoals Ik aan Mozes voorzegd heb.

5. Woorden tot Mozes gesproken over deze aangelegenheid. (Exodus33,21-23)

Kijk, sprak Hij: Hier bij Mij is een plek. Daar kun je op een rots staan. Als Ik voorbij kom, plaats Ik je in een rotsspleet en bescherm je met mijn rechterhand, totdat Ik voorbij ben. Dan neem Ik mijn hand weer weg, en kun je zien wat na Mij komt.  Wat betekent dit?

Het wonder dat besloten ligt in mijn wil, is nabij. Maar eerst zul je moeten vechten om, via de uiterlijke betekenis, de kracht te laten zien die gelegen is in de hardheid van de wettelijke voorschriften. De zoetheid en de zachtheid zul je er niet in ontdekken. Die zal pas via mijn Zoon aan de dag treden. En de hardheid van de Wet die je op mijn bevel opschrijft, zal zolang in de hardheid van uw stenen hart aanwezig blijven totdat haar volle glorie duidelijk wordt. Die eer zul jij en zullen al je volgelingen aan Mij moeten geven tot aan de komst van mijn Zoon. Wanneer dit dus gedaan wordt in de Wet die jij nu opschrijft, zal Ik geëerd worden. Ik zal je in een rotsspleet plaatsen. Wat betekent dit?

Ik plaats je onder de hardheid van de Wet, en op mijn bevel stel Ik jou aan tot toezichthouder. Ik benoem jou namelijk tot leermeester van het Oude (Testament). Mijn Zoon zal dat doorprikken door het, méér dan jij het kunt, in mystieke bewoordingen uit te leggen, zodra Ik Hem ter gelegener tijd naar de wereld zal zenden. Daarom zal zijn kracht jou beschermen. Hij zal scherpere woorden gebruiken dan jij, en Hij zal dat wat opgesloten ligt in de wettische normen, open maken totdat Hij naar Mij terugkeert. Wat betekent dit?

Hij zal zolang lijfelijk heilzame woorden tot de wereld spreken totdat Hij lijfelijk de dood in gaat in het lichaam dat Hij uit een Maagd aanneemt. Dan ook zal Ik mijn hand wegnemen, want Ik zal Hem boven de sterren bij Mij opnemen en al zijn geheimenissen openbaar maken door de Heilige Geest. En zo zul je zijn menswording waarnemen alsof je een mens van achteren ziet en niet van voren. Want je zult Hem waarnemen als mens, maar zijn godheid kun je niet bevatten. Jouw kinderen zullen pas beter zien wie Hij is, als Hij naar Mij is teruggekeerd. Dan zullen zij begrijpen wie Hij was, toen Hij nog zichtbaar onder hen vertoefde.

6. De gedoopten worden door een bisschop eervol onderscheiden met de zalving van het  chrisma.

En ik zag hoe de kinderen die door de buik van de vrouwenfiguur waren gegaan – zoals eerder vermeld (zie het 3e visioen) -, schitterden vanwege een zeer helder licht.
Dat betekent, zoals in het voorafgaande al duidelijk werd gemaakt, dat zij die door de bron van wedergeboorte (=doopsel) in de onschuld en de pure zuiverheid van hart leven, een moeder hebben gekregen, namelijk de Kerk. Zij zijn nu kinderen van het licht door de afwassing van hun zonden.
Sommigen van hen waren van top tot teen goudkleurig, Dat is zo omdat zij, vanaf het begin van hun goede werken tot de voleinding van hun heiligheid, getooid worden met de gloedvolle gaven van de Heilige Geest bij de zalving van het ware geloof door de hand van de bisschop.
Hoe dan?
Zoals goud tot zijn recht komt door de edelstenen die er in gevat liggen, zo komt ook het sieraad van het doopsel tot zijn recht via de zalfolie van het vormsel waarmee gedoopten op gelovige wijze gezalfd worden via de hand van een hogere leraar van de Kerk. Lees wat we hierover geschreven staat.

7. Woorden over deze aangelegenheid in het boek Koningen.(=2Sam.15,23. In de Hebreeuwse bijbel: 2Kon.15,23)

De koning stak de Kedron-beek over, en heel het volk ging de olijfbomen-weg op die naar de woestijn leidt. Wat betekent dit?
De Zoon van de Maagd die over heel de wereld heerst zoals een aardse koning over zijn volk, is door het stromende water van het doopsel gegaan. Dat duidt op het aandringen van de Heilige Geest in hevig verlangen naar de weg van het heil. Hoe dan?

Zelf ging Hij van de dood over naar het leven, toen Hij in de wedergeboorte van Geest en water (dat is in de grote praal van het hemelse Jeruzalem dat nooit vergaat) het hoogste geluk aankondigde. Vandaar dat heel het volk dat in Hem geloofde, op aandrang van de Heilige Geest diezelfde weg is opgegaan die voordien verborgen was. Dat gebeurde via de zalving met olie en met terugblik op de misstap van Adam. Die misstap beroofde de mens van de schoonheid van de erfenis van de rechtvaardige God. God was er bekommerd over of die erfenis zou terugkeren of niet. Daarom moest die dodelijke zonde van de eerste mens door de bediening van een priester gezalfd worden. De Zoon van de Maagd had dat niet nodig, want die is geheel in heiligheid ontvangen in de niet gewonde of aangetaste, maar juist in de in ere ongerept gebleven schoot van zijn Moeder. Want wat door de verwondende influistering van de duivel gekwetst en verward is geraakt, moet door de olie behandeld en gesierd worden, zodat de aanvretende lijkkleur afgewassen wordt die door vleselijke lusten wordt veroorzaakt.

8. Wie gedoopt is maar niet gevormd, bezit wel de helderheid van het doopsel, maar mist het sieraad van de gloed van de zalving, toegediend door een hogere kerkdienaar.

Zoals je ziet, hadden anderen  wel diezelfde schittering maar misten zij die kleur.
Dit verwijst naar degenen die bij het doopsel wel gereinigd zijn door de afwassing, maar niet gezalfd  werden door een hogere geestelijke bij gelegenheid van het vormsel dat een teken van de vurige Heilige Geest is. Hoe moet je dat zien?

De zalving van de vormeling door de gave van de Heilige Geest tijdens een bisschoppelijke dienst, geeft een aparte glans. Die dient aan het gelovige volk toegediend te worden na de wedergeboorte uit water en Heilige Geest. Dan wordt de gelovige mens bevestigd als op een stevige rots. Hoe dan?

Mijn Zoon heeft het doopsel ontvangen in zijn lichaam. Zo heiligde Hij het in zijn vleselijk bestaan. Daarin kent Hij geen gespletenheid, want Hij alleen is de enige Zoon van de Maagd. Dat is ook de reden waarom Hij Mensenzoon genoemd wordt. Want die Maagd heeft Hem niet ontvangen van een man, en heeft Hem gebaard met behoud van haar ongeschonden maagdelijkheid. Na de ellende van zijn lijden en de glorie van zijn verrijzenis is Hij in zijn vlees naar de hemel opgestegen en keerde Hij naar Mij terug. Vervolgens heeft de Heilige Geest de wereld met zijn vurige gloed verlicht. Daarna bevestigde Hij alle gerechtigheid in de harten van zijn leerlingen terwijl Hij hun openbaarde wat voordien verborgen was. Hoe dan?

Zoals de zon, als die onder een wolk begint te schijnen, zijn volle warmte uitstraalt met zijn helder licht, zo ook ontsteekt de Heilige Geest hun harten. Wat betekent dit?

De liefde van mijn Zoon brandde op verborgen wijze in hun gemoed. Zo ook doorstraalde de warmte van de Heilige Geest hen door hun de zeer krachtige zon van hun leer voor te houden.
Want dit is het getuigenis dat de Heilige Geest aan de Kerk heeft gegeven, namelijk dat de dood niet kan weerstaan aan de gerechtigheid van God.

9. Ter ere van de Heilige Geest moet het vormsel alleen door bisschoppen worden toegediend.

Daarom, kinderen van de waarheid, luistert naar het vormsel van de Heilige Geest en begrijpt wat het betekent. Hij biedt u dit zelf welwillend aan. Dat doet Hij in de bekoorlijke zalving van zijn leermeesterschap. Daarom ook wordt deze zalving ter ere van de Heilige Geest alleen maar uitgevoerd door een hogere priester. De hele kerkelijke rangorde is door de Heilige Geest ingesteld en daarom is deze zalving van de Heilige Geest.
Daarom ook heeft de mens, die wel het geheim van de wedergeboorte tot een nieuw leven aanvaard heeft, maar niet op deze wijze gezalfd is, niet het volledige sieraad van de kerkelijke volheid ontvangen. Zoals hierboven werd aangetoond, is de Kerk daarmee getooid door de vlammende Heilige Geest.
Zoals de Kerk voltooid wordt door de gaven van de Heilige Geest, zo moet ook de gelovige mens gevormd worden via de zalving door de hand van een belangrijke kerkelijke voorganger. Want die is ter ere van de Heilige Geest een ontzagwekkende leraar. Diezelfde Heilige Geest roept immers bij het christenvolk op vurige wijze met zijn warmte de allerzuiverste leer te voorschijn en doet die ontbranden.

10. Degene die aan de vormeling de handen oplegt, mag met hem geen huwelijksrelatie aangaan.

Daarom, wie zich bij deze zalving van de Heilige Geest op deze wijze met de gezalfde verbindt,
mag geen verbintenis met hem aangaan om kinderen voort te brengen. Zij zijn immers in de Heilige Geest één met hem geworden. Hoe is dat dan een huwelijksbeletsel?

Het geloof brengt iemand tot deze zalving. Wie hem daarbij de handen oplegt, geeft aan dat het om het geloof gaat. Dat geloof is niet uit op vleselijke dingen, maar streeft steeds naar geestelijke zaken. Mijn oog ziet de mens  als iemand die in zijn doen en laten op weg is naar Mij.

11. Wie na het doopsel terugkeert naar de duivel, wordt verdoemd tenzij hij zich bekeert. Wie evenwel trouw blijft aan zijn doopsel, wordt door God opgenomen. De Kerk bidt God voor haar kinderen.

Als jij, mens, Mij na je doopsel verlaat en naar de duivel terugkeert, zul je door mijn rechtvaardig oordeel veroordeeld worden. Ik heb je immers de grote gave van verstand gegeven. Bovendien heb Ik je via het bad van het doopsel mijn barmhartigheid getoond. Daarom zal aan ieder die in het doopsel mijn barmhartigheid zoekt, die ook gegeven worden omwille van mijn Zoon die in de wereld gekomen is en daar veel kommer en kwel in zijn lichaam heeft doorstaan.
Daarom, mens, moet je de strijd naar lichaam en ziel geduldig ondergaan. Dan zal Ik jou bij Mij opnemen omwille van mijn Zoon.

Niemand die in mijn Naam trouw het doopsel wil beleven, mag van het bad van het doopsel weerhouden worden. Want op welk moment een mens Mij ook zoekt, Ik zal hem hartelijk ontvangen. Maar als zijn doen en laten later minderwaardig zijn, zullen die hem ter dood veroordelen. Daarom, mens, zuiver jezelf in de wedergeboorte van de verlossing, en zalf je met de olie van de heiligheid; vlucht weg van de dood en zoek het leven.
Ook de Kerk, die de moeder van de gelovigen is, bidt trouw voor haar kinderen, dat zij de dood ontvluchten en het leven zullen vinden. Hoe dan?

Zij heeft een smekende stem ten bate van haar kinderen. Die stem is haar door God zelf gegeven totdat haar voltallige kinderschaar binnentreedt in de woontent van de verheven stad. En die stem heeft zij daartoe gekregen om Mij, die van eeuwigheid leef, er toe te bewegen altijd te zien en voor ogen te houden dat mijn Eniggeboren Zoon mens geworden is, met de bedoeling dat Ik uit liefde voor Hem haar kinderen zou sparen, die Zij ontvangen heeft bij de wedergeboorte uit Geest en water. Zij kunnen immers het hemelse rijk niet binnengaan tenzij door verlossing.

12. Drie manieren waarop de Kerk schalt als een klaroen.

Vandaar dat de boodschap van de Kerk klinkt als: de Vader eren, de Zoon beminnen, vurig zijn in de Heilige Geest. Wat betekent dit?
Dit schallend geluid is haar over Mij gegeven door mijn Zoon in de Heilige Geest. Deze stem weergalmt in haar als een klaroenstoot in een stad. En op een andere wijze dan zo wordt niet tot haar kinderen gesproken. Daarom ook wordt de oppermachtige God aangesproken door zijn Zoon om de mensen vanwege hun zonden te ontzien. Vanwege de boetedoening moeten zij verdragen worden, zonder de mensen te vernietigen, want de Zoon van God heeft het menszijn aangenomen zonder zonde.  Hij mocht niet mens worden in bevlekt vlees, dat ontvangen is  uit zondig zaad. Want God is rechtvaardig en ook verdraagt de glans van het hemelrijk  geen enkele smet van viezigheid. En hoe zou de mens die bevlekt is met enorme viezigheid het verheven rijk kunnen binnentreden, tenzij door mijn Zoon die zonder smet ontvangen werd? Hij neemt de zondaars op die door boete gereinigd zijn. En wie zou dat anders kunnen doen dan God zelf. Vandaar dat de Kerk toegekeerd staat naar haar kinderen en hen koestert met haar moederlijke liefde.

13. Over de grote verscheidenheid van gedoopten.

Maar we zagen wel dat sommigen van die kinderen keken naar een zuivere en heldere schittering, maar dat anderen neigden naar het oosten en keken naar een onrustig rossige gloed. Dat duidt op het feit dat sommige kinderen van de Kerk, die zij in de onschuld van haar ongereptheid door Gods kracht voortbrengt, de zuiverheid van het geestelijk leven kiezen. Dat leven schittert in zeer oprechte deugd. Zij treden het aardse met voeten uit liefde voor de ware Zon. Maar andere kinderen hebben vleselijke neigingen die vol zijn van een grote menigte ondeugden. Toch zijn zij trouw en warmhartig in het volgen van het ware geloof en verlangen zij naar de eeuwige aangelegenheden vanwege de uiteindelijke beloning.

Van de kinderen die naar die zuivere en lichtende schittering keken, hadden sommigen heldere ogen en stevige voeten, en zij gingen kordaat de buik van de vrouwengestalte binnen.
Dat wil zeggen dat zij door de hemelse dingen na te streven, hun ogen in juiste beschouwing gericht houden op de geboden van God en op hun voortgang naar de goede afloop. Op die manier leven zij in de innige omhelzing van de moederlijke liefde, zodat zij niet verslappen in hun toegewijde bedoelingen, of het nu gaat om vergankelijke of eeuwige zaken.

Maar anderen hadden slechte ogen en zwakke voeten en werden door de wind her en der gedreven. Dat komt omdat zij geen zuivere bedoeling hebben en ook geen vaste toeleg op het doen van werken van volmaaktheid. Daarom worden zij als door de wind nu hier dan daarheen geworpen. Door allerhande bekoringen van zelfverheffing hebben, hebben zij hun fundament in allerhande bekoringen tot zelfverheffing.

Met een stok in de hand dwaalden zij voor de vrouwengestalte heen en weer en raakten haar soms even flauwtjes aan. Terwijl zij een hoogmoedig vertrouwen stellen op hun daden, doen zij het bedrieglijk voorkomen alsof zij zich in de richting van de Kerk van God bewegen. Maar ondertussen hebben zij met wereldse wijsheid iets onwijs op haar aan te merken, want ofschoon zij met huichelachtige veinzerij voor het oog van de mensen voorgeven wijs te zijn, worden zij bij God voor dom gehouden met hun ijdele roem.

Andere kinderen die wel heldere ogen maar zwakke voeten hadden, zwierven her en der in de lucht voor de vrouwengestalte door. De betekenis daarvan is de volgende. Terwijl de goddelijke geboden door innerlijke overweging aan deze mensen bekend zijn, lopen zij mank als het er op aankomt om die in praktijk te brengen. Op die wijze laten zij door  eigen onstandvastigheid zien welke bruiden van Christus zij zijn, namelijk als zoekenden naar wijsheid in de duisternis. En,  terwijl zij menen die wijsheid al in pacht te hebben nog voordat die tot hun verstand is doorgedrongen, blijft die voor hen zonder enig nut.

Weer andere met zwakke ogen maar sterke voeten dwarrelden toch flauwtjes om de vrouwengestalte heen. Dat betekent dat zij maar zwak ingesteld zijn op het doen van het goede,
terwijl ze sterker bezig zouden moeten zijn met werken van gerechtigheid. Maar zij gaan gewoon niet naar kerkelijke instellingen toe, omdat ze hun gedachten eerder bij aardse dan hemelse zaken hebben. Daarom zijn zij voor God domme mensen, want met hun wereldse instelling willen zij begrijpen wat zij niet kunnen volgen.

Maar van hen die naar een onrustige en rossige gloed kijken, treden sommigen goed gekleed en kordaat voornoemde vrouwengestalte binnen. Dat duidt op hen die, ofschoon ze (veel) aardse goederen bezitten, de opbrengst van hun inspanningen in de schoot van de Kerk brengen. Zij achten het niet onder hun waardigheid om hun schreden te richten naar de goddelijke wet van gerechtigheid. Zij gehoorzamen aan de opdracht van God om vreemdelingen op te nemen, naakten te kleden en hongerigen eten te geven (cfr.Mat.25,31-46). O, wat zijn dat gelukkige mensen, want op die manier nemen zij God op waardoor Hij zelf bij hen woont.

Maar anderen ontworstelen zich aan haar en bestrijden haar en verzetten zich tegen de door haar vastgestelde verordeningen. Het betreft  mensen die de moederlijke schoot en haar zoete voeding verlaten en haar vermoeien met meerdere dwalingen, en de door God ingestelde wetten verscheuren door allerhande geweldplegingen.

Maar, bewogen door berouw, keren sommigen van hen nederig tot haar terug. Want hoe zwaar zij ook gezondigd hebben, op waardige wijze doen zij boete om hun leven te herstellen, en bestraffen zij zichzelf zwaar. Maar anderen volharden in koppigheid en blijven steken in verheerlijking van hun dood. Want met hun afgestompt hart verachten zij het leven, en door hun hooghartige en onboetvaardige waanzin nemen zij het doodvonnis op zich, zoals Ezechiël het formuleert in zijn mystieke visioen.

14. Woorden van Ezechiël over deze aangelegenheid. (Ez.7,27)

De koning zal jammeren en de vorst zal in rouw gehuld zijn en de handen van het volk zullen vertwijfeling uitdrukken. Naar hun daden zal Ik hen vergelden, en naar hun oordeel zal Ik hen veroordelen. Zij zullen weten dat Ik de Heer ben.
Waar slaat dat op? De ziel, waarin toch koninklijk verstand aanwezig is, als zij een hang naar zonde voelt opkomen omdat zij het kwade kent, zal dan een treurige instemming beleven. Hoe dan? Omdat aan haar verstand, wijsheid en kennis door God wordt ingeademd. En ook al is zij het met het lichaam eens, toch zal zij het kwade haar onwaardig achten, wetend dat het niet goed is.
Daarom, wanneer zij zich door de werking van het vlees met meerdere misdaden heeft bezoedeld, slaakt zij diepe verzuchtingen naar God.

En wanneer dan een misdaad door influistering van trots tot stand komt, wordt het lichaam als een vorst die zijn goede faam kwijt geraakt is en gekleed gaat in ontsteltenis. Hij beoefent zijn vorstelijke taak namelijk in onreinheid. Want zoals iemand het verdrietig vindt om in armazalige kleding rond te lopen, zo treurt hij ook wanneer een schandalig gerucht tot eigen ontsteltenis van hemzelf uitgaat.
Daarom ook wordt het kwalijk gedrag van mensen die te gronde gericht zijn, door de hemelse geboden in verwarring gebracht. Zij hebben immers geen kleding van heil aan, dat wil zeggen: geen zaligheid met God. Dat is ook de reden waarom zij, die dat geluk niet hebben, een kwaadaardige verontrusting ten deel valt. Aan hen die dat geluk niet hebben, zal een kwaadaardige verontrusting ten deel vallen. En overeenkomstig de weg van ondeugd die zij steeds bewandelen – zij vereren immers de weg van de zonde – leggen zij geen enkele daad van rechtvaardigheid op de weg van hun hart, ook als zij daartoe door de Heilige Geest worden aangespoord. Zo zal Ik ook hen behandelen. Ik zal namelijk geen enkel blijk van medelijden aan hen besteden. Want terwijl zij de kennis van het goede niet begrijpen, vrezen zij Mij ook niet. Maar zij verachten Mij, de Schepper van al wat bestaat, met de razernij van hun slechtheid. Zij doen wat zij willen. Vandaar ook dat Ik hen zal oordelen overeenkomstig hun eigen oordelen zoals die  blijken uit de daden die doordrongen zijn van hun verlangens. Ik zal hun geen enkele beloning van geluk geven, maar hun verderfelijke straffen opleggen, want zij brengen Mij geen enkele eer. En hierbij weten zij dat niemand hen daarvan kan vrijwaren, behalve Ik die de Heer van allen ben.
Maar het is te hopen dat wie met waakzame ogen toekijkt en met open oren luistert, deze geheime woorden van Mij met een kus van omhelzing begroet. Ze gaan immers uit van Mij, de Levende.

Scivias 2.5.1-31
HOOFDSTUKKEN VAN HET VIJFDE VISIOEN VAN HET TWEEDE DEEL

  1. De apostelen en de zalfmakers /zalfdragers, hun metgezellen, omgeven de Kerk met hun leer als priesters van het Oude Verbond.
  2. Het voorbeeld van Abel
  3. De dienaren van de Kerk moeten de kuisheid bewaren.
  4. Een verheven beloning staat hen te wachten die volgens een Regel in kloosterlijke beslotenheid leven zonder de taak van zalfmakers te vervullen.
  5. De staat van edelste volmaaktheid is gelegen in de bekoorlijkheid van het maagdzijn.
  6. Een meisjesachtige gestalte.
  7. De menigte die, wonderlijk getooid, om diezelfde gestalte
  8. Woorden van Johannes hier over.
  9. De maagdelijkheid die aan God opgedragen wordt, moet zorgvuldig onderhouden worden
  10. Wie na de verbreking van de gelofte van zuiverheid terugkeert, zal de bloem van ongereptheid missen. Hij zal immers niet meer als meesteres maar als dienares worden opgenomen
  11. Nog een voorbeeld hiervan.
  12. Omdat er een groot verschil is tussen het hemels verlangen en het aards begeren, kon de mens alleen maar verlost worden door het bloed van de Zoon van God.
  13. Over hen die in de gloed van de liefde het lijden van Christus navolgen, en als een levende geur de weg van de geheime wedergeboorte inslaan.
  14. Woorden uit het Evangelie over deze aangelegenheid.
  15. Zij die de maagdelijkheid beoefenen, en zij die de weg van de geheime wedergeboorte volgen, vallen niet onder de wet.
  16. Het voorbeeld van Johannes (de Doper) hierbij.
  17. Mensen die de weg van de geheimnisvolle wedergeboorte volgen ten bate van de noden en het nut van de Kerk, zijn de geur ten leven wanneer zij de kerkelijke leiding aanvaarden en de last van de wereldse zaken van zich afwerpen.
  18. Woorden uit het Evangelie over Johannes de Doper
  19. Hun kleding moet niet lijken op die van de andere mensen, maar moet een verwijzing zijn naar de menswording en de begrafenis van Christus.
  20. Het eerste licht van de dag, de morgenstond, de aanvang van deze leefwijze, de zon, duidt de uitzonderlijke weg aan van Benedictus die een andere Mozes is.
  21. Het is mooi als zij die in deze levenswijze beproefd bevonden worden, het daar boven uit reikende priesterschap op zich nemen ten bate van de noden van de Kerk
  22. Niemand mag overijld tot zulk een leefgemeenschap toetreden. Hij moet eerst intens op zijn innerlijke motieven onderzocht worden.
  23. Leken die de wet van God in acht nemen, zijn een zeer mooi sieraad van Gods Kerk.
  24. Omwille van deze aangelegenheid mag een man zijn vrouw niet verlaten, en een vrouw niet haar man, tenzij zij beiden vrijwillig daarmee instemmen.
  25. Woorden van het Evangelie.
  26. De genoemde kerkelijke instellingen maken de Kerk stevig in haar rangen en standen.
  27. Met het oog op de eendracht dient in iedere instelling verscheidenheid van gewoontes, uitzonderlijkheid en nieuwerwetsheid van leven en kleding vermeden te worden.
  28. Woorden van Johannes hierover (Cfr. Apoc.3,15-16)
  29. Vergelijking met bouwvakkers.

 

1. De apostelen en de zalfmakers /zalfdragers *), hun metgezellen, omgeven de Kerk met hun leer als priesters van het Oude Verbond.

(Ongetwijfeld herinnert Hildegard zich de tweevoudige opdracht die Jezus aan zijn leerlingen gaf: “Genees de zieken en zeg tegen hen: ‘Het koninkrijk van God is nabij’” Cfr. Lk.10,9; 9,2; Mk.6,7.12-13; Mt.10,7-8. Hildegard ziet in de genezende volgelingen van Jezus “de zalfmakers/-dragers” van zijn tijd. Ongetwijfeld geeft zij zichzelf ook een plaats te midden van hen, want zij was in haar tijd een van de meest vermaarde “zalfmaaksters”. Fijntjes wijst zij er haar omgeving op dat haar klaarblijkelijk een van oorsprong priesterlijke bediening is toevertrouwd.
Typisch Hildegard! Zij eist op bescheiden, maar niet mis te verstane wijze, de plaats op die God haar klaarblijkelijk in de Kerk heeft toebedeeld. Feitelijk introduceert Hildegard hier een nieuw begrip als zij het woord “pigmentarius/zalfmaker/-drager” gebruikt. Het komt in de bijbel niet voor. In Sc.2.5.1 omschrijft zij hen als gelijkend op priesters van het O.T. Maar ook moeten zij aan het volk de kerkelijke tucht bijbrengen. Hildegard voegt daar aan toe: “Zij moeten de kinderen van de Kerk – dat zijn de schapen van Christus – weiden, en hen trouw voeden met de woorden van de kerkelijke leer en  hen sterken tegen de verleidingen van de oude verleider.” In Sc.2.5.2 herhaalt Hildegard: “Zij zijn aangesteld om de kinderen van de Kerk – dat zijn de schapen van Christus – te weiden, om hen trouw te voeden met de woorden van de kerkelijke leer en hen te sterken tegen de verleidingen van de oude verleider.” Doelt Hildegard op de dienst van de diakens? Het zijn in ieder geval personen die op een of andere wijze een praktische bijdrage leveren om de apostolische en pastorale opdracht van de Kerk, dat is de geloofsverkondiging en de praktische beleving daarvan, gestalte te geven.
In Sc.2.5.4 benadrukt Hildegard dat de leden van een gemeenschap die geen “zalfmakers” zijn, voor God niet onderdoen in belangrijkheid.)

Vandaar ook dat je ziet hoe een heldere glans de voornoemde vrouwelijke gestalte van de kruin tot aan haar keel doorstraalde, wit als sneeuw en doorschijnend als kristal.

Dat duidt op het feit dat de apostolische leer de Kerk omgeeft als de ongerepte bruid. Die leer heeft de allerzuiverste menswording aangekondigd van Hem die vanuit de hemel in de schoot van de Maagd is neergedaald, en die de sterkste en helderste spiegel van alle gelovigen geworden is. Dat is zo omdat die leer vanaf het begin de Kerk trouw met een schitterende omstraling heeft omgeven, vanaf het moment dat Zij tot stand kwam, tot aan de tijd dat Zij in staat was de vastere levensspijs te verteren. Hoe moeten wij dat zien?

De apostolische leer heeft aanvankelijk de Kerk aan haar hoofd omstraald, toen de apostelen haar allereerst begonnen op te bouwen met hun prediking. Zij doorkruisten verschillende plaatsen op zoek naar arbeiders die haar in het katholieke geloof versterkten. Zij zorgden er voor dat er ook priesters en bisschoppen kwamen en heel de kerkelijke ordening. En zij legden de wettelijke normen vast voor de gehuwde mannen en vrouwen, en ook alle overige zaken regelden zij op getrouwe wijze. Daarom volgen ook de zalfmakers diezelfde leer. Want zij lijken op de priesters van het Oude Verbond, die te maken hadden met de wet op de besnijdenis en die de mensen moesten voeden met innerlijk voedsel. Daarom hebben de apostelen hen ook uitgekozen om de Kerk te tooien met hun verheven invloed. Hoe moet je dat zien?
Hun opvolgers dragen ijverig op hun beurt trouw zeer heilzame zalven aan naar de gehuchten, dorpen , steden en andere plaatsen van streken en landen, en verkondigen daar de goddelijke wet aan de mensen. Zij zijn uitgelezen vaders en rentmeesters (cfr.1Kor.4,1) om in hun prediking aan heel het volk de kerkelijke tucht bekend te maken en het spijs ten leven aan te bieden.

Overigens laten zij zichzelf in de praktijk ook zo zien, opdat mijn schapen niet verward raken door hun manier van leven, maar hen juist goed kunnen navolgen. Het is immers hun taak om openlijk aan het volk spijs ten leven te bieden. Voor iedereen moeten zij op bescheiden wijze werken verrichten die betrouwbaar zijn. Zij moeten zichzelf in bedwang houden om geen geslachtelijk verkeer na te streven, want zij moeten aan de gelovigen geestelijk voedsel verschaffen en aan God een onbevlekte offergave aanbieden.
Deze leefwijze wordt afgebeeld in de onschuldige Abel, zoals over hem geschreven staat.

2. Het voorbeeld van Abel

Ook Abel offerde van de eerstgeboren lammeren van zijn kudde en van het vet daarvan (Gen.4.4).
Wat betekent dit?
Bij het begin van de opkomende tijd schitterde de heiligheid van koninklijke praal in iemand
die in heel zijn doen en laten heilig was. Dat was een gave van God die niet met de aarde maar eerder met de hemel van doen had. Hoe dan?

Abel droeg in alle oprechtheid de goede bedoeling van zijn hart aan God op en de volle toeleg van zijn wil. Dat deed hij toen hij in zijn hart bedacht om Hem de eerstelingen van de oogst op te dragen die hem ten deel gevallen was en hij dat voornemen ook op volmaakte wijze ten uitvoer bracht. Op die manier bracht hij eer aan de allerhoogste Vader, en toonde hij Hem zijn verschuldigde eer.

Zoals Abel zijn kudde vóór ging, en die al weidend heeft bewaakt, en met oprechte toewijding eerstelingen daarvan aan God heeft opgedragen, en ook het vet daarvan, zo ook zijn de reeds genoemde zalfmakers aangesteld om de kinderen van de Kerk – dat zijn de schapen van Christus – te weiden, om hen trouw te voeden met de woorden van de kerkelijke leer en hen te sterken tegen de verleidingen van de oude verleider. Ook moeten zij oprecht toezien dat van alles gaven worden opgedragen aan de Toezichthouder. Hoe dan?

Als zij hen niet in alles volmaakt kunnen maken, moeten zij toch enige vrucht die uit hen voortkomt, aan God opdragen. Als eerste is daar de zuivere bedoeling van hun wil. Die is als het ware de eenvoudige vrucht van de eerstelingen van hun kudde. En vervolgens gaat het om het volmaakte werk van hun bezigheid in diezelfde wilsbereidheid, als de zoete vrucht van hun vet. Maar hoe kwam het dat Abel God zo devoot vereerde? Zijn totale zuiverheid had hem tot zo’n grote toewijding aangezet.

3. De dienaren van de Kerk moeten de kuisheid bewaren.

Daarom moeten zij die door hun wijding aangesteld zijn om het Heilig Misoffer aan God op te dragen, in aangename kuisheid tot Gods altaar naderen. Want als zij zich met verderf inlaten, hoe kunnen zij dan nog – zelf gewond als zij zijn door het verderf – een hand reiken om een heilzaam geneesmiddel te verstrekken?
Daarom wil Ik dat zij dapper mijn Zoon navolgen in zijn liefde tot de kuisheid, zodat zij in staat zullen zijn om des te betrouwbaarder aan anderen het heilzaam geneesmiddel te kunnen aanreiken.
Mochten zij vallen, dan moeten zij zich haasten om door boetedoening snel weer overeind te komen, en dat zij daardoor als het ware naakt wegvluchten van de schandelijke zonde*).
Cfr.Markus 14,51-52.
Zij moeten het heilzame medicijn zoeken, en Abel van wie het offer voor God aanvaardbaar was, trouw navolgen.

4. Een verheven beloning staat hen te wachten die volgens een Regel in kloosterlijke beslotenheid leven zonder de taak van zalfmakers te vervullen.

Degenen onder hen die uit liefde voor mijn Zoon in de beslotenheid van gehoorzaamheid leven en in hun leefwijze de richtlijnen van hun Oversten volgen die deze op mijn ingeving
afkondigen, zullen hun verheven beloning ontvangen in de beloofde stad samen met de zalfmakers. Ofschoon zij niet belast zijn met de bange zorg van de zalfmakers, zal dat zo gebeuren, want zij zijn wat betreft de eeuwige beloning afhankelijk van hun Oversten.

5. De staat van edelste volmaaktheid is gelegen in de bekoorlijkheid van het maagdzijn.

Zoals je ziet: vanaf haar keel tot aan haar navel werd zij door een andere schittering omgeven, rood van kleur. De betekenis daarvan luidt:
Na de leer van de apostelen, toen de Kerk zo sterk geworden was, dat zij het heilzame brood echt kon onderscheiden, en die spijs kon aanwenden voor haar innerlijke kracht, is de edelste volmaaktheid van de kerkelijke godsdienstigheid ontstaan. Met intense aandacht heeft zij er de verheven zoetheid van geproefd, zich zeer streng inspannend om de geheime krachten in te snoeren. Het doel was niet om te komen tot tweespalt in vleselijke bitterheid toen zij het menselijk geslachtsverkeer heeft afgezworen. Hoe moet je dat verstaan?

Van de keel tot aan haar boezem kleurde zij rood als het ochtendgloren. De volmaaktheid heeft zich verlegd van de smaak van de wonderlijke voedingskracht naar het zeer zoete voedsel van de kerkelijke godsdienstbeleving, namelijk naar de maagdelijke bekoorlijkheid.

Maar vanaf de boezem tot aan haar navel glansde zij van een paarsachtig licht vermengd met hyacint: want via een zeer edele opvoeding heeft zij zich sterk gemaakt om zich in te perken tot intieme zuiverheid. Daarmee heeft zij het lijden van mijn Zoon nagevolgd. Dat heeft Hij doorstaan wegens zijn verheven liefde die Hij in zijn hart koesterde.
Daarom ook… waar die heldere glans als de dageraad gloorde, daar liet zij haar helderheid omhoog reiken tot aan de geheimen van de hemel. Dat betekent:
de volmaaktheid die opbloeit tot eer van de maagdelijkheid, richt haar kracht niet achterwaarts naar de aarde, maar juist wonderlijk omhoog naar de hemelse belangen.

6. Een meisjesachtige gestalte.

Te midden van die geheimenissen verscheen een zeer mooie gedaante van een meisje, blootshoofds en met bijna zwarte haarlokken. Zij stelt de onschuldige maagdelijkheid voor, zeer sereen, vrij van alle verfoeilijke menselijke begeerte. Haar geest is ontbloot van elke verfoeilijke menselijke begeerte. Zij kan evenwel nog niet helemaal de vermoeiende en verduisterende gedachten aan kinderen loslaten zolang zij nog in de wereld vertoeven. Maar zij verzet zich wel krachtig tegen deze gedachten opdat die zullen verdwijnen.

Zij is gekleed in een rode jurk die over haar voeten plooide.
Door het zweet van de inspanning bij het in praktijk brengen van deugdzame bezigheden volhardt zij ten einde toe in ver-reikende en gelukkig-makende volmaaktheid. Zij gaat immers gekleed in verscheidenheid van deugden in navolging van Hem die de volheid van heiligheid zelve is. En zoals jou in het geheim van het verheven licht duidelijk wordt, is zij de alleredelste kern in het hemelse Jeruzalem. Zij is de glorie en de roem van hen die omwille van hun liefde voor de maagdelijkheid hun bloed hebben vergoten, en in oprechte nederigheid hun maagdelijkheid voor Christus bewarend tot rust zijn gekomen in zoete vrede. Want, verloofd als zij is met de Zoon van de almachtige God die aller koning is, heeft zij Hem een zeer elegant koor van Maagden geschonken, toen zij gesterkt is geworden om voort te gaan in de vrede van de Kerk.

7. De menigte die, wonderlijk getooid, om diezelfde gestalte heen staat.

En rond dat meisje zag ik een zeer grote menigte mensen staan, helderder dan de zon. Zij waren allen wonderlijk mooi met goud en edelstenen getooid. Dit is het belangrijke koor van maagden dat de zeer edele maagdelijkheid met heel warme genegenheid omhelst. Ten overstaan van God schitteren zij allen met intens vlammende klaarheid, helderder dan de zon op aarde schijnt. Zij hebben manmoedig de dood overwonnen omdat zij zichzelf gering geacht hebben. Overeenkomstig de hoogste wijsheid worden zij dan ook heel terecht geëerd, want nederig hebben zij voor Christus zeer mooi werk verricht.

Vandaar ook dat sommigen van hen op hun hoofden witte sluiers dragen met daar omheen een gouden band. Want zij die schitteren in de roem van hun maagdelijkheid, laten zien dat mensen die haken naar het sieraad van de maagdelijkheid, hun denken afschermen tegen elke schadelijke ophitsing, en de puurheid van de onschuld met heel de glanzende schoonheid van de kuisheid gelovig aangrijpen.

Boven hun hoofden was er iets dat op de onuitsprekelijke glorie van de Drie-eenheid leek, zoals jou al eerder op zinnebeeldige wijze werd getoond. De Drie-eenheid verscheen als een soort bol in de sluiers, als een soort beeldhouwwerk. Dat betekent dat de bedoelingen van de mensen al krachtig en strikt de eer van de allerhoogste en glorierijke Drie-eenheid bevatten in het vervullen van de liefde en in het standvastig bewaren van de kuisheid, zoals je in het tonen van het mysterie op zeer waardige wijze duidelijk is geworden.

Op hun voorhoofd was het Lam Gods, op hun hals de gedaante van een mens, op hun rechter oor een cherubijn, en op hun linker oor een andere engel. Dat betekent dat zij in hun eerbiedige kuisheid de zachtmoedigheid van Gods Zoon zullen nabootsen. Ondertussen schudden zij de lichtzinnigheid van hun trotse nek af, en beschouwen zij zichzelf als zwakke mensen. Via de bereidwilligheid van hun gehoor, aanvaarden zij de ware en onfeilbare wijsheid. En bij eventuele tegenzin van het gehoor roepen zij de hulp van engelen in.

Het was alsof van deze gelijkenis met de glorie van de allerhoogste Drie-eenheid een gouden straal naar deze wezens uitging. De onuitsprekelijke Drie-eenheid laat niet na om wonderlijke wonderdaden van diepe wijsheid te bewerken bij mensen die de deugden nastreven en de verleidingen van de duivel ontvluchten.

Maar te midden van hen verschenen ook nog enige andere wezens die wollen wimpels om hun hoofden hadden en manteltjes van het bisschopsambt om hun schouders droegen.
Sommigen van hen die opvallen door hun eer van maagdelijkheid, zijn in de hemelse stad aanwezig. Ondanks dat zij de eerbiedwaardigheid van de vroegere Vaders en de eer van het hogere leraarsambt strikt gedragen hebben, hebben zij toch de glans van de maagdelijkheid niet verloren.
Daarom ook horen wij zeggen dat allen die uit hemelse liefde met hun verzuchtingen hun ongereptheid bewaard hebben, dat zij “dochters van Sion” genoemd worden. Zij hebben immers mijn Zoon, de bloem van de maagdelijkheid, nagevolgd in zijn liefde voor de maagdelijkheid. Daarom ook zijn geestelijke verzuchtingen eigen aan hen, en kiemen van alle geluiden en zwierende versieringen van gezegende gemoedsbewegingen en gouden aanblik van fonkelende stenen en edelgesteente. Hoe moet je dat begrijpen?

Zij hebben immers van Gods Zoon het geluid dat van zijn troon uitgaat. Vol verlangen stemt heel het koor van de maagden daarmee in, meezingend het nieuwe lied, zoals Johannes, de beminde maagdelijke persoon, getuigt.

8. Woorden van Johannes hier over.

Zij zongen een nieuw lied, staande voor de troon en voor de vier dieren en de oudsten (Apoc.14,3)
Wat betekent dit?
Bij de gelovigen die met de beste bedoeling de maagdelijke zuiverheid aangaan en die ook uit liefde tot God ongerept bewaren, uit zich op wonderbare wijze hun goede wil tot lof van hun Schepper. Hoe dan?
Het gloren van de maagdelijkheid die altijd bij de Zoon aanwezig is, is zeer lofwaardig. Geen enkele aardse taak of wettelijke verplichting kan daaraan tippen.
Met opgetogen stem (Cfr. Ps.42,5) bezingt zij een hemels lied tot eer van God. Hoe dan?

Dat lied heeft klaarblijkelijk zulk een snelle opgang en spreekt zich op zo’n wonderlijke wijze uit voor een nieuwe vrijheid, dat het niet gehoord is geworden, voordat de Enig geborene van God, die de bloem van de maagdelijkheid is, mens geworden is en uit de wereld naar de Vader terugkerend, opnieuw zetelt aan de rechterhand van de Vader. Maar dan, alsof het een nieuwe leefwijze betreft die eerder nooit bekend was, maar zodra ze bekend werd, met verbazing werd gade geslagen, zo is dit een nieuw geloofsgeheim. Daarover heeft men ook eerst nooit iets gehoord, maar dan wordt het als een weerklank in de hemel bekend ter ere van de maagdelijkheid. Allereerst voor Gods majesteit, want God heeft het tot stand kunnen brengen. Vervolgens voor de vier wielen *) die de vier windstreken van de wereld doorkruisten, die als dieren *) de waarheid omtrent elke gerechtigheid en menselijkheid van de verlosser in een nieuw Verbond brachten. En daarna voor die ouderen die, vol van de Heilige Geest, de weg van de gerechtigheid binnen het Oude Verbond aan de mensen gewezen hadden door hun eigen levenswandel. Wat is dit? Omdat God in het nieuwe Verbond de strengheid van het oude Verbond heeft verzacht.

(*Deze “vier wielen” en de “dieren” roepen ons het visioen van de profeet Ezechiël in gedachten. (Ez.10,2.6 en 14). De wagen met vier wielen, die alle hun eigen weg gaan, stelt de troon van Gods werkzame aanwezigheid voor. Op die wagen zijn vier “dieren” aanwezig als boodschappers van de Almachtige. Zie ook Apoc.4,6-8. Zij zijn toegerust met vleugels, ten teken dat zij boodschappers van God zijn. Sinds de Middeleeuwen ziet men in hen voorafbeeldingen van de vier Evangelisten. In deze tekst van Hildegard is dat waarschijnlijk nog niet het geval. De engelachtige gedaante stelt dan Matteus voor; de leeuw is het symbool voor Markus; het rund voor Lukas en de adelaar voor Johannes.)

9. De maagdelijkheid die aan God opgedragen wordt, moet zorgvuldig onderhouden worden.

Omdat de maagdelijkheid voor God zo glorievol is, moeten zij die haar uit vrije wil aan God hebben opgedragen, haar zorgvuldig in acht nemen. Het heilig voornemen tot maagdelijkheid, dat met verheven toewijding werd genomen, moet trouw in acht genomen worden. Daarom moeten zij die tot deze heilige instelling genaderd zijn, er op toezien dat zij niet terugdeinzen.
Want zij zijn zeer geliefde navolgers van mijn Zoon als zij zich zo aan God aanbieden. Zij verachten de vleselijke behoeftes om niet gebonden te zijn aan echtelijke verplichtingen of aan wereldse beslommeringen; zij verlangen er alleen nog maar naar om zich te hechten aan de glorievolle onschuld van het onschuldig Lam. (Cfr.Apoc.14.4).

De man die voor zichzelf het besluit neemt om met geen enkele rib (rib=vrouw cfr.Gen.2,21-23) een verbintenis aan te gaan, en die er naar verlangt om uit liefde tot mijn Zoon te volharden in
kuise maagdelijkheid, ontvangt diens sympathieke bijstand, mits hij in de staat van maagdelijkheid volhardt. Want hij heeft deze heilige aangelegenheid aan mijn Zoon opgedragen in een gelofte van de heiligste overeenkomst van het kerkelijk godsdienstig leven omwille van de glorie van de aller verhevenste beloning.

Maar als hij later deze gelofte breekt vanwege een schandelijke prikkel in het vlees en overspel pleegt, zet hij zijn vrijheid weer om in slavernij, want de eer die hij om zijn hals draagt en waarmee hij mijn Zoon zedig diende na te volgen, heeft hij misdadig verbroken door schandalig genot. Ook heeft hij gelogen door een kuis leven voor te wenden, maar er zich niet aan te houden.
Daarom, als hij zal volharden in die schuldige onbezonnenheid, zal hij ook het gerechte oordeel van de allerhoogste Rechter ondergaan, want schande en leugen hebben geen toegang tot de hemel.

10. Wie na de verbreking van de gelofte van zuiverheid terugkeert, zal de bloem van ongereptheid missen. Hij zal immers niet meer als meesteres maar als dienares worden opgenomen.

Als iemand voor het einde van zijn leven met bittere tranen boete doet voor zijn schuldige daad, zal de golf van bloed van mijn Zoon hem toch opnemen, omdat hij hevig geschrokken is van zijn schuldig gedrag. Hij zal hem evenwel niet plaatsen te midden van zijn metgezellen die bloeien door de glorie van hun ongereptheid. Want hun gezelschap heeft hij versmaad door te verlangen naar vrij zijn van zijn verbintenis, die hij verlaagde tot dienstbaarheid aan de zonde.

Maar een meisje dat uit vrije wil in een heilige verloving aan mijn Zoon wordt opgedragen, wordt op zeer gepaste wijze door Hem aanvaard. Zo wil Hij haar als zijn deelgenote met zich verbinden. Hoe dan?
Hij houdt van haar in het diepst van zijn hart, zoals ook zij Hem in kuise liefde omarmt. Zij is immers altijd vol liefde voor Hem, en begeert Hem méér dan een aardse bruidegom.
Daarom ook is het duidelijk dat als zij op een later tijdstip haar gelofte verbreekt, zij besmeurd zal zijn in de ogen van hen die in de hemelse contreien vertoeven. Maar als zij tot berouw komt, wordt zij opgenomen als dienstmaagd, niet meer als meesteres. Zij heeft immers het koninklijk bruidschap verlaten. En ook heeft zij een ander méér liefgehad dan Hem die zij beminnen moest.

Ook hij die haar verleid en geschonden heeft, als hij zijn schuld wil uitboeten, moet op zo’n manier boete doen dat hij als het ware de hemel openbreekt, opdat hij niet in het verderf van de dood terecht zal komen omdat hij de meest verheven verloving heeft geschonden.
Hoe moeten we dat zien?

11. Nog een voorbeeld hiervan.

Als een grote vorst heel veel van zijn bruid houdt, en als die door een van zijn onderdanen wordt verkracht, wat zal die heer dan doen? Ja zeker, in opperste woede stuurt hij zijn leger op hem af om hem te vernietigen, want deze man heeft hem tot in het diepste van zijn wezen
gekrenkt.

Maar als die onderdaan, bang geworden, dat leger smeekt om voor hem genadevol tussenbeide te komen, en als hij bovendien zijn heer smekend te voet valt opdat deze hem zou sparen, dan zal de koning hem, vanuit zijn goedheid en omwille van het smeken van al die mensen, in leven laten en hem terug laten keren te midden van zijn dienaren. Maar hij zal hem niet meer belonen zoals hij zijn getrouwen en zijn naaste vrienden beloont, ofschoon hij hem te midden van zijn andere mededienaren gratie verleent.

Zo zal het ook de mens vergaan die de bruid van de eeuwige koning verleid en geschonden zal hebben. Want in zeer terechte ijver ontstoken zal diezelfde koning zijn recht uitoefenen en hem in het verderf storten. Want als een bedrieger heeft die mens Hem in deze aangelegenheid vergeten.
Maar als die ellendeling, denkend aan de dag van verontwaardiging, de uitverkorenen van God smekend benadert om voor hem genade bij de Heer af te smeken, en daarbij ook nog smekend opziet naar de menselijkheid van de Verlosser om door zijn genade verlost te worden, dan zal die Koning, rekening houdend met het bloed dat gestort is voor de redding van het menselijk geslacht, en met de liefde van de verheven bewoners van de hemel, hem wegrukken van zijn schuld en van de duivelse macht opdat hij niet in het verderf terecht komt. God zal hem plaatsen in de redding van de gelukzalige zielen. Toch zal Hij hem niet laten deel nemen aan de drie-dans*) van de koninklijke verloving waarin de overige vrienden van God zich verheugen samen met de heilige maagden die in een zeer heilige verloving mijn Zoon zijn toegewijd. Eveneens zal Hij geen kroon geven aan hem die de zedige glans van zijn maagdelijkheid kwijt is, alhoewel Hij hem te midden van zijn andere uitverkorenen in de verheven stad de vreugde zal geven als een onschatbare beloning.

(*Hier wordt de term tripudium gebruikt. Dit is de benaming van een religieuze dans die de Galliërs ieder jaar in maart in de straten van Rome dansten ter ere van de oorlogsgod Mars. We spreken dan van ± 500 vóór Christus.

Hildegard maakt er een dans van ter ere van God. Die dans vindt dan ook plaats in de hemel. Het is een eervolle uitverkiezing om mee te mogen dansen. De dans heet TRI-pudium. Door die in de hemel te laten plaatsvinden wordt er een link gelegd met de naam van God die daar verblijft: TRI-nitas oftewel Drieëenheid

Tot op de dag van vandaag is er een soort tripudium bekend in de Luxemburgse stad Echternach. Ter ere van de Heilige Willibrord vindt daar al sinds de Middeleeuwen de sprinprocessie plaats op dinsdag na Pinksteren.

In dit verband roept het woord tripudium een niet bestaand woord in de gedachte namelijk tripudicum .Pudicus is het latijnse woord voor kuis. Tripudicum zou dan uitdrukking kunnen zijn van driewerf kuis. Het is duidelijk dat een gewezen verkrachter aan zo’n hemelse dans geen deel zou kunnen hebben, zoals Hildegard uitdrukkelijk stelt. We mogen onze reserves hebben bij deze beeldspraak van Hildegard t.a.v.de hemelse gelukzaligheid. In ieder geval staat Jezus een ander beeld voor ogen (Jo.17,21) Mogen allen één zijn, zoals U, Vader, in Mij bent en Ik in U, zo moeten zij in Ons zijn, zodat de wereld kan geloven dat U Mij hebt gezonden.)

12. Omdat er een groot verschil is tussen het hemels verlangen en het aards begeren, kon de mens
En rond dat meisje zag ik een zeer grote menigte mensen staan, helderder dan de zon. Zij waren allen wonderlijk mooi met goud en edelstenen getooid. Dit is het belangrijke koor van maagden dat de zeer edele maagdelijkheid met heel warme genegenheid omhelst. Ten overstaan van God schitteren zij allen met intens vlammende klaarheid, helderder dan de zon op aarde schijnt. Zij hebben manmoedig de dood overwonnen omdat zij zichzelf gering geacht hebben. Overeenkomstig de hoogste wijsheid worden zij dan ook heel terecht geëerd, want nederig hebben zij voor Christus zeer mooi werk verricht.

Vandaar ook dat sommigen van hen op hun hoofden witte sluiers dragen met daar omheen een gouden band. Want zij die schitteren in de roem van hun maagdelijkheid, laten zien dat mensen die haken naar het sieraad van de maagdelijkheid, hun denken afschermen tegen elke schadelijke ophitsing, en de puurheid alleen maar verlost worden door het bloed van de Zoon van God.

Maar onder diezelfde heldere glans die als de dageraad rood gloeide, zag ik tussen de hemel en de aarde zeer compacte duisternissen opduiken, erger dan mensentaal beschrijven kan.

Tijdens de maagdelijke glorie die er bestond tussen het geestelijk en het vleselijk begrijpen van de eerste mens, vond zijn val plaats. Hij bevond zich in een zeer dichte duisternis van ontrouw. Dat was zo erg dat geen enkele mens die ontreddering zou kunnen beschrijven.
Want wat was er aan de hand?

Bij de menswording van Gods Zoon, geboren uit een Maagd, is het hemels verlangen ontstoken en is het aardse begeren gaan wankelen. Want door het bloed van diezelfde Zoon van God is de misstap van Adam op wonderlijke wijze hersteld tot heil. Niemand anders dan de Zoon van God, die door de Vader naar de wereld gezonden werd, kon het probleem oplossen en de intrede naar hogere zaken (weer) mogelijk maken. Daaruit blijkt, zoals je hoort in deze typische openbaring, dat de overtreding dusdanig de mens zou neerdrukken, dat hij niet in staat zou zijn om tot de vreugde van de hoogverheven hemelburgers te geraken tenzij die Zoon van God zijn bloed zou storten voor het heil van de mensen.

13. Over hen die in de gloed van de liefde het lijden van Christus navolgen, en als een levende geur de weg van de geheime wedergeboorte inslaan.

Waar dat heldere licht schitterde als purper vermengd met hyacint, daar omstraalde het nog sterker de reeds genoemde vrouwengestalte.

Dat duidt op de volmaaktheid van hen die de Kerk sterk sieren met de beteugeling van zichzelf door zich in warme liefde bij het lijden van mijn Zoon aan te sluiten en daarmee de Kerk te sieren. Hoe dan?
Zij zijn het die binnen het goddelijk raadsbesluit het hoge gebouw vormen van een oprijzende schatkamer.
Want toen de Kerk op krachten was gekomen, is van haar een levende geur uitgegaan die haar tot eer strekt, de weg koesterend van de geheimnisvolle wedergeboorte. Wat betekent dit? Toen is namelijk de wonderlijke ordening ontstaan die lijkt op die van mijn Zoon. Want zoals die Zoon van Mij in de wereld kwam, afgescheiden van het gewone volk, zo verkeert ook deze legerschare in de wereld afgezonderd van de rest van het volk.
Zoals balsem zoetjesaan uit een boom zweet, zo zijn ook deze mensen eerst in de woestijn en afgezonderd in het verborgene ontstaan. Daarna hebben zij zich langzaam uitgebreid tot een veelvuldige menigte zoals een boom zijn takken uitspreidt. Deze mensen heb Ik gezegend en geheiligd. Zij zijn voor Mij heerlijke bloesem van rozen en lelies, die zonder tussenkomst van mensen op een akker groeien. Zo ook verplicht geen enkele wet deze mensen er toe om naar zo’n smalle weg te verlangen. Deze mensen zijn zelf die weg opgegaan op zachte inspiratie van mijn kant, zonder enig wettelijk voorschrift. Zij volbrengen méér dan hun is bevolen. Daarom ontvangen zij ook een veel grotere beloning, zoals in het Evangelie geschreven staat waar een Samaritaan een gewonde man naar een herberg brengt (cfr.Lukas 10,30-37).

14. Woorden uit het Evangelie over deze aangelegenheid.

‘s Anderendaags haalde hij twee denariën tevoorschijn en gaf ze aan de waard. “Zorg goed voor hem”, zei hij, “en als u nog meer kosten moet maken, zal ik ze u op mijn terugreis vergoeden (Lk.10,35).
Wat betekent dit?

Op de eerste dag van het heil, toen de Zoon van God op wonderlijke wijze mens geworden was en lijfelijk in de wereld verbleef, heeft Hij in zijn mensheid veel wonderlijke daden verricht tot en met zijn verrijzenis. Daarmee heeft Hij de gewonde mensheid op heilzame wijze naar de echte geneesmiddelen geleid. Maar ‘s anderendaags’ dat wil zeggen: toen alle geheimenissen van de waarheid na zijn verrijzenis openbaar werden in de Kerk, heeft Hij het Nieuwe en het Oude Testament op voorbeeldige wijze tot uitdrukking gebracht in het allerzekerste bewijs van het eeuwig leven(NB.de verrijzenis!) en in de zoetste spijs voor het gelovige volk (NB.de Eucharistie!).

Deze geschriften heeft Hij uit genade toevertrouwd aan de herders van de Kerk die zijn kudde bewaken. Hij heeft hen met de woorden van zijn zachtmoedige vermaning toegesproken: Ga binnen de kerkelijke geledingen op zoek naar een aantal christelijke mensen die Ik in mijn bloed heb verlost en aan u heb toevertrouwd, opdat zij niet zullen dwalen en in gebreke blijven in zaken die tot het leven behoren.

Wat u ook vanuit uw goede wil toegevoegd zult hebben aan wat Ik u ter bewaring heb toevertrouwd, Ik zal u belonen met toegevoegde rente voor uw goede werk en uw goede wil.
Ik ben uw leider en redder. Ik verlaat de wereld een stijg op naar mijn Vader. Als Ik terugkom om de wereld te oordelen en haar onwankelbaar vast te leggen zodat zij met het verstrijken van de tijd niet meer zal verzwakken, dan zal Ik u het loon geven voor uw arbeid en goede wil en zelfs met verhoogde rente. En Ik zal u zeggen: “O goede en betrouwbare knecht die trouw bent in je dienstbaarheid!” Wie meer toevoegt aan zijn gelofte dan de wet voorschrijft, zal een dubbel loon ontvangen, want zo iemand is voor Mij glorievol , omdat hij Mij zeer heeft bemind.
(Hildegard verwijst hier heel duidelijk naar de parabel van Matteüs 25,14-30.)

15. Zij die de maagdelijkheid beoefenen, en zij die de weg van de geheime wedergeboorte volgen, vallen niet onder de wet.

Zij die tot de maagdelijke staat behoren en zij die leven binnen de kring van bijzonder toegewijden, en zij die hen navolgen, zoals degenen die in de woestijn vertoeven, vallen niet onder de wet. Dat is vergelijkbaar met profeten die ook niet door de mensen onder een vleselijke wet gesteld zijn, want zij zijn voortgekomen omdat zij zo vol zijn van mijn inspiratie. Zij allen doen meer dan hun is voorgeschreven. Mensen die tot het priesterschap behoren en de anderen die daar deel aan hebben, doen dit niet, want deze zaken zijn onder Abraham en Mozes voorgeschreven in het Oude Testament. Ook de apostelen hebben deze zaken uit dezelfde wet overgenomen en overeenkomstig mijn wil goed geordend overgeleverd aan de Kerk om ze te onderhouden. Diezelfde apostolische leer is door mijn Zoon in het evangelie overgeleverd. Zijn leerlingen zijn de hele wereld in gezonden om er de woorden van de waarheid te verkondigen.
En toen?
Toen de apostelen de de weg van het heil aan het volk verkondigden, is er de heel heldere dageraad van Sions dochters opgegaan uit liefde tot mijn Zoon. Het gaat over hen die hun vlees erg sterk aan banden hebben gelegd en de boze begeerlijkheid in zichzelf nog al hardhandig aangepakt hebben. En zoals toen die kuise maagdelijkheid uit warme liefde voor mijn Zoon is ontstaan, zo ook hebben deze Mij zeer dierbare mensen van uitzonderlijke toewijding, zijn menswording nagebootst. Zij zijn mijn ware tempels. Zij zijn als engelenkoren die Mij vereren. Ook dragen zij in hun lichaam het lijden, sterven en begraven zijn van mijn Enige Zoon met zich mee. Ook sterven zij niet door het zwaard of iets anders verschrikkelijks waardoor mensen sterven, maar omdat zij mijn Zoon zó navolgen dat zij de wil vaan hun vlees verzaken. Daartoe leggen zij alle wereldse zaken en sieraden af waaraan de wereld juist plezier beleeft. Zo staat het beschreven in het evangelie over Johannes, het licht van de wereld.
(Hier kan gemakkelijk een misverstaan plaatsvinden. Waar Hildegard op doelt is de tekst Jo.1,8 Hij (=Johannes de Doper!) was niet het Licht. Hij moest getuigen van het licht. Hildegard zegt dus niets over de evangelist Johannes, maar over Johannes de Doper. Dat blijkt ook uit paragraaf 16.)

16. Het voorbeeld van Johannes (de Doper) hierbij.

Johannes had een kleed aan van kameelhaar en droeg een leren gordel om zijn middel.
(Cfr.Mt.3,4 en Mk.1,6)
Wat betekent dit?
Hij in wie de goddelijke genade een bewonderenswaardige onthouding in stand had gehouden, bezat door diezelfde genade ook de verdediging van de deugd. In zijn geest had hij eer en wereldse rijkdom veracht. Uit versterving had hij een insnoering van de ondeugden gelegd om de wellust van het vlees. Hij verrichtte grotere werken dan zijn voorgangers door via een harde en ruwe levenswijze de aardse lusten met voeten te treden.
Hoe dan ?

Door strikt heel veel deugden te beoefenen heeft hij de kuisheid een warm hart toegedragen en de weg van de genezing gewezen aan hen die daar toegewijd naar op zoek waren. Vandaar ook dat zij de geur ten leven zijn en de weg van de wedergeboorte bewandelen door in hun leven Johannes na te volgen die door het zeer intens beoefenen van de zalige deugden
een stralend licht is in de ergste duisternis van de wereld. Laat hen dus de onnozele hoogte en breedte van wereldse zaken ontvluchten, en in de beteugeling van hun verstrooid gemoed hun lichaam oefenen in het verwerpen van slechte begeertes. Zij doen dat met voortreffelijkere werktuigen dan zij die vóór hen de weg van de Heer eenvoudig bewandelden en eenvoudige woonverblijven bouwden. Zij schitteren zeer helder terwijl zij het steile en smalle pad betreden. (Men kan hier een allusie in lezen op Mt.7,14 Hoe nauw is de poort en hoe smal de weg die naar het leven leidt; er zijn maar weinig mensen die hem vinden.). Zij vertrappen krachtig met hun voeten de dingen die behoren tot de wellustige dingen van de wereld.
Hoe dan?

Omdat zij zichzelf gering achten en hun lichaam onderwerpen aan de dienst van Christus door het beoefenen van de deugden, buigen zij de lichtzinnigheid om in gestrengheid van zeden. Op die manier geven zij met hun goede voorbeeld aan de andere mensen een zeer helder teken. Zij bootsen immers getrouw het engelenkoor na.
Hoe dan?

In de verwerping van de aardse belangen. Zoals engelen geen aardse belangen nastreven en die ook niet zoeken, zo ook volgen deze mensen hen op wonderlijke wijze na, en verachten zij alles wat aan verval onderhevig is.

17. Mensen die de weg van de geheimnisvolle wedergeboorte volgen ten bate van de noden en het nut van de Kerk, zijn de geur ten leven wanneer zij de kerkelijke leiding aanvaarden en de last van de wereldse zaken van zich afwerpen.

Zoals mijn Zoon de boodschapper is van heilbrengende sacramenten, en priester van de priesters, en profeet van de profeten en bouwer van geluk brengende torens, zo moet ook – als de noodzaak zich voordoet – iemand die tussen zulke mensen roeping en aanleg heeft (letterlijk: de wortel van geur met nut bezit) boodschapper en priester, profeet en raadgever zijn van de kerkelijke instelling. In geen enkele opzicht mag hij van deze mensen afgezonderd worden indien hij tenminste een heldere kijk blijft behouden en niet zit te slapen waar het de kerkelijke zaak betreft, maar wakend blijft om haar te dienen, terwijl hij zich distantieert van de zorg voor tijdelijke zaken en ook de lasten van de wereld van zich afwerpt. Want engelen, priesters en profeten moeten de rechtvaardigheid van God niet verduisteren, maar die op diens bevel juist naar waarheid verkondigen, zoals Johannes deed die geen riet was dat door de wind werd bewogen (Cfr. Mat.11,7 en Lk.7,24:Jezus over Johannes: “Waarom bent u naar de woestijn gegaan? Om naar riet te kijken dat beweegt met de wind?”) Zijn strenge leefwijze moeten zij navolgen.
Zo staat het ook in het Evangelie beschreven.

18. Woorden uit het Evangelie over Johannes de Doper

Heel Judea en alle bewoners van Jeruzalem liepen naar hem uit. Ze lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan, en bekenden openlijk hun zonden (Markus 1,5)
Wat betekent dit?

In verzuchtingen en weeklachten over het genot van ondeugden ging men uit naar hem in wie de goddelijke genade werkzaam was. Het ging om de volledig vrome wil om eenvoudig schuld te bekennen, en de totale uitwerking van een eensgezind uitzicht op vrede bij de mensen van wie de harten geraakt waren door de vrees voor de dood en de liefde om te leven.
Hoe dan?

Omdat Johannes, de voorloper van de waarheid, hun zowel bitterheid als zoetheid in het vooruitzicht had gesteld, smeekten zij van zijn rechtzinnigheid om het bad van bereidheid tot boetedoening *), terwijl zij met afwijzing van het kwade en het verrichten van het goede hun misstappen beleden. Zo verdienden zij het om diegene te verkrijgen die hen niet in de schaduw van de oude tijd het geneesmiddel aankondigde, maar hun het ware heil in het licht van het nieuwe tijdperk zou brengen.

Zoals Johannes onderricht gaf aan de mensen die naar hem toekwamen, hen overgoot met een stroom water, en hun woorden van bereidheid tot boetedoening*) accepteerde ter ere van de komende Verlosser, zo moeten nu ook zij niet nalaten te doen, die in naam van die Verlosser, – die het heil van de mensen heeft gebracht -, nog meer toevoegen aan het getuigenis van het bliksemende werk van de heiliging.
(*Hildegard gebruikt hier een niet bestaand latijns woord n.l. paenitudo. Het is gevormd van paena of poena = straf of boete of genoegdoening en de uitgang -tudo zoals b.v. in het woord rectitudo dat gerechtigheid betekent. Paenitudo moet dan zoveel betekenen als bereidheid tot boetedoening.)

In het afstanddoen van de wereldse aangelegenheden, aanvaarden zij, geïnspireerd door de Heilige Geest, een nieuwe vorm van strengheid van leven die daar op lijkt. Zij zijn tot die strenge levenswijze toegetreden om zich te bekleden met de nieuwe mens (Cfr. Ef.4,24) met verwerping van de duivelse slavernij overeenkomstig de opdracht die voortvloeit uit het getuigenis van heiliging via de wedergeboorte uit Geest en water met verwerping van de duivelse slavernij.

Maar waar de prikkels van een dwingende noodzaak zich voordoen, moeten zij door te vermanen, op te richten en te genezen, toegewijd de helpende hand reiken aan wie er om vragen. Als zij eenmaal met kerkelijke instemming op waardige wijze tot deze waardige levensstaat zijn gekomen, moeten zij hierin ook hun leidsman getrouw volgen, zodat zij, wat hij hun in de schaduw laat zien, in het daglicht waarheidsgetrouw ten uitvoer brengen.

Zij zijn immers de gordel van de Kerk die zij strak aanhalen omdat zij zich bezig houden met de menswording van de Zoon. Zij beoefenen de dagorde van de engelen: zonder ophouden en op elk uur zingen zij hardop of bidden in stilte. Zij bidden niet met luide uithalen als met nutteloos stof, of dor zonder de groene groeikracht van ingetogenheid. Ook weigeren zij niet om werk te verrichten voor wat zij nodig hebben. Maar voor hun handen zoeken zij geen wereldse bezigheden. In liefde en nederigheid houden zij zichzelf scherp in de gaten.

O, wat zijn zij mijn allersterkste en beminnelijkste volk, als Ik in hen de moeite zie die ook mijn Zoon in zijn vlees heeft doorstaan, en als ook zij dezelfde dood sterven die ook Hij gestorven is, wanneer zij hun eigen wil laten varen en zich omwille van het eeuwig leven vrijwillig onderwerpen aan het leergezag van hen die in gezag gesteld zijn.

19. Hun kleding moet niet lijken op die van de andere mensen, maar moet een verwijzing zijn naar de menswording en de begrafenis van Christus.

Hun kleding moet toonbeeld zijn van de ongeschonden menswording van mijn Zoon, want die staat heel ver af van de voortplanting van de andere mensen. De normale gang van zaken tussen man en vrouw is op deze menswording niet van toepassing. Daarom kunnen de mensen door geen enkel wettelijk voorschrift tot deze inperkende onthouding verplicht worden.

Maar wie er uit liefde tot God toe overgaat en er uit vrije wil naar verlangt, moet er in volharden en het niet bederven door er op terug te komen, zoals Lucifer deed toen hij het licht verliet en in de duisternis terecht gekomen is.

Op de vleugels van het fijne weefsel golft hun kleding soepel als in de statige beweging van de hemelse geesten. Die kleding duidt op de menswording en graflegging van mijn Zoon.

Wie zich tot deze meest ver gaande gehoorzaamheid bekent, draagt in dat kleed ook het teken van de menswording van mijn Zoon. En ook draagt hij in dit kleed het teken van zijn begrafenis door afstand te doen van wereldse zaken en door het doen van werken van gerechtigheid. Daarom wordt eenieder die met een oprechte wil dit kleed draagt, met een heilzaam geneesmiddel opgebeurd.

Wie dus onder aanroeping van de Heilige Geest en met Gods zegen dit kleed ontvangt, moet het niet weer afleggen. Want wie het kleed veracht en verwerpt door toedoen van aanhoudend kwaad, zal vertoeven met hem die de rangorde van de engelen heeft versmaad en nu in de dood begraven ligt.
Wat betekent dit?

Deze mensen zijn niet op grond van een gebod van de wet overgegaan tot het beoefenen van deze onthouding, maar uit vrije wil zijn ze aangetreden om mijn verbond in ere te houden en aldus mijn Kerk te versieren met hun heilige levenswijze.
Hoe dan?

Zoals na het eerste licht van de dag de opkomende zon zichtbaar wordt, zo is ook deze orde van mensen ontstaan na de prediking van de apostelen.
Hoe moet je dat zien?

20. Het eerste licht van de dag, -de morgenstond-, de aanvang van deze leefwijze, -de zon-, duidt de uitzonderlijke weg aan van Benedictus die een andere Mozes is.

Het eerste licht van de dag duidt op de betrouwbare woorden van de leer van de apostelen. Maar de dageraad laat het begin van deze levensweg zien, die overeenkomstig de leer van de apostelen eerst in de woestijn en in grotten wortel geschoten heeft. Maar de zon heeft die geheimnisvolle en goed geordende weg vervolgens aan mijn dienaar Benedictus verduidelijkt.

Ik ben door hem heen gegaan als een vlammend vuur. Ik heb hem onderricht om in het ordenskleed de menswording van mijn Zoon te eren, en in de versterving van de wil diens lijden na te volgen. Daarom is deze Benedictus ook een tweede Mozes. Hij leeft in een stenen grot en uit liefde voor het leven kruisigt hij zijn lichaam in hevige strengheid, zoals ook de eerste Mozes op mijn bevel een strenge en harde wet op stenen tafelen geschreven heeft en aan de Joden heeft gegeven. Maar zoals mijn Zoon die harde wet doorboord heeft met de zachtheid van het Evangelie, zo heeft ook mijn dienstknecht Benedictus de richtlijn van deze religieuze orde, die vóór hem een zeer harde leefgemeenschap was, gemaakt tot een bedachtzame en effen weg door de zachtheid van de ingeving van de Heilige Geest. Op deze manier heeft hij een zeer grote schare van zijn orde bijeengebracht, zoals ook mijn Zoon door de zoetheid van zijn geur het christenvolk voor zich bijeen gebracht heeft.

Vervolgens heeft de Heilige Geest de harten van zijn uitverkorenen die de levensadem bezaten, geïnspireerd om ten teken van het lijden van mijn Zoon de wereldse praal af te leggen zoals in het bad van het doopsel de misdaden van de mensen worden afgewassen.
Hoe zit dat?

Zoals de mens zich via het heilig doopsel afwendt van de duivelse macht en de misdaden van de oude erfzonde afzweert, zo ook zweren zij met het teken van hun habijt de wereldse zaken af. In dat habijt hebben zij ook een engelen-teken. Hoezo? Zij zijn immers volgens mijn wil aangesteld tot behoeders van mijn volk.

21. Het is mooi als zij die in deze levenswijze beproefd bevonden worden, het daar boven uit reikende priesterschap op zich nemen ten bate van de noden van de Kerk

Daarom is het wenselijk dat degenen die in deze heilige levensgemeenschap daartoe geschikt bevonden worden, tot herders van mijn Kerk worden aangesteld, omdat ook engelen die door geen enkele aardse smet geraakt worden, bewakers van mijn volk zijn. Want zoals de engelen bij God dubbel in aanzien staan, zo staan ook de mannen van deze religieuze gemeenschappen in een tweevoudig leven.
Hoe dan?

Engelen dienen zonder onderbreking God in hemelse aangelegenheden, én beschermen tevens de mensen tegen duivelse aanvallen. Zo volgen ook deze mannen de engelen na. Met verachting van het aardse dienen zij dagelijks God, en met hun gebeden verdedigen zij dag en nacht de overige mensen tegen de boze geesten. Vandaar ook, als mijn Kerk geen rechtgeaarde herder heeft, moeten de mensen van zulk een godsdienstige gemeenschap zelf roepend en smekend te hulp komen. En wie daar dan geschikt voor bevonden wordt, moet, eventueel na het ontvangen van het allesovertreffende priesterschap, vol van mijn ijver de Kerk strikt verdedigen.

22. Niemand mag overijld tot zulk een leefgemeenschap toetreden. Hij moet eerst intens op zijn innerlijke motieven onderzocht worden.

Niemand mag overijld en als uit de slaap ontwaakt hun geloofsgemeenschap toe treden. Eerst moet in innerlijke bezinning onderzocht worden of hij met volle instemming in staat is in zijn voornemen te volharden.
Het moet niet zo zijn dat hij datgene wat hij uit vrije wil en onder bekrachtiging van een zegening op zich genomen heeft, later in de slechtheid van zijn dwaling van zich afwerpt en Mij zonder berouw teleurstelt, en dat hij ten dode veroordeeld op ellendige wijze te gronde gaat.
Daarom, mijn allerliefste kinderen die zo zeer in weerspannigheid verstrooid bent geraakt, komt snel overeind in nederige dienstbaarheid, en stemt in uw heilig voornemen manmoedig en eensgezind met elkaar overeen.

23. Leken die de wet van God in acht nemen, zijn een zeer mooi sieraad van Gods Kerk.

Zoals beschreven in het visioen: Een andere gloed had diezelfde gestalte eerbiedig als een blanke wolk omgeven vanaf haar navel naar beneden tot waar zij nog niet was volgroeid.
Het gaat over de lekenstaat die in de schittering van een oprechte levensinstelling de Kerk in een eerbiedige en terechte hulpverlening omarmt. Het gaat dan over de Kerk vanaf de volheid van haar groeiende kracht tot aan het uiterste waar Zij nog niet tot in haar kinderen is doorgedrongen.
Wat betekent dit?

Rondom de navel vindt het groeien van de ledematen plaats, waaruit heel het menselijk geslacht voortkomt. Zo ook moet het lekenvolk in de Kerk aantreden, waardoor zij voltallig wordt in haar geledingen: koningen en leiders, vorsten en heersers met hun onderdanen, verder ook rijken, armen en behoeftigen en heel de verdere rest van het volk, allen te samen. Door al deze mensen wordt de Kerk ten zeerste gesierd. Want wanneer de leken de wet van God die hun is opgelegd trouw onderhouden, zijn zij voor de Kerk een heel groot sieraad, want zij omarmen God met heel veel omhelzingen. Op deze wijze gehoorzamen zij hun leermesters in nederigheid en toewijding. Met aalmoezen en nachtwaken, met onthouding en weduwschap en overige goede werken die voor God bestemd zijn, kastijden zij hun lichaam uit liefde tot God.
Vandaar dan ook dat zij die zich overeenkomstig mijn wil een leefregel opgelegd hebben en onderhouden, Mij zeer beminnenswaardig zijn.

24. In deze aangelegenheid mag een man zijn vrouw niet verlaten, en een vrouw niet haar man, tenzij zij beiden vrijwillig daarmee instemmen.

Maar als iemand van hen er naar verlangt om het juk van mijn vrijheid op zich te nemen met verwerping van het wereldse juk, dan moet hij met haastige spoed tot Mij komen, maar niet als hij gebonden is met de band van het vlees. Die mag hij niet zomaar verbreken. Dat kan alleen met instemming van de mens met wie hij een verbintenis heeft.
Hoezo?

Een echtgenoot mag zijn vrouw niet in de steek laten omwille van dit voornemen; ook mag een echtgenote haar man niet verlaten, tenzij beiden dit willen. En dan, als beiden daartoe besloten hebben, blijven beiden in de wereld, ofwel scheiden beiden van de wereld, want het kan niet zo zijn dat een voet aan het lichaam vast blijft zitten, en de andere afgesneden wordt en de mens toch heel blijft.

Zo past het ook niet dat de echtgenoot de wereld na jaagt en de echtgenote de wereld verlaat,
of dat de echtgenote in de wereld vertoeft, en de echtgenoot de wereld de rug toekeert, als zij beiden hun bestemming willen vinden in een hoger bestaan. Want als hierin ondoordacht en onwijs wordt gehandeld, dan gaat het niet meer over een offer, maar eerder over een roof.

Daarom moeten zij die zich wettelijk in het vlees verbonden hebben, eensgezind samenleven. Zonder wederkerige instemming mag de een niet van de ander scheiden. Ook moet dat niet ondoordacht gebeuren zonder de juiste instelling of zonder goedkeuring van de kerkelijke instantie, zoals ook in het Evangelie beschreven staat.

25. Woorden van het Evangelie.

Wat God verbonden heeft, mag de mens niet scheiden (Mt.19,6). Hoe moet men dat verstaan?

Bij de schepping van het mensengeslacht heeft God vlees uit vlees genomen en tot één geheel samengevoegd, en het zó ingesteld dat deze verbintenis niet zomaar uit elkaar gehaald zou worden. Waarom?

26. De genoemde kerkelijke instellingen maken de Kerk stevig in haar rangen en standen.

Dan staat er: En deze drievoudige glans, die zich breeduit over de gestalte verspreidde…
Dat betekent dat de voornoemde drie kerkelijke instellingen*) overal de gelukzalige Kerk bevestigen ter ere van de allerhoogste Drievuldigheid. Daarbij omstrengelen zij haar op wonderlijke wijze als zich uitbreidende en uitbottende twijgen en als zich verspreidende gelukzalige groene groeikrachten.
(*Uit het voorgaande betoog kan opgemaakt worden dat Hildegard bisschoppen, priesters en door geloften gebonden leken bedoelt.)

De drievoudige glans doet dat in verschillende gelaagdheden en trappen, goed en mooi geordend. Dat zijn de verschillende rangordes zowel bij wereldse als bij geestelijke mensen.
Door hen leidt de Kerk haar kinderen, die met zeer zachte eerbied opgevoed zijn, via een goede levenswandel en het beoefenen van deugden naar hogere waarden.
Hoe dan? Doordat zij de aardse zaken verachten en de hemelse omhelzen.
Waar duidt dat op? Ter liefde Gods houden zij zich getrouw aan de wettige normen die hun onderwezen zijn.

27. Met het oog op de eendracht dient in iedere instelling verscheidenheid van gewoontes, uitzonderlijkheid en nieuwerwetsheid van leven en kleding vermeden te worden.

Zoals God één is in drie personen, zo bestaat ook de ene Kerk in deze drie voornoemde instellingen. Hij die de oorsprong van alle goeds is, is er de Stichter van. Wat Hij dus niet geplant heeft, kan niet overeind blijven. Daarom zal een instelling die niet door Hem gesticht is, in grote mislukkingen uiteen vallen. Hoe dan?
Omdat al wat uit een zweem van trots probeert tot hogere dingen op te klimmen, en niet onderworpen wil zijn aan de hogergeplaatsten, is niet door God geplant. Dat is dáár aan de hand waar een lagere orde zich probeert te verheffen boven een hogere, die overeenkomstig mijn wil
gevestigd is door het oude raadsbesluit van de belangrijkste leermeesters.
Ook gebeurt dat daar waar sommigen zich via verschillende kenmerken van hun kleding groot willen voordoen overeenkomstig hun gewoontes, en zoals zij in hun dwaasheid denken te kunnen. Het is alsof een rangorde van engelen zich zou willen verheffen boven de orde van de aartsengelen. En wat zou dat?
Zij zouden niets zijn en zonder zin, en met hun ijdelheden verdeeldheid willen brengen in de rechtmatiggevestigde ordes van God. Maar dat zal niet gebeuren.

Het kan ook niet zo zijn dat Ik door hen in de waanzin van hun onenigheid opgeroepen word, omdat zij willen dat Ik er altijd kennis van neem. In hun kennis zijn zij zo onbehouwen dat zij niet beseffen wat er in hun geest gaande is. Zij verlaten de gebaande weg en de goed bewerkte akker van de oude Vaders, zoals de Heilige Geest hun die heeft ingegeven.
Vandaar dat velen van hen de gevestigde instellingen die de Kerk al vanuit de tijd van de Vaders bezit, in grote hoogmoed in de steek laten. En zij doen dat in meerdere scheuringen van hun verschillende instellingen. In hun uiteenlopende dwaalwegen willen zij vruchtbomen genoemd worden, maar zij kunnen zelfs geen holle rietstengels heten, zoals de geliefde Johannes hierover oordeelt. Zij verslappen in lauwheid, zoals er geschreven staat.

28. Woorden van Johannes hierover (Cfr.Apoc.3,15-16)

Ik ken uw daden; u bent noch koud noch heet. Was u maar koud of heet. Maar omdat u lauw bent, ga Ik u uitspuwen uit mijn mond. Wat betekent dit?

O jij dwaas, die schandelijk verslapt in jezelf, Ik, de kenner van alle geheimen, doorzie met helder inzicht de handelingen van je wensen. Want de werken die horen bij het vuur van de aanstichter van het vuur, ben je helemaal niet ontvlucht. Ook heb je de werken die horen bij het ijs van de vrieskou absoluut niet verworpen. Wat wil dat zeggen? In de slechte daden ben je niet helemaal koud en in de goede niet helemaal warm. Maar door je onstandvastigheid van geest hang je als een lauwe wind, want in geen van beide weet je wie je bent. In het kwade verdien je geen straf en in het goede acht je jezelf geen beloning waard. Hoe komt dat? Omdat je in zo’n grote diepte kijkt dat je de bodem niet kunt zien, en ook omdat je zo’n hoge berg verwacht dat je de top niet kunt bereiken.

O, het zou beter voor je zijn dat je je als een onnutte dienstknecht en zondaar zou beschouwen, dan dat je zo lauw bent dat je nauwelijks omziet naar gerechtigheid. Want als je verwijderd zou worden van je goede daden, zou je jezelf een zondaar voelen, of als je afstand zou nemen van je slechte daden zou je enige hoop op leven hebben. Maar nu ben je een lauwe wind, die geen vocht aandraagt voor de vruchten en hen ook geen warmte toewaait. Je bent als iemand die begint, maar niet als iemand die iets volbrengt, want om te beginnen raak je het goede wel aan, maar je brengt het nooit tot voltooiing, zoals een wind die langs de mond van een mens strijkt, maar niet als voedsel dat in zijn buik terecht komt. Wat is verkieslijker: een nutteloos geluid of een voltooid werk? Natuurlijk is een voltooid werk aanvaardbaarder dan een zinloos geluid. Daarom doe iets in zwijgende nederigheid en verhef je niet vol trots. Want iemand geldt als van generlei waarde die het heiligmakende gezelschap verwerpt van hen die Mij liefhebben in gehoorzame volgzaamheid. Met felle verwerping valt hij datgene aan wat hij veracht om het met milde zachtmoedigheid in praktijk te brengen.

Daarom als je op aanstichting van wat juist is, de kracht van mijn woorden hebt proberen op te nemen omdat zijvoedsel aan de gelovigen verschaffen, maar als je er vervolgens voor terugdeinst en geen enkele aannemelijke rechtvaardiging toont aan hen die jou benaderen, zodat je nog tot ergere dingen vervalt, dan begin ook Ik je te verwerpen vanwege je lauwe onverschilligheid. Vanuit dezelfde kracht van mijn woorden zal Ik je uitdrijven, want als je geen enkele zoete smaak laat zien van werk dat je verricht, dan verzucht je ook niet naar de innerlijke dingen van het zalige geluk.

En zo verworpen, zul je vertrapt worden zoals voedsel dat vanwege zijn flauwe smaak uit de mond van een mens gespuwd wordt, nog voordat het in de buik terecht komt. Maar wat nu?

Winden waaien, en het suizen van de wind is hoorbaar, maar de knoppen komen niet tot bloei en brengen geen vruchten voort. Want zij die onder mijn juk zouden moeten zijn, zijn lui en voegen zich niet naar hun plicht. Wat is er aan de hand?
Zij slaan de rechte weg over, en bouwen zich veel nutteloze verblijven. Op die wijze hebben de mensen geen enkele ijver voor terechte dingen, maar verstijven in zichzelf. Zij lopen zelfs niet warm voor wat die zij zichzelf hebben opgelegd, en ook doen zij niet wat hun voorvaderen hebben vóór geleefd. Ieder van hen plant voor zichzelf iets aparts en verklaart het willekeurig tot wet. Op die wijze verheft hij zich in zijn eigen gedachten, en probeert hij op te stijgen om heel stuntelig te vliegen op de wind van zijn trots. En omdat zij zich niet houden aan het terechte verbond van hun vaderen, fladderen zij naar eigen willekeur steeds opnieuw en ruwweg in grote onstandvastigheid nu hier en dan daar heen.

29. Vergelijking met bouwvakkers.

Daarom vergelijk ik hen ook met domme werklieden die een groot gebouw hoog willen optrekken. Maar zij houden zich niet aan de voorzichtigheid van andere vakmensen die optimaal weten om te gaan met een aantal gereedschappen, en die proefondervindelijk ervaring hebben met gebouwen. Dezen bezitten goede kennis van alle wetmatigheden die bij de bouw van kracht zijn, en weten een juist gebruik te maken van hun gereedschap. Maar die anderen vertrouwen leeghoofdig en waanwijs op zichzelf. Zij willen wijzer zijn dan anderen, en trekken hun gebouwen zó op dat die bij storm heen en weer bewegen omdat zij niet op rotsgrond maar op zand gebouwd zijn (Cfr.parabel Mt.7,24-27).

Zo doen ook degenen die in hun hoogmoed eerder op zichzelf vertrouwen en, er naar verlangen boven hun vaderen uit als voorzichtige lieden aangezien te worden, en niet volgens hun verbond te wandelen. In hun grote wankelmoedigheid leggen zij zich daarentegen zelf wetten op naar willekeur. Daarom worden zij ook vaker door duivelse bekoringen geschokt, want zij steunen niet op Christus, maar op de onstandvastigheid van hun gewoontes.

30. Voor iedereen moet in alle nederigheid de instelling van de voorgangers voldoende zijn.

Daarom wil Ik dat het voor een gelovige mens met nederigheid voldoende moet zijn wat hem door zijn voorgangers is vastgelegd, zodat de adem van de Heilige Geest, die in de oude Vaders werkzaam was, niet door een trotse bevlieging ongedaan gemaakt zal worden. Als hij onbezonnen méér wil dan hij nederig zou moeten nastreven, moet het niet zo zijn dat hij later, lauw geworden, op zijn schreden terugkeert en een rood hoofd heeft van verwarring, zoals in het Evangelie beschreven staat…

31. Woorden hierover uit het Evangelie (Cfr.Lk.14,8-9)

Wanneer u door iemand wordt uitgenodigd voor een bruiloft, kies dan niet de ereplaats, want misschien is er wel iemand uitgenodigd die voornamer is dan u, en dan moet uw gastheer tegen u zeggen: “Sta uw plaats aan hem af”. Dan zult u beschaamd de minste plaats moeten innemen. Waar gaat dat over?

Hou je gereed wanneer je door een ingeving van boven aangespoord wordt om door je gelovige werken toe te treden tot het verblijf dat steeds ingericht is voor de bruiloft. De Kerk verheugt zich daar voortdurend oprecht over, in eerzaamheid en heiliging, als de maagdelijke twijg en de gelukzalige moeder. Laat haar niet bedroefd zijn over de verrotting, de verwarring en verwerping van een twijg of bloem. Hou je geest daarom nederig in bedwang en laat niet toe dat die zich laat gaan in zelfverheffing. Hoe zo?

Als je uit liefde tot God de wereldse zaken van je lichaam afschudt, dan bloei je open als een zeer mooie bloem die in het hemelse Jeruzalem zonder dorheid bloeit samen met de Zoon van God, in wie alle zielepracht aanwezig is. Waar de oude mens alle menselijke ellende voortbrengt, daar bouwt de nieuwe mens elke heiligmaking door toedoen van deugden op.

Daarom als je die heiligmaking bereikt hebt, doe je het oude serpent beschaamd staan. Door de schijn van ijdele glorie na te jagen heeft het zichzelf van de plaats van gelukzaligheid buitengesloten. Waar slaat dat op?

Als je iemand ziet die mooiere kleren aanheeft dan jij, pas dan op dat je niet in een vlaag van zinsverbijstering, je boven hem stelt, en zegt: ”Ik wil boven hem uitsteken of aan hem gelijk zijn”. Als je je zo boven hem verheft, en je de Heer tot toorn prikkelt omdat je je zo tegenover hem opstelt, ben je dan nog een trouwe dienstknecht? Je bewandelt niet het rechte pad, maar je slaat een dwaalweg in als je bemerkt dat iemand een sterker wapen heeft dan jij, en jij dan uit nijd op hem afgeeft.

Daarom, leg je er op toe om God in nederigheid te dienen en niet om in hoogmoed te zwelgen.
En verhef je niet in ijdele veinzerij boven degene die, op grond van een juist onderzoek, oplicht door een groter verlangen naar het eeuwig leven dan naar dat waar jij voor in vuur en vlam staat. Hij weet zich uitgenodigd tot het toppunt van gelukzaligheid door Hem die zich aan allen die de waarheid liefhebben, toegewijd openbaart. Als jij voor het alziend oog komt te staan, gaat het er om dat Hij, die jóu door zijn inspirerende aanmoediging tot nederige gehoorzaamheid geroepen heeft en hém tot de gave van liefde, jou met zijn rechtvaardig oordeel veroordeelt en zegt: “Jij die je met brandende trots hebt opgericht tot de plaats waar je niet thuis hoort, laat je ijdele glorie varen, en geef aan deze mijn geliefde de hoogste eer terug die jij hem vermetel hebt afgenomen.
En wat gebeurt er dan met jou?

Als je zo verworpen zult zijn, begin je met berouwvolle en droeve angst de uiterste verwerping te voelen, en jezelf te verfoeien als een verworpeling. Want de bewaker van de zielen zal andermans eer bij jou weghalen die jij op bedrieglijke wijze hebt weggekaapt toen je je tegenover die mens opstelde en lichtzinnig geprobeerd hebt om van hem weg te kapen wat je niet toekwam. Vandaar ook dat jou wordt afgenomen wat je wilde hebben, en dat jou gegeven zal worden wat je niet wilde hebben.

Zo ook zal een lagere orde die zich boven een hogere verheft, door mijn rechtvaardig oordeel neergeworpen en neergedrukt worden. Ik wil niet dat hoogmoed op een andere wijze voor mijn aanschijn is dan in verworpenheid en ontsteltenis. Want als een dienstmaagd zich verheft boven haar meesteres, zal zij ten zeerste verachtenswaardig zijn in de ogen van allen die haar gadeslaan, want zij probeerde te worden wat zij niet behoorde te verlangen.

32. Het Evangelie over mensen die hun eigen wetten maken

Wie voor zichzelf wetten maakt en daarbij niet mijn wil zoekt te doen, zal daardoor eerder in tegenspoed dan in voorspoed terecht komen, zoals ook mijn Zoon hierover in het evangelie getuigt: Elke plant die niet door mijn hemelse Vader geplant is, zal uitgerukt worden (Mt.15,13).
Wat betekent dit?

Het gaat over iedere twijg die bewust uit het hart, de geest en het gedrag opschiet in de levenskracht van waaruit de mens leeft. De mens zaait dat zo in zichzelf dat het later in alle vurigheid gedijt en zozeer met hem verbonden raakt dat hij het zelf ten uitvoer wil brengen.
Het verwordt dan tot voorwendsel voor hoogmoed van geest, voor prikkeling van het vlees, voor overtollige bevlekking, voor verontschuldiging als het zo uitkomt, voor wisselvalligheid in doen en laten. Onvoorzichtig zwalkt hij omhoog en omlaag terwijl hij zich niet bekommert om het feit of het nut heeft of niet. Werkelijk, hij wordt door een rechtvaardig oordeel vernietigd. Want die aanplanting heeft niet plaatsgevonden overeenkomstig de bedoeling van de Vader die woont in de hemel en in alle gerechtigheid. Daarom wordt die plant uitgerukt en verdort, omdat ze niet gegroeid is uit de dauw van de hemel maar uit het vocht van het vlees.
Hoe dan?

Omdat de mens zo handelt, steunend op zijn eigen domme weten, heeft hij niet scherp willen opzien naar de gerechtigheid en de wil van de Schepper, maar wel naar hem die altijd onvermoeibaar aanspoort om het spoor van het vlees te volgen.
Want wat door dwaling van hun geest soms aan mensen als goed voorkomt, omdat ze door een verstandsverduistering hun oog niet op God gericht willen houden, zal naar de verdoemenis gaan. Want als de Heilige Geest het niet verwarmt, heeft het vergane glorie nagestreefd. Terwijl ijdele mensen met afkeer vervuld raken van het ene, leven zij weer op van het andere terwille van ijdele roem. Vaak verheffen zij zich trots in veinzerij en overdreven ijver. Ook distantiëren zij zich vaak met vernietigende verontwaardiging en verzet, van andere instellingen die van Mij zijn uitgegaan. Ook verdringen zij elkaar in andere goede dingen die niet thuishoren in lauwe afkeer, maar in het vurig verlangen om van dag tot dag voortgang te maken.

Want wat van Mij uitgaat, geeft aan de ziel een zoete en zachte smaak, als het tenminste met volharding en niet onstandvastig achterom kijkend wordt uitgevoerd. Gelukkig is dan ook hij die vol vertrouwen zijn hoop op Mij vestigt, en het begin en het einde van zijn doen en laten niet in zichzelf legt, maar in Mij. Wie zo handelt (Ps.14[15],5) komt niet ten val, maar wie zonder Mij staande wil blijven, zal te gronde gaan.
En wie zijn dat dan?

Dat zijn duidelijk zij die zichzelf uit ijdele glorie als nieuw presenteren, en die vanwege de lauwheid die zij ten opzichte van mijn bevelen voelen, op zichzelf vertrouwen. Ik moet niet veracht worden in mijn gaven alsof het een oud kleed is dat in de gedachte van de mensen versleten is, want in hun eenvoud zijn mijn gaven altijd nieuw, en hoe ouder des te kostbaarder zijn ze. Daarom zal dat wat de mensen in de ijdelheid van hun doen en laten voor zichzelf en buiten Mij om uitdenken, door hun zinloze ijver uiteenvallen. En ofschoon zij soms in de ogen van de mensen overeind schijnen te staan, heb ik hen als nietswaardig voor mijn aanblik verworpen. Ook dat staat in het Evangelie geschreven.

33. Nog eens woorden uit het Evangelie. (Mt.15,14)

Laat hen begaan: Zij zijn als blinden die blinden leiden. Als de ene blinde de andere leidt, vallen beiden in een kuil.
Wat heeft dat te beduiden?

Laat maar toe dat degenen die in hun doen en laten verkeerd zijn, in hun slechtheid ten onder gaan, want zij willen zich niet verbeteren door goede werken te verrichten.

Omdat zij in de mening verkeren dat zij rechtvaardig zijn, ofschoon hun daden niets waard zijn, worden zij blind door hun eigen toedoen. Zij hebben er een hekel aan om de rechte weg te bewandelen, en aan de mensen die zich haasten om hen te volgen op hun verkeerde levenspad, houden zij eerder de weg van de ondeugd dan die van de waarheid voor. Zij die op deze wijze geen zicht hebben op wat juist is, terwijl zij menen rechtvaardige mensen te zijn ofschoon zij het in feite niet zijn en geen weet hebben van de weg van de ware leer, wijzen dus de verkeerde weg ter rechtvaardiging. Zij vallen gezamenlijk in de put van wanhoop, omdat zij zelf, en ook die anderen, niet weten waarheen zij gaan.

34. In deze nieuwigheden verwerpt God sommigen, maar anderen laat Hij stilzwijgend toe om hen later toch te veroordelen.

In mijn verontwaardiging verwerp Ik soms sommigen van hen voor het oog van de mensen. Maar vanuit de matiging van mijn voorzienigheid, verdraag Ik ondertussen anderen stilzwijgend ten overstaan van de mensen. Toch zal Ik afgaande op mijn rechtvaardig oordeel ook die wreken in de toekomst. En daarom, wie gelovig is, moet er zich op toeleggen om op te klimmen tot de hoogste deugdzaamheid, en niet af te dalen tot de bodem van de wereldse aangelegenheden. Hoe zit dat?

35. Het is geoorloofd om van een lagere trap op te stijgen naar een hogere, maar niet om van een hogere af te dalen naar een lagere.

Wie op een lagere trede staat, kan naar een hogere opstijgen, maar niet omgekeerd: wie op een belangrijke plaats staat, moet niet naar een mindere afdalen.
Waarom niet?

Omdat stadhouders hertogen kunnen worden, en hertogen koningen. Maar het past niet dat koningen hertogen worden, en dat hertogen vernederd worden tot stadhouders. Want als koningen zich aan hertogen zouden onderwerpen, of hertogen aan stadhouders, dan zou heel het volk roepen: “Wach!” om de spot met hen te drijven.

Zo ook kunnen leken de weg opgaan van de eerder genoemde zalfbereiders, en wie daartoe onderweg is, kan toetreden tot de profeten die een levende geur zijn en de weg van de geheime wedergeboorte opgaan. Maar hen die levende geur zijn en de weg van de geheime wedergeboorte gaan, past het niet om over te gaan tot de zalfbereiders, en ook past het niet dat zalfbereiders weer gewone leken worden.
Maar hen die levende geur zijn en de weg van de geheime wedergeboorte volgen, past het niet om tot de zalfmakers over te gaan, en ook past het niet dat zalfmakers vervallen tot gewone leken.

Want als zij die een levende geur vertegenwoordigen en de weg van de wedergeboorte koesteren, omkijken naar de zalfbereiders, of ook de zalfbereiders vervallen tot leken, wordt er naar hen “Heu, heu, heu” geroepen door de zielen van de rechtvaardigen. En ten overstaan van Mij zullen zij als verworpenen gelden, tenzij zij via een waardig boetedoening op hun schreden terugkeren, Want als een hogere rang tot een lagere vervalt, gaan beide te gronde (cfr.Mt.15,15;Lk.6,39).
NB.In een religieuze context worden zalfmakers voor de eerste keer in de bijbel vermeld in Ex.30,25.

Zo zal het ook hen vergaan die het rechte pad verlaten en op hun schreden terugkeren. Want wie
mijn Zoon als een kleed heeft aangetrokken, wie kan zulk een mens dan nog kleden? Niemand, maar dan ook niemand!
Verheug u dus in uw Vader, want heel vaak zie Ik grote dingen in wat klein is, en vind Ik dat grote zaken klein zijn, want hoogmoed komt ten val, maar nederigheid wordt opgericht.

36. Het voorbeeld van de zielen, de engelen en de aartsengelen.

Daarom, koester onder u de vrede, de liefde en de nederigheid, zoals de zielen van de rechtvaardigen dat doen met de engelen, en de engelen met de aartsengelen. De zielen van de rechtvaardigen zijn immers niet jaloers op de taak van de engelen, zoals ook de engelen de glorie van de aartsengelen niet verachten.
Waar duidt dat op?

Aartsengelen hebben een grotere taak bij belangrijke aangelegenheden. Engelen komen aan zet in de veel voorkomende kleinere belangen. En het gelovige volk volgt daarop gehoorzaam en nederig. Zo verricht iedereen trouw zijn eigen taak.
Hoe dan?

Zij die een levende geur zijn en de weg van de geheimvolle wedergeboorte bewandelen, komen tot inzet wanneer een grotere kerkelijke noodzaak zich aandient. Zoals de aartsengelen komen zij tot inzet als de oorzaken van hun tussenkomst onvermijdelijk zijn.
En zij die belast zijn met de taak van zalfmakers moeten met ijverige vastberadenheid en met de instelling van de engelen de veel voorkomende gevallen aanpakken.
En de mensen die de hoogste gelukzaligheid willen bereiken, moeten trouw hun woorden serieus nemen.
Hoe dan?

37. Zij die een levende geur zijn en de weg van de geheimvolle wedergeboorte bewandelen, zijn als de graankorrel in een krachtige spijs; de zalfmakers zijn als een zoetsmakende appel, en het lekenvolk als vlees.

Want zij die een levende geur zijn en de weg van de geheimvolle wedergeboorte gaan, zijn als graan dat voor de mensen een droge maar krachtige spijs vormt. Zo is ook dit volk van Mij een hard en moeilijk verteerbare spijs in vergelijking met het proeven van het sap van wereldse zaken.
Maar de genoemde zalfmakers zijn als een appel die voor de proevers zoet van smaak is. Als zij hun taak uitoefenen, vertonen zij zich als een zoete appel aan de mensen.

Maar het gewone lekenvolk lijkt op vlees waaronder ook kuis gevogelte wordt verstaan. Want zij die in de wereld vertoeven, en leven volgens het vlees, brengen ook kinderen voort. Daaronder zijn ook vertegenwoordigers van een kuis leven zoals weduwen en mensen die in onthouding leven. In hun verlangen naar hogere deugden, streven zij omhoog naar hogere sferen.

38. Deze drie kerkelijke instellingen splitsen zich in twee richtingen.

Maar deze rangen van de kerkelijke instelling splitsen zich in twee richtingen. Hoe dan? In een geestelijke en in een wereldlijke richting. Hoe dan? Zoals de dag en de nacht. Hoe moet je dat zien?
Die van de geestelijke richting zijn als de dag; en die van de wereldlijke richting zijn als de nacht omdat zij zich bekommeren om de tijdelijke behoeftes van de mens. Hoe dan? De dag heeft het licht van de zon en de helderheid van de klare dag. Dat verwijst naar het feit dat geestelijke mensen zowel de rang van levendige geur omvatten – mensen dus die zich wijden aan de opgang naar de geheimvolle wedergeboorte – als ook de rang van voornoemde zalfmeesters.

Maar de nacht bevat het licht van de maan en de sterren en de donkerte van de schaduwrijke duisternis. Dat duidt op het feit dat leken zowel rechtvaardigen zijn die oplichten in hun werken, als ook zondaars die bezwaard zijn door de duisternis van hun misdaden.
Als iemand evenwel de nacht van de wereldse mensen verlaat en zich bekeert tot de dag van de geestelijke mensen omwille van het leven, dan moet hij daarin standvastig zijn en niet terugdeinzen. Hij zou gelijk worden aan de oude Adam, die verbannen werd naar de wereldse moeilijkheden, toen hij het gebod dat naar het leven leidt, had overtreden.

Vandaar dat niemand overhaast de wereld moet verlaten en mijn verbond met een overmoedige wil moet aangaan. Hij moet eerst aan een grondige proef onderworpen worden. Want Ik wil niet dat iemand die door het aannemen van het (klooster-)kleed mijn Zoon bijgetreden is, Hem weer verlaat. Want is het passend dat wie zich bekleed heeft met de menswording van zijn Heer en zijn kruis ter hand genomen heeft, Hem verwerpt? Volstrekt niet! Dus neem dit in acht.

39. Wie het teken van godsdienstig leven welwillend en van harte heeft aanvaard, en het weer afwerpt, zal het oordeel van een streng onderzoek te wachten staan.

Als een mens van ganser harte zijn geloof beleden heeft, en met de volle toewijding van zijn hart mijn juk op zich genomen heeft met verwerping van de wereldse zaken, en met diezelfde vurigheid van hart en tevens met de wil van zijn verlangende ziel ook nog het teken van zijn godsdienstigheid op zich genomen heeft ter versterking van zijn goede bedoeling, dan moet hij daarin volharden. Hij moet dit later niet weer afwerpen met onderschatting van het voortdurende kwaad. Hij moet aanvaarden dat hij geoordeeld zal worden na een streng onderzoek. Hoe moet men zich dat voorstellen?

Hij heeft Hem veracht van wie hij het kenmerk op zich heeft genomen. Het lijkt op de verachting van de Joden die Hem hebben veracht toen zij Hem in waanzinnig ongeloof aan het kruis hebben geslagen. Zoals zij niet teruggeschrokken zijn voor dit ongepaste gedrag, zo ziet ook deze mens niet dat hij samen met zijn gelofte het lijden van de Heer verwerpt.

Wat de mens Mij belooft, moet hij ook volbrengen. Ook David getuigt daarvan…

40. Woorden van David over deze aangelegenheid.

Nu treed ik uw huis met mijn brandoffers binnen, nu kan ik voor U mijn geloften volbrengen die mijn lippen beloofden, mijn mond U toezei in mijn nood (Ps.65[66],13-14).
Wat betekent dit?

O mijn God, ik treed bij U binnen door dit goede en terechte werk, als antwoord op uw allerheiligste zelfgave, namelijk met het vurige verlangen om het niveau van mijn wellust te verlaten, zodat mij niets liever is dan U in te ademen die de Schepper bent van het heelal.
En terwille daarvan geef ik U mijn beloften die mijn mond met de volle instemming van mijn geest heeft uitgesproken. Omdat ik wil volbrengen wat ik U, rechtvaardige Rechter, als eerste had beloofd vanuit heel mijn vurig verlangen namelijk dat ik al mijn daden op U zou richten, iets waarin ik dwaas genoeg aan tekort geschoten ben. Maar nu verlang ik er naar om naar U terug te keren, en om het kwade uit de weg te gaan en het goede in praktijk te brengen. Want de redelijkheid en het verstand die door een terechte strafdreiging in mij actief zijn, zoeken meer U, de levende God, in te ademen, dan de duivel na te apen in de dwaasheid van zijn valse tegendraadsheid.

Welaan dan mens, als je je hart zo aan Mij opdraagt, zie dan ook toe dat je het nauwkeurig volbrengt. Mijn oog neemt immers zeer scherp waar wat de wil van de mens tot Mij zegt. Waar iets is dat Mij toebehoort, zal Ik dat ook zeer beslist opeisen.
Daarom, domme en meer dan domme mensen, waarom leggen jullie je zo’n zware lasten op, in de mening dat het zo gemakkelijk is om je vleselijke wil te verzaken?
Want door de wet die jullie vanuit mijn geboden is opgelegd, worden jullie niet gedwongen om de wereld te verlaten, tenzij jullie je eerst met veel moeite zozeer geoefend hebben om de vleselijke verlangens die in jullie aanwezig zijn, aan banden te kunnen leggen.

41. Zij die niet ter liefde Gods maar gedwongen door een of andere wereldse nood huichelachtig het teken van het geloof (kloosterkleed) aannemen, zijn als Balaäm.

U maakt u zelf gelijk aan een lauwe wind. Want terwijl uw geest door ijdele eer wordt aangeblazen, begint u vanuit een bepaalde ruwheid te spreken. Dan zegt u: “Ik wil verder niets meer met wereldse zaken te doen hebben; ik wil die zo snel mogelijk kwijt. Waarom zou ik mij kwellen met werken voor niets?” Maar terwijl u dit tot uzelf zegt, gaat u er van uit dat alles zal gaan zoals u denkt. Velen zoeken Mij met een wankelend gemoed, zodat zij alleen van de buitenkant herkenbaar zijn via het teken van godsdienstigheid (=gewoonte,leefwijze;het habij,thet kloosterkleed). Zij zoeken Mij niet met heldere ogen. Ook bekijken zij zichzelf niet eenvoudig vanuit de ware leer om te ontdekken hoe zij kunnen ontsnappen aan de duivel die hen wil verslinden, zoals een duif wegvlucht die in een plas helder water een roofvogel ziet aankomen die haar wil grijpen. Deze mensen ontvluchten de duivel niet, ofschoon ze hem in leerstellige geschriften zien aankomen. Maar in een plotselinge verdoving die hen aangrijpt door hun blindheid van geest, snellen zij naar Mij toe als een lauwe wind.
Er zijn mensen die niet hun wil, maar alleen maar hun wereldse kleed afleggen en zo het geestelijk leven binnenstappen, omdat zij in de wereld veel ellende en armoede hebben en geen rijkdom kunnen hebben. Zij vluchten uit de wereld omdat zij die niet kunnen hebben zoals ze zouden willen.

Anderen zijn te dom en te onnozel voor de wereld. Ze zijn verachtenswaardig voor de mensen omdat zij zichzelf niet kunnen onderhouden. Zij vluchten weg uit de wereld omdat zij daar bespot worden.

Weer anderen die lichamelijk zwak en ziek zijn en daar veel mee te stellen hebben, verlaten de wereld, echter niet om Mij maar omwille van zachtere omstandigheden voor hun lijden.

Nog anderen ondervinden zoveel bange momenten en onderdrukkingen van hun vleselijke meesters waaraan zij onderworpen zijn, dat zij zich uit vrees voor hen uit de wereld terugtrekken. Dat doen zij dus niet om aan mijn geboden te gehoorzamen, maar opdat diezelfde vleselijke meesters geen macht meer over hen kunnen uitoefenen.

Al deze mensen komen tot het geestelijk leven niet vanwege een hemelse liefde, maar vanwege de wereldse ellende die zij ervaren. Zij nemen niet in overweging of Ik zout dan wel zoutloos ben, zoet of bitter, of Ik een hemelse dan wel een aardse bewoner ben.
Hoe zit dat eigenlijk?

Deze mensen hebben geen aandacht voor de geneeskracht en de zoetheid van de Schriften. Ook komt het niet bij hen op dat Ik in de harten woon van mensen die hogere zaken nastreven. En omdat zij dat niet wensen te onderzoeken, verwerpen zij de vrees voor Mij en treden alleen maar toe terwille van hun eigen behoeftes. Daarom zijn het vreemden voor Mij en worden zij voortvluchtigen genoemd.

Daarom ben niet Ik het die hen zeg om de wereld te verlaten en naar Mij toe te komen. In deze aangelegenheid maken zij zich zelf schuldig omdat zij bang zijn om dienaars te zijn en zij de Heer minachten. Zij jagen aardse dingen na en eren Mij niet. Zij heten laf te zijn in de kleinste zaken, en overmoedig in de grootste.
Dus lijken zij op Balaäm die zag hoe het volk Israël in hun tenten mooie woningen had. Daarom verlangde hij hevig met een huichelachtig gemoed om bij hen een verblijf te mogen hebben.

42. Voorbeeld van Balaäm.

(Voor een goed begrip van deze tekst over Balaäm, ook Bileam genoemd, is het zeer aanbevelenswaardig om eerst het bijbelse verhaal over deze heidense waarzegger te lezen in Numeri 22.23.24 en 31,8.16; Deuteronomium 23,4-5,en Jozua 13,22 en 24, 9-10).

Hij zei: Moge mijn ziel een zalige dood sterven en dat mijn laatste ogenblikken mogen zijn als die van hen. (Num.23.10) Wat betekent dit?

Wanneer een mens soms met hevige verzuchtingen er toe komt om hij het werk van rechtvaardigheid aan te pakken, dan neemt hij vanuit dat opkomend verlangen die zaken kreunend op zich. Hij zegt bij zichzelf:”Ik ellendeling, die vastgeketend lig in veel zonden en verplichtingen, ik verlang er hevig naar dat mijn ziel door verwerping van de vleselijke lusten alle ongerechtigheid achter zich laat, en dat zij door het berouw waarmee de rechtvaardigen zichzelf verachten, verblijven mag in het huis van de goede werken.
Waar gaat dit over?

Dat mijn einde aangetroffen zal worden in terechte daden gelijk aan die van mensen die de gerechtigheid van God in praktijk brengen, zodat het einddoel van hun goede werken in het begin van mijn goede werken mag lijken op hun rechtschapen instelling”.

Maar als de mens, die zoiets bij zichzelf zegt, later, als de tijd van zulke verzuchtingen verstreken is en hij, benaderd door bekoringen van boze geesten en overrompeld door vleselijke begeerte, terugkeert tot ongerechtigheid, dan doet hij zoals Balaäm deed, misleid door de slechtheid van zijn begeerte. Wat deed hij dan?

Eerst was hij gegrepen door afkeer waardoor hij mijn volk wilde vervloeken. Daarom heb Ik hem zelf weerstaan door tussenkomst van mijn engel en van zijn ezel (Zie Num.22,21-35). In mijn ijver heb Ik hem er later toch toe gebracht om mijn volk te zegenen met woorden die Ik hem in de mond heb gelegd. Nadat hij eerder de wens geuit had om bij zijn dood met het volk Israël verenigd te mogen worden, verviel hij weer in zijn eerdere afkeer en liet hij op zijn raad ontuchtig het volk vernietigen voor het bloedgeld dat hij bedongen had, toen hij zei:
Goed, ik ga weer naar mijn land, maar eerst ga ik u meedelen wat dit volk in de toekomst uw volk zal aandoen (Num.14,4 ;de Latijnse tekst vertaalt de oorspronkelijke Griekse tekst foutief als:
uw volk…..dit volk.. Het moet duidelijk zijn: dit volk…-uw volk).

Wat betekent dit?
Klaarblijkelijk het volgende: Als ik teruggekeerd zal zijn naar de weg van mijn verlangens die tot het terrein van het vlees behoren, dan zal ik mij overgeven aan dezelfde lusten als vroeger. Hoe dan?

Ik weet immers wie ik ben als vleselijke mens die ik oprecht dien. Ik ben ook zelf doordrenkt van de dingen waarmee zij zelf bezig zijn. Aan jou, mens, die zelf ook in brand staat van dezelfde heerlijke dingen, laat ik in de verborgenheid van mijn geest de prikkel zien van jouw begeerlijkheid. Ondertussen ontsteek ik door de suggestie van mijn wellust jouw kwalmend vuur zodanig dat je, door erkenning van de aardse zaken die in jouw hart welig aanwezig zijn, het vurig verlangen dooft waarmee je voorheen haakte naar zaken die heilig genoemd worden. Zo maak je daar een einde aan, en laat je ze op een gegeven ogenblik helemaal vallen alsof je ze nooit gekend hebt.

Mens toch! Zoals Balaäm die bij dat juiste verlangen eerst omhoog blikte, en daarna weer terugplooide naar zijn bedrieglijke begeertes, zo doen ook zij die Mij huichelachtig zoeken.
Zij zien immers hoe mensen die oprecht de wereld verworpen hebben, eenvoudig leven en lofwaardig en waarachtig volharden in hun gelukkig doen en laten, en hoe zij zeggen dat zij een mooi en gelukkig leven hebben.
In een plotselinge impuls treden zij hals over kop toe tot dat leven, verlangend om te leven zoals zij.

Maar als zij zich op deze wijze bij hen gevoegd hebben zoals Balaäm naar het volk Israël heeft omgezien, dan gebeurt het vaak vanwege de verschillende ondeugden die zij al van te voren in hun harten bij zich hadden toen zij nog in de wereld waren, dat zij teruggeroepen worden tot hun vleselijke lusten waar zij van te voren ook al door beheerst werden. Omdat zij zo gehinderd worden, besmetten zij mijn uitverkoren kudde met vergif en opstandigheid. Zij beuken de kudde met hun vele stormen, en drijven haar door hun slechte raadgevingen uiteen.

Want toen zij op bedrieglijke wijze de wereld vaarwel zeiden, hebben zij Mij niet in hun gebeden aangeroepen en om hulp gevraagd. Ook hebben zij Mij niet gezocht in de versterving van hun lichaam om te weten of zij in hun voornemen konden volharden of niet.
Vandaar dat Ik toesta dat zij ervaren in hoeverre hun wil hen kan redden als zij op zichzelf vertrouwen.

O, wat zijn zij dwaas en vruchteloos. Hun leven is nutteloos wanneer zij de wet van God niet doorspitten en zij het moeten doen zonder de groene groeikracht van zijn woord. Zij hebben niet nagevraagd wat zij zouden moeten doen, toen zij het smalle pad opgingen. Zij hebben niet gehandeld zoals goede grond zich omziet om te weten hoe zij goede vrucht kan voortbrengen.
Laat hen dus goed luisteren1
O mens! Vandaag ben je ontsnapt aan een brandende oven toen je vlees hevig in brand stond vanwege je begeerte. En wie was het die je zoveel verkoeling heeft gegeven dat je, ondanks je wellust, ontsnappen kon aan zo’n grote brand?

43. Wie ondoordacht het religieuze kleed heeft aangenomen en het onwaardig heeft gedragen, zal te gronde gaan.

Echt! Wie tot deze dingen wil toetreden, moet met de ogen van zijn ziel bezien of hij dit met Mij wil beginnen en of hij het met mijn hulp wil volbrengen. Het moet niet zo zijn dat hij te gronde gaat doordat hij die dingen ondoordacht begonnen is en ze slecht heeft volbracht, zoals ook de oude vijand door mijn toornige ijver verworpen is geworden toen hij op zichzelf vertrouwde. Zij die geen achtslaan op zichzelf, worden ook zo verworpen omdat zij zich in de haast van grote zelfoverschatting op eigen initiatief bekleden met het lijden van mijn Zoon. Maar even later werpen zij het weer af vanwege de vermoeidheid van hun eigen voldaanheid. Daarom wie zich dat lijden heeft aangetrokken, moet toezien dat zij er van gaan houden, zoals de profeet Jesaja, op ingeving van de Heilige Geest ons aanspoort met de woorden….

44. Woorden van Jeremias over deze aangelegenheid (Klaagliederen 1,12).

O, u allen die langs deze weg komt, let op en ziet of er een smart is, zoals die van mij. Als een druivenplukker heeft Hij mij kaal geplukt toen Hij mij schreeuwend heeft toegesproken op de dag van zijn woedende toorn (Klaagliederen 1,12. Deze aangrijpende tekst is in zijn oorspronkelijke Griekse versie, en in de Latijnse vertaling veel uitdrukkingsvoller dan in de gangbare Nederlandse vertalingen. Ik heb dat in deze vertaling proberen weer te geven).

O, u allen die een ondeugdelijk leven achter u laat door de wereldse zaken van u af te schudden en door over te gaan tot navolging van de geestelijke aangelegenheden, over de weg die leven en waarheid is en die Ik ben, de Zoon van God (Cfr.Jo.14,6 Ik ben de weg, de waarheid en het leven!). Let er op dat u bij de aanvang van goede werken mijn lijden niet vergeet, wanneer u een begin maakt met Mij in het lijden na te volgen. En let er in uw volmaakte rechtschapenheid op, dat de smart die u uzelf uit liefde voor Mij oplegt, gelijk is aan de mijne.
Hoe dan?

Het is de bedoeling dat jullie in dezelfde beroerde omstandigheden die jullie omwille van Mij ondergaan, vlekkeloos ten einde toe zult volharden, zoals ook Ik het volgehouden heb om in mijn lijden voor jullie te sterven. Ik ben immers tijdens het lijden aan het kruis geplet en vertrapt zoals een druif in de perskuip vertreden wordt, zodat jullie nu mijn lichaam zoudt eten en mijn bloed zoudt drinken. Zo heeft de Heer van hemel en aarde gesproken in zijn alwetende en vooruitziende blik, namelijk toen Adam al in het begin het leven verliet en de dood accepteerde. Toen heeft mijn hemelse Vader voorzien dat Hij op het einde van de tijden die oude verleider zou overwinnen en het menselijk geslacht zou redden door de bevrijdende inzet van het hoogste hulpbetoon. En dat Hij dat zou doen door middel van Mij, zijn Zoon, mens geworden uit een Maagd. En dat Ik Mij met de meest sterke en rechtschapen krachten tegen de duivel zou verzetten.

Dus moet de mens, van welk geslacht of leeftijd ook, die zich bekleedt met het lijden van Christus, er op toezien dat hij dat niet door nalatigheid weer van zich afwerpt, zodat hij later, als hij zijn fout wil herstellen, dat niet meer zal kunnen.

45. Wie zijn kinderen wil onderwerpen aan een heilige levensvorm, moet dat niet ondoordacht doen en niet onder dwang, maar met wijsheid en met hun instemming.

Daarom wie zijn kinderen aan zo’n lijden in een samenleving van nederigheid wil onderwerpen, moet dat niet overijld en onvoorzichtig doen, maar wijs en pas na rijp beraad. Hij moet hen niet buiten hun wil om dwingen tot iets dat hijzelf niet aankan. Hoe zo?

Als je je kind aan Mij offert terwijl het nog niet tot onderscheiden in staat is en al zijn vermogens nog niet geheel ontwikkeld zijn, als je het dan toch buiten zijn wil om aan Mij offert, en daarbij zijn instemming veronachtzaamt, dan heb je niet goed gehandeld. Zo offert men een ram.
Hoe zo?

Als iemand op mijn altaar een ram offert zonder hem stevig met touwen om zijn hoorns vast te binden, dan zal de ram zeker op de vlucht slaan. Dat doet zich ook voor als een vader of een moeder Mij hun zoontje aanbieden om Mij te dienen als was het een ram, en als zij daarbij geen aandacht schenken aan zijn wil – die als het ware zijn hoorns voorstelt -, en als zij niet met zorgvuldige waakzaamheid, noch met bidden en smeken en ook niet met heel toegewijde aansporingen – die als het ware de touwen zijn om vast te binden – , als zij niet met al deze middelen de knaap tot instemming van zijn goede wil brengen, als hij al deze beproevingen niet heeft doorstaan, zal hij zeker geestelijk of lichamelijk op de vlucht slaan, tenzij God hem door zijn wonderlijke tussenkomst daarvoor behoedt.

Als jij, mens, zo’n knaap opsluit in zo’n grote beslotenheid van lichamelijke beperking, waar hij zich niet kan ontdoen van de druk van zijn opstandige wil, daar lijkt hij mij vruchteloos te zijn in al zijn lichamelijk tobben vanwege de gevangenschap waarin hij onterecht en buiten zijn wil om vast zit.

Daarom zeg ook Ik jou, mens, die zulk een binding teweeg brengt….

46. Het voorbeeld van de akker.

Een groene akker heb ik in mijn beheer gehad. Mens, heb Ik jou die in beheer gegeven opdat jij hem vrucht laat dragen die jij maar wilt? En als jij er zaad in zaait, kun jij dan zorgen dat het vrucht oplevert? Neen! Want jij geeft zelfs geen dauw, jij laat geen regen neerdalen en je verstrekt geen groene groeikracht, en jij onttrekt geen warmte aan de straling van de zon. Toch moet de verhoopte vrucht daar helemaal uit voortkomen.

Op die wijze kun je wel een woord in het oor van een mens zaaien, maar in zijn hart, dat mijn akker is, kun jij niet de dauw van een oprecht berouw storten, evenmin de regen van de tranen, en ook niet het vocht van een vrome toewijding, en ook niet de warmte van de Heilige Geest. De vrucht van heiligheid kan alleen ontkiemen in al deze zaken.

Hoe durfde jij dan iemand die Mij in het doopsel is toegewijd en geheiligd is geworden, zo overmoedig aan te raken dat je hem, buiten zijn wil om, overlevert aan een zeer knellende gevangenschap om mijn juk te dragen? Hij is er niet dor en niet groen door geworden zodat hij niet voor de wereld gestorven is en er ook niet voor leeft. Waarom hebben jullie hem zo onder druk gezet dat hij noch voor het één, noch voor het andere iets waard is? Maar het komt de mensen niet toe om na te vorsen waarom Ik hem als door een wonder versterk om toch in het geestelijk leven te volharden. Ik wil immers niet dat zijn ouders zouden zondigen door hem zonder zijn instemming aan Mij op te dragen.

Daarom, als iemand, hetzij de vader of de moeder hun zoontje wil afstaan aan mijn dienst, moet hij/zij vóórdat hij/zij hem aanbiedt, zeggen:
“Ik beloof aan God dat ik mijn zoontje met gepaste aandacht onder mijn hoede zal houden totdat hij tot de jaren van verstand zal zijn gekomen. Ik zal voor hem bidden en smeken en hem aansporen zodat hij vroom in dienst van God zal blijven. En als hij het daar dan mee eens is, zal ik hem terstond afstaan aan de dienst van God. Maar als hij er niet mee instemt, zal ik onschuldig zijn voor de ogen van Gods majesteit”.

Maar als de ouders van de knaap hem op deze wijze tot aan de jaren van zijn verstand begeleid hebben, en hij zich dan van hen afkeert en geen toestemming wil geven, dan mogen zij hem niet tegen zijn wil aanbieden, ondanks dat zij hem naar vermogen hun devotie hebben getoond. Zij mogen hem niet tegen zijn wil aanbieden, en hem niet dwingen om die dienst te aanvaarden, die zij zelf ook niet willen dragen en vervullen.

47. Wie uit kwaadwillige afgunst mensen ervan weerhoudt om God te volgen, pleegt heiligschennis.

Wie zich echter met vroom gemoed vrijwillig aan Mij wil onderwerpen, die wordt ten sterkste aangespoord om dat te doen. Hij moet zich niet van zijn voornemen laten weerhouden door de afgunst van de een of de andere kwaadwillige mens. Want degene die iemand die Mij volgen wil, van zijn voornemen afbrengt, begaat een heiligschennis. Hij verbreekt immers mijn verbond dat in hem aanwezig is. Hij zal daar dan ook in een terechte veroordeling rekenschap over moeten afleggen, als hij onbuigzaam in zijn gemeenheid volhardt. Hij heeft immers iemand die Mij wilde dienen, van dat voornemen afgebracht. Hij mocht dat niet doen overeenkomstig wat er geschreven staat.

48. Woorden van Mozes. (Lev.27,28)

‘Alles wat aan de Heer wordt toegewijd, hetzij een mens, of een dier of een akker, mag niet verkocht of vrijgekocht worden.’ (Lev.27,28). Wat betekent dat?

Wanneer een hunkerende ziel in haar volle bewustzijn het gezonde verstand van een mens zodanig raakt dat hij iets wil volbrengen, dan doet hij dat ook, zeggend:”Het is passend dat ik dat voor de eer van God doe”.

Dan belooft die mens ook om dat met goede toewijding en verschuldigde eerbied te doen, terwijl hij zich aan God aanbiedt met een kus van zijn hart, dat wil zeggen met de wil van al zijn verlangens. Dan is het op die manier aan God opgedragen als een gave tot heiliging. Hoe dan?
Als God in die mens de positieve wil ziet, dan aanvaardt Hij die als een ring van heiligmaking, zoals een man die zijn bruid met een verlovingsring pleegt te bevestigen dat hij zich met haar verbindt als teken van een verbond van wederkerig samengaan, en dat hij haar niet zomaar weer zal wegzenden.

Daarom, wanneer God zulk een wil tot groeikracht van het mannelijk gemoed aanvaard heeft, en de man zich zozeer verplicht dat hij alles wat hij bezit in de steek laat, en wat hij heeft, meer aan God geeft dan aan zichzelf, die moet ook de verplichting van zulk een overeenkomst nakomen en zijn toewijding niet verbreken. Waarom is dat zo?

Omdat de mens zich heel bewust is van die toewijding, en omdat zijn gezond verstand er ook de zin van begrepen heeft, en zijn wil het ter ere van God op zich genomen heeft. Of het nu de mens is die zich aldus aan God opgedragen heeft, of dat het een huisdier betreft dat aan de mens onderworpen is en dat op die wijze ter ere van God geslachtofferd wordt; of dat het om een akker gaat, die vruchten voortbrengt en aan God is toegewijd, het mag niet voor een duurdere prijs worden weggegeven, of voor een geringere vergoeding worden vastgehouden, alsof de eer van God afdingbaar zou zijn tegenover een concurrerende prijs.

49. Wie uit vrije wil tot de dienst van de Heer is toegetreden, en vervolgens uit minachting nalatig geworden is, moet streng tot de orde geroepen worden.

Niemand moet tegen zijn zin in gedwongen worden om van de wereldse weg het geestelijk pad op te gaan. Maar ook moet iemand die uit vroomheid en uit eigen wil in mijn dienst getreden is, er zeer terecht op aangesproken worden als hij die later uit geringschatting is gaan verwaarlozen. Hij moet die dienst opnieuw bewust op zich nemen.
Hoe moet dat dan?

Als er correcte rectores en geestelijke leiders zijn die vol zijn van mijn ijver, dan moeten die hem tot mijn dienst terugroepen. Om te beginnen moeten zij dat doen door hem op een rustige manier op zijn gemak te stellen met een verzoek, een aansporing en duidelijke taal. Pas daarna door hem stevig aan te pakken met woorden, en door hem te straffen met een koude tegemoettreding, met honger en met meer van dergelijke kastijdingen, met de bedoeling dat door deze ellende de helse straffen in zijn gedachten opgeroepen worden. En als hij daar bang voor is, zal hij de rottigheid van zijn ziel afwerpen, en tot bezinning gekomen, zal hij terugkeren op het pad dat hij verlaten had. In het evangelie staat daarover ook iets geschreven.

50. Woorden uit het Evangelie. (Luk.14,23)

Ga dan naar de straten en de stegen en dwing iedereen om binnen te komen, zodat mijn huis vol wordt (Luk.14,23) Waar doelt dat op?

Jij die een geestelijke leidsman bent, een rechtvaardige bestuurder, een rechtgeaarde leraar, ga uit van de levenswijze die je eigen is vanaf je eerste opvoeder, en ga de smalle en enge weg op* en treed het geheel van strikte voorschriften binnen die door zeer betrouwbare mannen zijn opgesteld onder invloed van de Heilige Geest.

Let heel scherp en vervuld van mijn ijver, op hen die onder jouw gezag en leraarschap vertoeven. Zij hebben op zich genomen of hebben het beloofd, – en dat uit vrije wil en niet uit onrechtmatige dwang van iemand anders -, om de heilige inhoud van mijn verbond na te komen. Als zij dit later minachten en terug wensen te keren naar de oude ondeugden, zet hen dan met zowel zoete als bittere terechtwijzingen aan om naar de kerkelijke discipline terug te keren, opdat het huis van mijn goedgeefsheid vol zal raken, zij het ook via scherpe berispingen ofwel door zachte vermaningen. Want sommigen worden tot het leven geroepen door diverse afstraffingen, en anderen door zachtaardige woorden.
Hoe moet men dat zien?

Zoals een ware herder zorgzaam op zoek gaat naar zijn verloren schaap, zo moeten ook geestelijke leiders met veel ijver op zoek gaan naar mensen die zich aan hen hebben toevertrouwd maar verdwaald geraakt zijn in verschillende ondeugden. Met name moeten zij hen met hun schranderheid dwingen om terug te keren naar het huis van rechtschapenheid van waaruit zij weggetrokken zijn of op het punt staan weg te trekken. het is de bedoeling dat de Kerk deels vol raakt met schapen die bitter terecht gewezen zijn en deels met schapen die zachtjes aangespoord zijn, en dat de Kerk zo geleid wordt naar de eeuwige weidegronden.

51. Zij die een losbandig leven leiden en door geen enkele straf te bekeren zijn, moeten weggestuurd worden, zodat zij de kudde van God niet zullen besmetten.

Zij die zo verhard zijn dat zij zich niet willen bekeren, ook niet als zij lichamelijk gekastijd worden door hun belangrijkste leermeesters gedreven uit ijver voor Mij. Ook als zij zich niet willen bekeren uit vrees voor Mij omdat ik God ben die geen ongerechtigheid wil. En ook als zij zich niet willen bekeren uit liefde voor het bloed dat door mijn Zoon werd vergoten toen hij voor hen geleden heeft. Zij beijveren zich om mijn vrienden die Mij zeer trouw zijn en mijn wegen snel bewandelen, met hun rottigheid te besmeuren.
Deze personen moeten dan als wolven door mijn vrienden verdreven worden, opdat mijn kudde niet besmet raakt, zoals mijn vriend Paulus aanspoort als hij daarover spreekt….

52. Woorden van de Apostel over deze aangelegenheid. (1Kor.5,13)

Verwijder de boosdoener uit uw midden(1Kor.5,13).
Waar slaat dat op?

U die aan de top staat van het bestuur, en die in nederige onderdanigheid verkeert, verdrijf het kwaad uit uw midden dat met verachting van de vrees voor Mij, de Schepper van hemel en aarde weerspreekt. Drijf het na een gedegen onderzoek ver weg van u zodat het geen wortel kan schieten in uw geweten, en ook geen vaste voet kan krijgen in uw gemeenschap, en de zoete geur van uw goede werken bij u bederft.

Maar als zo iemand in boetedoening wil terugkeren en Mij, zijn Schepper weer zoekt met een zuiver hart, zelfs als dat gebeurt op het uiterste nippertje van zijn bestaan, dan zal Ik hem toch opnemen, want Ik oordeel alles op rechtvaardige wijze.

53. Zij die zich voor de schijn bekeren, zullen bedrogen uitkomen; maar zij die zich van ganser harte bekeren, worden door God opgenomen.

Wie evenwel de schat van zijn hart heimelijk verbergt en zegt: “Pas als ik voel dat ik sterven ga, zal ik mij van de wereldse zaken afwenden”, stelt op die manier zijn bekering uit tot aan het uitblazen van zijn laatste adem. En ofschoon hij dan al haast niet meer ademen kan, probeert hij van het wereldse afstand te doen, terwijl hij geen hoop meer heeft dat hij nog langer in dit leven zal zijn. Hiermee houdt hij zijn ziel voor de gek, want zijn redenering is bedrieglijk. Dit is belachelijk, en wordt ook als zodanig beschouwd.

Maar wie daarentegen zich dicht bij de dood bevindt en van ganser harte, vanwege zijn zonden en uit liefde tot Mij, aan de wereld verzaakt, en hij er naar verlangt om Mij vurig te dienen, dan zal Ik zijn toewijding samen met alle koren van de engelen aanvaarden en hem de glorie van het leven schenken. Want ook al is een mens in veel misdadigheid verwikkeld, wanneer hij zich zijn zonden realiseert en zijn misstappen bitter betreurt, en hij dit oprecht doet, omdat hij Mij tot wraak geprikkeld heeft, dan zal Ik hem uit de dood weg tillen naar het heil. Ik zal hem de eeuwige erfenis niet ontzeggen, overeenkomstig dat wat de psalmist David, door Mij bezield, getuigt als hij zegt:…

54. Woorden van David hierover (Psalm 55(56),10)

Op de dag dat ik roep, zullen mijn vijanden wijken. Ik weet zeker: God is met mij!
Hoe moeten wij dat verstaan?

In ieder licht van mijn leven laat zich enige helderheid van de Allerhoogste in mijn geest zien terwijl ik in duisternis neerlig. Het is een genade van God zodat ik in de bittere boetedoening over mijn zonden en in de wonden die mijn hart doorklieven, U aanroep. U schenkt iedereen die U met een zuiver hart (2Tim.2,22) aanroept het geneesmiddel van uw medelijden.
Dan weet ik vanuit datzelfde bezoek van U die deze dingen uit medelijden tot stand brengt, dat U mijn God bent.
Hoe moet je dat zien?

Omdat U mij door uw genade zover gebracht hebt, dat ik in de werken van gerechtigheid erken dat U mijn God bent, en dat ik mijzelf verwerp in mijn slechte daden. U bent degene die zoiets doen kunt. Dan raapt U mij weer eenvoudig op omdat ik U zoek en ik vol tranen op U geroepen heb en in de groene groeikracht van mijn ziel U heb erkend.

En wanneer een mens op zo’n manier boete doet, zal hij het geneesmiddel voor zijn zonden vinden. Hoe dan? Omdat hij Mij als zijn God erkent. Hoe dan? Omdat hij zijn zondig leven verlaten heeft, en hij daarom met het oog van boetedoening ziet hoe leeg die dingen waren, die hij voordien in boos begeren fel heeft nagejaagd.

55. Iemand die zonder berouw een vervloeking tegen de Heilige Geest uitgesproken heeft en komt te sterven, zal niet door God worden gekend.

Daarom, laat niemand nalaten om het geneesmiddel van de boetedoening tot zich te nemen. Want ook als hij dat nalaat terwijl hij nog een gezond lichaam heeft, zal hij zich toch moeten inspannen om het te vinden in zijn laatste dagen. Ik zal hem dan voor zijn heil opnemen. Want ofschoon de vieze plekken van zijn zonden groot zijn, worden die toch in oprechte boetedoening schoon gewassen vanwege mijn Zoon. Dat geldt echter niet voor hem die zonder berouw een vloek uitspreekt tegen de Heilige Geest, en die zich verhard in de dood van zijn lichaam stort, want die twee zaken zijn één en hetzelfde. Hen ken Ik niet in de glorie van het eeuwige leven, zoals geschreven staat…

56. Woorden van het evangelie (Mat.12,31).

Elke zonde en elke godslastering zal de mensen vergeven worden, maar lastering van de Geest zal niet vergeven worden..
Wat betekent dit?

Elke zonde die onder invloed van het vlees of de hartstocht daarvan plaatsvindt, of die bedreven wordt uit verbittering of uit andere duivelse ondeugden, zal de mens bij een oprecht berouw vergeven worden, wanneer men door hevige spijt en onder tranen uit het diepste van zijn hart God trouwhartig zoekt, de God die zich vol medelijden toont aan allen die Hem daarom smeken. Datzelfde gebeurt ook ten aanzien van de vloek die bestaat in afgodendienst waar God niet erkend wordt en waar er een vals beeld aanbeden wordt, of waar aanroeping van duivels plaatsvindt ofschoon men de ware God wel kent maar men toch uit verdorvenheid de duivel aanroept.

Ofschoon deze mensen zwaar zondigen als zij dwalen in de zonde, maar toch God, die in de hemel met gezag en macht regeert, niet volledig verwerpen, zullen de helpende hand van God vinden als zij die zoeken. Maar als zij in hun ontrouw volharden en nooit afstand nemen van hun slechtheid, en met hart en ziel God volkomen ontkennen terwijl zij onderling zeggen: “Wat zegt God toch? Want God is helemaal niet barmhartig of waarachtig, zodat Hij mij wil of kan helpen”. Zonder berouw geloven zij zodoende niet dat zij van hun zonden genezen kunnen worden of hoe dan ook gered kunnen worden. Deze mensen vervloeken God.

En daarom, als zij volharden in de misdaad van hun verstoktheid, ontvangen zij geen vergeving voor hun vervloeking, want zij verstikken het begrip van hun hart op zo’n manier dat zij geen verzuchting naar omhoog kunnen slaken. Hem, immers, door wiens barmhatrtigheid zij gered moesten worden, houden zij voor niets waardig.

Ook David, de psalmist getuigt hiervan waar hij zegt….

57.Woorden van David hierover (Psalm 13[14],1).

De dwaas zegt bij zichzelf: “Er bestaat geen God”. Wat houdt dat in?
Omdat hij te dom was om God te kennen, heeft hij God in zijn hart ontkent door dom gezwets dat wijsheid en verstand ontbeert. Hoe zo?

Omdat hij God niet heeft willen kennen of begrijpen toen hij met een verstopt inzicht zei: “Wie is God? God bestaat niet! En wie ben ik zelf dan? Ik ben mezelf niet!”
Wie zoiets zegt, is dom, want hij mist de ware wijsheid waarmee men God kent. Wie God ongeveinsd heeft leren kennen die in zijn macht regeert, die is echt wijs, ofschoon ook hij een zondaar is.

Vandaar als iemand in zijn hart heeft vastgezet dat hij niet gelooft in de barmhartigheid van God en zegt: “God is niets!” dan zal Ik zeggen dat Ik die mens niet ken, omdat hij Mij niet heeft erkend. Ik negeer hem, omdat hij Mij negeert. Daarom verrijst zo iemand ook niet tot leven en kan hij geen enkele vreugde smaken omdat alle schepselen hem in de steek laten, want hij heeft hun Schepper voor nietswaardig gehouden.

Hij die vanwege zijn zonden in wanhoop verkeert, zo zelfs dat hij niet gelooft dat hij gered kan worden wegens de zwaarte van zijn zonden, is een ongelovige. Daarom zal hij niet tot het leven geraken omdat hij Hem die allen het leven geeft, weerspreekt.
Maar als iemand van al deze mensen, gedreven door berouw, oprecht naar Mij op zoek gaat, zal hij Mij vinden, want Ik verwerp niemand die met een zuiver hart tot Mij zijn toevlucht neemt.

58. God schiet snel te hulp aan degene die door bekoringen van wanhoop overvallen wordt, maar er zich tegen verzet.

Als evenwel zeer donkere stormen van zulke godslastering en wanhoop een mens overvallen hebben, zonder dat hij daarmee heeft ingestemd – niet met zijn hart en niet met zijn wil en ook niet uit de wellust van slechte smaak – dan kom Ik hem aanstonds te hulp.
Want hij heeft in dat gevecht ernstig geleden en in zijn doodstrijd heeft hij krachtig volhard in het bieden van krachtige weerstand. Vanwege die moeilijkheden moet hij dus niet in vertwijfeling geraken, want Ik noem hem een zeer krachtige strijder tegen die allergrootste stormvlagen. Ik zal hem ijlings te hulp komen, en hem als mijn vriend beschouwen. Uit liefde voor Mij heeft hij immers zulke grote tegenkantingen weerstaan en edelmoedig verdragen.

59. Wie lichaam en ziel, die door God verenigd zijn, van elkaar scheidt, wordt in het verderf gestort.

Hij die Mij, de ware God, op geen enkele wijze in zijn hart met geloof en hoop heeft erkend, verrijst niet tot het leven zoals aangekondigd is. Dat gebeurt ook niet met degene die zichzelf in de lichamelijke dood stort. Hij wacht immers niet de scheiding af die Ik voor de mens heb vastgesteld. Hij ontbindt zichzelf zonder hoop op medelijden. Vandaar dat hij zich in het verderf stort, want hij doodt datgene waarmee hij boete had moeten doen. Wie een scheiding teweeg brengt in wat Ik in de mens verenigd heb, neemt een heel grote schuld op zich, zoals mijn Zoon in het Evangelie zegt…

60. Woorden van het Evangelie (Mat.5,21)

U hebt gehoord dat tot de ouden gezegd is: “U zult niet doden. Wie doodt, zal uitgeleverd worden aan het gerecht”.
Wat betekent dit?

Als u uw voet op een stenen vloer wilt zetten, let U op het geluid, want dat moet corresponderen met datgene wat in uw redelijke reactievermogen ligt opgeslagen. Zo begrijpt u ook dat in de vervaardiging van de Schrift die betekenis ligt die de vinger Gods erin gelegd heeft. Op die manier is aan hen die u in de oudheid zijn voorgegaan, duidelijk geworden dat zij in de mens niet mogen scheiden wat door goddelijk schikking tot een eenheid is samengevoegd.
Hoe moet men dat zien?
Hij die aan Adam verboden heeft om van de boom van kennis van goed en kwaad te eten, heeft gezegd: “Op de dag dat je daarvan zult eten, zul je de dood sterven”(Gen.2,17). Hetzelfde heeft Hij ook door Mozes aan zijn volk laten weten door te zeggen: “U zult niet doden”(Ex.20,13). En ook mag je niet vernietigen wat tot het beeld van God (Gen1,26) gemaakt is.
Maar zoals Adam het gebod van God overtrad, en daardoor zichzelf en zijn nageslacht beroofde van het leven tot heil, zo doet ook de mens die het maaksel van God in de mens vernietigt. Hij heeft gelovige generaties van heilzame werken afgesneden van zijn ziel en lichaam. Daardoor maakt hij zich schuldig voor het gerechtelijk vonnis, en verdwijnt hij naar een ellendige ballingschap.

Daarom, wie zo’n wrede scheur in de mens teweeg brengt, stort zich in een veelsoortige vorm van rampen o.a. het uit elkaar halen van wat Mij toebehoort, want Ik heb lichaam en ziel in de mens samengevoegd. En wie is het die dat uit elkaar durft halen. Als iemand die een ander doodt, al heel zwaar zondigt, wat dan te zeggen van iemand die zichzelf de dood aandoet, en die datgene weer tot stof maakt waarmee hij zijn misdaden had moeten uitboeten? Want wie zichzelf doodt, volgt een gevallen engel na. Hij begaat eerst een misdaad en stort zich daarmee in het verderf doordatl hij zichzelf doodt. Hoe dan?

Hij is immers eerst jaloers op God die begin noch einde kent, en die alles bestuurt wat in de hemel en op aarde is. Zoals die trotse duivel niet naar Mij heeft willen opzien toen hij zichzelf in het verderf stortte, zo verdient ook die mens het niet om Mij te kennen die zichzelf gewelddadig aan stukken snijdt en daardoor sterft. Op die manier bewerkt hij zijn eigen ondergang. Want voordat hij neerstort, heeft hij aan zijn misdaad vleugels willen geven om op de winden weg te vliegen. Zoals een vogel die vliegt door de lucht, heeft hij de hemel willen binnen vliegen. Daarmee heeft hij zichzelf overmoedig van gelukzaligheid in het ongeluk gestort.

Maar Ik heb de mens uit aarde gemaakt opdat hij van het lagere naar het hogere zou opstijgen, en ook dat hij door goede werken aan te pakken en ze tot een goed einde te brengen, schitterende deugden als hoge gebouwen zou oprichten.
Daarom mag de mens die een lichaam en ziel heeft, en die goede werken kan verrichten, en die in staat is om berouw te hebben, zichzelf niet doden. Dan zal hij later niet op die plaats terecht komen waar hij geen activiteiten en ook geen boetedoening meer kan ontplooien, zoals ook de duivel die, toen hij zichzelf doodde, in de afgrond geworpen werd. Maar wie met open ogen waakzaam is, en met open oren luistert, zal mijn mystieke woorden begroeten met een omhelzing en een kus, omdat zij van Mij, de Levende, uitgaan.

Het ZESDE VISIOEN

HOOFDSTUKKEN VAN HET ZESDE VISIOEN VAN HET TWEEDE DEEL

1. De Kerk is met Christus verenigd in zijn lijden en is begiftigd met zijn bloed. Zo is de redding van de zielen ontstaan.

2. God de Vader heeft de oude slang overwonnen, niet met macht, maar door de nederigheid van zijn Zoon.

3.Woorden van de Psalmist (Ps.1,1)

4. Ten overstaan van de engelen draagt de groeiende Kerk haar bruidsschat devoot naar God. Door inspiratie van de Heilige Geest wordt de diepe waarde van de sacramenten geopenbaard.

5. Gelijkenis met goud.

6. Terwijl de priester het altaar nadert om te offeren, schittert een groot licht met het dienstbetoon van de hemelgeesten.

7. In het sacrament van het altaar is God de Vader het lijden van zijn Zoon indachtig tot heil van de mensen.

8. Waarom er bij het sacrament van het altaar brood, wijn en water wordt aangeboden

9. Woorden van Joël hierover (Joël 2,24-26

10. Zolang de heilige geheimen gevierd worden en de gewijde sfeer aanwezig is, blijft Gods hulp bij de priester aanwezig.

11. Als de priester het “heilig, heilig, heilig” zingt en de mysteries van de sacramenten aanheft, overstraalt een onbegrijpelijke helderheid deze sacramenten.

12. Het heldere goddelijk licht haalt de offergave van het altaar als het ware op onzichtbare wijze in een punt omhoog, en stuurt het dan terug als het ware lichaam en bloed (van Jezus).

13. In verband hiermee, de vergelijking met olie en saffier.

14. Waarom een mens deze geestelijke gave niet op zichtbare wijze in zich opnemen kan.

15. De offerande die door een trouw in God gelovige priester in nederige toewijding wordt aangeboden, wordt vlees en bloed van Christus.

16. Gelijkenis met een kuiken en een vliegend insect.

17. In het sacrament van het altaar zijn de geheimen van de geboorte, het lijden, de graflegging, de verrijzenis en de hemelvaart van Christus als in een spiegel aanwezig, maar wel in een waarachtige verschijningsvorm.

18. Zolang de gelovige mens moet bidden Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven aan onze schuldenaren, zolang zal ook het lijden van Christus pleiten om de barmhartigheid van God de Vader.

19. De offergave heeft nooit het aanschijn van rauw vlees, tenzij het in grote nood aan de uitverkorenen zou moeten worden getoond.

20. Terwijl het lied van het onschuldig Lam gezongen wordt, gaan de gelovige mensen te communie, opdat zij, gezuiverd van hun zondigheid, opnieuw deelgenoot worden aan de eeuwige erfenis.

21. Woorden van Salomon in het Hooglied (Hooglied 5,1)

22. Hoe de woorden die de Heer bij het laatste avondmaal over dit mysterie tot zijn leerlingen sprak, opgevat moeten worden.

23. Woorden van David hierover.

24.Het sacrament dat alle onreinheid afwist, moet tot de laatste mens toe worden gevierd.

25. Ook David spreekt daarover. (Psalm 77, 23-25)

26. Waarom er in het sacrament van het altaar brood wordt geofferd.

27. Woorden van Mozes hierover (Ex.13,3)

28. Waarom er bij het sacrament van het altaar wijn geofferd wordt.

29. Woorden uit het Hooglied hierover (Hooglied1,13)

30. Waarom er aan de wijn water toegevoegd moet worden in het sacrament van het altaar

HET ZESDE VISIOEN VAN HET TWEEDE DEEL

Hierna zag ik hoe het beeld van de eerder genoemde vrouw haastig naar voren trad als een helder licht uit het Oude Verbond. Terwijl de Zoon van God aan het kruis hing, werd zij door de goddelijke macht naar Hem toe geleid. Door het bloed dat uit zijn zijde omhoog kwam, werd zij door de wil van de hemelse Vader als bruid (met Hem) verbonden en op edele wijze met zijn vlees en bloed als bruidsschat begiftigd.

En ik hoorde en stem uit de hemel die tot hem sprak: “Mijn Zoon, dit is je bruid tot herstel van mijn volk. Zij zal de moeder van mijn volk zijn door de zielen weer tot leven te brengen door middel van het heil van geest en water”.

En terwijl diezelfde gestalte op deze wijze in krachten toenam, zag ik iets als een altaar waar zij herhaaldelijk naar toe ging om daar op vrome wijze haar bruidsschat in ogenschouw te nemen, en die nederig aan de hemelse Vader en de engelen te tonen.

Toen ook een priester, gekleed in heilige gewaden, datzelfde altaar naderde om de goddelijke genadegaven op te dragen, zag ik dat er plotseling een grote heldere lichtschijn vergezeld van engelen uit de hemel komen en het hele altaar omstralen. Die lichtschijn bleef net zo lang aanwezig tot de priester na voleinding van het sacrament het altaar weer verliet.

Maar toen daar de Blijde Boodschap van de vrede verkondigd was, en de offergave die geheiligd was, op het altaar was geplaatst, zong de priester de lof van de almachtige God met de woorden: “Heilig, heilig, heilig de Heer God Sabaoth”. Toen hij op deze wijze de geheimen van die heilige offergaven bezong, daalde plotseling een vurige lichtschijn van onvoorstelbare intensiteit uit de open hemel over de offergave neer. Die overstraalde de hele offergave met zulk een klaarheid als wanneer de zon iets beschijnt dat zij met haar stralen doorboort.

En terwijl de zon de offergave zo doorstraalde, heeft zij haar op onzichtbare wijze verheven tot de geheimen van de hemel en weer teruggeplaatst op het altaar. Het lijkt op hoe de mens lucht inademt, en vervolgens weer uitademt. Zo wordt ook de offergave waarlijk vlees en waarlijk bloed, ofschoon ze voor het oog van de mens gewoon brood en wijn lijken te zijn.

Toen ik dit zag, kwamen zij mij direct al voor als spiegelbeelden van de geboorte, het lijden, de begrafenis, alsook van de verrijzenis en de hemelvaart van onze Verlosser, de eniggeboren Zoon van God, zoals die ook plaatsgevonden hadden toen de Zoon van God nog op de wereld was. Maar toen de priester het lied van het onschuldig lam inzette, het “Lam Gods, dat wegneemt de zonden van de wereld”, en zich gereed maakte om de heilige communie te nuttigen, trok dat roodkleurig licht zich weer terug naar de hemelse contreien, en werd de hemel gesloten. Uit de hemel hoorde ik een stem zeggen: “Eet en drinkt het lichaam en het bloed van mijn Zoon om de overtreding van Eva uit te wissen zodat jullie weer hersteld worden in jullie rechtmatige erfenis”.

En toen ook de overige mensen de priester naderden om hetzelfde sacrament te ontvangen, zag ik bij hen vijf verschillende gesteltenissen.

Sommigen waren lichamelijk doorschijnend van licht en vurig van geest.

Anderen leken dof van lichaam en duister van geest. Weer anderen waren lichamelijk onverzorgd en geestelijk vies van menselijke ongerechtigheid.

Ook waren er die leken wel omgeven door heel spitse doornen en hun zielen leken wel melaats. En dan waren er nog die leken op bloederige lichamen, en geestelijk leken zij op etterige en stinkende kadavers.

Van al deze mensen, waren er sommigen die de sacramenten ontvingen en overgoten werden door een vurige schittering, maar andere die verduisterd werden als door een donkere wolk.

Na afloop van deze sacramenten toen de priester van het altaar afdaalde, werd de voornoemde gloed die van de hemel over heel het altaar was neergedaald – zoals zoëven beschreven – weer opgetrokken naar de verheven geheimenissen.

En weer hoorde ik de stem vanuit de opperste hemelen tot mij spreken.

1. De Kerk is met Christus verenigd in zijn lijden en is begiftigd met zijn bloed. Zo is de redding van de zielen ontstaan.

Als Jezus Christus, de ware Zoon van God, aan het kruis van zijn lijden hangt, is de Kerk, – begiftigd met zijn purperrood bloed -, met Hem verbonden in het geheim van de hoogste mysteries. Dat laat zij telkens weer zien als zij tot het altaar nadert en daar haar bruidsschat opeist, en zij er zeer scherp op let dat haar kinderen met grote eerbied tot de goddelijke geheimenissen naderen en er aan deelnemen.

Vandaar dat er staat:

…toen de Zoon van God aan het kruis hing, werd de eerder genoemde vrouwengestalte die haastig als een helder licht uit het Oude Verbond naar voren trad, door goddelijke macht naar Hem toe geleid.

Want terwijl het onschuldig Lam voor het heil van de mensen op het altaar van het kruis omhoog geheven werd, is de Kerk, in de heldere zuiverheid van het geloof en van de andere deugden, plotseling vanuit het goddelijk geheim en als een zeer diep mysterie aan de hemel verschenen, en door de opperste Majesteit met de Eniggeboren Zoon van God verbonden .

Hoe moet men dat zien?

Terwijl bloed uit de wonde in de zijde van mijn Zoon vloeide, is tegelijkertijd het heil van de mensen ontsproten. Want toen is de glorie waarvan de duivel en zijn trawanten zijn uitgesloten, aan de mensen geschonken. Toen mijn Enig geborene tijdelijk de dood aan het kruis onderging, heeft Hij, nadat de hel vernietigd was, de gelovige zielen naar de hemel geleid. Daardoor ook begon het geloof in de leerlingen en in hen die hen oprecht volgden te groeien en sterker te worden, waardoor zij erfgenamen van de hemel werden.

Door het bloed dat uit zijn zijde vloeide en opborrelde, werd de vrouwengestalte overspoeld. Zo werd zij door de wil van de hemelse Vader door een gelukkige verloving met Hem verbonden.

Door de kracht van het lijden van Gods Zoon vurig overspoeld, en zich wonderlijk verheffend tot de hoogte van de hemelse mysteries – zoals de geur van goede geurstoffen zich naar boven verspreidt – , door dit alles is de Kerk sterk geworden in wit glanzende erfgenamen van het eeuwige koninkrijk. Zo is zij door toedoen van de allerhoogste Vader op trouwe wijze verbonden met de eniggeboren Zoon van God.

Hoe dan?

In het samen met hem kinderen voort brengen en op voeden tot zijn erfdeel, aanvaardt de bruid het om, in onderwerping en volgzaamheid, onderdanig te zijn aan haar echtgenoot in de band van liefde met hem, en dienstbaar te zijn ten aanzien van de gave van vruchtbaarheid.

Zo doet ook de Kerk voor de Zoon van God. Met Hem verbonden in de taak van nederigheid en naastenliefde, brengt zij in de wedergeboorte van geest en water dat zij van Hem ontvangt, het heil van de zielen over en leidt hen naar hogere sferen tot herstel van het leven.

Vandaar ook dat we lazen: Zij is edelmoedig begiftigd met zijn vlees en bloed. Want dezelfde Eeniggeborene van God brengt zijn lichaam en bloed met zich mee tot allervoortreffelijkste glorie van hen die in Hem geloven. Daardoor zijn zij ook de Kerk en de kinderen van de Kerk. Door Hem hebben zij leven in de verheven stad.

Hoe dan?

2. God de Vader heeft de oude slang overwonnen, niet met macht, maar door de nederigheid van zijn Zoon.

De Zoon heeft immers zijn vlees en bloed gegeven tot heiliging van de gelovigen.

Zo heeft ook de hemelse Vader Hem aan het lijden overgeleverd ten bate van de verlossing van de volkeren. Zo heeft de Vader het oude serpent door zijn Zoon overwonnen via diens nederigheid en rechtvaardigheid. Hij wilde hem niet overwinnen met macht en inzet van kracht, want God is rechtvaardig en wil geen onrecht, zoals ook de Psalmist het zegt.

3.Woorden van de Psalmist (Ps.1,1)

Gelukkig de mens die niet ingaat op de raad van bozen, niet op het pad van zondaars staat, niet in de kring van schampere spotters wil zitten (Ps.1,1)

God is de Vader van alles wat zijn schepselen zalig en gelukkig maakt. Daarin laat Hij veel en verschillende tekens zien. Zo druppelde Hij de menswording van zijn Zoon, als het ware als een zeer zoete smaak met heel veel zoetigheid neer, terwijl hemelse deugden daarin zeer veel gebouwen zouden oprichten waarlangs de mens terug zou keren naar het hemels koninkrijk, dat door geen enkele schaduw van de dood verduisterd is geworden. Op deze wijze wordt ook duidelijk dat in de hemelse Vader de zeer grote krachten van alle deugden aanwezig zijn, want door zijn Eniggeboren Zoon doodt Hij manhaftig de dood, kraakt Hij de hel, en op de jongste dag verandert Hij de wereldbol in een andere en betere nieuwe gestalte.

Vandaar ook dat de wankelmoedigheid tot verpozing van het hart niet de wegen is ingeslagen van de slechte geesten die de waarheid hebben verlaten en de leugen hebben aangegrepen. Hoe was dat dan? Omdat zij de waarheid met een leugen hebben willen splijten. Hoe dan? Zij wilden de Hoogbejaarde wegdrukken, die er al was nog voordat er tijd van dagen en uren bestond. En het oude serpent dat nog niet bestond voordat de tijd er was, smachtte er naar om aan Hem gelijk te worden. Maar dat kon niet en moest ook niet gebeuren, want één is er maar God. Daarom is de duivel ook een leugenaar. Hij is van God weggelopen, heeft het leven verspeeld en heeft de dood gevonden. Zo ook is God niet te vinden op de weg waarop de zondaars hun schreden zetten, want de weg die Adam ging verwerpend heeft Hij diens zonde niet geapprecieerd. Hij heeft hem uit het paradijs verjaagd, nadat hij door de duivel misleid was. En zelfs door heel het mensengeslacht te veroordelen om te zitten in de schaduw van de dood, heeft Hij niet geregeerd onder invloed van de macht van een of ander kwaad. Want heel het mensengeslacht heeft trots de waarheid verlaten.

Hoe moet men dat verstaan?

God heeft zich niet met zijn macht zodanig tegen de duivelse eigendunk teweer gesteld, en ook niet tegen de menselijke nalatigheid, dat Hij hem met kracht zou verwerpen.

Hoe dan wel?

Het is zoals wanneer er twee vuistvechters zouden zijn waarvan de een sterker is dan de andere. Dan zal die sterkere aan de zwakkere de grotere vuisten laten zien waarover hij beschikt, om hem te overbluffen en aan zich te onderwerpen. Hij zou in geen geval aan hem onderworpen willen zijn.

Maar zo is God niet te werk gegaan, want Hij heeft zich met opperste goedheid tegenover het kwaad teweer gesteld. Dat heeft Hij gedaan door zijn Zoon in de wereld te zenden. Die heeft met zeer grote nederigheid en met inzet van zijn eigen lichaam het verloren schaap naar de hemel teruggebracht.

Hoe dan?

Doordat het bloed dat uit zijn lichaam stroomde en uit zijn geopende wonden vloeide, direct in de hemelse geheimen terecht kwam, en daar gevraagd heeft dat het heil van de zielen zou worden verkregen.

Hoe dan?

Omdat heel de schepping laat zien dat de teloorgang van de mens tot leven omgezet is geworden door het lijden en sterven van de Zoon van God. Hoe dan?

De Zoon van God, levend en wel, heeft zich in lijden op het altaar van het kruis opgeofferd voor de redding van het mensengeslacht. Daar heb je ook heel duidelijk vanuit de hemelse geheimen de stem horen zeggen dat Hij de Kerk voor zich als bruid gekozen heeft, zodat zij de moeder zou zijn tot herstel van het heil van alle volken. Klaarblijkelijk moet zij hen zonder vlek door een geestelijke hergeboorte naar de hemel brengen.

4. Ten overstaan van de engelen draagt de groeiende Kerk haar bruidsschat devoot naar God. Door inspiratie van de Heilige Geest wordt de diepe waarde van de sacramenten geopenbaard.

Maar terwijl genoemde gestalte op deze wijze in krachten toeneemt zie je iets als een altaar waar zij herhaaldelijk naar toe gaat om daar op vrome wijze haar bruidsschat in ogenschouw te nemen, en die nederig aan de hemelse Vader en de engelen te tonen.

Zoals voorzegd, zal de Kerk spoedig een aanwas krijgen in zalige en zeer sterke deugden. Dat wordt ons door een zeer duidelijk bewijs getoond. Door inspiratie van de Heilige Geest heeft de heiliging van de altaargeheimenissen plaatsgevonden in diepe verzuchtingen van de gelovigen. Vandaar dat de Kerk in aanhoudende aandacht de sporen van haar voorbeelden neerzet als haar bruidsgeschenk: namelijk het lichaam en het bloed van Gods Zoon. Zij doet dat met zeer grote toewijding aan de Schepper die toekijkt en die Schepper is van alles onder het toeziend oog van alle levende en brandende lichten, dat wil zeggen van de hemelbewoners.

Hoe moet men dat verstaan?

Het vleselijk lichaam van mijn Eniggeboren Zoon is ontstaan in de ongeschonden schoot van de Maagd Maria. Vervolgens is het overgeleverd tot heil van de mensen. Zo wordt ook nu meerdere malen zijn vleselijk bestaan in de toenemende ongeschonden ongereptheid van de Kerk opgedragen tot heiliging van de gelovigen.

5. Gelijkenis met goud.

Zoals een edelsmid nu eens zijn goud met vuur samensmelt en het samengevoegde dan weer uit elkaar haalt, zo draag Ik, de Vader, nu eens het lichaam en het bloed van mijn Zoon door de heiligmaking van de Heilige Geest als offergave op, en dan weer deel Ik Hem verheerlijkt uit aan de gelovige mensen tot hun heil.

6. Terwijl de priester het altaar nadert om te offeren, schittert een groot licht met het dienstbetoon van de hemelgeesten.

Als dan een priester, gekleed in heilige gewaden, het altaar nadert om de goddelijke genadegaven op te dragen, zie je plotseling een grote heldere lichtschijn vergezeld van engelen uit de hemel komen en het hele altaar omstralen.

Als de zielzorger, met de heilige singel omgord, de heiligmakende tafel nadert om het onschuldig Lam te offeren, straalt onmiddellijk overal het grote heldere licht van de verheven erfenis. Dat licht verdrijft de dichte duisternis en gaat gepaard met het dienstbetoon van de verheven engelen. Vanuit het geheim van de hemel straalt het licht overal dezelfde heiliging van diepe rust uit, omdat daar de verkwikking van de zielen tot stand gebracht wordt tot heil van de gelovigen.

Hoe gebeurt dat?

Als de Kerk door de stem van de priester haar bruidsschat opeist – bedoeld is het lichaam en het vergoten bloed van mijn Zoon – zodat de Kerk bereid is tot een gelukkige baring tot heil van de zielen. Want ook door dit vergieten van het kostbaar bloed heeft Zij de aanwas van een grote menigte volkeren aanvaard. Dan overstraal Ik, die zelf onfeilbaar licht ben, die plaats van heiligmaking met mijn heiligheid tot eer van het lichaam en het bloed van mijn Eniggeboren Zoon.

7. In het sacrament van het altaar is God de Vader het lijden van zijn Zoon indachtig tot heil van de mensen.

Wanneer een priester Mij aan een heiligmakend altaar begint aan te roepen om Mij te bewegen toe te zien dat mijn Zoon Mij brood en wijn heeft opgedragen tijdens de maaltijd vóór zijn dood toen Hij uit deze wereld heen zou gaan, dan zie Ik hoe mijn Zoon Mij dit zelf op het uur van zijn lijden laat zien. Dat betekent dat Ik zijn lijden altijd scherp voor ogen zal hebben en dat Hij stervend aan het kruis hangt. En dat telkens weer als deze gelukkige offerande Mij door de dienst van een priester zal worden aangeboden. Want mijn Zoon zelf heeft ook in het vergieten van zijn bloed het brood en de kelk aan Mij opgedragen om de dood te verdelgen en de mens overeind te helpen.

8. Waarom er bij het sacrament van het altaar brood, wijn en water wordt aangeboden.

Omdat de waardigheid van Degene die de beslotenheid van de maagdelijke zedigheid in- en uitgaat, niet van menselijke natuur was, maar van goddelijke kracht, daarom kan ook het vleselijk bestaan van mijn Eniggeboren Zoon herhaald worden via brood dat van graan gemaakt is, en zijn bloed via wijn van de druif met water vermengd. Zo kan het opgenomen worden tot heiligmaking zoals Ik door mijn trouwe knecht Joël, de profeet, laat zien waar hij zegt:…

9. Woorden van Joël hierover (Joël 2,24-26)

Vullen zullen zich de dorsvloeren met koren, overlopen zullen de perskuipen van most en olie. Vergoeden zal Ik u de jaren die die opgevreten werden door de sprinkhaan, de veelvraat, de roest en de koolrups: mijn grote krijgsmacht die Ik naar u uitzond. Eten zult u en u tegoed doen en u zult verzadigd worden. De Naam van uw God zult u prijzen die wonderlijke dingen met u heeft gedaan. In eeuwigheid zal mijn volk niet beschaamd staan (Joël 2,24-26).

Wat betekent dat?

Door een wonderlijke schikking van God worden de dorsvloeren van het geloof van de gelovige Kerk gevuld met alle goeds.

De vrucht van het graan maak Ik tot het lichaam van mijn Zoon. Dat is werkelijk heilzaam omdat zij die in Mij geloven teruggeroepen worden naar het Vaderhuis.

De spijtbetuigingen waarmee de mensen omwille van mijn Naam de begeerlijkheid van het vlees zullen betreuren, zullen overvloedig zijn.

Vandaar dat Ik ook het sap van de druif voor hen herleid tot het bloed van mijn Eniggeboren Zoon, en hun ook de olie van barmhartigheid geef.

Hoe dan?

Op een andere wijze – namelijk tot uw heil – wil Ik voor u de seizoenen herstellen van die ijdelheden die de rups van vergeetachtigheid heeft opgevreten door ontrouwe onwetendheid. Bedoeld is dat de eerste ondeugden ontstaan zijn in de kinderen van Adam, en dat zij al doende de vruchtbaarheid van mijn rechtschapenheid vergaten. Op die manier is de mens het voedsel vergeten dat hij nodig had. Vervolgens heeft hij het verplaatst naar zijn buik. Daarmee vermaalt hij mijn gerechtigheid, zoals de veelvraat de vruchten van de aarde opvreet.

Hoe dan?

Waar door slapte van de geest, de veelvraat van de achteloosheid het nuttige van goede vruchten weghaalt, daar wentelt die afschuwelijke larve zich in de drek van onreinheid. Op gelijke wijze wentelen mensen zich in de viezigheid van de ontrouw door zich in te laten met afgoden en met andere gelijksoortige schisma’s en met duivelse onderzoekmethodes, en ook met toverkunsten door om te zien naar schepselen van de Schepper om de toekomst van mensen te voorspellen, en door de zeer kwalijke misselijkheid van moorden en verkrachtingen. Daar leven die mensen in, zoals een rups zich voedt met drek.

Hoe dan?

Zoals de schandalige rups verzot is op de stank van viezigheid, zo ook tast de roest van bitterheid de glans van het metaal van het geloof aan. Want deze mensen zijn tegen de gerechtigheid van God, en wel op zo’n manier dat zij zich moeite geven om die te verduisteren, zoals de roest de glans van metalen pleegt weg te nemen.

Hoe dan?

Zoals etsende roest de glans van goede werken aantast, zo ook bederft een rups met haar schadelijk gedrag het groene gewas van nuttige planten.

Waar mensen de helderste deugden van zich afwerpen zoals de eenvoud, de zuiverheid en de deugdzame standvastigheid die de Heilige Geest in alle groene groeikracht van de zaligheid naar ons uitstraalt, daar doen mensen dat vanuit hun boosaardige slechtheid. Zij proberen die deugden te vernietigen, zoals een rups het nut van het groene gewas vermindert.

In dit alles wordt mijn zeer grote kracht openbaar omdat die door de grootheid van deugdelijkheid de duivelse tegenactie heeft overwonnen, toen Ik u die tot uw heil heb toegezonden.

Hoe dan?

Ik, de Vader, heb mijn Zoon in de wereld gezonden, naar het vlees geboren uit een maagd, om jullie door Hem vrij te kopen van het bederf van de dood. Zo kan zowel Ik in jullie verblijven, als jullie in Mij kunnen verblijven, omdat mijn Zoon, toen Hij ging lijden, zijn vlees te eten gaf en zijn bloed te drinken. Daarom moet u tot uw heil dit sacrament op vrome wijze nuttigen. Dan zult u uzelf op gelukkige wijze voeden, en zult u verzadig worden door de olie van mijn medelijden en verlost van de honger van de ondergang van uw ziel. Want in boetedoening heeft mijn Zoon ook het geneesmiddel voor uw wonden aangedragen. En aangezien ook de bruid van mijn Zoon getooid is met iedere rechtvaardigheid en waarheid, zult u trouw mijn Naam verheerlijken. Want Ik, de enige God, besta in waarachtige Drievuldigheid. Ik bestuur u door in u mijn wonderwerken zichtbaar te maken, namelijk doordat Ik u uit de macht van de duivel bevrijd. Daarom wordt mijn volk nooit in der eeuwigheid gestoord door de verbijstering van de dood, want Ik heb het op wonderlijke wijze uit de muil van de hel bevrijd.

10. Zolang de heilige geheimen gevierd worden en de gewijde sfeer aanwezig is, blijft Gods hulp bij de priester aanwezig.

Zoals gezegd: die lichtschijn blijft net zo lang op het altaar aanwezig tot de priester na voleinding van het sacrament, het altaar weer verlaat.

Want die gewijde sfeer van de eeuwige schouwing is zo lang zeer helder in die wonderlijke geheimenissen aanwezig totdat hij die de bedienaar van die sacramenten is, na het voltrekken van de geheimenissen van deze heilige dienst, deze heilige geheimen afsluit.

Hoe dan?


11. Als de priester het “heilig, heilig, heilig” zingt en de mysteries van de sacramenten aanheft, overstraalt een onbegrijpelijke helderheid deze sacramenten.

Maar als daar de Blijde Boodschap van de vrede verkondigd is, en de offergave die geheiligd moet worden, op het altaar is geplaatst, zingt de priester de lof van de almachtige God met de woorden: “Heilig, heilig, heilig de Heer God Sabaoth”. Op deze wijze zet hij de geheimen van die heilige offergaven in. Onmiddellijk daarna daalt dan een vurige lichtschijn van onvoorstelbare intensiteit uit de open hemel over de offergave neer.

In de kus van de koning wordt de groene groeikracht van de levende ademtocht tot uitdrukking gebracht. De vrucht van het levenslicht moet in heiligmaking helder wit gemaakt worden en op het bouwwerk van de wand van God geplaatst worden. (…”de want van God” verwijst naar Daniël 5,5)
Ondertussen brengt de boodschapper van de waarheid een zeer welluidend geluid voort tot lof van de Schepper van al wat bestaat. Hij doet dat in een drievoudige aanroeping vol zalving ter ere van de Aanvoerder van de legerscharen
(Sanctus, sanctus, sanctus =Heilig, heilig, heilig, de God der hemelse Machten!) .
Op deze wijze zet hij de verborgen dingen van de gloedvolle dageraad in beweging namelijk de menswording van de Zoon van God uit een Maagd. Direct daarna komt er over het geopende en zeer stralende tabernakel een onvoorstelbare en onbegrijpelijke sereniteit en volheid.

Die overstraalde de hele offergave met zulk een klaarheid als wanneer de zon iets beschijnt dat zij met haar stralen doorboort.

Want door de kracht van de Vader doordringt een zeer heilige warmte de ronde vorm van de offergave (= het hostiebrood), zodat die stralende gloed in de materie doordringt waarop zij intensief terecht komt.
Wat betekent dit?

De bruid van mijn Zoon (= de Kerk) draagt het offer van brood en wijn heel vroom op mijn altaar op.
Hoe dan?
Dat gebeurt door de hand van een priester die Mij in trouw herdenken maant om hem in diezelfde offergaven het lichaam en het bloed van mijn Zoon te overhandigen.
Hoe dan?
Omdat het lijden van Mijn Eniggeborene altijd in de hemelse geheimenissen aanwezig is, wordt die offergave aan mijn Zoon, ook in mijn gloedvolle sympathie en mijn grootst mogelijke verwondering, tot eenheid samengevoegd, zodat zij met de grootst mogelijke zekerheid lichaam en bloed worden waarmee de Kerk gesterkt wordt als met een zeer blije voeding.

12. Het heldere goddelijk licht haalt de offergave van het altaar als het ware op onzichtbare wijze in een punt omhoog, en stuurt het dan terug als het ware lichaam en bloed (van Jezus)

Zoals gezegd:Terwijl het voornoemde heldere licht de offergave zo doorstraalde, heeft het die op onzichtbare wijze verheven tot de geheimen van de hemel.
Zoals gezegd laat de vurige gloed zijn straling schijnen over het sacrament, en trekt het met onzichtbare kracht weer omhoog naar de geheime verblijven die het sterfelijk oog niet bij machte is te zien.

En plaatst het weer op het altaarEn legt het weer zeer behoedzaam en zachtjes met respect op de heiligmakende tafel terug.

Het lijkt op een mens die zijn adem in – en uitademt . Want de ademtocht van de levende geestkracht waarvan hij leeft, inhaleert de mens door de wonderlijke schikking van God, en ademt die ook weer uit om te kunnen leven.

Zo wordt ook de offergave waarlijk vlees en waarlijk bloed, ofschoon ze voor het oog van de mens gewoon brood en wijn lijken te zijn. Want zoals God betrouwbaar en zonder bedrog is, zo is ook het verhevene van het sacrament een verhevenheid die niemand naar beneden kan halen. Het is werkelijk vlees en bloed zonder bedrog. Want zoals de ziel waarachtig werkzaam is in vlees en bloed zolang de mens in zijn lichaam leeft, zo is ook dit mysterie in brood en wijn als het vereerd wordt in een waarachtige viering. Zo verschijnt het ook aan de mensen. Immers zoals een blind oog van een mens God niet duidelijk kan waarnemen, zo is een mens ook niet in staat om deze geheimenissen lijfelijk te aanschouwen. Zoals een mens wel het lichaam van een mens ziet maar niet zijn geest, zo ook is hij wel in staat om brood en wijn waar te nemen, maar kan hij niet het sacramenten doorschouwen.
Hoe zit dat?

De heldere glans die in het graf over het lichaam van de Zoon van God viel, deed Hem uit de doodsslaap opstaan. Diezelfde glans schijnt ook op het altaar over het sacrament van het lichaam en het bloed van de Eniggeboren Zoon van God. Dat raakt de mensen in hun gezichtsvermogen op zo’n manier dat zij zijn heiligheid niet kunnen waarnemen tenzij in de gedaante van brood en wijn zoals die bij de offerande op het altaar geplaatst zijn. Het is zoals in de mensheid van Gods Zoon het God-zijn dat in Hem aanwezig was, voor de mensen verborgen was. Zij hebben Hem wel als mens kunnen waarnemen toen Hij met hen als mens verkeerde alhoewel zonder zonde.
Wat betekent dit?

Wanneer de Kerk door middel van de priesterlijke hand Mij het offer opdraagt, zal Ik dat goedgunstig aanvaarden, want Ik heb immers alles geschapen. Zoals de Godheid zijn wonderen in de schoot van Maria toont, zo maakt Hij zijn geheimen ook openbaar in het Misoffer.
Hoe dan? Omdat daar het vlees en het bloed van Gods Zoon zichtbaar worden. Hoe dan?

13. In verband hiermee, de vergelijking met olie en saffier.

Terwijl de offergave op onzichtbare wijze als in een punt door Gods kracht omhoog getrokken wordt en weer teruggeplaatst, wordt ze zó in de warme gloed van de goddelijke majesteit gekoesterd, dat ze lichaam en bloed van de eniggeboren Zoon van God wordt. Dat geheim kan door de mensen met hun vleselijk zintuig niet worden waargenomen. Het is alsof iemand zeer kostbare olie in eenvoudig brood zou mengen en een saffier in wijn zou doen, en dat Ik dat dan in zo’n kostelijke smaak zou veranderen dat er in jouw mond, mens, geen brood met olie en geen wijn met saffier meer te kennen zou zijn, maar dat je alleen nog maar een zoete smaak zou proeven, omdat ook mijn Zoon zoet en zacht is.
Hoe moet je dat verstaan?

In die zalfolie kun je mijn Zoon waarnemen, geboren uit een Maagd. Hij is met de meest kostbare olie gezalfd. Hoe dan? Omdat Hij met heilige menselijkheid omkleed is. Dat is zulk een kostbare zalfolie dat, als dodelijke verwondingen van mensen met de zachtheid van die olie overgoten worden en die mensen zich tot Hem bekeren, die wonden niet langer etteren en stinken in het verderf van Adam.

In die saffier kan de goddelijkheid herkend worden die in mijn Zoon aanwezig is. Hij is de hoeksteen, maar zachtmoedig en nederig. Hij straalt niet omdat zijn afstamming heeft plaats gevonden uit menselijk vlees van een man en een vrouw, maar omdat Hij vanuit mijn warmte op wonderbare wijze uit een allerzoetste maagd mens geworden is. Vandaar ook dat zijn vlees en bloed zoet en zacht is.

14. Waarom een mens deze geestelijke gave niet op zichtbare wijze in zich opnemen kan.

Maar jij, mens, kunt deze geestelijke gave niet zichtbaar tot je nemen alsof je zichtbaar vlees zou eten en zichtbaar bloed zou drinken. Je bent immers maar een stuk stront!

Zoals de levende geest in jou onzichtbaar is, zo is ook dit levende sacrament in deze offergave onzichtbaar en moet door jou als onzichtbare grootheid genuttigd worden. Want zoals het lichaam van mijn Zoon in de schoot van de Maagd opgestaan is, zo stijgt nu ook het vleselijk lichaam van mijn Eniggeborene omhoog vanaf de heiligmaking op het altaar.
Hoe moet je dat verstaan?

De geest van de mens is onzichtbaar. Die geest ontvangt op onzichtbare wijze dit sacrament dat onzichtbaar in de offergave aanwezig is. Hij doet dat met zijn menselijk lichaam dat zichtbaar is. De offergave zelf is zichtbaar in het sacrament aanwezig. De mens doet dat ten bate van allen die samen één zijn zoals God en mens één Christus zijn, en zoals de redelijke ziel en het sterfelijkvlees in de mens samen één mens vormen.
Want de mens die in oprecht geloof naar Mij opkijkt als hij dit sacrament ontvangt, ontvangt het trouw gelovig tot zijn heiliging.
Wat betekent dit?

Mijn Zoon is op wonderbare wijze uit de zeer integere Maagd geboren. Haar vlees heeft nooit gegloeid van zoete hartstocht en is nooit aangeraakt geworden, omdat het vat van deze maagd allerzuiverst was. Ik heb gewild dat mijn Eniggeborene daarin mens zou worden. Daarom heb Ik ook niet toegestaan dat dit vat*) van de allerheiligste Maagd in de warmte van brandende hartstocht verloren zou gaan, want op wonderbare wijze heeft mijn Zoon daarin een menselijk lichaam aangenomen.
(*Met het woord “vat” verwijst Hildegard naar een veelvuldig gebruikte bijbelse term die de algemene betekenis heeft van instrument of gereedschap of “heel je hebben en houden”. Op mensen toegepast heeft het de betekenis van helper of helpster of medewerk[st]er. Paulus past deze term toe op de zwakke breekbaarheid van de menselijke medewerking – Zie 2Cor.4,7 Wij dragen deze schat in aarde vaten.)

15. De offerande die door een trouw in God gelovige priester in nederige toewijding wordt aangeboden, wordt vlees en bloed van Christus.

Dezelfde zalige Maagd heeft door het woord van de engel werkelijk gehoord hoe zij in dat geheim werd aangesproken. Daardoor nederig gelovig geworden, stuurde zij de verzuchtingen van haar geest omhoog toen zij sprak: Zie de dienstmaagd van de Heer. Mij geschiede naar uw woord. Toen kwam ook de Heilige Geest over haar en ontving zij de Eniggeboren Zoon van God.

Dat betekent dat de Almachtige God aangeroepen moet worden door de woorden van de priester tijdens zijn priesterlijke dienst. Dat moet zó gebeuren dat die priester, trouw in God gelovend, in gehoorzame nederigheid en met een devoot hart, de woorden van heil als een zuivere offergave aan God opdraagt. Dan ook aanvaardt de opperste Majesteit de offergave en overgiet die met wondere kracht om het lichaam en bloed te worden van de vrome Verlosser. Hoe dan?

Zoals mijn Zoon eerst op wonderbare wijze zijn mensheid heeft aangenomen in een Maagd, zo wordt deze offergave op het altaar nu ook op wonderbare wijze zijn vlees en bloed. Zo is dan dit sacrament één groot geheel: onzichtbaar en zichtbaar tegelijk. Dat geldt ook mijn Eniggeborene. Hij is volledig en totaal onzichtbaar in zijn goddelijkheid, maar als mens in de wereld verblijvend is Hij zichtbaar.

16. Gelijkenis met een kuiken en een vliegend insect.

Want zoals het kuiken van een vogel uit een ei komt, en de larve van een vliegend insect uit een nietig eitje kruipt en, als het wegvliegt, toch hetzelfde beestje blijft als waaruit het ontstaan is, zo moet men door te geloven, in deze offergave vasthouden aan de ware aanwezigheid van het vlees en bloed van mijn Zoon, ofschoon dezelfde offergave in het waarnemingsvermogen van de mens gewoon brood en wijn zijn.
17. In het sacrament van het altaar zijn de geheimen van de geboorte, het lijden, de graflegging, de verrijzenis en de hemelvaart van Christus als in een spiegel aanwezig, maar wel in een waarachtige verschijningsvorm.

Zoals je kunt zien verschijnen daar als in spiegelbeeld de geboorte, het lijden, de begrafenis, alsook van de verrijzenis en de hemelvaart van de Eniggeborene van God, zoals die ook in Hem hebben plaatsgevonden toen Hij, de Zoon van God, op deze wereld was.

Zoals je in een waarachtige openbaring kunt waarnemen, schitteren er in de sacramenten de geheimenissen van Hem die geboren is uit een Maagd, van zijn lijden op het kruis, van zijn begrafenis in een graf en van zijn verrijzenis uit de doden en van zijn opstijgen naar de hemelen. Het gaat over Hem die voor het heil van de mensen op aarde is gekomen.
Terwijl de Eniggeborene van God tijdelijk op de wereld onder de mensen verbleef, heeft Hij volgens de wil van de Vader in zijn lichaam geleden tot verlossing van de mensheid.
Hoe moet je dat zien?

Wat mijn Zoon uit liefde voor de mens in de wereld geleden heeft, staat Mij steeds voor ogen. Want de geboorte, het lijden en het graf, de verrijzenis en de hemelvaart van mijn Eniggeboren Zoon hebben de dood van het mensengeslacht gedood. Daarom schitteren deze gebeurtenissen ook voor Mij in de hemel, want Ik ben ze niet vergeten. Tot aan het einde van de wereld zullen ze als de dageraad en als een groot licht voor Mij stralen.
Wat betekent dit?

18. Zolang de gelovige mens moet bidden Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven aan onze schuldenaren, zolang zal ook het lijden van Christus pleiten om de barmhartigheid van God de Vader.

Tot aan het einde van de wereld zie Ik in dit lijden allen aanwezig die in dat lijden zullen geloven en ook hen die het zullen afwijzen. Op schitterende wijze zal het altijd voor mijn ogen blijven staan zolang de mens zeggen moet wat Mijn Zoon aan zijn volgelingen heeft leren bidden, zoals trouwens ook geschreven staat: En vergeef ons onze schuld, zoals ook wij vergeven aan onze schuldenaren.
Wat betekent dit?

U, die alles in uw macht hebt, kijk naar het vergieten van het bloed dat voor het menselijk geslacht vergoten is. En vergeef ons onze schulden, want wij zijn kinderen van overtreding. Die hadden wij voor U moeten aflossen, maar vanwege de verkromming van ons hart hebben wij dat niet gedaan.
Waarom niet?

Wij hebben ons niet gehouden aan wat wij bij het doopsel beloofden. Wij hebben uw geboden overtreden en onze onschuld afgeworpen, zoals ook Adam in het paradijs niet aan U heeft gehoorzaamd en het kleed van onschuld heeft verscheurd.
Maar omdat U minzaam bent (cfr.Judit 7,20) wil ons toch niet straffen voor onze ongerechtigheid, maar bevrijd ons van onze overtreding, indachtig uw mildheid.
Ook wij die toch overtredingen begaan, en erge boosaardigheid in ons hebben, vergeven toch ook van harte aan onze schuldenaren het onrecht dat zij ons aandeden. Dat doen wij uit eerbied en liefde voor onze Verlosser.
Hoe dan?

Want zij die ons zouden moeten liefhebben omdat we mensen zijn, verstoren ons leven in veel opzichten en dus houden zij niet van U en veronachtzamen zij uw geboden. Wij vervolgen hen niet overeenkomstig het kwaad dat zij ons aandeden. En opziend naar uw rechtvaardig oordeel, wreken wij ons niet op hen zoveel wij kunnen, opdat ook U, God, ons goedgunstig gezind bent, want U bent rechtvaardig en goed.

Hoor dan naar Mij, mens! Zolang het nodig is dat Ik jou te hulp moet komen, en jij andere mensen te hulp kunt komen, zolang zal het lijden van mijn Zoon voor Mij verschijnen en om medelijden pleiten. Zolang zal ook het lichaam en het bloed van mijn Zoon op het altaar geconsacreerd worden om opgenomen te worden door kleingelovige mensen tot hun heil en tot delging van hun schulden.
Want toen mijn Eniggeborene lijfelijk op aarde was, is zijn lichaam in stand gehouden met brood en wijn als voedsel voor zijn vlees en bloed. Vandaar ook dat zijn vlees en bloed nu op het altaar in de offerande van brood en wijn geheiligd worden om de gelovige mensen daarmee te sterken naar ziel en lichaam. Want mijn Zoon heeft op wonderbare wijze de mens verlost uit het verderf van Adam. Vol medelijden bevrijdt Hij de mensen nu dan ook uit het dagelijks kwaad waarin zij herhaaldelijk terecht komen. In de consecratie van genoemde offergaven komt datgene tegenwoordig wat mijn Zoon lijfelijk in zijn vlees voor de verlossing van de mens lijfelijk heeft geleden. Dat wil Ik niet verbergen omdat Ik zijn uitverkorenen omhoog trek om zijn lichaam te voltooien met uitverkoren ledematen.

19. De offergave heeft nooit het aanschijn van rauw vlees, tenzij het in grote nood aan de uitverkorenen zou moeten worden getoond.

Daarom laat Ik in deze offergaven al deze geheimen op wonderbare wijze zien, want met deze offergaven komen zij allemaal op het altaar. Dan wordt die offergave ook het vlees en het bloed van mijn Zoon, ofschoon zij voor het oog van de mensen brood en wijn zijn. De broosheid van de mens is zo zwak dat hij een afkeer zou hebben bij het zien van rauw vlees en bloed. Een sterfelijke mens is immers niet in staat om de godheid waar te nemen zolang hij een sterfelijk wezen is. Daarom kan hij ook niet dit mysterie doorschouwen. Dat is immers geheel goddelijk en dus duister voor de mens, zodat hij het alleen onzichtbaar waarneemt, want thans is mijn Eniggeborene ook onsterfelijk en zal niet meer sterven. Daarom, mens, geef Ik jou zijn vlees en bloed in een offergave van brood en wijn. Zo moet je dus in oprecht geloof door middel van het zichtbare het onzichtbare tot je nemen. Door een goddelijke kracht zul je dit sacrament in oprechte zekerheid aanvaarden. Maar zichtbaar wordt het niet tenzij er een grote noodzaak is, zoals dit het geval is geweest bij sommige van mijn uitverkorenen toen zij daartoe in grote nood verkeerden.

Dat doe Ik evenwel allemaal uit liefde en tot nut van de mens. Maar elk schepsel is aan mijn wetten onderworpen.

Maar jij, mens, bent altijd tegen Mij in opstand. Vandaar dat je blind en doof bent.
Maar toch kun je niet tegen Mij opstandig zijn. Want doe Ik niet wat Ik wil, ook zonder dat je het ziet? Zo zie je niet hoe Ik de ziel in het mensenlichaam stort en hoe Ik die er weer uit wegneem. Maar je ziel begrijpt Mij wel wanneer die het lichaam verlaat. Zo geef Ik ook het lichaam van mijn Zoon om te eten, en zijn bloed om te drinken. Ook dit doe Ik, mens, vanuit mijn macht zonder dat je er zicht op hebt.

20. Terwijl het lied van het onschuldig Lam gezongen wordt, gaan de gelovige mensen te communie, opdat zij, gezuiverd van hun zondigheid, opnieuw deelgenoot worden aan de eeuwige erfenis.

Daarom als de priester het lied van het onschuldig lam inzet, het “Lam Gods, dat wegneemt de zonden van de wereld”, en zich gereed maakt om de heilige communie te nuttigen, trekt dat roodkleurig licht zich weer terug naar de hemelse contreien, en wordt de hemel gesloten.

De bedienaar verkondigt de lof van Hem die in de onschuld van zijn zachtmoedigheid de schuldenlast van de mensen heeft weggenomen. Met zijn uiterlijke toewijding maakt hij kenbaar wat er in zijn gemoed aanwezig is ten aanzien van deze heilige geheimen. Die onvergankelijke sereniteit die daarbij zijn deugdzaamheid laat zien, komt tot inkeer in de verheven geheimenissen, terwijl de hemel gesloten is. Dat betekent: terwijl de hemelse geheimenissen zich aan het oog onttrekken, hoor je een stem uit de hemel zeggen dat de gelovende en gelovige mensen met oprechte devotie het vlees en het bloed van hun Verlosser moeten eten en drinken. Hij heeft voor hen geleden en de tijdelijke dood ondergaan om de besmetting af te wassen die de eerste ouders op aarde brachten toen zij het gebod van God overtraden. Het was zijn bedoeling dat de mensen, gereinigd van die ongerechtigheid, trouw hersteld zouden worden ten bate van de terechte erfenis, die zij door hun hardnekkigheid kwijt geraakt waren.
Want zoals de Eniggeboren Zoon van God bij het laatste avondmaal aan zijn leerlingen zijn lichaam en bloed aanbood, zo geeft Hij nu ook op het altaar zijn vlees en zijn bloed aan zijn gelovigen om het te nuttigen. Dat is zoals bij de mens: wanneer hij het werk heeft volbracht dat hij wilde doen, biedt hij het de mensen aan om het te gebruiken. Zo heeft de Zoon van God, om de wil van de Vader te volbrengen, zichzelf voor het heil van de mensen opgeofferd en zijn lichaam te eten en zijn bloed te drinken gegeven voor hun heiliging.
Dat zegt ook de Bruidegom tot zijn vrienden in het Hooglied.

21. Woorden van Salomon in het Hooglied (Hooglied 5,1)

Eet, vrienden van Mij, drinkt en wordt dronken, dierbaren!
Wat betekent dit?

Eet in geloof, allen die door het doopsel tot mijn vriendschap bent toegetreden.
Want het vergoten bloed van mijn Zoon wist bij u de val van Adam uit terwijl u kauwt*) op het echte geneesmiddel dat aanwezig is in het lichaam van mijn Eniggeboren Zoon.
(*“Kauwen” in letterlijke zin, maar vooral ook in figuurlijke zin n.l.“overwegen, zich bezinnen op”)

Ondertussen worden uw herhaalde misdrijven die u zo vaak in uw daden bedrijft, vol medelijden afgewassen. Daarom ook, drinkt hoopvol van de wijnstok die u van de eeuwige straf heeft weggeleid. Neemt de beker van het heil zodat u ferm en manhaftig gelooft in de genade waardoor u gered bent. Want met het bloed dat voor u vergoten is, wordt u overspoeld. Wordt dronken van liefde, want u bent mijn zeer geliefde kinderen. U wordt overspoeld door de beekjes van de Heilige Schrift zodat u zich met opperste ijver losmaakt uit de vleselijke lusten. Dan wek Ik ook in u de voor Mij helderste deugden op, terwijl Ik u het lichaam en het bloed van mijn Eniggeboren Zoon overhandig, zoals Hijzelf dit sacrament gegeven heeft. Zo staat het geschreven in het Evangelie…

22. Hoe de woorden die de Heer bij het laatste avondmaal over dit mysterie tot zijn leerlingen sprak, opgevat moeten worden en laatste mens toe worden

Terwijl zij het avondmaal nuttigden, nam Jezus brood, zegende het, brak het en gaf het aan zijn leerlingen en zei: “Neemt en eet, dit is mijn lichaam”. Toen nam Hij de kelk, sprak een dankgebed uit, gaf hem aan zijn leerlingen en sprak: “Dit is mijn bloed van het nieuwe testament, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van de zonden. Maar Ik zeg jullie: Ik zal van deze wijnstok niet meer drinken tot de dag dat Ik hem met jullie opnieuw drinken zal in het Rijk van mijn Vader”. (Mt.26,26-29).

Op deze wijze vierde Gods Zoon met zijn leerlingen de voltooiing die Hij moest ondergaan door uit deze wereld weg te gaan. Hij zou niet langer met hen spreken over aardse aangelegenheden zoals Hij voorheen gedaan had. Maar volhardend in de wil van de Vader, tot het lijden aan het kruis toe, heeft Hij in opperste toewijding tot heil van de mensen brood genomen als herinnering aan zijn lichaam. Vol verlangen spreekt Hij met de Vader over hoe Hij van Hem is uitgegaan en weer naar Hem terug wilde keren, en dat de Vader zou bezien of het mogelijk was – met het oog op de zwakheid van het vlees – dat de kelk die Hij moest drinken aan Hem voorbij zou gaan, ofschoon Hij wist dat dit niet zou gebeuren. (Cfr.Mt.26,39-41)

Daarom heeft Hij het brood gezegend om het angstzweet van zijn lichaam te gedenken terwijl Hij zich onderwierp aan de opdracht van de Vader. In angst voor het lijden heeft Hij zijn lichaam en bloed gegeven ten bate van zijn leerlingen en opdat zij het voorbeeld dat Hij hun had gegeven, niet zouden vergeten.

Hij brak het voor hen.

Want ofschoon dat lijden voor zijn lichaam vreselijk zou zijn, heeft Hij toch aan zijn Vader gehoorzaamd en de verschrikkelijkste dood overwonnen in de dood van zijn lichaam. En Hij gaf tevens aan, dat in het sacrament van deze offergave  zijn vlees en bloed gegeven moesten worden aan hen die in Hem geloven.

En Hij gaf het.

Dat deed Hij voor zijn leerlingen tot hun werkelijk heil. In zijn Naam moesten zij zelf ook doen wat Hij uit liefde voor hen gedaan had. Met minzame stem zei Hij:

“U die Mij op bescheiden wijze wilt volgen, aanvaardt met vlammende liefde het voorbeeld dat Ik jullie nalaat, te weten mijn lijden en de werken die Ik in opdracht van mijn Vader heb volbracht. Want Hij heeft Mij gezonden om te onderrichten en om zijn Rijk te laten zien. Eet gelovig wat Ik jullie aanreik want dit is mijn Lichaam. Wat betekent dit?

Eet mijn lichaam, want met hart en ziel moeten jullie hetzelfde doen wat Ik gedaan heb, wanneer de Heilige Geest jullie hart daartoe aanzet. Zoals de mens voedsel verteert dat hij in zijn buik opneemt, zo moeten jullie Mij ook volgen in mijn doen en laten. Zo ook zullen jullie, en allen die mijn voorschriften willen onderhouden, mijn lichaam eten.

Vervolgens heeft de Zoon van God tot ons heil de beker van het heil genomen en aan zijn Vader dank gebracht. Want toen het bloed uit zijn zijde vloeide, is deze  genade aan de gelovigen gegeven. Die genade was zo sterk dat die zelfs de oude slang overwonnen heeft en de verloren mens gered heeft en de hele Kerk gelovig heeft gesterkt. Hoe?

In de zachtheid van zijn liefde gaf deze Heiland aan zijn gelovigen zijn zeer kostbaar voorbeeld toen Hij met fluisterende aandrang zei: Drinkt vol vertrouwen uit deze heilzame beker, u allen die Mij trouw wenst te volgen. Doet dit zo dat u  uit nood ook uw lichaam kastijdt en uw bloed zwetend in toom houdt uit liefde tot Mij. Verloochen uzelf om de Kerk te bevestigen, zoals ook Ik mij aan het lijden heb onderworpen en mijn bloed heb vergoten ten bate van uw verlossing. Daarbij heb Ik geen rekening gehouden met de teerheid van mijn vlees omdat Ik dorstte naar uw heil. Dit bloed dat voor u vergoten is, is niet het bloed dat in de schaduw van het Oude Testament werd gesprenkeld, maar mijn bloed is dat van het Nieuwe Testament dat gegeven is tot heil van de volkeren. Hoe dan?

Ik, de eniggeborene van mijn moeder, de zoon van een zeer ongerepte maagd, heb op een kruis mijn bloed vergoten tot redding van de mensen die in geloof naar Mij opzien.

En zoals Ik toen het bloed heb gegeven voor de bevrijding van het mensengeslacht, zo lever Ik het nu ook op het altaar uit aan de mensen ter zuivering van hen die het gelovig aanvaarden.

Tijdens het avondmaal vóór mijn lijden heb Ik jullie mijn lichaam en bloed gegeven om te eten en te drinken, met de bedoeling dat jullie nu ook op het altaar  hetzelfde zouden doen om Mij te gedenken. Daarom zeg Ik jullie die Mij trouw gevolgd bent, in volle openbaarmaking van de waarheid: “Ik zal deze beker van de angst niet meer drinken in de benauwenis die Ik nu van de Joden te lijden heb tot de dag waarop ik van de verslagen dood opsta en de dag van het heil meebreng. Dan zal Ik de beker van uw verlossing drinken samen met jullie die Mij toebehoren. Ik zal jullie de gloednieuwe jubelzang leren, want het verderf van de oude misdadigheid wordt afgeworpen. Voor jullie gaat dan het Rijk open dat mijn Vader bereid heeft voor hen die Hem beminnen. Wat betekent dat?

Door mijn dood die Ik op het kruis heb doostaan, zult u het heil van de zielen ervaren. Want na mijn verrijzenis bij mijn hemelvaart als u de Helper, de Heilige Geest, ontvangt, zult u het nieuwe van de ware leer in u opnemen. Omwille van mijn Naam zullen jullie ook veel onaangenaamheden ervaren. Ik zal die samen met jullie ondergaan. Niet dat Ik verder nog lijfelijk enige ellende zal ervaren, zoals dat eerder het geval was toen Ik nog lijfelijk in de wereld was. Maar omdat jullie ze in mijn naam te verduren hebt, onderga Ik ze samen met jullie, want jullie zijn in Mij en Ik in jullie.

En zoals eerder al werd gezegd: U, die trouw in Mij gelooft, zult het lichaam en het bloed van mijn Zoon ontvangen tot delging van uw wandaden. Opgevrolijkt door dit sacrament ontvangt u de deugd van hemelse sterkte. Dat roept ook mijn dienaar David uit overeenkomstig mijn vurige wens. Hij zegt:

23. Woorden van David hierover. (Psalm 103[104], 14-15)

Gras voor alle vee laat Hij groeien, en gewas waar de mens hard voor werkt om voedsel te winnen uit deze aarde, en wijn die het hart van de mensen verheugt, en olie die zijn gelaat doet glanzen, en brood dat het hart van de mensen versterkt.

O God, uw verhevenheid gaat allen te boven. De mens zal verzadigd worden door het geloof waarmee U waarachtig gekend wordt, want in uw wijsheid is het geloof  de vrucht van de deugden. Wie zich aan dat geloof vastklampt, verwerpt de honger naar ongeloof  ten bate van een leven in gerechtigheid. Waar voorheen de waarheid niet gekend werd, ontbrak ook de honger naar gerechtigheid. Maar nu brengt de mens in een overvloed aan goede werken het berouw van zijn gemoed tot stand. Met inachtneming van zijn eigen zwakheid geeft hij op trouwe wijze een voorbeeld van nederigheid aan hen die eenvoudig zijn. Wanneer hij overeind komt, laat hij ook, met de kern van deugden in overvloed en tot verzadiging toe,  de groene groeikracht van zijn correcte levensinstelling zien aan de verslaving van hen die haken naar het aardse goed. Want met deze handelwijze werkt hij zich in zweet ten bate van hen. Zijn leefwijze leidt de gelovige zielen met krachtige inzet en bescherming naar de hemelse vreugde, en hen waarnaar hij moet omzien, verdedigt hij ook met strijdbare kracht en bescherming.

Door uw wil, o God, gaan daarom al deze dingen bij de mensen vooraf.  Voor hen die met deze deugden wonderlijk mooi gesierd zijn, roept U het lichaam van uw Zoon te voorschijn uit de vrucht die de aarde in pure groene groeikracht voortbrengt. Zo heeft uw Eniggeboren Zoon, lichamelijk voortgekomen uit de schoot van een zedige maagd, brood ten leven gegeven aan hen die in Hem geloven.

Daarom zult U ook het wonder doen dat het bloed van uw Eniggeborene, dat tot heil van de zielen vergoten wordt, de innerlijke kracht van de mensen zal verblijden. Bedoeld zijn de zielen van hen tot vergeving van hun zonden.

Hoe dan?

Zoals eerst het lichaam van uw Zoon op het kruis omhoog geheven is tot verlossing van het mensengeslacht, zo worden nu zijn lichaam en bloed op het altaar geconsacreerd tot heil van hen die geloven.

Daarom, wanneer dit op wondermooie wijze zal zijn geschied, dan zal het ook gebeuren dat dit sacrament het gelaat opvrolijkt. Bedoeld is dat de Kerk met olie van barmhartigheid wordt overgoten. Want gelovigen die met de vreugde van het geloof de barmhartigheid van God aanvaarden, zijn mooi voor de ogen van God.

Want terwijl het heil van de wereld aan het kruis hangt, verlost het de mens barmhartig uit de strik van de duivel. Dan worden de mensen ook goedmoedig losgemaakt uit de strop van de zonden, zodat zij ook in blijdschap met een eenvoudig hart getrouw in God geloven, en niet nalaten om met vurige toewijding te hulp te komen aan hen die in ellende zitten.

Hierin moeten de gelovigen brandend van liefde zijn, opdat het brood dat leven geeft aan wie ervan eten, de zinnen versterkt van hen die altijd wankelen in onstandvastigheid, en opdat de bedoeling van hun hart niet naar het kwade neigt, maar sterk opstijgt naar wat leven betekent.

24. Het sacrament dat alle onreinheid afwist, moet tot de laatste mens toe worden gevierd.

Dit brood is evenwel het lichaam van mijn Zoon. Dat wordt door geen enkele duisternis van zonden verduisterd, noch door enige smet van ongerechtigheden overschaduwd. Degenen die het waardig ontvangen, worden dan ook naar lichaam en ziel overstroomd door een hemels licht, en beslist gezuiverd van de smetten van hun innerlijke onreinheid. Daarom moet er over  dit allerheiligste lichaam geen enkele twijfel bestaan. Want Degene die de eerste mens noch uit vlees noch uit been gemaakt heeft, is ook in staat om dit sacrament tot stand te brengen.

Vandaar, o maagdelijke oorsprong, jij staat op, jij groeit en spreidt je takken uit met veel twijgen en zo wordt het hemelse Jeruzalem opgebouwd. Jij leeft niet vanuit mannelijk zaad, maar komt voort uit een mystieke ademtocht. In je oorsprong ben je niet verbonden met een bevlekkende wandaad, maar ben je open gebloeid uit een wonderbare werking van deugden. Als een bloem ben je opgekomen uit niet omploegde aarde. Die bloem zal nooit verwelken door een of andere toevallige eindigheid, maar zal juist in volle groene groeikracht blijven bestaan.

Daarom moet dit sacrament van uw lichaam en bloed net zolang in de Kerk gevierd worden in dienst van de waarheid totdat op het einde van de wereld de laatste mens komt die door toedoen van dit mysterie naar waarheid gered moet worden. Want omdat dit afkomstig is van Gods geheimenis, brengt het heil voort voor de gelovigen. Ook David spreekt daarover…

25. Ook David spreekt daarover. (Psalm 77, 23-25)

Hij gaf bevel aan de hoge wolken en de deuren van de hemel gingen open. Manna om te eten regende op hen neer. Hij schonk hun het koren van de hemel. Zij aten het brood van de engelen. Hij stuurde voedsel in overvloed.

Wat is dit?

Vanuit zijn verheven hoogte heeft de hemelse Vader door de kracht van zijn glorie de gemoederen van de mensen zacht gestemd. Aan de aartsvaders en de profeten heeft Hij inzicht verleend in wat verborgen ligt in zijn mysteries. In de Heilige Geest hebben zij waarlijk (de komst van) zijn Zoon voorzegd. Ook hebben zij in de Heilige Geest op wonderlijke wijze in terechte wetten door middel van het bloed van bokken (Hebr.9,12) en andere aanwijzingen zijn Zoon aangekondigd. En terwijl Hij zo de zoetheid en zachtheid van zijn hart liet zien, heeft Hij hun in mildheid en in de zachte gloed van zijn liefde zijn Zoon gezonden.  Om de mensen door Hem te laten bekomen van de honger van hun ongeloof, gaf Hij hun sterkend voedsel uit de hemel. Op gelovige wijze daardoor verzadigd, verkregen zij de volle vreugde van alle vormen van geluk en gelukzaligheid.

Dus het brood, waarvan de verheven engelen de zoetheid niet kunnen proeven omdat zij God zien, heeft de mens wel in zich kunnen opnemen in de menselijke gestalte van de Zoon van God, doordat de hemelse Vader dit gelukzalige voedsel in overvloed van geestelijke vreugde naar de mensen toegezonden heeft. Daarom: laat de gelovige mens met trouwe bereidheid toehoren.

O jullie gelovige mensen, die een loot ven de Kerk bent, luistert naar het instrument van uw ziel en begrijpt het. U bent geen kinderen van de duivel, maar erfgenamen van het koninkrijk (Jac.2,5). Zie hoe Ik, uw allernederigste en goedertierenste Vader, u heb omgeven met grote gelukzaligheden van heil. Sla dus acht op de goedheid van uw Vader, en op hoe door Mij verordend is wat jullie tot heil strekt. Ofschoon jullie maar stof en as bent, heeft het menszijn van mijn Zoon het zelfde heil opgeëist. Hoe dat?

Mijn Zoon is uit een ongerepte Maagd geboren. Die heeft geen weeën gekend, maar is ongerept gebleven in haar groene groeikracht, zoals het gewas in de groene groeikracht gedijt als de dauw van de hemel er op valt.

26. Waarom er in het sacrament van het altaar brood wordt geofferd.

Omdat de Maagd waaruit mijn Zoon op deze wijze het vlees heeft aangenomen zonder zonde, is het ook correct dat zijn lichaam nu tot stand komt van een vrucht die geen bittere sap bevat. Hoe dan?

De graankorrel is de sterkste en de beste vrucht van allemaal. In zijn halm is geen sap of merg zoals de andere gewassen hebben. In zijn gewas rijst een aar omhoog, en brengt zo zijn vrucht voort. Noch bij warmte noch bij kou brengt hij een bitter vocht voort, maar verschaft droog meel. Zo was ook het vlees van mijn Zoon droog zonder enige besmetting van de menselijke bezoedeling waaruit het mensengeslacht normaal voortkomt tijdens wellustige omhelzingen van man en vrouw. Zo is mijn Zoon niet geboren. Hij is voortgekomen via de groene groeikracht van de ongereptheid zoals ook het gewas de graankorrel doet ontstaan zonder verwevenheid met iets anders. De halm van het graan gedijt zonder merg en brengt een droge vrucht voort in de zuivere aar. Zo ook heeft de zalige Maagd zonder mannelijke inbreng haar allerheiligste Zoon voortgebracht. Vanwege die Moeder heeft Hij ook niet het sap van een zonde ( = de erfzonde) overgehouden, want Zij heeft Hem zonder mannelijk zaad ontvangen. Dat is te vergelijken met het gewas dat ook geen sap aan de graankorrel meegeeft, omdat het zelf niet gedijt vanwege een stam met vloeibaar zaad, maar slechts groeit door zon en regen en een zachte bries. Zo is ook de allerreinste Maagd niet overschaduwd door een man, maar door de kracht van de Allerhoogste. En vervuld door het overkomen van de Heilige Geest heeft  Zij in zoete kuisheid haar Eniggeboren Zoon ter wereld gebracht.

Ofschoon de Maagd zelf uit de wil van een man en een vrouw ontstaan is, heeft Zij haar Zoon niet op die manier voortgebracht. Zij heeft Hem die uit de hemel kwam, zonder de wil van een man en met behoud van haar ongereptheid, zeer zuiver gebaard als waarlijk God en mens.

Omdat Zij Hem in haar maagdelijkheid allerzuiverst en zonder smet ter wereld bracht, moet ook het brood dat waarlijk tot diens vlees geconsacreerd wordt, allerzuiverst zijn in ongereptheid, en moet door de gelovigen in de zuiverheid van hun hart opgenomen worden zonder bijmenging van verstrooidheid. Zo heb Ik het aan de kinderen van Israël aangetoond. Zo staat het ook overeenkomstig mijn wil beschreven.

27. Woorden van Mozes hierover (Ex.13,3)

Blijft deze dag gedenken, de dag waarop u bent weggetrokken uit Egypte, dat slavenhuis, want met krachtige had heeft de Heer u daaruit bevrijd. U mag geen gedesemd brood eten.

U die navolgers van mijn Zoon wilt zijn, moet van de dood omkijken naar het leven. U moet daarbij het heil gedenken van de dag* die mijn Zoon is.

(* Denk hierbij aan Jo.9,4-6: Zolang het dag is, moeten wij het werk doen van Hem die Mij gezonden heeft…Ik ben het licht voor de wereld. Zie ook Jo.8,12)

Hij vertrapte de dood en bracht het leven. Tot jullie heil zijn jullie uit de ellendige ballingschap van het verderf weggetrokken naar Hem toe. Dat gebeurde toen jullie de compacte duisternis van ontrouw hebt afgeworpen en zo ook hebben jullie je losgerukt uit het slavenhuis waarin jullie terechtgekomen waren door de ongehoorzaamheid van Adam. Maar kijkt nu weg van de aardse daden en ziet omhoog naar de hemelse, want in mijn goddelijke macht leid Ik jullie weg van het kwaad. Ik ben de Heer die met zoveel kracht aan alles vooraf ga dat niets zich tegen mijn kracht kan verzetten om alles zeer scherp te doorzien. Door mijn Zoon ruk Ik jullie weg van de plaats waar jullie als dode dienaars door je ontrouw geen goede werken doen, maar neergeslagen volhard hebt in uw schandelijk gedrag.

Maar nu jullie in mijn Eniggeborene van die onderdrukking  verlost bent, snel nu van de ene deugd naar de andere. Let er op dat jullie het ongeloof niet toestaat om in jullie geweten binnen te dringen, want in dat geval versterken jullie je hart niet. Het zal eerder vermeerdering van bitterheid met zich meebrengen. Wat is dit?

Duivels gekonkel moeten jullie niet najagen, en ook niet die andere verzinsels die mensen voor zichzelf uitdenken maar niet méér zijn dan  menselijke besmettingen van heidense filosofen en ketters. Mijn Zoon echter moeten jullie in de spiegel van het geloof navolgen. Hij heeft jullie gered uit de kerkers van de hel toen Hij zichzelf voor u opofferde door te lijden op het kruis.

Maar om des te attenter in zijn voetsporen te kunnen treden, moet u uw harten sterken met het hemels brood. Neemt daartoe zijn lichaam in gelovige toewijding op. Want zelf komt Hij uit de hemel, geboren uit een zoete en zuivere Maagd, en heeft Hij voor ons heil op het kruishout geleden, en heeft zich zo aan u meegedeeld. Daarom moet u ook zonder bijmenging van enige bitterheid, maar met oprechte instemming het zoet-smakende en zuivere brood tot u nemen dat door een goddelijke aanroeping op het altaar geconsacreerd is geworden. Dat doen we met de bedoeling om te ontkomen aan de honger van de innerlijke mens en aan te kunnen zitten aan de feesttafel van de eeuwige zaligheid.

28. Waarom er bij het sacrament van het altaar wijn geofferd wordt.

Vandaar ook dat Ik na eenzelfde aanroeping bij het sacrament van het bloed, in de wijn die uit de wijnstok vloeit, wonderlijke dingen wil aantonen. Hoe dan?

Het bloed van mijn Zoon vloeide uit zijn zijde, zoals de druif uit de wingerd voortspruit. Maar zoals de druif met voeten geplet wordt, en vervolgens uitgeperst in een wijnpers om als zeer zoete en krachtige wijn het bloed in de mens te versterken, zo is ook het beste en kostbaarste bloed van mijn Eniggeboren Zoon uit zijn wonden gevloeid toen Hij in angstzweet verkeerde en vertrapt werd via  zweepslagen en geselingen en geperst werd door het kruishout. Als een zeer heilzame verlossing vloeide het uit over de volken die geloven.

De druif verschilt van andere vruchten die een hardere schil hebben en toch gegeten kunnen worden, terwijl de mensen eerder gewoon zijn een druif op te zuigen dan te eten. Zo verschilt ook mijn Zoon van andere mensen die in zonde verkeren. Dezen gaan immers gebukt onder de last van hun ondeugd en zijn onderworpen aan verschillende vormen van lijden, terwijl mijn Eniggeboren Zoon, die wonderbaarlijk uit de allerzuiverste Maagd geboren werd, elke vorm van besmetting ontbeert. Daarom en omdat de druif een zachte structuur heeft, wil Ik de wijn consacreren tot bloed van mijn Zoon. Want zoals de wijn uit de druif sijpelt, zo is mijn Zoon uit mijn hart voortgekomen. Gelijktijdig is mijn Eniggeboren Zoon de ware wijnstok en gaan er verscheidene ranken van Hem uit. De gelovigen zijn immers in Hem geplant door zijn menswording, en zij zijn vruchtbaar in goede werken. En zoals het sap uitgaat van de zeer zoete en sterke vrucht van de druivelaar, zo komt ook elke gerechtigheid in medelijden en waarheid te voorschijn via de menswording van mijn Zoon. Allen die Hem getrouw zoeken, vinden die deugden in Hem.

Hoe dan?

Zij die Hem getrouw aanhangen, worden via Hem groen en vruchtbaar, zodat zij in deugden de lekkerste vruchten voortbrengen. Hijzelf, zachtaardig en zachtmoedig als Hij is, heeft zeer kostbare twijgen voortgebracht. En voor zichzelf heeft Hij de gelovigen ontdaan van alle onreinheid van ongeloof, zoals over Hem  in het Hooglied geschreven staat.

29. Woorden uit het Hooglied hierover (Hooglied, 1,14)

 Mijn Geliefde is voor mij als een druiventros uit Cyprus aan de wijnstokken van Engedi.  (Hooglied, 1,14).

Bij zijn verrijzenis verlost  de Zoon van God mij, een verbannen ziel, uit haar lijden en geeft haar ook vol genade een beetje leven. Hoe doet Hij dat?

Zoals een druiventros uit Cyprus helemaal vol sap zit, zo is ook de heerlijkheid van Gods eniggeboren Zoon in onuitputtelijke grootheid aanwezig. Dat is zelfs in die mate het geval dat de Zoon van God nooit uitgeput raakt en altijd drank ten leven kan reiken aan hen die dorst hebben, want Hij is het heil ten leven. Wij die eerst in gebreke bleven, worden nu gesterkt om goede werken te beoefenen en te kennen. Dat gebeurt door het eten van de spijs die tot leven leidt, waarin God aanwezig is en wij voortgang maken naar het leven.

In het Oude Testament dat a.h.w. door een schaduw zijn volle betekenis niet heeft gehad, maar in de uitoefening van zijn betekenis een grote verscheidenheid heeft gekend, zijn wij er niet in geslaagd om op te stijgen naar ons heil, terwijl wij er toch zo hongerig naar waren.

Nu zijn wij echter in Hem verzadigd en drinken wij de kelk van het heil, want in het ware geloof proeven wij trouw wie God is. Met de uitwendige ogen van ons sterfelijk lichaam kunnen wij Hem niet zien, maar de dingen die wij van binnen hebben, kennen wij met ons geestelijk verstand. Het is zoals met de zeer grote kracht van de wijn. Die openbaart zich in de aderen van de mens. Ook al merken de mensen het niet, zij weten dat die er is.

Daarom is de bruidegom van de zielen een druiventros van Cyprus waarvan de vrucht niet verwelkt. Hoe dan? De blinde die een haven binnenvaart zoekt zijn gezichtsvermogen. Hoe dan? Als een mens niet de helderheid van het geloof bezit en dan tot geloof komt, komt via de persing van de perskuip terecht in het vocht van het bloed van Christus. Hoe dan? Zoals wij door het volgen van zijn geboden leven hebben in onze ziel, zo ontvangen wij ook via zijn gaven de loutering van ons vlees. Wij zijn onrein omdat wij geboren zijn in de overtreding van Adam, maar wij worden geheiligd door het bloed van Christus. Vandaar dat de trouwbelofte van de zielen (* wordt hier gedoeld op het sacrament van het Vormsel?) in de Heilige Geest over Hem spreekt: “Mijn geliefde die voor mijn hart zoet en beminnelijk is, is door zijn bloed voor mij zeer sterke wijn die mij volledig heilig maakt. Want, ofschoon ik onrein ben sinds mijn inplanting in het vlees, lijkend op een wijngaard die er onverzorgd bij ligt in doorns, is Hij toch de bron van heil en heeft Hij genadig de onreinheden van de zondaars afgewassen en heiligt Hij hen op zeer glorievolle wijze in het mysterie van zijn geheimenissen. Want zoals Hij zachtjesaan uit het hart van de Vader te voorschijn is getreden, zo laat Hij ons nu in de wijn zijn bloed zien. En zoals Hij op wondere wijze uit een Maagd geboren werd, zo verklaart Hij nu ook dat zijn lichaam wonderbaarlijk in brood aanwezig is. Hij is immers de druiventros die nooit enig gebrek vertoont als Hij geplet wordt.

Daarom wordt Hij door de wil van de Vader op het altaar als in een perskuip geplet, om de mens, die zonder Hem helemaal niet kan bestaan, niet te laten bezwijken vanwege zijn kwetsbare zwakheid. Want zoals het bloed van de mens zich vermeerdert door drank, zo verkrijgt de mens zijn heiligmaking via het bloed van Gods Zoon. En opdat het bloed van de mens zonder een scheut drank niet zou verdorren, moet het door drank op peil gehouden worden. Zo mag bij de consecratie van het bloed van Gods Zoon de wijn niet ontbreken, maar zal die in het sacrament van dit mysterie steeds op het altaar aanwezig zijn.

30. Waarom er aan de wijn water toegevoegd moet worden in het sacrament van het altaar.

 Mens, je moet goed weten dat voor de consecratie water bij de wijn gedaan moet worden omdat bloed en water uit de zijde van mijn Zoon vloeide. Daarbij verwijst de wijn naar zijn Godheid, en het water naar zijn mens-zijn.

Omdat in Hem het God-zijn en het mens-zijn samengaan, moet ook voor de consecratie water aan de wijn worden toegevoegd. De wijn verwijst daarbij naar zijn God-zijn en het water naar zijn mens-zijn. Zonder die vermenging zou het puur en alleen mannelijk bloed zijn.

Mijn Zoon, die bron van levend water is, heeft de mensen gereinigd van de oude schuld van Adam bij de herschepping door de Heilige Geest en het water. Hij heeft de mensen overgebracht naar de hemelse contreien toen Hij voor hun heil in de wereld is gekomen, zoals geschreven staat….

31. Woorden uit de Wijsheid.

(Noot van de vertaler.

Als een beek uit een rivier, en als een waterloop ben ik uitgegaan van het paradijs

(Dit is de vertaling van Jezus Sirach 24,30 in de Septuagint.)

Als een dioryx (= beek) van een rivier, en als een waterloop ben ik uitgegaan van het paradijs.

(NB dit is de vertaling van Jezus Sirach, alias Ecclesiasticus, in de Vulgaat vertaling -Eccli 24,41:daar staat  fluvii dioryx )

De tekst van Hildegard heeft fluvius doryx. De vertaling wordt dan:

Alsof ik de rivier de doryx was, zo ben ik vanuit het paradijs uitgestroomd als een aquaduct. Maar mooier en bijbels correcter is:

Als een beek van een rivier, en als een waterloop ben ik uitgegaan van het paradijs.

Wat betekent dit?

God heeft de mens met verstand toegerust en hem meerdere mystieke gaven geschonken. Toen Hij hem de levensadem (Gen.2,7) inblies, heeft Hij hem  met redelijkheid hoog verheven. Nadat hij door misleiding in de dood terecht gekomen was, ben Ik, de Zoon van God, hem komen bevrijden. Ik was als een rivier, stromend in de pracht van elke bevloeiing van niet tegen te houden liefde, uitstromend in een stroom van ware en niet aflatende zuiverheid om de mens, die om eigen schuld verloren zou gaan, op barmhartige wijze te ontrukken aan de ondergang.

Hoe dan?

De bedoeling was dat het onschuldig bloed van de aller-onschuldigste onschuld in doodsnood en zwetend van angstig lijden, vergoten zou worden voor de mens.

Hoe dan?

Door zijn overtreding is Adam uit het paradijs verdreven. Omdat hij schuldig was, joeg het bloed met hevig, angstig kloppen van zijn hart door hem heen. Volledig doorweekt van angst, werd hij zodoende helemaal nat van het zweten. Daaruit kan men weten dat door het zweten water in het bloed van de mens aanwezig is.

Daarom, mens, toen de Eniggeborene van God in zijn menselijke gedaante angstig begon te worden omdat Hij terwille van het mensengeslacht wilde lijden, kwamen er ook druppels zweet  uit zijn bloed. Daarom ook stroomde er water en bloed uit uit de wonde in zijn zijde toen Hij aan het kruis hing. Dat is ook de reden waarom er tijdens het sacrament waarin het mysterie van zijn lijden gevierd wordt, water bij de wijn gevoegd moet worden. Uit de wonde in de zijde van de Zoon van God is immers water en bloed gevloeid. Maar in dat sacrament moet de wijn de overhand hebben boven het water, omdat ook het bloed overvloediger was. Het is te vergelijken met melk die de overhand heeft boven sap dat zij als wei afscheidt.

 Zij die voorgaan in de viering van dit mysterie, moeten dat zo doen, zoals hun is voorgehouden en zoals zij ook de mensen aansporend vermanen, als zij op mijn ingeving hen toespreken met de woorden die geschreven staan in de Wijsheid

(Prov. 9,5. NB. Hildegard verwijst naar de bijbelse Wijsheidsliteratuur. Die omvat de bijbelboeken Spreuken, Job, Ecclesiasticus en het boek van de Wijsheid.)

32. Nogmaals uit de Wijsheid (Prov.9,5)

Komt en eet mijn brood en drinkt de wijn die Ik voor u hebt gemengd (Prov.9,5)

Wat betekent dit?

U, die domheid wilt afleggen, komt los van de dwaasheid waardoor u God niet kent, en van de ontucht waardoor u in ballingschap werd gestuurd. Keert terug naar het lichtend domein dat u via de spiegel van het geloof in het vooruitzicht is gesteld als een bron. En eet dan mijn brood in vrome aandacht. Dit brood komt niet voort uit graan dat door een mens op een akker werd gezaaid. Zijn groene groeikracht is er niet door de grond aan verleend, maar die is van God uitgegaan en is er dan ook blijvend in aanwezig.

Want zo gewoon als brood gegeten wordt en de grond betreden, zo gaat ook de Zoon van God, het levende brood, de mensenkinderen hemelhoog te boven.

Want de Zoon van God staat stevig in de kracht van zijn God-zijn, terwijl de kinderen van de mensen wankel zijn door de zwakheid van hun vleselijk bestaan.

Hoewel de Zoon van God via zijn lichamelijk bestaan op aarde vertoefde, heeft Hij in zijn vleselijk bestaan de slapheid van de zonde niet gekend. Want zoals vuur het brood bakt, maar het niet uitdroogt en er ook geen zachtmakend vocht aan onttrekt, zo is ook de eniggeboren Zoon van God, ontvangen door het zeer felle vuur van de Heilige Geest en geboren uit de allerzuiverste Maagd, zonder enige aantasting door zonde gebleven. En zoals het brood de mens tot voedsel dient, zo worden de gelovige mensen door deze Zoon van God gevoed in hun geloof, want Hij is de zeer krachtige vrucht die nooit vergaat.

Vandaar ook u, gelovigen, als u dit brood eet, drinkt dan ook de wijn met een zuivere bedoeling. Aan deze wijn ontbreekt elke vieze drab en ze leidt niet tot dronkemannen gezwalk waardoor het bederf de reinheid van de onschuld verzwelgt en in gif verandert.

33. Vóór de zonde had Adam zuiver bloed. Na zijn misstap heeft hij dat verspild en is het veranderd in stinkende onzuiverheid.

Want toen de eerste mens  geschapen werd, is hij rein geweest. Hij vertoonde immers geen enkele afwijking, maar was rein in zijn lichaam en in zijn bloed.

Toen hij de overtreding beging, is hij bedrogen uitgekomen, zodat hij zijn bloed voortaan altijd vergiet in de stank van onrein overspel. Want zoals de man de eer van zijn onschuld verworpen heeft, zo verliest zijn bloed zelfs de kleur van  bloed tijdens het menselijk geslachtsverkeer in het vocht van de zaadlozing.

Bij die zaadlozing is de substantie ook nog zó vormeloos totdat er opnieuw bloed verschijnt. Dat bloed neemt dan een nadere gestalte aan maar vertoeft na zijn ontstaan in kwetsbaarheid totdat zijn merg zijn volle kracht bereikt, en totdat het bewustzijn in hem wakker wordt door een geheimnisvolle opstanding. En zo van alle gift gereinigd, ontstaat zuiver vlees en bloed, totdat hem een schadelijke warmte door en door schokt, want door die schokkende beweging stort hij schadelijk schuim uit.

 Maar de Zoon van God is van dit alles vrij gebleven. Hij is zuiver van vlees en bloed, omdat Hij nooit aangeraakt is geworden door welke schadelijke warmtegloed dan ook. Vertoevend in heiligmakende en eervolle zeer vruchtbare zuiverheid is Hij nooit geschonden kunnen worden door welke besmettende omstandigheid dan ook. Toch is ook bij Hem, toen Hij in de benauwenis van het lijden terecht kwam, water en bloed uit zijn zijde gestort, want bloed zonder water is niet vloeibaar. Maar het is gematigd zodat het bloed kracht geeft aan het water en het water het bloed vloeibaar houdt.

34. Zij die het lichaam en het bloed van Christus ontvangen, zullen met veel zoetheid tot leven komen.

Als u God op vrome wijze wenst te eren omdat u uw heil liefhebt, neemt dan de heiligmakende beker. Ik heb die voor u op temperatuur gebracht, zodat u in de milde vergeving niets merkt van ruwe wraak. In de hoogverheven Zoon is immers zowel het goddelijke als het menselijke aanwezig. Door zijn lijden bent u van de dood verlost. En, gevoed door zijn lichaam en bloed,  zult u in de eeuwige woonplaats gemeenschap met Hem hebben.

Maar Ik die begin en einde ben (Apoc.21,6) zeg jou, mens, nogmaals over mijn Zoon: Hij is de bloem van de rozenstruik en de lelie van de dalen (Cant.2,1). Hij is geboren uit een zeer zuivere maagd. Zij heeft Hem gebaard met behoud van haar ongereptheid. Die geboorte was van dien aard dat Ik Mij verzoend heb gevoeld met de ongerechtigheid van de eerste ouders van het menselijk geslacht die Mij door hun overtreding tot verontwaardiging hadden uitgedaagd.

Daarom heb Ik telkens weer die geboorte voor ogen wanneer Ik dagelijks op het altaar het lichaam en het bloed van mijn Zoon aan mijn Naam toe geheiligd krijg. Vandaar ook, mens, dat jij door dit sacrament geheiligd wordt als je dit lichaam eet en dit bloed drinkt.

Want telkens als de priester zijn taak uitoefent overeenkomstig de vastgestelde ritus, namelijk door Mij aan te roepen met de allerheiligste woorden, dan ben Ik met diezelfde kracht aanwezig waarmee Ik er toen was, toen mijn eniggeboren Zoon mens werd zonder enige verwijdering brengende smet. Daarom was zijn lichaam allerzuiverst en aangenaam voor Mij in volle heiligheid. Dat heeft tot gevolg dat zij die nu op gelovige wijze zijn lichaam en bloed tot zich nemen, met veel zoetheid tot leven komen en geen enkele schandelijk verwerping hoeven te duchten. Zo staat het ook beschreven in het Hooglied (Cant.81)

35. Woorden van Salomo hierover (Hooglied 8,1) .

Wie zal mij U geven als mijn broer die zuigt aan de borst van mijn moeder? Dan zal niemand mij verachten als ik U buiten tegen kom en U met mijn kussen overlaadt. (Hooglied 8,1)

Wat betekent dit?

Deze toegewijde verzuchting van hen die met hun zeer vast geloof in de Kerk aanwezig zijn, verwoordt: “Wie is Hij die zichzelf in een allernederigst aanbod aan mij als bruidegom aanbiedt, aan mij de allerellendigste mens die zich in zorgen bevindt? En dat terwijl ik U mijn broeder noem vanwege uw menswording en vanwege het feit dat U gezoogd wordt aan de borst van medelijden en waarheid. Dat is de voeding waarmee de Godheid de mensen voedt. Binnen de schepping bent U zo mijn moeder, want met deze voeding geeft U mij het leven. Hoe moet ik dat verstaan?

Uw genade is het volle voedsel voor de Kerk wanneer U haar in het sacrament van uw lichaam en bloed de volle overvloed schenkt, U die het levende brood en de bron van levend water bent.

U doet dit opdat ik U met absolute zekerheid daarbuiten aantref n.l. wanneer ik U als Zoon van God in de hemel aanwezig weet, mag ik U toch ook als mens op aarde zien, terwijl ik U met mijn sterfelijke ogen niet in uw goddelijkheid kan waarnemen.

Het gaat er om dat ik U ook herkennen zal in het brood en de wijn van het goddelijk mysterie. Daarom is dit sacrament zonder de last van vergissing en zonder angst om te falen.

Dat is de reden waarom ik U kan kussen, want U bent tot mijn heil mens geworden, en hebt mij deelachtig gemaakt aan uw lichaam en bloed. Hiertoe bent U terwille van mij in de wereld gekomen en hebt U uzelf aan mij overgeleverd. Geen enkel schepsel zal mij voortaan nog verachten. Want aan U onderworpen, zal ik uw wil steeds volgen. En wanneer ik tegen uw bevelen in opstand kom, zal ik even zo vaak met U in strijd bevonden worden.

36. Op het altaar komt het sacrament van het lichaam en het bloed van Christus tot stand door de aanroeping van de priester.

Je ziet,  mens, dat  wanneer de priester Mij bij het opdragen van het Misoffer begint aan te roepen met de woorden die voor hem door de Heilige Geest zijn vastgesteld, Ik van ganser harte aanwezig ben en vol verlangen dit sacrament voltrek. Hoe dan?

Vanuit de werking van dit mysterie spreid Ik mijn warme liefde uit over deze offerande. Ik doe dat vanaf het begin van de woorden van de priester die Mij aanroept en die de gedachtenis oproept aan mijn Zoon die, in doodsnood over zijn lijden, voor zijn leerlingen brood en wijn zegende tot sacrament van zijn lichaam en bloed, met de opdracht om hetzelfde te doen tot heil van het volk.

Werkelijk Ik zeg jullie dat deze aanroeping over deze offergaven nooit ter herinnering aan mijn Eniggeborene zal plaatsvinden tenzij daar het geheim van zijn lichaam en bloed wordt gevierd. Het vleselijk oog dat maar as is, kan dit niet waarnemen. Dat kan alleen tenzij men het in geloof met nederige devotie bekijkt.

Hoe dan?

Wanneer uit toewijding en ter herinnering aan mijn Zoon op het altaar de opdracht van brood en wijn aan mijn Naam plaatsvindt , zal Ik, de Almachtige,  het op wonderbare wijze doorstralen tot mijn glorie en macht. Ik zal het omvormen tot het lichaam en het bloed van mijn Eniggeborene.

Hoe dan?

Door hetzelfde wonder waardoor mijn Zoon het vlees aangenomen heeft uit de Maagd, wordt ook deze offergave bij de consecratie zijn lichaam en zijn bloed. Maar voor het uiterlijke gezichtsvermogen wordt alleen brood en wijn zichtbaar. Toch is er diep van binnen op onzichtbare wijze de heiligheid van het lichaam en het bloed van mijn Zoon  aanwezig.

Hoe dan?

Toen mijn Zoon bij de mensen op aarde was, was Hij ook bij Mij in de hemel aanwezig. En nu Hij bij Mij in de hemel verblijft, is Hij tevens op aarde. Maar dat gebeurt op geestelijke wijze, niet op lichamelijke.

37. God doet in elk schepsel de macht en de kracht van zijn wil gelden zoals het Hem behaagt.

 Zo ben Ik ook als Vader voor elke schepsel aanwezig. Nergens ben Ik afwezig zoals jij, mens, je van alles terugtrekt.. Het is alsof je jezelf in water ziet. Je gezicht verschijnt er weliswaar in, maar je hebt er geen enkele macht over. Zodra je je ervan terugtrekt, ben je er ook niet meer in aanwezig.

Zo veranderlijk als een schepsel ben Ik niet. Ik ben werkelijk in het schepsel aanwezig en Ik onttrek er Mij niet aan. Ik blijf er de macht van mijn wil op uitoefenen, zoals het Mij belieft.

Zo spreid Ik ook in het sacrament van het lichaam en het bloed van mijn Zoon mijn majesteit ten toon. Vanaf het begin van de geheime woorden van de priester tot aan het moment waarop dit geheim door de mensen wordt opgenomen, blijf Ik er mijn wonderwerken in verrichten.

38. Al naar gelang de omstandigheden kan de dienst van de Heilige Mis verricht worden vanaf het eerste uur van de dag tot aan het negende.

Deze priesterlijke dienst kan vanaf  het eerste uur van de dag tot aan het negende verricht worden ten bate van de gelovigen overeenkomstig de gunstige tijd volgens de gewoonte van het volk. Want ook Adam is misleid geworden tegen het negende uur nadat hij  ‘s morgens was opgestaan. Ook is het lijden van mijn Zoon bij het krieken van de dag begonnen en werd tegen het negende uur volbracht toen Hij stervend op het kruis de laatste adem uitblies, en door zijn dood de dood manmoedig overwon. Vandaar dat ook de Kerk, die mijn Zoon terzijde staat, zijn bruidsgeschenk aanvaard heeft, en door de kinderen van de Kerk gevierd moet worden.

39. Allen dienen nuchter te communie te gaan, behalve zij die in stervensgevaar verkeren.

 Deze dienst dient door de priesters met een lege maag voltrokken te worden en niet met een volle opdat de spijsvertering het geestelijk verlangen niet uitholt. Het geestelijk voedsel dient immers vooraf te gaan. Dan pas volgt een maaltijd voor het lichaam. Bovendien moet het geestelijke geëerd worden en het vlees gekoesterd.

Dit sacrament dient met geestelijk verlangen opgenomen te worden en niet met vleselijke lust. Daarom moet het nuchter genomen worden en niet als maaltijd, tenzij er noodzaak is omdat de mens zich in zo’n situatie bevindt dat hij van deze wereld overgaat naar de andere.

Maar mijn Zoon heeft zijn lichaam en bloed pas tegen het einde van de dag aan zijn leerlingen gegeven, omdat Hij hun de ware ochtend van het eeuwig leven heeft gebracht; en ook omdat op het einde van de tijden, als de dood bij de mensen tijdelijk voorbij gaat, de uitverkorenen in mijn rijk zullen schitteren als de zon (Mt.13,43).

40. De duivel is gevallen zonder tussenkomst van iemand anders. Maar de mens die zwak is, is ten val gekomen door de verleiding van de duivel. De mens is weer overeind geholpen door God.

 Zo heeft mijn Eniggeborene door te verrijzen laten zien hoe de zielen van de rechtvaardigen van de hel losgerukt worden en het menselijk geslacht teruggebracht is geworden naar herstel in het eeuwig leven. De verworpen engelen hebben dat verloren en hebben zonder alternatief de dood nagestreefd. Zij zijn door niemand anders verleid dan door zichzelf ofschoon zij vanuit zichzelf geen enkele hang naar zonde hadden zoals de mens die heeft in de zwakheid van zijn lichaam.

Vandaar ook dat de mens die door de belager verleid, een zwak lichaam heeft, door de Verheffer weer tot leven is gewekt, en dat de duivel die de zwakheid van een lichaam niet kent, achtergelaten is in zijn slechtheid.

Maar echt en heilzaam herstel wordt de mens ook gegeven door het ontvangen van het lichaam en het bloed van mijn Zoon. Het is de bedoeling dat de mens door dit sacrament op onzichtbare wijze in zijn ziel verkwikt overeind komt en manmoedig weerstand biedt aan zijn onzichtbare belager.

41. Bij het ontvangen van het lichaam en het bloed van de Heer telt niet het aantal malen, maar de heiligheid.

Zij die dit sacrament vaker of juist minder vaak ontvangen, moeten bedenken dat zowel zij die het vaak ontvangen als zij die het minder vaak doen, dezelfde kracht ontvangen. Dit sacrament is immers heilzaam niet door het aantal, maar door de heiligheid. Het brengt heil aan degenen die het ontvangen overeenkomstig hun geloof. Het is zoals over het manna geschreven staat..

42. Vergelijking hierover met het manna.

 Zo deden het ook de Israëlieten: de een verzamelde meer, de ander minder. Als ze het met de omer maten, bleek een grote hoeveelheid nooit te groot en een kleine hoeveelheid nooit te klein. Hij die veel verzameld had, had nooit te veel, en hij die weinig verzameld had, kwam toch niet tekort. Iedereen had precies zoveel bijeen geraapt als hij nodig had. (Ex.16,17-18).

Wat hiervan te denken?Kinderen van de uitverkiezing die vurig verlangen om God te zien, gaan met dit verheven sacrament om overeenkomstig datgene wat hun daaromtrent is voorgeschreven. Zij ontvangen het in hun hart in overeenstemming met de leer van hun belangrijkste leermeesters. In hun harten overwegen zij wat zij hierover van hen geleerd hebben. De één doet het met méér devotie, de ander met een minder goede instelling, zoals het in hun hart aanwezig is. Vandaar ook dat zij met de eerbiedige aandacht aanwezig zijn die zij in hun harten voelen, en met het geloof dat zij in God hebben. Dat verdelen zij niet, maar zetten het volledig in. Zij letten er op met hoeveel geloof en in welke geloofshouding zij het lichaam en het bloed van hun Verlosser ontvangen. Maar hetzelfde sacrament is voor de één niet heiliger die er het meest van meeneemt, en ook is het niet beperkter voor hem die er minder van profiteert. Maar het zal eenieder verlichten overeenkomstig het geloof van hem die het ontvangt.

Daarom, mens, we moeten het niet bezien in termen van grootheid, want de zeer sterke God is zowel in de grote als in de kleine offergave van dit mysterie aanwezig. Daarom moeten zij die het sacrament ontvangen, alleen hier op letten dat zij de Drieëne God met een krachtig en volledig geloof in hun hart aanwezig hebben. Iedere oprecht gelovige mens moet daarom met een eerlijk hart de krachten van zijn ziel bundelen overeenkomstig de mogelijkheid van het geloof in zijn hart. Hij moet er daarbij voor zorgen dat hij de Godheid niet hoger of lager probeert te benaderen dan zijn gevoel of zijn verstand bevatten kan. Maar hij moet zich bescheiden aan de vreze des Heren onderwerpen zoals hij in de Heilige Geest onderworpen is. Want hij is maar een arme mens bestaande uit as.

43. Er mag niet getwijfeld worden aan het feit dat het echte lichaam en het echte bloed van Christus op het altaar aanwezig is.

Maar u, domme mensen, u moet er niet aan twijfelen of dit sacrament, zoals u is aangetoond, wel echt het lichaam en bloed van mijn Zoon is.

Herinnert u waaruit Ik het lichaam en het bloed van Adam heb geschapen: uit slijk van de aarde!

Wat dunkt u? Is het voor Mij eerder mogelijk uit deze offergaven lichaam en bloed van Mijn Zoon te maken, dan een mens uit leem van de aarde? Maar een man stort het zaad van zijn bloed uit en een vrouw ontvangt het. En wat voegen zij er dan nog aan toe? Helemaal niets: noch bij het ontstaan van het kind, noch bij het lichaam en het bloed daarvan. Wie vormt dan de mens naar zijn vlees en beenderen, in zijn merg en in de mooie trekken van zijn gelaat? Wie anders dan Ik, de Vader van allen?! De vader en moeder hebben geen enkele macht om een kind te maken of te scheppen. Zij kunnen alleen maar hun bloed in warme hartstocht uitstorten. Vervolgens hebben zij geen enkele mogelijkheid om invloed uit te oefenen op de vorming van het kind. Zijn jullie soms tot méér in staat dan om toe te zien dat dit alles gebeurt?

Maar jij, mens, zegt: “Ik zie niet hoe de offerande vlees en bloed zijn, zoals ik kan zien dat een mens lichaam en bloed heeft”. Daar antwoord Ik op: “Jullie hebben mijn Zoon op aarde sterfelijk gezien in zijn lichaam en bloed. Nu is Hij onsterfelijk in de hemel. Daarom kunnen jullie Hem niet met je sterfelijke ogen zien, en evenmin kunnen jullie zien hoe zijn lichaam en zijn bloed op het altaar geheiligd worden. Dit sacrament geschiedt niet tot eer van de priester, maar tot eer van mijn Eniggeboren Zoon. Hij heeft deze dienst in het bijzijn van zijn leerlingen verricht tijdens het laatste avondmaal. Net zo min als jullie Mij met je lichamelijke ogen in mijn heerlijkheid kunt zien, even min kunnen jullie met je vleselijke ogen het lichaam en het bloed van mijn Zoon waarnemen. Want wat onzichtbaar is, kunt u niet waarnemen; alleen  wat zichtbaar is kan door uw sterfelijk gezichtsvermogen waargenomen worden.

44. In de Naam van de Drie-eenheid moeten drie offergaven worden gebracht: brood, wijn en water.

Dit sacrament moet in drie zaken worden aangeboden. Hoe dan? In brood, wijn en water, ter ere van de Drie-eenheid. Daarom als iets daarvan weggelaten zou worden, zou de Drie-eenheid niet echt geëerd worden, want de wijn staat voor de Vader, het brood voor de Zoon en het water voor de Heilige Geest. Wie dus wijn opdraagt zonder brood en water, vereert de Vader, maar gaat voorbij aan de Zoon en de Geest. Of ook als iemand brood aanbiedt zonder wijn en water, vereert alleen de Zoon, maar veronachtzaamt de Vader en de  Geest. Of waar alleen water gebruikt wordt zonder wijn en zonder brood, richt zich alleen op de Geest, maar veronachtzaamt de Vader en de Zoon. Ook wie wijn en brood aanbiedt, richt zich tot de Vader en de Zoon, maar ziet af van de Geest. Ook als hij wijn en water offert zonder brood, heeft hij alleen de Vader en de Geest voor ogen, maar ontkent de Zoon. Of wie brood en water gebruikt, vereert de Zoon en de heilige Geest, maar ziet voorbij aan de Vader.

Dus in dit sacrament mag geen opdeling plaatsvinden, want ook Ik ben ondeelbaar één God in drie Personen, zoals ook in een mens de gedachte, de wil en het uitvoeren van het werk. Daar zonder bestaat er geen mens.

45. Iedere priester die uit nalatigheid of ontrouw of door vergeetachtigheid deze drie elementen bij het opdragen van het sacrament van het altaar veronachtzaamt, moet streng gestraft worden.

Als er in dit sacrament een fout optreedt doordat ofwel brood of wijn of water achterwege blijft, zal degene die deze nalatigheid begaat, zwaar bestraft worden. Want of dit nu bewust door lauwe nalatigheid wordt begaan, of dat het een daad is van weifelend ongeloof, Ik zal de persoon aan wie dit ten laste wordt gelegd, uit mijn ogen verwijderen, tenzij hijzelf door zwaar berouw tot inkeer gekomen, zichzelf hiervoor zwaar bestraft met boetedoening. Of als het onwetend door vergeetachtigheid gebeurd is, moet degene die het betreft, zich voor Mij verantwoorden voor die schuldige nalatigheid en er een passende boetedoening voor op zich nemen. Hij heeft er immers niet nauwkeurig genoeg op toegezien dat al deze dingen plaats zouden vinden die toch horen bij deze heilige offerande.

Toen namelijk mijn Zoon aan het kruis hing, ontbrak daar niets aan de verlossing, want door het vergieten van zijn bloed heeft Hij voor de mensen de redding van hun zielen bewerkt. Vandaar dat er ook aan de voltrekking van dit geloofsgeheim niets mag ontbreken.

Dit sacrament is immers door en door heilig in alle heiligheid. Daarom ook moet dit vlees en dit bloed in volledig geloof en eerbied genuttigd worden.

46. Hoe moet het lichaam en het bloed van Christus aan de mensen worden toegediend?

Wie dit allerheiligst lichaam tot zich neemt, moet ook niet weigeren het bloed van dit heilsmysterie tot zich te nemen.

Want die Zoon van Mij is boven alles rein en een spiegel van alle deugden. Daarom moet ook zijn zeer edel bloed genuttigd worden, tenzij de priester van te voren al beducht is dat door de eenvoud van de communicant er gevaar bestaat voor morsen. Dan moet aan die ontvanger gebeuren wat men doet met eenvoudige kinderen die men wel brood te eten geeft, maar geen wijn om te drinken.

Zo wordt hun ook het allerheiligste lichaam toebedeeld, maar het vloeibaar bloed niet, opdat het gevaar om te morsen niet groter wordt. Ook is het zo dat het allerheiligste lichaam toch met zijn bloed verenigd is, en het bloed met zijn lichaam één heilige eenheid vormen.

Als er een mens is met onderscheidingsvermogen zodat hij eerbiedig het mysterie benadert, dan mag aan deze mens het heilig lichaam worden gegeven om te nuttigen, en ook het bloed om te drinken dat bij het lichaam hoort.

47. De priester moet tijdens de viering van het sacrament van het altaar de kleding en de woorden gebruiken zoals die door de oude vaders zijn overgeleverd.

De priester die dit sacrament viert, moet nauwkeurig de gewaden gebruiken die de oude vaders, onderricht door de Heilige Geest, vastgesteld hebben voor het vervullen van deze taak.

Ook moet men heel precies de woorden gebruiken die de heilige Geest voor de viering van dit geloofsgeheim aan de Vaders heeft ingegeven. Zij moeten er voor zorgen dat zij niets hiervan achterwege laten. Zeer toegewijd moeten zij er op toezien dat zij niet afwijken van het voorbeeld dat mijn Zoon gaf toen Hij het brood en de kelk nam en aan zijn leerlingen overhandigde om te eten en te drinken.

Wie door nalatige vergeetachtigheid ongemerkt iets achterwege laat wat betreft de paramenten en/of de woorden die bij het officie horen, moet door ernstige en heilzame boetedoening tot de orde geroepen worden. Hij zal wel mijn barmhartigheid ondervinden als hij die zoekt, want die overtreding heeft hij immers niet met opzet en kwaadwillig begaan. Maar tegen hem die wel wetend en uit lauwheid van wil of uit de slechtheid van zijn hart een overtreding begaat wat betreft deze heilige handelingen, die zal Ik gekrenkt zeggen:

48. Woorden van de Heer tot de onachtzame priester.(Mt.18,32;22,12)

Slechte dienstknecht, waarom was je niet correct als priester gekleed, zoals de vroegere belangrijke leermeesters dat vanwege de Heilige Geest hebben onderricht met het oog op de geestelijke taak, zoals ook mijn engelen altijd gekleed gaan?

En waarom heb je de juiste woorden die de vaders jou door dezelfde Heilige Geest hebben doorgegeven, veronachtzaamd bij de consecratie van het lichaam en het bloed van mijn Zoon tot heil en eer van de mensen?

Wie in dit opzicht schuldig bevonden wordt, zal aan Mij verantwoording moeten afleggen, als hij zichzelf niet in diep berouw straft.

49. De priester die deze spijzen op het altaar opdraagt, moet niet van het altaar weggaan zonder eerst die spijzen genuttigd te hebben.

De priester die deze spijzen aanbiedt, moet niet van het altaar afgaan zonder de offergaven genuttigd te hebben. Hij moet ze opnemen als versterkend voedsel voor zijn ziel aanwezig in het lichaam en het bloed van mijn Zoon.

Maar als hij zich bezwaard weet door ernstige zondelasten, en dat hij deze heilige spijzen niet waardig is, dan moet hij niet de euvele moed hebben om tot mijn tafel te naderen. Ongereinigd van zijn smerige wandaden moet hij mijn Zoon niet aanraken. Zo hebben ook zij immers de tafel en de glorie van hun geboorte bezoedeld die het hoofd van de “lichtende lamp” op wrede wijze hebben afgehouwen. (Cfr. Jo.5,35: Johannes de Doper was een helder brandende lamp. Hij werd onthoofd.)

Daarom moet iemand die zo besmet is, de waarheid van zijn pest aan de opperpriester, dat is mijn Zoon, bekend maken. Ook moet hij zich beschuldigen ten overstaan van een andere sterfelijke priester. Op deze wijze gereinigd kan hij dan opnieuw toetreden tot het verrichten van de eredienst.

50. De priester moet in het sacrament van het altaar geen veelheid van grote woorden gebruiken, maar de verordeningen van vroegere leermeesters volgen.

Maar Ik, de Vader van allen, wil niet met veel en grote woorden aangesproken worden. Aan het altaar moet de priester Mij slechts aanroepen in de juiste verordening van de eerste leermeesters. De gave van de Heilige Geest heeft hen in een terechte aanmaning onderricht hoe Mij aan te roepen. Dat moet niet geschieden in een veelvoud van domme geleerdheid, maar in eenvoud van hart. Van veel gepraat houd Ik niet, maar  wel van een zuiver hart van mensen die Mij in vrome oprechtheid zoeken en die Mij welwillend in de gloed van hun liefde omhelzen. Overigens, wanneer mijn uitverkorenen Mij zoeken, verleen ook Ik hen op mijn beurt mijn genade in de vorm van de gaven van de Heilige Geest. Maar in dit sacrament vertoon Ik mij aan hen geheel en al, want mijn Zoon is in Mij en Ik in Hem, en de Heilige Geest is in ons en Wij zijn in Hem, en Wij zijn één in Godheid, zoals ook het lichaam en de ziel en al zijn krachten één levende mens zijn. Vandaar dat iemand die tot dit sacrament nadert, er op moet toezien dat hij dat doet zonder de eer van God tekort te doen.

51. Vijf manieren om de Communie te ontvangen.

Maar mens,  normaler wijze gaan de mensen  naar een priester om dit sacrament te ontvangen. Het is goed om er bij hen op te letten dat zij dit op  vijf manieren plegen te doen.

Want zij die van hun priester het goddelijk mysterie wensen te ontvangen, reinigen de vijf zintuigen van hun lichaam van de drek van hun zonden. Om des te heilzamer de sacramenten te kunnen ontvangen, moeten zij zich waardig en loffelijk hoeden voor plotseling opkomende onreinheid om de sacramenten des te heilzamer te ontvangen.

52. Zij die lichamelijk helder, en geestelijk vurig zijn.

 Bij de mensen die tot dit sacrament naderen, kun je zien dat sommigen helder van lichaam en vurig van hart zijn. Zij hebben een helder geloof ten aanzien van dit sacrament. Zij twijfelen er niet aan dat dit werkelijk het lichaam en het bloed van mijn Zoon is. Zij nemen het met dat geloof op, verteren het in hun lichaam en worden er door geheiligd, zodat zij, geheiligd door dit mysterie, na de verrijzenis, in hun eigen lichaam in de hemel komen. In hun ziel worden zij door de vurige gaven van de Heilige Geest doorstroomd en in vlam gezet, zodat zij door deze verlichting doorzinderd, de aardse zaken verachten en verlangen naar de hemelse. Hoe dan?

Zoals een vuur door de wind aangewakkerd wordt, zo worden ook deze mensen door dit sacrament doorstraald zodat zij in verheven liefde gloeien.

53. Zij die een bleek lichaam hebben en een duistere ziel.

Maar anderen blijken een bleek lichaam en een duistere ziel te hebben. Omdat hun geloof lauw is, hebben zij ook geen geloof in dit sacrament. Zij zijn te dom om wijsheid te begrijpen. Zij zijn als een kind dat domme dingen doet.  Met hun uiterlijke oren horen zij  wel wat hun over dit sacrament verteld wordt, en zij vangen het ook op, maar met een traag hart. Nochtans wordt wat hun over dit sacrament verteld wordt, zo geformuleerd dat zij het gemakkelijk en heel goed met geloof kunnen bevatten. Maar vanwege de twijfel die in hen is,  komen zij er toch niet toe om te doorzien hoeveel heiligheid daarin aanwezig is..

Daarom zijn deze mensen ook van binnen met duisternis omgeven. Zij zijn niet in staat om hun verstand omhoog te heffen naar de volmaaktheid. Zij zijn immers zelf – ontvangen in zonde als ze zijn – zwaar vanwege hun lichamelijke zwakheid, te traag om te komen tot de volmaaktheid van het geloof. Als zij vanwege de lauwheid van hun hart zouden kunnen, zouden zij toch meer attent van geest zijn en  het geloof verstaan. Want degenen die in hun doen en laten nog niet bezwaard zijn door de grotere zwaarte van de zonden, past het in te stemmen als genodigden van de Heilige Geest. De ziel bezit daartoe de grotere kracht zodat zij nog niet door de zonde bedorven is; daar is het lichaam aan de wil onderworpen.

Dit is immers het grote gevecht tussen het lichaam en de ziel. De geest wil het lichaam domineren, want die is tegen dat wat door het vlees wordt begeerd, namelijk de zonde. Hoe moet men dat zien?

Wat dood is, houdt van de dood. Wat leeft, houdt van het leven. Hoe moet je dat zien?

Het vlees houdt van de zonde en de ziel verlangt naar gerechtigheid. Daarin staan zij recht tegenover elkaar, en stemmen slechts zelden met elkaar overeen.

Maar zoals een kind zonder inzet en verstand zijn zintuiglijk wezen volgt en verzadigd wordt, zo zijn ook de mensen die dit sacrament beleven vanuit onwetendheid. Zij versmaden het niet uit woede of weerbarstigheid, maar staan er eenvoudigweg met een simpele geest tegenover.

54. Zij die lichamelijk ruig zijn, en geestelijk met veel onreinheid besmet.

Sommige mensen zijn ruig in hun lijfelijk bestaan, en in hun geest zijn zij besmeurd met veel onreinheid van menselijke smetten.

 Deze bewering steunt op het feit dat er mensen zijn die in hun vleselijk bestaan schandelijk zijn en zich schaamteloos en onzedelijk gedragen. Zij besmeuren zich met de drek van hun ondeugden zoals een varken zich wentelt in slijk. Zo besmetten zij hun ziel met allerhande viezigheid van menselijke besmetting. En omdat zij, zo vies als zij zijn van hun ondeugden, er niet voor terugschrikken om ongewassen tot het sacrament van het lichaam en het bloed van mijn Zoon te naderen, moeten zij via een ernstig gewetensonderzoek gereinigd worden van deze overmoed. Door deze reiniging zal Ik hen dan mijn genadig medelijden niet onthouden omdat Ik in hun gedachten een waardige boetedoening zie opkomen.

55. Zij die lichamelijk met de scherpste doornen zijn omgeven, en in hun ziel op melaatsen lijken.

Er zijn mensen die in hun lichaam met de scherpste doornen zijn omgeven, en in hun ziel wel melaats lijken. In hun hart zit toorn, haat en nijd. Met deze doornen van ongerechtigheid drijven zij de zachtheid en  zachtmoedigheid en de liefde verre van zich. Daardoor haken zij naar wat slecht is en laten zij het goede achterwege. Andere mensen bejegenen zij met smaad. Op die manier maken zij hun ziel onrein als met de ergste zweren bedekt. Wie zo tot het heilig geheim van God naderen, doen zichzelf op heel ernstige wijze kwaad. Toch zal Ik mijn ogen tot hen wenden wanneer zij later bij bittere boetedoening en spijt mijn genade zoeken.

56. Zij die lichamelijk vol bloed lijken te zitten, en naar hun geest walgelijk op een rottend kadaver lijken.

Maar er zijn ook mensen die als het ware een bebloed lichaam lijken te hebben en  een ziel die stinkt als een rottend kadaver.

Zij die bij de mensen met bloed aan hun handen een tweedeling teweeg brengen, maken dat hun ziel als het ware door de rottende etter van vreselijke slechtigheid gaat stinken. Omdat zij immers geen acht slaan op de vrees voor Mij, vernietigen zij met hun ruwheid wat Ik in de mens teweeg heb gebracht. Als zij er niet voor terugschrikken om – zo smerig als ze zijn – toch het lichaam en het bloed van mijn Zoon te ontvangen, verwerpen zij zichzelf in een zwaarwegende en beledigende zonde. Want zij verstouten zich om op die manier ongewassen tot dit sacrament te naderen.

Maar zelfs dan blijft de bron van heil voor hen toegankelijk als zij in waardige boetedoening zichzelf moeite geven om zulk een ongerechtigheid van zich af te wassen.

57. Zij die met een vrome geest tot dit sacrament naderen, en zij die dit wankelmoedig en met tegenzin doen.

Van hen die dit sacrament ontvangen, worden sommigen als het ware met een vurige gloed overgoten, terwijl anderen door een donkere wolk overschaduwd lijken.

Want er zijn mensen die zich gelovig inspannen om tot het mysterie van het lichaam en het bloed van mijn Zoon te naderen. Zij volbrengen dit met een devote instelling en uit zuiver geloof en stralend van goede werken. Zij stralen door de gave van Gods Geest tot heil van hun lichaam en hun ziel.

Maar zij die dit met tegenzin doen en met een wankelmoedige geest, besmetten zich met foute daden. Zij halen zich de duisternis van een hardnekkig ongeloof op de hals tot hun eigen uit- en inwendig verderf, want zij verstouten zich om dit heilige met ongewassen handen te benaderen.

Het kan gaan over een mens die zo tegendraads en opstandig is dat hij er niet voor terugschrikt om zich te besmeuren, hetzij alleen via verkrachting van zijn eigen geslachtsdelen door aanraking en genot, hetzij door een dubbele verkrachting door zijn zaad te lozen bij een man of bij een vrouw. Het kan ook zijn dat hij zich te buitengaat in woede, haat en nijd met andere mannen. Hij kan zich ook met bloed besmeuren door doodslag te plegen op mensen die hij tegenkomt.

Als hij zich dan vervolgens ongewassen en zonder berouw overmoedig voorneemt om tot het Lichaam en het Bloed van mijn Zoon te naderen zonder zich te reinigen via een goede biecht en zonder een eerherstellende boetedoening, die gaat wetens en willens en door eigen schuld het eeuwige vuur tegemoet. Hoe dan?

Hij zal vanwege die overmoed en zonde als goud in de oven beproefd worden zodat geen spatje vuilnis van zijn overmoed in hem achterblijft. Hij is immers besmeurd en onterecht genaderd tot de gemeenschap met het onschuldig Lam.

Zoals gezegd, wie aldus ongewassen tot de heiligmaking van het lichaam en het bloed van mijn Zoon nadert en het sacrament ontvangt, doet dit tot zijn eigen veroordeling.

Hoe dan?

Zoals mijn allerbeminnelijkste Paulus het formuleert waar hij zegt:

58. Woorden van Paulus (1 Kor.11,27-30) Wie op onwaardige wijze het brood eet en uit de beker van de Heer drinkt, bezondigt zich aan het lichaam en het bloed van de Heer. Iedereen moet zichzelf onderzoeken alvorens van het brood te eten en uit de beker te drinken. Wie eet en drinkt zonder het Lichaam te onderkennen, eet en drinkt zijn eigen vonnis. Daarom zijn er zo velen  ziek en zwak onder u en slapen er zo velen.

Wat is dit?

Werkelijk ik zeg jullie, wie het brood van het leven eet of de beker van het heil neemt, – die het sacrament vormen van Hem die Heer van hemel en aarde is -, en die dat doet  op onwaardige wijze, namelijk vuil van zonden, zal zijn schuld voelen. Hoe dan?

Wie het lichaam en het bloed van zijn Heer – de Redder van de wereld – venijnig en op sterven na dood tot zich neemt, terwijl hij geneigd is tot het kwade en bevlekt is door onreinheid en in vergetelheid verkeert van de vreze des Heren, die mens nadert besmet het paleis van de heilzame verlossing. Dan begaat hij daar ook nog een moord. Hoe dan?

Omdat hij zichzelf met veel verwondingen in stukken scheurt. Doordat hij zonder boetedoening waarmee hij zijn misdaden berouwvol van zich af kan spoelen en schoonwassen, zijn misdaden verdoezelt en dit sacrament roekeloos benadert.

Daarom zeg Ik ook tot hem: “Jij aller ellendigste en bitterste  mens! Hoe durfde jij je Heer, die de hemelbewoners altijd wensen te zien, in zo’n  poel van ellende te storten? Met bittere boetedoening in lichaam en geest moet je jezelf onderzoeken.

Want als je je schuld niet gedelgd zult hebben, zul je de afstraffing na de verrijzenis van de doden in jezelf tegenkomen”.

Vandaar ook dat hij die na een getrouw gewetensonderzoek zijn eigen bestraffer wil zijn, en pas daarna met deze vrome godsvrucht dit brood van heiligheid en deze beker van zoetheid nuttigt, die neemt zijn toevlucht tot de aan niets ontbrekende tafel en ontsnapt aan de honger van de in onmacht verkerende ziel.

Maar wie dit sacrament op slechte wijze benadert en het onwaardig tot zich neemt omdat hij zich niet eerst van zijn vuile onwaardigheid heeft gereinigd, roept een oordeel van wraak over zich af. Hij eet en drinkt het immers ongereinigd. In die overmoedige daad is hij weliswaar niet in staat om dit mysterie te schenden of te besmeuren, maar hij verdoemt er zichzelf mee.

En omdat u zich dan verstout om tot dit sacrament te naderen, zo vuil van ondeugden als u bent, zijn er ook zoveel zieken in uw omgeving. Zij willen immers niet in heiligheid het geneesmiddel voor hun ziel ontdekken, maar halen zich in de sacramenten de ergste ziekte op de hals.  Zij benaderen die immers tot hun veroordeling. Ook zijn er velen geestesziek omdat zij zo zwak zijn in het volgen van Gods wet. Op generlei wijze willen zij immers rekening houden met Degene die zij op zo’n onwaardige wijze ontvangen.

Wat hiervan te denken?

Zij willen niet inzien dat zij de Heer moeten vrezen en vereren, en ook niet dat zij hun lichaam, dat zij zo met ondeugden hebben verwend, met harde boetedoening moeten straffen. En omdat zij zo nalatig zijn, sterven er ook velen zonder aan die nalatigheid te denken. Zij weten niet, en willen het ook niet weten, hoe zij hun zonden zouden moeten betreuren. Zij lijken op een mens die in de sufheid van zijn slaap niet weet of merkt dat hij in zijn lichaam aanwezig is.

 Daarom mens, wanneer je het lichaam en het bloed van mijn Zoon tot je neemt, en jij je noch in een biecht, noch in boetedoening hebt gereinigd, zul je in een schrikwekkend rechtsgeding over deze overmoed van je zonden gehoord worden. Dat lijkt op most die ontdaan wordt van de onreinheid die er in is, en die door gisting uitgezuiverd wordt.

59. Het sacrament van het altaar moet door priester en volk met grote zorg en toeleg benaderd en verzorgd worden.

Op gelijke wijze moet dit sacrament dan ook zowel door de priester als door het volk met evenveel toeleg en waakzaamheid behandeld en verzorgd worden.

Het mag niet gebeuren dat het door onachtzaamheid op de grond valt. Want als het door domme onachtzaamheid op de grond valt, dan verhaal Ik in mijn ijver die weerspannigheid ofwel op de grond ofwel op de mens, hetzij dan dat de mens zichzelf bestraft met boetedoening en bittere woorden. Want vlees en bloed moeten met vlees en bloed gewroken worden.

Hoe dan?

Het vlees en het bloed moeten in de mens jammeren omdat het lichaam en het bloed van mijn Zoon onachtzaam door een mens behandeld zijn geworden.

Het doet denken aan het feit dat toentertijd de aarde beefde (Mat.27,51) en de mensen uit pure vrees verlamd van schrik raakten toen mijn Zoon aan het kruis de geest gaf.

60. De mystieke geheimen van het lichaam en het bloed van de Heer dienen niet uitgeplozen te worden.

Als jij, mens, met je wankelbaar hart bij jezelf zegt: “Hoe kan deze offergave op het altaar het lichaam en het bloed van mijn Zoon worden?”, dan zal Ik antwoorden: “Waarom vraag je dit, mens, en waarom wil je dit weten?” Verlang Ik dat soms van jou? Waarom pluis je eigenlijk mijn geheimen na aangaande het lichaam en het bloed van mijn Zoon? Dat behoor je helemaal niet te doorvorsen.

Hou ze maar nauwkeurig in ere wanneer je ze met grote eerbied en verering tot je neemt, en twijfel verder niet over dit mysterie. Je moet Mij niet zo vermetel op de proef stellen. En trouwens, wat gaat jou dat aan? Benader Mij slechts met een zeer zeker geloof.

Immers als Ik heel je geloof bekeken zal hebben, dan vraag Ik niet van jou wat het lichaam en. het bloed van mijn Zoon is, of hoe het geheim op het altaar tot stand komt.

En wie zoekt jou in het vuur, en ondervindt zelf niet de hitte van het vuur? Niemand! Zo moet ook jij Mij niet overmoedig ondervragen over mijn geheimenissen, zodat je er niet door wordt gekrenkt. Als je met de vroomheid van je ziel op zoek wilt gaan, doe het dan toegewijd met gebed, geween en vasten, zoals ook je voorvaderen dat heel precies gedaan hebben. En vaker zijn deze dingen aan hen geopenbaard. Wanneer je deze dingen op die manier onderzocht hebt en ontdekt hebt, dan moet je de rest aan de Heilige Geest overlaten. Degenen die tot deze sacramenten naderen, moeten dat niet langs omwegen doen maar recht toe recht aan, om geen groot debacle te ervaren als zij aan de kant geworpen worden.

Hoe dat dan?

61. Over bedienaren van de Kerk die niet via de hoofddeur binnentreden, maar langs zijdeuren, omdat zij ruwe en ongepolijste stenen zijn en Baal volgen en Christus willen kruisigen zoals de eerdere mensen Hem kruisigden.

De bedrieger van het allerergste soort die zonder roeping en zonder plechtige wijding en zalving valselijk op de zetel van de herderlijke functie zal plaatsnemen, en de gemeenste rover die zijn herder wegstuurt met behulp van het gekonkel van medestanders om met geweld de zetel te bezetten, zal door eigen schuld wetens en willens een zware straf ten deel vallen, ofwel hij zal door mijn naijver aan een zwaar oordeel onderworpen worden. Zij vallen immers onder mijn allerbitterste veroordeling. Zij imiteren hem die voor zichzelf de hoogste eer wilde hebben, maar in de dood terecht is gekomen, ver van alle gelukkig makende glorie. Zij hebben Baal nagelopen. Die heeft Mij zozeer bespot doordat hij zichzelf valselijk God noemde, maar nu is hij aan verwerping prijsgegeven.

En als zij zich als perverse bedriegers en simulanten aanmatigden om te doen alsof zij mijn heilige wijdingen toedienden, dan worden degenen die op deze wijze eerder onbekwaam dan bekwaam worden gemaakt, in mijn ogen gerekend tot mensen die door het volk als belachelijk worden beschouwd en door kinderen in spot en spel als belachelijke individuen worden voorgesteld. Maar zoals het bij de mensen een nietswaardige aangelegenheid is, wat deze indringers op bedrieglijk wijze proberen te doen, zo is het ook voor Mij een leeg gegeven. Omdat hun bouwsel bouwvallig blijkt te zijn, kan het niet overeind blijven, want het is krakkemikkig. Daarom moet alles wat zij in mijn tempel in heilige aangelegenheden tot stand schijnen te brengen, tot de grond toe afgebroken worden. Omdat zij onrechtmatig handelen, moet het als lichtzinnig beschouwd worden. Dus laten zij hun aanmatigend gedrag onder ogen zien, zodat zij niet als straf deelgenoten worden van hem die van zijn hoge plaats in de diepte gestort werd toen hij méér wilde dan hem was toegestaan.

Maar ook de scheurmaker die niet de zalving voor het priesterambt bezit, maar toch door zijn zieke geest op zo’n drieste wijze mijn altaar betreedt. Hij doet alsof Ik een bedrieger zou zijn zoals hij een slechte figuur is. O p vermetele wijze bestijgt hij driest en in mijn Naam de geconsacreerde tafel met de bedoeling om de heilige offergaven op te dragen. alsof Ik een bedrieger zou zijn zoals hij een hansworst is die het altaar dat aan mijn Naam is toegewijd, vermetel betreedt om het heilig offer op te dragen ofschoon het niet zijn functie is. Hij schrikt er niet voor terug om mijn Zoon met. een afschuwelijke kruisiging te verwonden. Hoe dan?

Zoals een ongelovige door zijn ongeloof tegen God ingaat, en een krankzinnige in zijn waanzin het vuur inrent, zo werpt hij die Mij niet kent als God en Mij niet als een brandend vuur ervaart, de vrees voor Mij van zich af en geeft niet om mijn zachtmoedigheid. Hij verwondt mijn Zoon wanneer hij met niet gezalfde lippen de woorden verscheurt die mijn Eniggeborene aan zijn Bruid heeft toevertrouwd. Daarom voegt Hij degene die Hem zo vermetel benadert, toe: “Wie is hij die mijn Zoon zo halsstarrig en niet gezalfd aanraakt?”

Maar wie zo mijn altaar bestijgt en zich telkens verstout om mijn Zoon met de genoemde geheime woorden vermetel aan te roepen, neemt zich even zo vaak voor om Hem te verwonden, niet door het feit dat hij Hem op deze wijze met lijden kruisigt, maar omdat hij er niet voor terugschrikt om Hem zo brutaal aan te raken.

Als hij zonder berouw in deze verachting volhardt, zal hij bij de bestraffing staan temidden van hen die mijn Zoon zonder reden verwond hebben toen zij Hem kruisigden. Om die foltering niet te voelen, zal hij er toe moeten komen om de klaagzang van diepe verslagenheid aan te heffen en zich niet meer te verstouten om zo maar tot de dienst van mijn altaar toe te treden.

Overigens moeten ook anderen die van plan zijn om onder een priester bij het kerkelijk dienstwerk dienstbaar te zijn , er op bedacht blijven dat zij niet zonder gerechte reden tot deze dienst toe treden. En ook dat zij – als zij zich valselijk die juiste gang van zaken hebben toegeëigend –  niet gevormd en toegerust bevonden worden, en dus terecht uitgesloten worden van de kerkelijke opleiding.

Ik wil immers dat mijn dienaren zonder bedrog of smet zuiver voor mijn aangezicht verschijnen. Hoe dan?

Dat zij door een terechte keuze toetreden tot mijn altaar en Mij daar vervolgens zonder enige smet dienen. Hoe dan?

62. Deze dienaren van de Kerk moeten met totale zorgvuldigheid de kuisheid in acht nemen en zich van alle onreinheid onthouden overeenkomstig het voorbeeld van de apostelen.

Zij moeten niet omzien naar een wereldse verbintenis, want zij hebben voor een geestelijke gekozen. Hoe dan? Omdat zij in mijn dienst zijn getreden.

Als iemand van hen brandt van een vurige vleselijke hartstocht, moet hij zijn lichaam door onthouding en vasten in toom houden. Hij moet zichzelf kastijden met ijzige kou en met zweepslagen. Voor het geval dat hij toch terecht komt in een geslachtelijke omgang met een vrouw, dan moet hij van die besmetting wegvluchten als van een brandend vuur en van een dodelijk gif. Hij moet zijn verwondingen met bittere boetedoening reinigen, want Ik wil dat men Mij in kuisheid dient. Hoe dan? Omdat ook mijn Zoon zeer kuis was en ook alle kerkelijke rangen op zichzelf georiënteerd heeft. Hoe? Kennelijk door te gehoorzamen, door aan te roepen, door te prediken en (zichzelf) op te offeren. Hoe dan?

De besnijdenis was een verwijzing naar zijn gehoorzame volgzaamheid, de profetie heeft Hem met roepende stem aangewezen, en ook heeft Hij zichzelf bij de mensen bekend gemaakt, en heeft Hij zichzelf uiteindelijk opgedragen als een levende offergave op het altaar van het kruis. En omdat Hij zichzelf in kuisheid als een levend slachtoffer heeft opgedragen, moeten ook zij die van plan zijn een brandoffer op te dragen, zijn kuisheid navolgen.

Zij moeten de kuisheid niet alleen bij anderen in stand houden, maar moeten die ook bij zichzelf in ere houden. Hoe dan?

Zoals een priester zich moet hoeden voor een besmetting met een vrouw, zo moet hij ook zichzelf in bedwang houden. Met name moet hij er voor waken dat hij niet door aanraking met zijn handen een zaadlozing veroorzaakt, zodat de storm van de hartstocht niet misdadig in hem tekeer gaat. Want de misdaad van Adam heeft de mensheid de dood gebracht en heeft bij de mens de zucht naar ontucht opgewekt.

Daarom moeten de mensen hun lichaam in toom houden, opdat zij niet op schandelijke wijze  deelachtig worden aan alles wat met dood te maken heeft.

Hoe? Omdat mijn Zoon de dood overwonnen heeft en aan de zijnen het leven heeft geschonken. Hij heeft het vlees aangenomen in de ongereptheid van maagdelijke kuisheid. Daarom moeten ook zij die zelf verlangen te dienen kuis zijn, zoals geschreven staat op grond van een goddelijk gebod.

63. Woorden van Mozes over deze aangelegenheid.

Maakt u gereed voor overmorgen. Niemand mag gemeenschap met zijn echtgenote hebben  (Ex.19,15).

Als u God op een bijzondere wijze wilt dienen, houdt dan uw hart bereid voor de dag van zijn heerlijkheid. De heilige en onuitsprekelijke Drieëenheid verschijnt dan waarlijk, en toont er op wonderlijke wijze zijn grote wonderdaden. Wanneer u  God  waardig wilt benaderen, zorgt er dan voor dat u zich niet met vleselijke hartstocht inlaat met geslachtsgemeenschap, zodat u uw bloed niet vermengt met bloed van een zwakkere waardeschaal.

Dat moet u, priesters en mijn andere dienaars die Mij in geestelijk opzicht dient, in ere houden. Want ook de apostelen, waar jullie toch de opvolgers van bent, waren onderling niet verdeeld, en zij hebben jullie geen slecht voorbeeld nagelaten.

64. Een priester moet er geen dubbele verbintenis op na houden.

 Ik wil immers niet dat er twee verbintenissen in de priesters aanwezig zijn. Een priester zal zich immers binden aan de rechtschapenheid van God. Zo moet die rechtschapenheid van God zijn echtgenote zijn waarmee hij de mensen voedt en onderricht op de wijze waarop een vader gewoon is zijn kinderen op te voeden en te onderrichten. Hoe zou het dan kunnen dat een priester aan twee verbintenissen recht zou kunnen doen die onderling zo verschillend tegenover elkaar staan? Waarom staan ze zo tegenover elkaar? Omdat de ene vleselijk is en de andere geestelijk.

65. Op welke wijze de duivel de priester van de priesters kan zijn.

Als een priester de herder en vader van de mensen moet zijn die een vleselijke huwelijksband hebben, en als hij ook zelf in die situatie verkeert, wie kan dan priester zijn voor hem? Hij kan dan geen andere priester hebben om hem vóór te gaan, want alle andere priesters zijn slechts bedienaren van één ambt of verplichting. Er is dus niemand anders dan de duivel om hun priester te zijn, want hij werd nagelopen terwijl hij gif onder de honing verborg. Hoe dan?

Zoals de duivel het kwade onder het goede mengt, zo doen ook deze priesters die eerder hun hartstocht volgen dan dat zij zich houden aan de kuisheid. Zij beijveren zich om het geslachtsverkeer te vermengen met hun geestelijke verbintenis, zoals men gif in honing mengt.

Maar omdat mijn Zoon geheel en al kuis is, moeten ook de priesters de kuisheid aanhangen, want op het altaar raken zij het lichaam en het bloed van mijn Zoon aan, zoals geschreven staat.

66. Woorden hierover in de Wet. (Lev.21, 7-8)

Een priester mag niet huwen met een publieke vrouw, met een vrouw die onteerd is, of met een vrouw die door haar man verstoten is. De priester is immers heilig voor zijn God, want hij draagt de toonbroden aan God op. (Lev.21, 7-8).

Wie aangesteld is om het offer aan God op te dragen, moet niet het onrecht van de duivel aanhangen. Dat zou gelijk zijn aan alle drek en viezigheid van alle ongerechtigheid samen. Ook moet hij zijn zintuigen niet zo laaghartig verwerpen dat hij schandelijk de wil van zijn vlees toestemt en volgt tegen Gods gerechtigheid en tegen het voorbeeld van de vroegere heiligen in, terwijl hij toch mijn juk wil dragen. Het is te wensen dat hij die onreinheid niet begaat in verachtenswaardige daden die verafschuwd zijn geworden door de oude vaders omdat zij die herkenden als een influistering van het oude serpent. Het is dus te wensen dat hij die viezigheid loslaat en de gerechtigheid van God liefdevol volbrengt. Hij is immers iemand die in heiligheid aan God is toegewijd, losgemaakt uit de vleselijke begeerlijkheden van de kinderen van de geboorte (=erfzonde?). Dus als hij zo bezonnen en rein is, kan hij het brood dat voor het heil van de mensen op de tafel van de heiligmaking gelegd wordt, opdragen.

Hoe moet men dat verstaan?

Deze offerande, die leven voor de levenden betekent, is voedsel voor de levenden en maaltijd voor de zielen en een spiegel van alle deugden die zichtbaar worden door de heilige onschuld in de gedaante van kuise zuiverheid. Deze offerande is  dan ook totaal rein van elke smet.

Daarom moeten zij die van plan zijn om dit offer op te dragen, vrij zijn van viezigheid en besmetting. Zij moeten zich ook verre houden van schranspartijen en dronkenschap, van uitbundige scherts, van gelach en lichtzinnige en lege gedragingen. Maar laten zij zich daarentegen de opvolgers van de oude vaderen tonen waarop zij geënt staan, en zoals het tegenover hun eerbiedwaardige voorgangers betaamt.

Zij moeten ook niet zó leven dat zij als het ware tweeslachtig als in twee personen leven : gelijktijdig wandelen op de wereldse en op de geestelijke weg. Het is moeilijk om gelijktijdig twee heren te dienen, zoals ook mijn Zoon in het evangelie getuigt..

67. Woorden uit het evangelie hierover.

 Niemand kan twee heren dienen (Mat.6,24).

Hoe moet je dat verstaan?

Vanwege de beperktheid van zijn lichaam en geest is niemand die een bepaald uniform draagt in staat om twee heren gelijktijdig en met evenveel toewijding te dienen. Waarom niet?

Omdat het niet mogelijk is om gelijktijdig de Heer van het recht en de heer van het onrecht te dienen. Waarom is dat zo?

Omdat rechtgeaardheid het onrecht verwerpt, en het onrecht in strijd is met de rechtgeaardheid.

Zo kan ook een priester niet gelijktijdig en met dezelfde toewijding er een dienstmaagd en een meesteres op na houden, preciezer gezegd: een vleselijke band en een geestelijke deelgenootschap. Alle twee kunnen deze immers niet gelijktijdig op volmaakte wijze samengaan. Immers, wat vleselijk is, is in strijd met wat geestelijk is, en het geestelijke onderdrukt het vleselijke.

Datzelfde laat ook mijn vriend Paulus zien, die er weet van heeft dat dit in mijn wil besloten ligt waar hij zegt…

68. Woorden van Paulus hierover.

(De betogen van Hildegard zijn in onze tijd vaak niet overtuigend omdat zij eenzelfde woord niet steeds dezelfde betekenis geeft ofschoon zij de indruk wekt dit wel te doen. Om het populair te zeggen: zij vergelijkt dan appels met peren. In Sc.2.6.68 komt dit storend tot uiting.

Het woord vrouw is gelijktijdig een vrouw van vlees en bloed én de kerk;

Het woord persoon is mens én kerk.

Het woord maagd duidt op behoud van lichamelijke maagdelijkheid én trouwe, beschikbare dienstbaarheid.

Het woord huwelijk als staat van lichamelijk-geestelijk samengaan van man en vrouw,

én de staat  van samengaan van God en mensen.

Op die wijze forceert zij ook gemakkelijk woorden uit de Schrift om haar stellingen te onderbouwen.

De leider van een gemeente moet onberispelijk zijn, de man van één vrouw…. (1Tim.3,2)

Wat is de betekenis hiervan?

Iemand die in het geestelijk ambt van leraar de mensen vóórgaat, moet zijn leven zó inrichten dat er bij hem geen schandelijke toestand van ergernis en verwijt gevonden wordt.

Waarom is dat zo?

In een priester moeten geen twee personen wonen zo dat hij gelijktijdig de echtgenoot van een vrouw van vlees en bloed is, én de geestelijke leidsman van zijn echtgenote. Hij moet de man van één vrouw zijn, namelijk van de Kerk in heiligheid. Zij is de enige in mijn Zoon, omdat er maar één Kerk in Hem verrezen is. Maar ofschoon zij zelf maar één is, heeft zij toch meerdere echtgenoten, want zij treedt in een bruidsrelatie met de priesters van mijn Zoon die dagelijks in zijn dienst staan. Daarbij behoudt zij haar ongereptheid, want in haar is het geloof ongerept.

Daarom heeft Paulus, mijn dienaar*, ook niet gezegd dat zij de echtgenote van één man zou zijn, want zij is met alle priesters verbonden tot de laatste dag waarop zij met mijn Zoon zullen verrijzen. Dan ook zal de bruiloft plaatsvinden die nooit meer zal eindigen door een sterfelijke onstandvastigheid.

(*In het Latijn staat het woord vas. Dat kan letterlijk de betekenis van vat hebben, maar heeft meestal de bredere betekenis als ding of instrument. Toegepast op een mens is het een inzetbare dienstknecht of dienaar.)

 Maar ook zij die onder priesters zeer nauw samenwerken in dienst van mijn altaar, zijn de echtgenoten van dezelfde vrouw, zoals Paulus op mijn aansporing trouw geleerd heeft door te zeggen en te spreken…

69. Nogmaals Paulus hierover. (1Tim.3.12)

Diakens moeten mannen van één vrouw zijn, en hun kinderen en hun huis goed weten te leiden.(1Tim.3,12)

Hoe moet je dat verstaan?

Zij die vanuit hun dienstvaardigheid priesters bijstaan, moeten in trouwe verbondenheid echtgenoten zijn van één vrouw.

En wie is die vrouw?

Dat is kennelijk de zeer kuise vrouw die door geen enkele schending gekrenkt kan worden, zoals een vrouw geschonden wordt die de bloei en de onschuld verliest die zij bij de aanvang van haar verloving nog heeft en tot nu toe ongerept met haar echtgenoot heeft bewaard. Als zij ook getrouw met deze vrouwe van gerechtigheid omgaan, dan geven deze verloofden een goed voorbeeld van deugdzaamheid. Zij geven tevens een goed voorbeeld aan hen die met hun hulp in Geest en doopwater herboren zijn. Dat doen zij ook omdat zij zich met trouwe toeleg inzetten voor de taak die hoort bij het bolwerk van het kerkgebeuren. Het is zoals een man van deze wereld zich vol toewijding en zorg inzet voor zijn kinderen en zijn huis.

Mijn vriend Paulus toont deze bruid aan de priesters en de overige bedienaren van mijn altaar met de bedoeling om haar tot echtgenote te kiezen en hun zinnen niet te zetten op een echtgenote van vlees en bloed. Want Paulus en de overige leerlingen van mijn Zoon en ook de andere Vaders die hen gevolgd zijn, hebben hun het voorbeeld gegeven om geen echtgenote van vlees en bloed te kiezen en daar niet naar zouden verlangen, maar hun zinnen zouden zetten op haar die zij eerder als hun geestelijke echtgenote hebben gekozen. Een priester die zo hardnekkig is in de zonde dat hij een vrouw toelaat naar de wil van het vlees, pleegt overspel. Want zijn rechtmatige echtgenote, de Kerk, met wie hij door zijn geestelijk ambt getrouwd is, laat hij in de steek om op onzedige wijze een andere aan te hangen volgens de lust van zijn zinnen.

Ofschoon het hem moeilijk zal vallen om die drift onder controle te houden, moet hij zich toch inspannen om die hartstochtelijke gloed in toom te houden ter wille van de hoogste liefde. Daar wijst ook Jezus in het evangelie op als Hij zegt…

70. Drie soorten onhuwbaren (Mat.19,12).

Er zijn onhuwbaren die vanaf de moederschoot zo geboren zijn. Er zijn onhuwbaren die door de mensen zo gemaakt zijn. En er zijn onhuwbaren die zichzelf zo gemaakt hebben omwille van het Rijk van de Hemel. Wie het vatten kan, hij vatte het. (Mat.19,12).

Er zijn mannen die zodanig uit de moederschoot gekomen zijn, dat zij vanwege hun kilheid of vanwege hun lichamelijke gebrekkigheid, geen echtgenotes kunnen hebben. Vanwege hun kilheid of hun beperkende lichamelijke toestand krijgen zij ook geen voldoening, net zo min als dat zij straf krijgen voor een zonde die zij niet bedreven hebben, want over een zonde die men niet begaan heeft, krijgt men geen straf.

Ook zijn er mannen die door toedoen van sommige mensen zozeer in hun lichaam ontmand zijn, dat zij niet in staat zijn hun geslachtsdrift in de huwelijkse samenleving gestalte te geven. Als zij zich daardoor onthouden, verdienen zij er geen glorie van lof door. Want ofschoon zij de daad van die warme gloed niet kunnen volbrengen, voelen zij toch vaker de warme stuwing van de geslachtsdrift.

En dan zijn er nog mannen die toegetreden zijn tot het geestelijke leven en zichzelf daarom onttrokken hebben aan wat zij met hun lichaam heel goed zouden kunnen volbrengen. Vanwege de glorie van de eeuwige erfenis, versmaden zij het geslachtsverkeer, en willen die ook niet. Daarom zal hun de grootste lof ten deel vallen met de beloning van de gelukzaligheid.

Vandaar ook dat mijn priesters en allen die bij het dienstwerk van het altaar betrokken zijn, hen van ganser harte moeten navolgen om de kroon van de onthouding met een vreugdedans van opperste blijdschap te kunnen ontvangen.

Dus laat al wie van harte dit voorbeeld wil volgen en vol verlangen naar gelukzaligheid in staat is om zijn lichaam in bedwang te houden en de vleselijke begeertes af te leggen, met allervurigste toewijding het hemelse gezelschap bijtreden in beperking van zijn vlees en trouw vaarwel zeggen aan lichamelijke samenleving.

 71. Wie niet in staat is in onthouding te leven, moet nooit ofte nimmer priester worden of in een priesterlijke dienst treden.

Wie niet in staat is zichzelf in toom te houden zonder dat hij in zijn vlees in brand staat, moet niet uit trots of uit honger naar geld priester worden of een andere priesterlijke functie aanvaarden. Het moet niet zo zijn dat, als hij later in lichamelijk genot vervallen is, bemerkt dat hij grote schade heeft opgelopen. Zij die normaal zijn om tot de dienst van het altaar toe te treden, moeten hun lichaam vrijwaren van contact met vrouwen. Ook zullen zij zich niet bij een of andere gelegenheid mengen in het huwelijk van gehuwden. Vastberaden en omwille van de correctheid in mijn dienst zullen zij zich kuis gedragen. Zo niet dan moeten zij wegblijven van de heilige dienst van mijn altaar.

72. Waarom was het in de vroege Kerk aan gescheiden mannen vergund om tot het priesterschap toe te treden? En waarom is dat nu niet meer zo?

 Toch kan men er op wijzen dat aan sommige mannen die eerst aan de wereld onderworpen waren, werd toegestaan om tot de dienst (van het altaar) toe te treden. Maar het blijkt dat dit gebeurd is bij hen die vóór en niet ná het aanvaarden van de dienst aan Mij, afstand hadden gedaan van hun lijfelijke verbintenis. Pas daarna, eenmaal losgemaakt van dat juk, heeft de Heilige Geest in hun wonderdaden hun heerlijke lofprijzing verkondigd. Dat is gebeurd en als een wonder toegestaan in de ontstaansperiode van de Kerk toen er gebrek aan priesters was. Maar nu de Kerk volgroeid en sterk genoeg is, zijn haar bedienaren groot in aantal geworden tot het punt dat de kerkelijke censuur hierover aantoont dat er voorzorgsmaatregelen genomen moeten worden zoals we die nu kennen. Want in het begin van het ontstaan van de wereld was het aan mannen toegestaan ook vrouwen te huwen van hun eigen stam omdat er schaarste aan mannen was. Maar nu wordt hun dat verboden. Zoals vormloze en ruwe stenen gewoonlijk in het fundament van een gebouw verwerkt worden, maar mooie en bewerkte stenen gekozen worden om de muren en de opgaande wanden op te trekken, zo zijn ook in de begintijd van de Kerk priesters in het ambt aangesteld, zoals men ze vond.

Maar nu treft men bij de gelovigen genoeg mannen aan die voor de priesterlijke taak geschikt zijn. Zij worden niet door de wereldse last van aardse bindingen in beslag genomen. Het is niet dienstig dat een huisvader, die de leiding in een huwelijksgemeenschap op zich neemt, geroepen wordt om mijn boodschapper in het priesterschap te zijn.

73. Gelijkenis met een koning.

Een koning van grote kracht had een klein leger op de been gebracht. Toen hij daar nauwkeurig naar had gekeken en gezien had dat het onbekwaam was om de taak van een leger te vervullen, koos hij daaruit één man en nog enkele anderen van het gewone volk waarvan hij zag dat zij geschikt waren. Hij stelde hen aan het hoofd van zijn leger ofschoon de voortreffelijke aanleg van hun adeldom nog niet geheel gerijpt was. Maar toen dat leger vervolgens begon te groeien en de edellieden volwassen geworden waren, bracht de koning alles in dat leger goed op orde. Overeenkomstig wat recht en juist was, stelde hijleiders en officieren aan, gekozen uit de meest adellijke onderdanen.

Wat betekent dit nu?

De Koning van de hemel – zijn kracht gaat alle krachten te boven – heeft bij de stichting van de Kerk een leger van gelovigen bijeen gebracht. Na een zeer nauwkeurig onderzoek heeft Hij dat te ziek en te zwak bevonden om voor zijn Naam de lichamelijke hartstochten in bedwang te houden.

Daarom heeft Hij Petrus aangesteld voor het aanhalen en laten vieren van de teugels. Want Petrus was één uit dat leger die zich al eerder met aardse zaken had beziggehouden. En na hem waren er nog anderen die weliswaar genoten hadden van het sap van deze aarde, maar die Hij grondig van de vuile aardse dingen gereinigd had. Hij wist dat zij wijs en trouw waren toen zij het katholieke geloof aanvaardden, en dat zij zich in hun voorgangersrol ingezet hadden in de zielzorg en de zorg voor materiële lichamelijke behoeftes. Want de roodkleurige dageraad had nog niet de bloemen van haar zoetheid breeduit onder de mensen verspreid, omdat in de warmte van de kuisheid de menselijke besmetting nog brandend aanwezig was. Maar toen de menigte van het kerkelijk zaad eenmaal breeduit over heel de wereld verspreid was, en de roem van de kerkelijke eer zeer edelmoedig versterkt was, heeft de hoogste Koning welwillend en ruimhartig zowel de wereldse als de religieuze gaven voorspoedig bij de mensen bevorderd. Ook heeft Hij via het kerkelijk recht en overeenkomstig het welbevinden van God, aan de priesters en de overige bedienaren van de goddelijke eredienst  zeer eervol de verplichting van eenvoud en kuisheid opgelegd.

Daarom, mens, omdat er onder de geestelijke mensen al zo velen zijn opgestaan die zich inspannen om zich tegen de wereld en de duivel in, in reinheid en beperking van hun lichamelijke behoeftes, naar het altaar te haasten, wil Ik dat mijn priesters zonder besmetting van een aardse samenleving voor mijn aanschijn treden.

Want zoals er in het Oude Testament voor de priesters een voorschrift gold dat zij zich, bij het naderen van mijn altaar zouden onthouden van de besmetting met vrouwen, wordt dit in het Nieuwe Testament voor mijn priesters nog vervolmaakt. Terwijl die oude priesters ongeveer een uur hun kuisheid in achtnamen, moeten de nieuwe priesters dit vanaf hun kind-zijn tot aan het einde in hun ouderdom volbrengen. En zoals Ik van de priesters van het Oude Testament geen offergave in ontvangst heb willen nemen dat besmet was door geslachtelijk samengaan met vrouwen, veel meer nog wil Ik dat mijn Zoon door de priesters van het Nieuwe Testament benaderd wordt met beoefening van de kuisheid

74. Onvolwassenen en niet gewijden mogen de leiding van de Kerk niet op zich nemen, en ook mag niemand er naar streven om meerdere kerken op zich te nemen.

Ook moet geen onrijpe en ongewijde persoon de leiding van de Kerk op zich nemen, en ook moet zo iemand niet meerdere kerken willen besturen. Wie nog onvolwassen is of de priesterwijding niet ontvangen heeft, moet niet de leiding van een kerk op zich nemen, of als hij er al een heeft, moet hij niet proberen er nog meer bij te krijgen. Als overtreder van wat gerecht is, moet hij veroordeeld worden tot de zwaarst mogelijke straf. Hij is als iemand die er niet voor terugschrikt om vóór de tijd dat het geoorloofd is en zonder wettige huwelijksbelofte ontucht gaat plegen, of ook als iemand die, ofschoon hij een wettige vrouw heeft, zich hals over kop bezoedelt in overspel met andere vrouwen.

75. Uit elke christelijke bevolkingsgroep moeten priesters gekozen worden van goede inborst en met een mannelijk karakter en gaaf van leden.

Uit elke christelijke bevolkingsgroep moeten priesters gekozen worden, wijs van karakter en mannelijk van inborst, onder voorwaarde dat zij op correcte wijze en met de vereiste zalving en uit vrije wil in mijn dienst treden. Maar het moet niet zo zijn dat zij tot de dienst van mijn altaar toetreden terwijl zij in een of ander lidmaat gebrekkig en mank zijn. Omdat er ook in het Rijk van de Hemel geen smet van enige verwonding in de zielen van de mensen aanwezig zal zijn, wil Ik ook niet dat mensen die in een of ander lidmaat misvormd zijn, dienst doen aan mijn altaar.

Ofschoon zij in hun lichamelijke ledematen misvormd zijn, zullen zij toch niet omwille van hun gebrekkige ledematen uitgesloten worden van het Rijk van de Hemel, mits zij een gezonde instelling van geest hebben en Mij zoeken in de zuivere oprechtheid van goede werken. Maar hun toetreden tot de dienst van mijn altaar wil Ik niet. Ik wil dat zij zich metterdaad nederig bezig houden met goede werken.

76. Vrouwen moeten niet toetreden tot de dienst van het altaar.

Op gelijke wijze moeten ook geen vrouwen tot deze dienst van het altaar toetreden, want hun woontent is ziek en zwak. Zij zijn aangesteld om kinderen te baren en hun borelingen met zorg op te voeden. Een vrouw ontvangt een kind niet zomaar, maar door tussenkomst van een man, zoals ook de grond niet zichzelf omploegt maar door de boer bewerkt wordt. Zoals de grond zichzelf niet kan omploegen, zo moet ook een vrouw niet vergeleken worden met een priester en het vervullen van zijn taak bij de consecratie van het lichaam en het bloed van mijn Zoon.

(De kijk op het man- of vrouw zijn en hun onderlinge relatie was in de tijd van Hildegard kennelijk heel wat primitiever dan in onze dagen!)

Wel kan zij de lof van haar Schepper bezingen, zoals ook de aarde regen opneemt om haar vrucht en vocht te schenken. En zoals de grond elke vrucht voortbrengt, zo komt ook iedere vrucht van een goed werk in een vrouw tot stand. Hoe dan?

Zij kan de opperpriester tot bruidegom nemen. Hoe dan? De maagd die zich met mijn Zoon verlooft, neemt Hem tot haar bruidegom. Haar lichaam heeft zij afgeschermd tegen een bruidegom van vlees en bloed. In haar bruidegom bezit zij bij gevolg zowel zijn priesterschap als ook elke dienst van mijn altaar. In Hem bezit zij zelfs heel zijn rijkdom.

Maar ook een weduwe kan bruid van mijn Zoon genoemd worden als zij een man van vlees en bloed weigert en vlucht onder de veilige vleugels van mijn Zoon.

En zoals een bruidegom heel veel houdt van zijn bruid, zo omhelst ook mijn Zoon zijn bruiden die uit liefde voor de kuisheid ijverig tot Hem hun toevlucht nemen.

77. Een man moet zich niet kleden als een vrouw, en een vrouw niet als een man, tenzij daar een ernstige reden voor is.

 Op geen enkele wijze moet een man zich kleden als een vrouw, en een vrouw niet als een man. Zodoende moet het onderscheid tussen beide personen duidelijk zijn. De man moet zijn mannelijke kracht laten zien, en de vrouw haar vrouwelijke kwetsbaarheid. Zo is het immers door Mij beschikt vanaf het ontstaan van het mensengeslacht.

Een uitzondering kan gemaakt worden als de man in doodsgevaar verkeert of de vrouw voor het verlies van haar maagdelijkheid heeft te vrezen. In deze gevallen kan een man in doodsnood zich bescheiden als een vrouw voordoen, of een vrouw als een man. Ondertussen roepen zij voor dat feit mijn barmhartigheid in. Die zullen zij deelachtig worden omdat zij niet in overmoedigheid gehandeld hebben, maar in gevaar voor hun heil.

Omdat een vrouw zich niet als een man behoort te kleden, treedt zij niet aan tot de dienst van mijn altaar, want noch in haar haardracht en ook niet in haar kleding kan zij een mannelijke persoon zijn.

 78. God veroordeelt ten strengste verkrachting van vrouwen, alsook de mensen, mannen zowel als vrouwen, die zich tegennatuurlijk besmetten bij anderen of bij zichzelf, alsook die ontucht bedrijven met dieren.

Zij die tot mijn altaar naderen, moeten dat voor mijn aangezicht in kuisheid doen. Dat geldt niet alleen hen, maar ook allen die het sacrament van het lichaam en het bloed van mijn Zoon wensen te ontvangen, zodat zij zich niet in het verderf zouden  storten.

Maar zowel onder de geestelijken als onder de leken treft men mensen aan die zich niet alleen besmetten door verkrachting van vrouwen, maar zich ook besmeuren op tegennatuurlijke wijze. Zij halen zich de zeer zware last van een strenge veroordeling op de hals. Hoe dan?

Een man die op de wijze van een vrouw met een andere man zondigt, zondigt zwaar tegen God en tegen de samenleving waartoe God man en vrouw verbonden heeft. Daarom ook zijn beiden voor God en mensen vies, zwart en wulps afschuwwekkend en beschadigd en de doodstraf schuldig. Zij vernietigen immers tegen de Schepper het schepsel in zichzelf. Hoe dan?

God heeft man en vrouw met elkaar verbonden, zoals Hij het sterke aan het zwakke gekoppeld heeft, opdat het ene het andere overeind zou houden. Maar deze tegendraadse echtbrekers vergooien hun mannelijke kracht in tegenovergestelde zwakheid. Zij verwerpen daarmee de juiste verhouding tussen het mannelijke en het vrouwelijke. Op een zeer schandelijk wijze volgen zij Satan na in zijn averechtsheid. Hij wil wat ondeelbaar is uiteen scheuren en in zijn trots stuk trekken. Door hun perverse activiteiten veroorzaken zij bij zichzelf een vreemdsoortige en tegendraadse echtbreuk. Daarom zijn zij voor Mij bezoedeld en besmet.

Wie evenwel op zo’n manier in tegendraadse ontucht zondigt met een vrouw, is door zijn eigen smerig gedrag als een vraatzuchtige wolf. Hoe dan?

Zoals een mens in het oordeel van de mensen tegendraads en ergerniswekkend zou zijn als hij de lekkerste en beste spijzen zou weggooien en de stront zou opeten die na de spijsvertering door de mensen wordt uitgeworpen, zo zijn deze onwaardige en onreine mensen bezig in mijn ogen. Zij laten de juiste wijze van samenleven met een vrouw varen en zoeken bij haar een averechts alternatief.

Maar ook een vouw die zich deze duivelse handelwijze toe eigent en met een andere vrouw de taak van de man nabootst, staat in mijn achting op de laatste plaats, evenals de vrouw die zich aan zo’n schandalig gedrag onderwerpt. Want terwijl zij ten aanzien van hun hartstocht een eerbiedige schroom aan de dag zouden moeten leggen, hebben zij zich schaamteloos een vreemdsoortig recht toegeëigend. En aangezien zij zich naar dit vreemdsoortig gedrag hebben toegewend, zijn zij voor Mij buitenspel gezet en verachtenswaardig.

Ook de mannen die door aanraking van hun voorhuid een zaadlozing veroorzaken, leggen een zware schuld op hun ziel, omdat zij zich door deze onrust hevig schokken. Daardoor lijken zij voor Mij op onreine dieren die hun eigen jongen ten overstaan van Mij opeten. Als zij op schandelijke wijze hun zaad uitstorten, doen zij aan schandelijke zelfbevlekking.

Vrouwen die zich onkuis aanraken, sluiten zich bij deze mannen aan wanneer zij zich in het vuur van hun brandende hartstocht in het inwendige van hun lichaam aftobben. Zij zijn dan ook heel schuldig bezig. Zij bevlekken zichzelf in onreinheid terwijl zij zich juist kuis zouden moeten gedragen.

Daarom, vrouwen zowel als mannen die door aanraking van hun lichaam zaad uitstorten, infecteren hun ziel met zweren en wonden door dit smerig gedoe . Zij hebben zich niet uit liefde voor Mij willen inhouden door het beoefenen van de zuiverheid.

Wat betekent dit?

Als de man de werking van zijn vlees gewaar wordt, moet hij vluchten in de kluis van onthouding en het schild van de kuisheid hanteren om zich zo tegen onkuisheid te beschermen.

 Hoe dan? Hij moet het onkruid van de tarwe scheiden. Dat wil zeggen: hij moet de hartstocht verre houden van de zoete kuisheid.

Wie op die manier de smaak van de hartstocht van zich afwerpt, is Mij zeer aangenaam en lief.

Maar u, mannen, gooit de liefde over boord en hebt de hartstocht lief. U verkracht niet alleen mensen maar ook dieren. Op die manier stort u uw zaad niet uit in wat leeft, maar in wat dood is. Wat jullie eigen is, laat je vallen, maar je zet je zinnen op wat aan jullie onderworpen is. Daarom jammeren de elementen over jullie en roepen: “Wee, wee, onze beheerders vermengen zich met ons door hun zaad bij ons uit te storten”. En vanwege mijn verontwaardiging over uw gedrag, laten zij zien hoe bedroefd zij daarover zijn. Dus waarom verruilen jullie dan je begrijpend verstand voor de domheid van een beest, ofschoon jullie weten dat je mens bent? Heb Ik jullie soms geschapen om je bij de varkens aan te sluiten? Nooit of te nimmer!

Omdat jullie je bij hen aansluit, vallen de aller-bitterste gevolgen van die smerige misdrijven over jullie heen, want jullie verachten mijn bedoeling van het samengaan van man en vrouw. Want wie zich in zijn daden zo anders instelt, dat hij maar doet wat hem zint, met name dat hij zichzelf vernietigt door zijn zaad bij beesten uit te storten, die verwoest zijn eigen bestaan, zoals ook Satan zichzelf door zijn weerbarstigheid heeft verworpen door aan God gelijk te willen zijn.

Daarom jullie allen die je besmet met smerig misbruik via verschillende wijzen van zelfbesmetting, weerstaat aan jullie begeertes, geselt jullie lichamen met heel felle kastijdingen, met oprechte boetedoening en hevig geween, met vasten en  versterving van je vlees, met harde zweepslagen, opdat jullie uiteindelijk jezelf niet zonder berouw heen stuurt naar het diepste punt van je vreselijkste schuld.

79. Over de zaadlozing die slapenden overkomt.

 Ik wil niet alleen dat mensen zich reinigen van onreinheid die in wakende toestand plaatsvindt, maar ook dat zij zich op waardige wijze reinigen van een besmetting die iemand in slapende toestand overkomt. Want als bij een slapende man in zijn droom een zaadlozing plaatsvindt, wil Ik niet dat hij nog in die warme toestand verkerend tot het sacrament van het altaar toetreedt. Eerst moet die warme toestand tot bedaren zijn gekomen, zoal bij Mozes geschreven staat (Deut.23,11-12)

80. Woorden van Mozes hierover (Deut,23,11-12).

Iedereen die ten gevolge van een nachtelijk gebeuren onrein is, moet het kamp verlaten en buiten blijven. Bij het vallen van de avond moet hij zich wassen en na zonsondergang mag hij dan het kamp weer betreden.

Wat betekent dit?

Iemand die tot zwetens toe in mijn dienst staat, en die ‘s nachts tijdens zijn slaap een zaadlozing heeft, moet wegblijven uit de samenkomst waarin de heilige dienst van mijn altaar plaatsvindt. Hij moet het niet wagen om zich eerder bij het mysterie van die dienst aan te sluiten dan nadat hij gereinigd wordt van die wegtrekkende gloed door het bad van boetedoening in een biecht en met belijdenis en berouw over de warme gloed van zijn geslachtsdrift. Daarna, na het volbrengen van een boetedoening die zijn hart hem ingaf, mag hij weer terugkeren in de liefde tot de kuisheid van hen die zich trouw verwijderd houden van onreine bevlekking, en mag hij weer waardig en eerzaam toetreden tot het sacrament dat geheel heilig is.

 81. Wie de wellust sterk in zich aanwezig voelt, moet die onder geen beding laten ontbranden.

De mens die de hartstocht sterk in zich voelt branden, hetzij slapend dan wel wakend, moet er op toezien dat die warme gloed geen uitslaande brand wordt. Hoe dan?

Dat is mogelijk wanneer hij niet in vuur en vlam komt te staan door voedsel dat sap van hartstocht in zich draagt. Daartoe moet hij zich dan nederig onthouden van vlees dat onbedekt en naakt uit een moederschoot komt, zoals dat bij vee het geval is. Daar is immers de gloed van de hartstocht in aanwezig. Dat is minder het geval in vlees van gevogelte dat niet zonder bedekking te voorschijn komt, maar in de bedekking van een eierschaal geboren wordt. Vandaar dat er in hun vlees minder hartstochtelijkheid gloeit. Daarbij moet men zich ook onthouden van overmatig wijn tot zich te nemen. Want als door overmatig drankgebruik de aderen vol zijn van vergiftigd bloed, kunnen de gebruikers op schandelijke wijze in vuur en vlam komen te staan.

82. Al wie zich bezwaard voelt door verschillende ondeugden, moet door middel van een biecht zijn toevlucht nemen tot de barmhartigheid van God.

Als iemand echter overvloedig last heeft van deze zaken en niet in staat is om er zelf weerstand aan te bieden, dan moet hij in alle deemoed naar Mij toe komen, en de wonden van zijn hart in alle deemoed aan Mij bekend maken. Hoe dan?

Dat kan hij doen door ze aan Mij voor te leggen in een nederige biecht bij een priester. En waarom is dat zo? Omdat een echte belijdenis een tweede opstanding is. Hoe dan?

In het geval van de oude Adam is het mensengeslacht gestorven, maar is het ook weer in de dood van de nieuwe Adam herrezen. Daartoe is in de dood van de nieuwe Adam de verrijzenis van de zielen ontstaan. Daartoe moet de mens zijn zonden bekennen. De oude Adam heeft dat niet gedaan, want hij verstopte zijn overtreding eerder dan dat hij die bekende. Hoe dan?

Hij heeft ze niet met boetedoening beleden, maar hield ze juist verborgen door zijn vrouw de schuld te geven. Daarom is de biecht ingesteld toen de mensen gevallen waren, opdat zij door de biecht overeind geholpen zouden worden.

Dus alwie in een oprechte biecht uit liefde tot Mij zijn zonden aan een priester zal hebben beleden, verrijst van dood naar leven, omdat dit leven aan de dood werd ontrukt.

Zo is ook zij aan de dood ontrukt in samenspraak met mijn Zoon toen zij in tot tranen toe bewogen berouw zich van haar onreinheid heeft gereinigd*)

(Hildegard lijkt in deze zin een samenvatting te geven van verschillende verhalen uit het evangelie: Lk.7,36-50; Jo.8,1-11; Jo.11,2)

83. Het middel tot reiniging is al bij de oude Vaders in het vooruitzicht gesteld.

Het geneesmiddel tot reiniging is ook al lang bij de oude Vaders in het vooruitzicht gesteld. Hoe dan?

Want al vóór de Wet waren de aartsvaders en de profeten tot troost van de mensen.

En onder de Wet waren de opperpriesters en de priesters de mensen tot onderricht.

 Daarna kwamen de apostelen die de ware rechtvaardiging van mijn Zoon naderbij brachten zodat vele mensen die tot hen hun toevlucht namen, op vrome wijze hun hulp inriepen. Aldus waren er sinds Adam tot aan de zending van de apostelen  altijd mensen die, gedreven door een ingeving van Boven, de ellende van de mensen te hulp schoten met troost en onderricht.

En de apostelen lieten met hun predikatie en veel wondertekenen aan de mensen zien dat een mens die op duivelse aandrang in de dood terecht komt, zich nooit op eigen krachten weer heeft kunnen oprichten. Alleen door mijn Zoon is hij uit de dood ontrukt. Hoe dan?

Toen Hij in de wereld was, heeft Hij in zijn lichaam veel lijden doorstaan en is vervolgens omwille van de redding van de wereld op het kruis terecht gekomen.

Dit moeten de gelovige mensen omwille van hun heil samen met hun priesters navolgen. Hoe dan?

Zij moeten de hulp van mijn Zoon zoeken. Omdat zij na het doopsel de oude misstap van Adam hebben herhaald, zijn zij niet in staat om uit zichzelf weer van hun euveldaad overeind komen. Zoals zij  bij de aartsvaders en de profeten te rade gaan, en zoals zij bij de bisschoppen en de priesters kunnen leren, kunnen zij vervolgens van de apostelen hulp ontvangen, als zij hun zonden openlijk belijden door hun opgelopen verwondingen openbaar te maken in een echte en oprechte belijdenis. Hoe dan?

Hun zonden zullen zij aan een priester, die de dienaar van mijn Zoon is, met een zeer vroom hart met de mond belijden. Dan geeft die priester hun het geneesmiddel in de vorm van een boetedoening. Zo begraaft hij hun zonden in de dood van de Eniggeborene. Als zij op die manier herrijzen tot nieuw leven, brengen zij op hun beurt ook eer aan de verrijzenis van mijn Zoon.

84. Wie weigert zijn zonden te belijden, bedriegt zichzelf.

Wie echter weigert om zijn zonden bekend te maken, maar probeert om ze zwijgend zelf weer goed te maken zonder dat iemand hem helpt overeind te komen zoals hij in zijn hart toch wil, bedriegt zichzelf omdat hij voor zichzelf een priester wil zijn. Hij kan niet zonder iemands hulp overeind komen, omdat de mens ook niet uit zichzelf overeind gekomen is, maar verlost is geworden door mijn Zoon.

Dus wie gered wil worden moet niet wanhopen om tenminste op het einde van zijn leven zijn zonden nog te belijden.

85. Als er in het uur van de dood geen priester voor handen is, moet de mens zijn zonden belijden aan een andere mens. En als er helemaal niemand is, moet hij maar ten overstaan van de elementen zijn zonden aan God belijden.

Als er iemand is die in het uur van zijn dood genezing voor de wonden van zijn zonden zoekt, maar er geen priester voor handen is, dan moet hij ze maar belijden bij een mens die er dan toevallig wel is. Maar als er zo vlug niemand aanwezig is, dan moet hij ze maar uit het diepst van zijn hart aan Mij bekennen ten overstaan van de elementen waarbij hij ze ook bedreven heeft. Als Ik dan de toewijding van zijn hart zie, zal Ik zijn berouw niet verwerpen.

86. Niemand hoeft vanwege zijn zondenlast te wanhopen.

Niemand hoeft dus vanwege de zwaarte van zijn zondenlast te wanhopen. Want wie er wanhoopt over mijn mededogen, staat niet op tot (nieuw) leven. Wie echter tegen de wanhoop vecht en die uiteindelijk vernietigt, die maakt zichzelf vrij, want hij maakt zich sterk en zegeviert manmoedig. Maar wie uit vreesachtigheid het geneesmiddel tot heil niet zoekt, die zal niet geholpen worden. Want terwijl hij Mij zou kunnen vinden, heeft hij geweigerd om Mij te zoeken. Dus zolang de mens nog tijd heeft, moet hij zichzelf niet veronachtzamen. Hij moet de verfrissing van een zuiverende belijdenis zoeken, zoals Jezus ook de melaatse man aanraadt in het Evangelie waar Hij zegt…

87. Het evangelie over deze aangelegenheid (Mt.8,4)

Zorg dat u er met niemand over praat, maar ga u laten zien aan de priester en breng de offergave die Mozes heeft voorgeschreven om hun het bewijs te leveren (Mt.8,4).

Wat betekent dit ?

Jij die smerig bent van zonden, en er naar verlangt om daarvan gereinigd te worden, ga met de beste bedoeling naar een priester die in mijn dienst staat en maak ze door een oprechte belijdenis aan hem bekend. Volbreng dan ook met een vroom gemoed de taak van een oprechte boetedoening. Door Gods wil heeft Diegene daar getuigenis van afgelegd die door de macht van God uit een stortvloed van aardse ongerechtigheid omhoog geheven is geworden. Laat hen die eerder getuigen waren van je slechte daden, nu zien dat je in bittere boetedoening je gereinigd bent als in een oven van gewetensonderzoek.

Mens, als de zondaar zijn zonden verbergt in de vergeethoek van zijn hart, wie kan dan getuigen zijn van zijn boetedoening? Niemand. Daarom moet de mens zijn zonden openbaar maken, zodat er ook blijk gegeven wordt van boetedoening.

88. Zonden moeten zowel door aalmoezen als door lichamelijke genoegdoening uitgewist worden.

Wie boete wil doen voor zijn zonden, moet zich bedienen van het geven van aalmoezen. Waarom? Omdat, als het lichaam van de mens door zwakheid tekort schiet om boete te doen, kunnen aalmoezen hem te hulp komen. Als het te moeilijk is voor de mens om flink en overeenkomstig wat juist is, boete te doen, dan moet hij maar de aalmoes als een moeder erbij halen, zodat hij daarmee volbrengen kan wat voor zijn lichaam te moeilijk is. Want zoals een moeder niet ophoudt tussenbeide te komen in de behoefte van haar kind ofschoon dit al groot genoeg schijnt te zijn, zo komt ook de aalmoes de zwakheid van het lichaam van de mens te hulp om boete te doen, ofschoon die mens sterk genoeg lijkt om boete te doen door zijn lichaam af te beulen. Maar toch de slechte daden die de mens uit begeerte van vleselijke lusten heeft begaan, moet hij ook bij zichzelf in zijn lichaam afstraffen. Dat wat voor zijn lichaam kostbaar en zoet is geweest, moet door bittere boetedoening worden afgewassen. Want het bittere van de boetedoening moet met behulp van aalmoezen de dodelijke wonden van de zonden in de mensen genezen. Hoe geschiedt dat? Waar de mens zich pijnigt met kastijding, daar moet hij zich ook met het geven van aalmoezen weer op de been helpen. Hoe dan? Omdat de aalmoezen mijn barmhartigheid symboliseren. Hoe dan? Immers de gelovige mens die met zijn bezittingen uit liefde tot Mij de armen te hulp komt, volgt mijn wet, want uit eerbied voor mijn Naam toont hij medelijden met de behoeftigen, zoals ook Ik mijn genade niet onthou aan degenen die Mij met een zuiver hart zoeken. Wie dus op deze wijze uit medelijden de armen te hulp schiet door het geven van verkwikkende aalmoezen, is Mij zeer dierbaar, want hij laat zich leiden door barmhartigheid. Daarmee vervult hij wat geschreven staat… (Eccli.29,14)

89. Uit het boek van de Wijsheid van Jezus Sirach (Eccli.29,14)

Leg je schat in de voorschriften van de Allerhoogste, dan zal een aalmoes je van meer voordeel zijn dan goud. Wat betekent dit?

Haal via een terechte en juiste overweging het stof van het geld van je hart af. Je hebt het daar omhelsd. Verdeel het vervolgens overeenkomstig de geboden van Hem die alles te boven gaat. God heeft immers bevolen om je af te wenden van het kwade en het goede in praktijk te brengen.

Op deze wijze moet je daarom voluit met goede wil en ruimhartig te werk gaan in je doelstellingen en met goede wil. Zo hoor je niet tot de verloren schapen. Heilig je tegenover God in het verzadigen van hen die gebrek lijden. Deel uit van wat jou ten deel is gevallen. Want dan zal ook God medelijden met jou hebben in jouw ellendige behoeftes. Als je zo te werk gaat, zal jouw medelijden dat je met iemand hebt die niets heeft, van grotere waarde zijn dan wanneer je in hoogmoed een hoge berg bestijgt beladen met veel goud en geld. Je bent dan verheven boven iemand die helemaal niets bezit. Hoe dan?

Het is immers beter voor je dat je in nederigheid een beetje aan arme drommels geeft, dan dat je in grote overvloed een werelds rijk zou bezitten. Want dan zou jou de beloning van Godswege ontgaan door toedoen van je zware hoogmoed. Je zou dan immers geen medelijden hebben met een arme medemens.

90. De bestanddelen van de menselijke poel van lusten.

Vandaar dat al wat bestaat voor de mensen een poel van lusten is en blijk geeft van hun morele instelling. Hoe dat?

Al wat bestaat roept immers het oordeel van God over de zondaars af. Daarom, mens, laat varen de totale nietswaardigheid van de schipbreuk van de gierigheid, want jouw terechte erfenis is gelegen in het eeuwig leven door het kwade te laten en het goede te doen. Laat je kwaadwilligheid varen en heb medelijden doordat je mensen die gebrek hebben, laat delen in wat jij bezit. Dan volg je God na die vol medelijden is.

91. Zij die een aalmoes geven of een aalmoes ontvangen, moeten dat niet zomaar doen.

Daarom, mens, geen bedelaar zal kunnen beweren dat u die op deze wijze de armen te hulp schiet, daarmee niet mijn wil volbrengt. Waarom?

Zoals Ik u mijn genade toebedeel, zo moet ook u aan de armen uw aalmoezen geven. Maar zij die aalmoezen aannemen, moeten dat niet op ijdele wijze doen namelijk alleen maar om te hebben. Hoe zo?

Er zijn namelijk ook veel mensen die lui zijn en geen lichamelijke inspanning willen leveren waarmee zij zichzelf zouden kunnen bedruipen. Ook zijn zij er niet op uit om geestelijk goede werken te verrichten en zo zichzelf overeind te helpen.

Ze zijn als beesten. Ze hebben noch geestelijk noch lichamelijk benul van wat juist en terecht is. Als zij daarin volharden, zijn zij ook in mijn ogen onwaardige mensen die zich niet willen beteren en ook geen boete willen doen voor de lauwheid van hun onterechte levenshouding.

Maar er zijn er ook velen die in lichamelijke nood verkeren en die een aalmoes nederig en in vreze des Heren aanvaarden. Zij bidden ook voor hen en geven zich moeite voor hen die hun barmhartig zijn, en die daarbij ook de smerigste onreinheid vermijden.

Onder hen zijn er ook aan wie Ik aardse rijkdom onttrek, omdat Ik hen aan de hemelse rijkdommen deelachtig wil maken.

 92. Armen zowel als rijken en hen die de eer van macht nastreven, mogen ieder op hun wenken worden bediend.

Wie evenwel vrijwillig om wille van mijn Naam armoe lijden, zijn Mij zeer dierbaar. Maar zij die vrijwillig wereldse rijkdommen begeren en die niet kunnen verwerven, verliezen het loon van al hun inspanningen. Wie daarentegen rijkdom zoekt om daarmee aan mijn wil en niet aan eigen begeerte te voldoen, zal bij Mij zijn ereloon ontvangen voor zijn goede wil. Zo is ook degene die de macht van de eer nastreeft omwille van zijn verwerpelijke trots en niet om het eren van mijn Naam, voor Mij als een lijk in ontbinding. Maar wie die macht zoekt te verkrijgen niet om zijn eigen trots te strelen, maar om Mij te eren, die zal daarvoor in mijn Rijk eervol geëerd worden. Daarom moeten priesters de taak van geestelijke leiders niet op zich nemen omwille van zichzelf, maar omwille van Mij. Dan zijn zij in staat om mijn volk des te beter en vromer te leiden. Hoe dan?

93. Priesters moeten biddend en manend het volk aansporen om te biechten.

Zij moeten het volk onderrichten, vermanen, aansporen en het er toe brengen om de wet van God waardig en eerbiedig in acht te nemen. De priesters moeten dat altijd maar weer blijven herhalen terwijl zij het volk oproepen en vermanen om niet zonder biecht en boetedoening te volharden in hun zonden. Zij moeten hun slechte daden vertrappen en de goede dingen doen. Als het volk de aansporing van hun priesters niet wil horen, dan zal het zijn eigen schuld ondervinden. De priesters treft dan geen blaam over dit geval van onachtzaamheid.

94. Priesters die hun gezag als leraar niet aan het volk tonen, zijn geen priesters maar eerder wolven.

Als priesters het gezag van hun leraarschap niet aan het volk tonen, dan moeten zij geen priester genoemd worden, maar eerder verscheurende wolven. Zij bekleden hun ambt dan als rovers, zoals ook een wolf een schaap op wrede wijze aan stukken scheurt. Zij zijn eerder bezig met hun eigen belang dan dat zij acht slaan op hun schapen. Omdat zij zo slecht zijn, zijn ze bang om het volk de rechte leer voor te houden. Op die manier stemmen zij in met iets slechts als met iets van zichzelf namelijk met hun vleselijke lusten. Zij smijten de deur van hun hart dicht als voor een huisgenoot, namelijk voor de gerechtigheid van God.

95. Ten overstaan van God jammeren de elementen over de ongerechtigheid van de priesters, en de hemelen nemen hun ongerechtigheid op.

Priesters, jammert en weent over jullie wandaden die een schril geluid laten horen over jullie ongerechtigheid. Dat is zo erg dat de elementen dit geroep overnemen en het samen ten overstaan van Mij uitschreeuwen. Want hoe durft u in uw diensten uw Heer met zulke bloederige handen aan te raken, besmeurd met tegennatuurlijke viezigheid en overspelige ongerechtigheid? Echt! Met jullie smerigheid doen jullie de aardbodem beven. Hoe? Doordat jullie er niet voor terugschrikken om jullie Heer aan te raken zo vies als jullie zijn vanwege jullie vele misdaden, druk Ik de aarde neer in grote ellende. Zo neem Ik wraak voor het vlees en het bloed van mijn Zoon. Want in jullie wreedheid schokken jullie niet alleen de aarde, maar besmeuren jullie ook nog de hemel op vreselijke wijze met jullie viezigheid.

Wanneer jullie uw Heer met de drek van uw viezigheid aanraakt, zoals een varken parels met zijn uitwerpselen besmeurt, dan zullen de hemelen uw ongerechtigheid waarnemen. Met mijn instemming zullen zij de wraak van mijn veroordeling over de aarde uitspreiden. U zou immers mijn volk met waarachtige gerechtigheid en goddelijke wetmatigheid moeten voorgaan en met goede werken moeten voorlichten, zodat mijn volk dat u navolgt, nergens over struikelt. Maar u besmet mijn volk soms met ergere ongerechtigheid dan het zich zelf besmeurt, omdat het in jullie een zeer slecht voorbeeld heeft.

Jullie zouden een fonkelende edelsteen moeten zijn, zodat de gelovigen die in jullie licht treden, kunnen menen dat zij de weg van de gerechtigheid gaan. Maar jullie geven hun alleen maar het voorbeeld dat naar de dood leidt, zodat zij door jullie ongerechtigheid niet in staat zijn om de juiste levenswijze te vinden.

Hoe kunnen jullie hun herders zijn als jullie hen zo misleiden?

Hoe zullen jullie verantwoordelijkheid voor hen kunnen dragen, als u niet eens voor uzelf een juist antwoord hebt?

Dus weent en klaagt voordat de dood jullie verrast. En waarom slaan jullie geen acht op de eer die jullie boven alle andere mensen gegeven is?

Wat wordt daarmee bedoeld?

96. Een priester heeft de macht om te binden en te ontbinden.

 Ten bate van iedereen hebt u in mijn Zoon de sleutels van de hemel ontvangen. Dat betekent: de uitspraken van een juiste beoordeling overeenkomstig de kennis van de Schriften. Daarin zult u op de juiste wijze vinden alles wat als bindend opgelegd moet worden. Wat wil dat zeggen?

Wanneer mensen zich overeenkomstig mijn Wet hardnekkig tegen Mij verzetten, dan moet u hem de vrees voor mijn oordeel inprenten. En als zij zich niet van hun schuldig gedrag bekeren, dan moet u over hen uw banvloek uitspreken. Hoe dan?

Zij zijn immers opstandig. Daarom zult u hen met duidelijke uitspraken van mijn woorden aan banden leggen, en hun die ban aanzeggen. Ook voor Mij zijn zij immers vanwege hun hardnekkigheid in de ban. Dat maakt mijn Zoon ook duidelijk aan de eerste herder van de Kerk door te zeggen….

97. Woorden uit het Evangelie hierover (Mat.16,19 [18,18 en Joh.20,23]).

Ik zal je de sleutels van het koninkrijk van de hemel geven, en al wat je op aarde bindend verklaart, zal ook in de hemel bindend zijn; en al wat je op aarde ontbindt zal ook in de hemel ontbonden zijn (Mat.16,19).

Wat is dit?

Ik, die de macht over hemel en aarde bezit, geef uit genade ook aan jou, die Mij toegewijd hebt nagevolgd, de bevoegdheid om te oordelen over zaken die de waardigheid van het Rijk der Hemelen betreffen. Het gevolg is dat de schanddaad die je na rijp beraad met de ban hebt geslagen toen je de mensen op aarde hebt zien zondigen, ook in de hemel gebonden is, dus van de hemel is uitgesloten en verwijderd. (Nadat Ik eenmaal de ziel uit het lichaam van de mens heb doen gaan, valt hij niet meer onder jouw oordeel, want dan oordeel Ik. Na de dood van de mens zul je voor zijn ziel bidden, maar jij kunt hem dan niet van zijn ban bevrijden) In de hemelse verblijven heeft geen enkele ongerechtigheid een plek en vrije toegang. Maar van de ban die je van tevoren in een opstandige bui hebt opgelopen en vast hebt aangetrokken, maar daarna hebt opgelost in boetedoening over je vergrijpen, zul je ook in de opperste geheimenissen bevrijd worden, omdat God het geween en een rouwmoedig hart niet verwerpt.

98. Iemand die geen verwijtbare schuld heeft, mag niet in de ban gedaan worden.

Maar u, priesters, die op deze wijze van mijn Zoon deze macht hebt ontvangen, zult niemand die geen verwijtbare schuld heeft in mijn Naam in de ban doen, alleen maar vanwege de woede in uw hart. U moet integendeel een zeer nauwkeurige afweging maken wie u op deze wijze een beperking moet opleggen. Want wie niet weerhouden kan worden om te volharden in zijn ongerechtigheid, hetzij uit schaamte voor de mensen, of uit vrees voor Mij, of omwille van smeekbeden, of om wat voorgeschreven is, die moet dan maar in mijn Naam uit de Kerk verwijderd worden door een kerkelijke censuur. Maar een onschuldige zult u niet in de ban doen, want als u hem in beperking gesteld hebt, zult u uzelf opgeknoopt hebben in een afgrijselijke schuld.

99. Iemand die onschuldig in beperking gesteld is, moet omwille van de eer van God, om vrijspraak vragen.

Maar toch, als iemand op deze wijze onterecht in beperking is gesteld, moet hij toch, ofschoon hij onschuldig is, in zeer nederige en gehoorzame onderwerping omwille van mijn Naam om opheffing van de beperking vragen. Want als hij halsstarrig is, maakt hij zich schuldig aan trots. Maar de beperking blijft dan van kracht.

De mens die in zijn verdorvenheid noch aan Mij noch aan de voorschriften van de overheden wil gehoorzamen, moet op mijn woord uitgesloten worden van de hemelse aangelegenheden, zoals ook Adam toen hij ongehoorzaam was aan mijn gebod, uit het paradijs geworpen werd. Ook zal hij niet opgenomen worden in het gezelschap van mijn getrouwen, tenzij hij boete doet in gehoorzaamheid. Op deze wijze heeft ook het hele mensengeslacht via het martelaarschap van de gehoorzaamheid van mijn Zoon opnieuw toegang verkregen tot het hemels vaderland.

100. Zij die opstandig niet naar Christus willen terugkeren en verhard geen barmhartigheid zoeken, volgen het oude serpent na.

Hij die zo opstandig is dat hij niet door een daad van nederigheid wil terugkeren, en die zo in zijn koppigheid volhardt, die zal diegenen tot metgezel hebben die weigerden om hun stenen hart weg te werpen en die, volhardend in hun ontrouw, de eer van de kerkelijke gelukzaligheid hebben geweigerd. Want wie zo stijfkoppig is dat hij er zich niet om bekommert om van zijn nietswaardigheid genezen te worden, die aapt het oude serpent na die de eerste mens in het paradijs bedroog door te zeggen:…

101. Woorden van de duivel.

Ofschoon ik uit de hemel geworpen ben toen ik met mijn engelen tegen het leger van de Allerhoogste wilde vechten en Hem niet kon weerstaan omdat ik door Hem overwonnen ben, heb ik toch nu op aarde de mens gevonden op wie ik mijn woede kan botvieren en ik mij sterk kan wreken. Op aarde zal ik in de mens bewerkstelligen wat ik al in de hemel wilde doen: gelijk worden aan de Allerhoogste. En als God rechtvaardig is, zal Hij mij die mach tniet ontnemen, want de mens heeft met mij ingestemd en niet aan God gehoorzaamd.

Zo spreekt de duivel bij zichzelf en al zijn trucjes heeft hij tegen de mens in werking gezet, want de mens was van God weggelopen en de duivel gevolgd. Vervolgens heeft de mens zich zo sterk met de duivel verbonden dat hij hem als god heeft geëerd en God, zijn schepper, heeft verloochend.

102. De mensen zijn door de menswording van de Zoon van God weggeleid uit de duisternis van ontrouw.

Maar toen de mens in zulk een duistere ontrouw neerlag en niet in staat was om zich op te richten, heb Ik mijn Zoon gezonden om hem te redden, nadat Deze op wonderlijke wijze uit een Maagd mens was geworden: werkelijk God en mens tegelijkertijd. Hoe dat?

Hij is immers in zijn God-zijn werkelijk van Mij, zijn Vader, uitgegaan, en in zijn mens-zijn heeft Hij werkelijk het vlees aangenomen uit een maagd die moeder was. Hoe dat?

Mens, je bent week en zwak in je lichamelijk bestaan, maar je bent hard en onbuigzaam gebleven in je ongeloof. Want een steen kan gepolijst worden om als bouwsteen te dienen, maar jij wilt niet eens zacht worden om te geloven. Maar luister dan toch! Zoals een mens een heel mooie parel die hij in een doosje heeft, in metaal vat om hem aan mensen te laten zien, zo heb Ik ook gewild dat mijn Zoon die Ik in mijn hart draag, mens zou worden uit een Maagd zodat Hij het heil tot leven zou schenken aan de mensen die in Hem geloven.

Wie zou Hij zijn als Ik Hem ook een vader van vlees en bloed gegeven zou hebben? Ongetwijfeld niet mijn Zoon, maar mijn dienstknecht. Maar dat was niet de bedoeling. Hij is geboren uit een Maagd. Hij heeft gegeten, gedronken, slapend gerust en alle andere lichamelijke zorgen op zich genomen, maar lust om te zondigen in zijn vlees heeft Hij niet gevoeld, omdat Hij niet in leugen maar in waarheid een vleselijk lichaam had aangenomen.Wat betekent dat?

De overige mensen zijn geboren onder invloed van de misstap van Adam en Eva via een wellustige hartstocht; dat betekent dus in de leugen en niet in de waarheid. Mijn Zoon is zo niet ontstaan. Hij is in heiligheid uit een zeer zuivere maagd geboren tot redding van de mensen. Het is zoals een gelijke niet in staat zou zijn om de boeien te slaken van gelijken. Dat is alleen mogelijk als een sterkere komt om hem te bevrijden. Wat betekent dit?

Dat betekent dat een mens die geboren is in zonde geen zondaar van de dood heeft kunnen redden. Daarom is mijn Zoon die zonder zonde is, gekomen. Na de dood overwonnen te hebben heeft Hij vol medelijden de mens aan de dood ontrukt.

Maar wie met open ogen kijkt en met open oren luistert, die zal mijn mystieke woorden met een warme kus onthalen, omdat zij van Mij, de Levende, uitgaan.

Scivias 2.7

HOOFDSTUKKEN VAN HET ZEVENDE VISIOEN VAN HET TWEEDE DEEL

1. God die alles rechtvaardig bestuurt en met zijn verschillende gaven van de Heilige Geest verlicht, sterkt de mensen tot het doen van goede werken, zodat zij niet door de duivel overwonnen kunnen worden.
2. De goddelijke Wet aan een menigte gelovigen voorgesteld.
3. De duivelse misleidingen liggen open en bloot voor de mensen op de weg van deze wereld.
4. De duivel biedt openlijk en op bedrieglijke wijze rijkdom en genot aan. Wie daarnaar uitziet, koopt ze.
5. Sommige mensen bieden manmoedig weerstand aan de duivelse verleidingen,
maar anderen leven halfslachtig en stemmen met hem in.
6. Woorden van Ezechiël over dit onderwerp (Ez.18,20
7. De duivel die vol is van het gif van zijn veelvormige trucjes, geeft zich moeite om de vijf zintuigen van de mens te misleiden.
8. Bij de menswording van Gods Zoon is de trots van de duivel neergeworpen.
9. De betekenis van de ogen, de oren en de neus van het serpent.
10. De betekenis van zijn handen en voeten en staart.
11. De macht van de almachtige God heeft de kracht van de duivel zodanig verpletterd dat hij zijn verdorven wil niet kan uitvoeren.
12. In de vier windstreken van de wereld steekt de duivel het vuur van zijn kwalijke misleiding aan bij de mensen, hoe verschillend zij ook zijn.
13. Woorden van David (Ps.13/14,3)
14. De wijze waarop de duivel met vurige overredingskracht de verschillende soorten mensen, geestelijke zowel als wereldlijke, met een veelvoud van bekoringen aanvalt.
15. Er zijn drie groepen die hemelwaarts gaan.
16. De bekoring van wereldse mensen.
17. Zes mogelijke verleidingen voor geestelijke mensen.
18. De ongedoopten.
19. De betekenis van de pijlen uit zijn muil, de rook uit zijn borst en het vocht uit zijn lendenen.
20. De betekenis van de draaikolk in zijn navel en de onreine kikkerdril in zijn buik.
21. De duivel stookt met zijn kwalijk ongeloof de mensen op om voor wáár aan te nemen wat hij hun valselijk voorhoudt.
22. Ketters die de duivel als God vereren, moeten gemeden worden en uit de Kerk gebannen. Zij zijn de ingewanden van de duivel en de ontspruitende twijg van de zoon van het verderf.
23. De genade van God wijkt van hen die zijn hulp verachten, maar God komt degenen die Hem zoeken genadig te hulp.
24. Woorden van Salomon hierover (Spreuken 13,21).
25. Ware vereerders van God die met heel hun inzet de aardse zaken met voeten treden, verpletteren de oude slang uit alle macht.

 

HET ZEVENDE VISIOEN

 

En vervolgens zag ik een licht van zo’n omvang dat er een grote en hoge berg in zou passen. De top stond in lichterlaaie door een massa vlammen. Tegenover dat licht stond een menigte van mensen in het wit gekleed. Vóór hen was er iets als een gordijn, doorschijnend als kristal. Het reikte van hun borst tot aan hun voeten. Maar vóór die menigte lag er, als op een weg, iets dat op een slang geleek, immens groot en lang, en het lag achterover. Die slang was zo.afschuwwekkend en vol waanzin, erger dan een mens kan beschrijven. Links daarvan was er iets als een marktplaats. Daar waren de rijkdommen van de mensen aanwezig, en de wereldse heerlijkheden en de koopwaar van allerlei soort. Daar liepen wat mensen heel haastig heen en weer, maar zonder handel te drijven. Anderen liepen er traag rond en bleven staan om te kopen en te verkopen.

Die slang was zwart en ruig en zat vol zweren en puisten. Het waren wel vijf soorten die van de kop over zijn buik tot aan zijn voeten in zones naar beneden reikten. De ene zone was groen, de andere wit of rood of saffraankleurig of zwart, en vol dodelijk gif. Maar zijn kop was zo geplet dat zijn linker kaak al in ontbinding leek. Zijn ogen waren uiterlijk bloeddoorlopen en innerlijk vol vuur. Zijn oren waren rond en borstelig, zijn neusgaten en zijn mond waren als van een slang, maar de handen leken op die van een mens. De voeten waren als die van een draak. Hij had een korte en vreselijke staart. Om zijn hals droeg hij een ketting die ook zijn handen en voeten geboeid hielden. De ketting zelf zat stevig verankerd in een steen van de onderwereld en hield de draak zo sterk in bedwang dat hij niet hier noch daarheen kon bewegen overeenkomstig zijn slechte believen. Uit zijn muil kwamen veel vlammen die zich in vier richtingen verdeelden. Een deel steeg op tot aan de wolken, een tweede deel bleef onder de lekenmensen, een derde deel verspreidde zich onder de geestelijken, en een vierde deel sloeg neer in de afgrond. Maar de vlam die naar de wolken opsteeg, vocht tegen de mensen die naar de hemel wilden opstijgen. Ik zag bij hen drie groepen.

De eerste groep bevond zich dicht bij de wolken, de tweede tussen de wolken en de aarde, terwijl de derde groep zich dicht bij de aarde voortbewoog. Zij riepen allemaal steeds weer: “Wij stijgen op naar de hemel!”.

Hoewel zij door voornoemde vlam hier en daar werden aangevallen, kwamen sommigen niet ten val, maar anderen konden zich nauwelijks staande houden en weer anderen vielen inderdaad op de grond, maar door weer op te staan, zetten zij hun tocht naar de hemel voort. Maar de vlam die zich tussen de wereldse mensen mengde, verschroeide sommigen van hen en verkoolde hen op vreselijke wijze gitzwart. De vlam doorboorde weer anderen dusdanig met haar spies dat zij hen buigen kon waarheen zij maar wilde. Toch wisten sommigen van hen zich aan de vlam te ontrukken, en bij het naderen van hen die hemelwaarts gingen, smeekten zij hen herhaaldelijk met luid geroep: “O, gelovigen, komt ons te hulp!” Maar sommigen die doorboord waren, bleven dat ook.

Maar de vlam die zich onder de geestelijkheid mengde, bedekte hen met een dichte mist. Ik zag dat op zes verschillende manieren gebeuren.

De vlam verwondde op vreselijke wijze sommigen van hen met vuur. Maar naar degenen die het vuur niet kon deren, blies de vlam heftig dodelijk gif toe, groen gif of wit of rood of paars, afkomstig van de slang die er van top tot teen vol mee zat. Maar de vlam die in de richting van de afgrond ging, droeg verschillende straffen met zich mee voor degenen die – niet gewassen door de het water van het doopsel – geen kennis hadden van het licht van het ware geloof, en die de Satan als God hadden vereerd.
Ik zag uit zijn muil ook zeer scherpe pijlen wegschieten. Uit zijn borst kwalmde zwarte rook en uit zijn lendenen borrelde gloeiend vocht. Uit zijn navel wervelde gloeiend hete wind. En uit zijn achterste welde viezigheid alsof het kikkerdril was. Dat alles veroorzaakte hevige onrust bij de mensen. Ook van hemzelf ging een afschuwelijke lucht uit met een geweldige stank. Met al die ongerechtigheid besmeurde hij veel mensen.
Toen was daar een grote menigte mensen die schitterde door een zeer heldere klaarheid. Daarmee werd de slang volledig en stevig vertrapt. Dat gebeurde zo hevig dat de slang geen enkele schade meer kon toebrengen, niet met zijn vlammen en ook niet met zijn gif.

En opnieuw hoorde ik een stem die uit de hemel tot mij sprak…

1. God die alles rechtvaardig bestuurt en met zijn verschillende gaven van de Heilige Geest verlicht, sterkt de mens tot het doen van goede werken, zodat zij niet door de duivel overwonnen kunnen worden.

God die alles rechtvaardig en correct bestiert, roept de gelovige mensen op om toe te treden tot de roem van de eeuwige erfenis. Maar de oude leugenaar ligt in een hinderlaag in een poging om dat te beletten. Alle trucjes van zijn ondeugd zet hij tegen hen in werking. Maar eenmaal door hen overwonnen, krijgt hij de verwarring van zijn zelfgenoegzaamheid op het moment dat zij het hemelsvaderland verkrijgen, maar hem de helse verschrikkingen ten deel vallen.

Daarom staat er dat je een vlammend licht ziet van zulk een omvang dat er een grote en hoge berg in zou passen. De top stond in lichterlaaie door een massa vlammen.

Dat duidt op het feit dat er in het geloof van de gelovigen de rechtvaardigheid van God brandt, en dat Hij in de kracht van zijn macht de grootheid van zijn heiligheid ten toon spreidt, en in diezelfde glorie op wonderlijke wijze helder laat zien dat de verschillende gaven van de Heilige Geest er in aanwezig zijn.

2. De goddelijke Wet aan een menigte gelovigen voorgesteld.

Tegenover dat licht stond een menigte van mensen in het wit gekleed. Dit betekent dat er in de tegenwoordigheid van Gods rechtvaardigheid een legerschare van mensen goed en correct staat opgesteld. Zij blinken uit door hun goede werken.
Vóór hen was er iets als een gordijn, doorschijnend als kristal. Het reikte van hun borst tot aan hun voeten. Zij hebben altijd door Gods sterke en schitterende Wet voor ogen vanaf de goede bedoeling om de goede werken ten uitvoer te brengen tot en met de daadwerkelijke uitvoering ervan. Daar zijn zij zó in gesterkt dat het domme en verleidelijke van valse voorwendsels hen niet kan overtuigen.

3. De duivelse misleidingen liggen open en bloot voor de mensen op de weg van deze wereld.

Maar wat betreft: vóór die menigte lag er, als op een weg, iets dat op een slang geleek, immens groot en lang, en het lag achterover, de betekenis daarvan is de volgende. Al vóór het besef van de mensen is duidelijk wat er bij het voortschrijden op de weg van deze wereld zowel aan goeds alsook aan kwaads aanwezig is. Daar ligt de oude slang, niet in zijn ware gedaante maar in zijn mysterieuze betekenis namelijk groot in het kwaad, ver vooruit in de planning van zijn hinderlagen. Hij ligt op zijn rug, happend naar adem. Het is zijn bedoeling om hen die naar de hemel opstijgen listig ten val te brengen. Zelf ligt hij neer omdat hem zijn krachten zijn ontnomen door de Zoon van God zodat hij niet meer rechtop kan staan. Hij ziet er evenwel afschuwwekkend uit, meer dan een mens kan zeggen, want de giftige woede en zijn kwalijke pogingen in menigvuldige verscheidenheid, kan een sterfelijke mens niet opsommen.

4. De duivel biedt openlijk en op bedrieglijke wijze rijkdom en genot aan. Wie daarnaar uitziet, koopt ze.

We lezen: Links daarvan was er iets als een marktplaats. Daar waren de rijkdommen van de mensen aanwezig, en de wereldse heerlijkheden en de koopwaar van allerlei soort. In de dood die links van de verderver wordt gesitueerd, wordt een marktplaats waargenomen. Daarmee worden de zeer kwalijke gevolgen van de dood bedoeld. Daar, in die verderfelijke rijkdommen liggen trots en ijdele glorie opgeborgen, en in die vergankelijke heerlijkheden bevinden zich losbandigheid en begeerlijkheid. In die koopwaar gloeien de koop en de verkoop van een grote verscheidenheid aan aardse begeerlijkheden. Dat is zo erg dat wie eerder openlijk gehuiverd heeft voor die duivelse verschrikking, er toch heimelijk toe wordt verleid. Dat gebeurt wanneer men hem veel gladde aanbevelingen doet om tot ondeugden over te gaan. Het is zoals wanneer een koopman zijnverschillende koopwaar aan de mensen toont en zij dan, eenmaal lekker gemaakt, des te vuriger tot kopen overgaan van datgene wat hun aangeboden wordt. Zo biedt ook de duivel op bedrieglijke wijze zijn kunsten aan de mensen aan. En wie dat bevalt die kopen ze. Hoe? Hun goede geweten vergooien zij door het als het ware te verkopen; en zij lopen daardoor dodelijke verwondingen op in hun ziel alsof het een aankoop gold.

5. Sommige mensen bieden manmoedig weerstand aan de duivelse verleidingen,
maar anderen leven halfslachtig en stemmen met hem in.

Maar daar liepen wat mensen heel haastig heen en weer, maar zonder handel te drijven. Dat zijn de mensen die God kennen en bezig zijn met de schat van hun goede wil en met de reukwerken van hun deugden. Daar voelen zij zich zeer sterk toe aangetrokken, zodat zij de wereldse geneugten en de duivelse smerigheden verachten, en snel overgaan tot de geboden van God en het verachten van de zoetheid van het vlees.
Anderen liepen er traag rond en bleven staan om te kopen en te verkopen. …Omdat zij traag zijn in het verrichten van goede werken door de lauwheid van hun hart, doven zij het hemelse verlangen in hun hart alsof zij het verkopen, en de vleselijke lusten koesteren zij in zichzelf alsof het koopwaar is.

De eersten ontvangen het loon voor hun goed werk, terwijl de anderen volharden in de straf voor hun ondeugdelijk leven, zoals Ezechiël het uitdrukt….

6. Woorden van Ezechiël over dit onderwerp (Ez.18,20)

De rechtvaardige zal voor zijn rechtvaardigheid worden beloond, maar de goddeloze zal voor zijn goddeloosheid worden gestraft (Ez.18,20)

Hoe moet men dit verstaan?
De schitterende daden van een reine mens maken hem dóór en dóór heilig. Er zijn als het ware duizend ogen om hem heen die hem van top tot teen en overal begeleiden, hem met grote eer omhoog steken en hem versterven van zijn wellust, zoals de Heilige Geest hem dat ingeeft, en zoals een vleugel een vogel hem omhoog tilt in de lucht waarheen hij maar wil.

Maar het vergif van ongerechtigheid van de wreedaardigste slang die de hemel bespuwt, bezoedelt de parel met modder, en over het mooiste van alle kostbaarheden gaat die briesend tekeer. Degene die daar trouweloos gehoor aan geeft, wordt door de slang beroofd van alle eer en van het aanschouwen van de opperste gelukzaligheid. Hij maakt hem tot een balling en snijdt hem af van de leven gevende vrucht en van de wortelstam van de boom van gerechtigheid.

7. De duivel die vol is van het gif van zijn veelvormige trucjes, geeft zich moeite om de vijf zintuigen van de mens te misleiden.

En nu over het feit dat die slang zwart was en ruig en vol zat met zweren en puisten.

Dat duidt er op dat die oude slang, in de zwarte duisternis van zijn ontrouw, ruig behaard is met verborgen misleiding, en vol zit met zweren van onreine bevlekking en met etterblaren van razernij.

Het waren wel vijf soorten die van de kop over zijn buik tot aan zijn voeten in zones naar beneden reikten. Dat duidt op de vijf zintuigen van de mens. Hij houdt niet op die met hun verschillende hartstochten aan te wakkeren vanaf het bedrog toen hij zich voor het eerst heeft ingespannen om daaraan te voldoen (cfr. Gen.3,1-6) tot aan de voltrekking daarvan wanneer die waanzin een einde zal nemen. Maar door een valse rechtzinnigheid te veinzen, verleidt hij de mensen om het hellend vlak van zijn vuile trucjes te betreden.

De ene zone was groen, de andere wit of rood of saffraankleurig of zwart, en vol dodelijk gif.
De eerste zone van etterende puisten was groen: verwijzing naar groene groeikracht maar in feite naar wereldse droefenis. Dan de witte zone: verwijzing naar onnozele oneerbiedigheid.
De rode zone is die van de ijdele roem; de gele die van de bijtende laster; en de zwarte die van schandelijke veinzerij. Samen met alle andere slechte levensinstellingen laten zij zien welke instellingen de dood met zich meebrengen voor de zielen van de mensen die daarmee instemmen.

8. Bij de menswording van Gods Zoon is de trots van de duivel neergeworpen.

Maar zijn kop was zo geplet dat zijn linker kaak al in ontbinding leek. Dat betekent dat zijn hoogmoed door de menswording van Gods Zoon dusdanig verslagen is, dat ook de weerbarstigheid van de dood al uitgehold is en zijn krachtige bitterheid niet meer kan uitoefenen.

9. De betekenis van de ogen, de oren en de neus van het serpent.

Zijn ogen waren uiterlijk bloeddoorlopen en innerlijk vol vuur.
Dat wijst er op dat zijn bloedige schandaligheid inwerkt op de lichamen van de mensen, en van binnenuit als een vuurpijl hun zielen binnendringt.

Zijn oren waren rond en borstelig
Dat verwijst naar het feit dat hij de mens rondom vastzet met de pijlen van zijn arglistigheid om hem vervolgens pijlsnel neer te smijten zodra hij in hem iets bemerkt dat hem toebehoort.

Zijn neusgaten en zijn mond waren als van een slang. Dat verwijst naar de onfatsoenlijke en stinkende gewoontes van de mensen waarmee hij ze met veel ondeugden doorboort en wreed vermoordt.

10. De betekenis van zijn handen en voeten en staart.

De handen leken op die van een mens. Dat duidt op het feit dat hij de zijn slinkse streken verricht via het doen en laten van de mensen.

De voeten waren als die van een draak. Dat duidt op het feit dat hij onophoudelijk de gang van de mensen naar zijn hinderlagen leidt om hen daar duivelse verwondingen toe te brengen.

Hij had een korte en vreselijke staart. Dat verwijst naar de korte maar vreselijke periode van de macht in die zoon van het verderf. Hij verlangt als een razende tekeer te gaan , méér dan hij aankan.

11. De macht van de almachtige God heeft de kracht van de duivel zodanig verpletterd dat hij zijn verdorven wil niet kan uitvoeren.

Om zijn hals droeg hij een ketting die ook zijn handen en voeten geboeid hielden. De betekenis daarvan is dat de duivelse kracht door de macht van de almachtige God zo gebroken en vertrapt is geworden dat zowel zijn smerigste dingen alsook zijn verfoeilijkste wegen waartoe hij de mensen heeft verleid, bij zijn vermorzeling aan banden zijn gelegd.

De ketting zelf zit stevig verankerd in een steen van de onderwereld en houdt hem zo sterk in bedwang dat hij niet hier noch daarheen kan bewegen overeenkomstig zijn slechte believen.
Want de macht van God houdt tot redding van de zielen de duivel in alle eeuwigheid zo krachtig in bedwang dat hij zijn zeer snode plannen niet in werking kan stellen: niet met uiterlijke en ook niet met innerlijke mogelijkheden. Die plannen zijn er op gericht om het heil van de verlossing aan de gelovigen te onthouden, zodat zij niet op de plek van de vreugde zouden komen die hijzelf zo hardnekkig heeft afgewezen.

12. In de vier windstreken van de wereld steekt de duivel het vuur van zijn kwalijke misleiding aan bij de mensen, hoe verschillend zij ook zijn.

Uit zijn muil kwamen veel vlammen die zich in vier richtingen verdeelden.
Dat betekent dat hij vanuit zijn aller-roofzuchtigste vraatzucht het veelvoudige kwaad van de wreedaardige vlammenzee van zijn verfoeilijke overtuiging op veelvoudige wijze laat uitgaan naar de vier windstreken van de hele wereld temidden van de mensen opdat zij hem zouden volgen. Dat verbreidt hij op verschillende manieren.

Een deel van de vlammen steeg op tot aan de wolken.
Die duivelse verleiding weerhoudt met zijn geslepenheid de mensen die vol verlangen hemelwaarts gaan.

Een tweede deel van de vlammen bleef onder de lekenmensen.
Dat deel bedriegt degenen die zich met wereldse zaken bezighouden door de verstrooiende veelvuldigheid daarvan.

Een derde deel van de vlammen verspreidde zich onder de geestelijken.
Dat deel besmet met schijnheiligheid degenen die zich zwetend inspannen met hun geestelijke oefeningen.

En een vierde deel van de vlammen sloeg neer in de afgrond.
Vanuit zijn verdorvenheid smijt hij de ongelovigen die het met hem eens zijn, in de kwellingen van de hel. Want zij die de weg van valsheid en ontgoocheling gaan, hebben niet het rechte pad bewandeld en hebben aan God niet de verschuldigde eer betoond.
David legt dar getuigenis van af waar hij zegt:

13. Woorden van David (Ps.13/14,3)

Maar iedereen zit op een dwaalspoor, het is één verdorven bende, een goed mens vind je niet meer, niet één.

(= Willibrordvertaling. Hildegard citeert deze tekst uit de Vulgaat-versie van de Bijbel. De Griekse LXX-vertaling heeft deze passage niet.)

De onschuld en de zeer krachtige werken van God trekken ten strijde vanuit hun levende en zeer zuivere bron. Zij verdrijven degenen die God uit hun hart bannen met hun schunnige en schadelijke optreden. Zij verpletteren hen zoals een grote stortbui iets volledig overspoelt zodat het niet meer bestaat. Bij gevolg schitteren zij ook niet voor het aangezicht van God. Het ongelukkig zijn met hun zeer naargeestige leefwijze is allerwegen aanwezig waarheen zij ook gaan met hun voedsel dat doodt.
Wat betekent dat?

Het gaat klaarblijkelijk over het feit dat wat zij proeven en eten, slecht is. In hun doen en laten kennen zij dan ook niet de weg die in de hitte van de zon omhoog voert. De zoetheid van God proeven zij niet in eer en geweten, omdat zij de vreze des Heren verworpen hebben als de vrees voor een vreemde. Hem willen zij immers niet zien en aanschouwen.

14. De wijze waarop de duivel met vurige overredingskracht de verschillende soorten mensen, geestelijke zowel als wereldlijke, met een veelvoud van bekoringen aanvalt.

Vandaar, dat je ziet, dat die vlam zich tegen mensen keert die hemelwaarts willen gaan.

Want zodra die aller-perverste brand bespeurt dat de geest van gelovige mensen zich omhoog richt, gaat die met al zijn mogelijkheden op de vreselijkste manier tegen hen te keer in een poging om te voorkomen dat deze mensen de hemelse dingen bereiken die zij met zoveel verzuchtingen nastreven.

15. Er zijn drie groepen die hemelwaarts gaan.

Onder hen zie je drie groepen.
Ofschoon zij in hun strijd sterk vermoeid raken, houden zij toch niet op om de ware en onuitsprekelijke Drie-eenheid te vereren.

De eerste groep bevindt zich dicht bij de wolken. Zij vechten heel sterk tegen de duivel, en richten hun aardse bezigheden zo sterk op het hemelse als een wolk die normaal voortdrijft boven de aarde.

Een tweede groep bevindt zich tussen de wolken en de aarde. Deze mensen stellen zich tevreden met een zekere middelmatigheid. Zij leggen zich niet van ganser harte toe op de hemelse zaken en haken ook niet volledig naar de aardse. Zij leggen zichzelf een beperking op. Zij zoeken weliswaar de innerlijke waarden, maar zweren de wereldse niet geheel en al af.

De derde groep zwerft dicht bij de aarde rond. Deze mensen verlangen niet van ganser harte naar wat vergankelijk is, maar haken toch enigermate naar dat vergankelijke. Dat heeft tot gevolg dat zij zich hiermee zeer vermoeien en daar grote vermoeidheid van ondervinden, maar met de hulp van boven blijven zij overeind.

Allen roepen herhaaldelijk: “Wij gaan op naar de hemel!” Met veel verzuchtingen van hun verlangen sporen zij elkaar aan om te streven naar de dingen die horen bij de opperste geheimenissen, ofschoon zij door de smoesjes van het oude serpent zeer vaak in hun goede streven vermoeid raken.

Maar de vlam slingert hen heen en weer. Zij worden immers door de aanblazing van de duivelse bekoring naar een afwijkende leefwijze gelokt. Meerderen komen niet ten val, want zij zijn zeer sterke strijders en verdedigen zich manmoedig tegen zijn verleidingen.

Maar anderen blijven maar nauwelijks op de been. Zij slaan weliswaar de weg van het juiste gedrag in, maar door alle moeite raken zij vermoeid en slagen er maar nauwelijks in om de duivelse smoesjes te overwinnen en te volharden in het volgen van Gods geboden.

Weer anderen vallen terug op de aarde, maar komen dan toch weer overeind en zetten hun tocht naar de hemel voort. Voorover gevallen in verscheidene ondeugden, maar vervolgens met boetedoening weer overeind gekomen, zetten zij met inzet van goede werken hun hoop op God.

16. De bekoring van wereldse mensen.

Maar de vlam die zich tussen de wereldse mensen mengde, verschroeide sommigen van hen en verkoolde hen op vreselijke wijze gitzwart.

Dat betekent dat het vuur van de ergste misleiding diegenen benadert die vastzitten aan wereldse aangelegenheden. Dat vuur onderwerpt sommigen van hen aan zijn ondeugd en besmet hen met de ergste ondeugden van zijn duistere ongerechtigheid. Dat is zo erg dat zij het licht van het ware geloof verachten en zichzelf een bittere dood bezorgen en op aarde neervallen. In hun daden verrichten zij de meest afschuwelijke dingen.

De vlam doorboorde weer anderen dusdanig met haar spies of tong dat zij hen buigen kon waarheen zij maar wilde.

Met haar ondeugd heeft zij hen zo in haar macht, dat zij hen ombuigt naar de totale ondeungd van haar verwording. Zij fluistert hen de wereldse zoetheid in van het aanvaarden van de brandende hartstocht. Dat gaat zover dat zij er verschillende gewoontes op na houden in een veelvoud van manier van leven zoals in woordgebruik, in haardracht, in kleding, in wijze van lopen en in meer van dergelijke zaken. Zo worden zij verwrongen personen. Zij slaan geen acht op de rechtgeaardheid van God , en overtreden de wet. Zij leggen geen beperkingen op aan hun gedachten. Zij zoeken de overvloedige voldoening van hun hartstocht. Zij houden zich niet aan dag noch uur zoals hun die door God is opgelegd. Maar zoals de zee door de wind onrustig wordt opgezweept, zo worden ook zij door het blazen van de draak bewogen om toe te geven aan allerlei ondeugden.

Toch wisten sommigen van hen zich aan de vlam te ontrukken, en bij het naderen van hen die hemelwaarts gingen, smeekten zij hen herhaaldelijk met luid geroep: “O, gelovigen en getrouwen, komt ons te hulp!”
Want door zich los te rukken uit een smadelijke en schadelijke gewoonte, en hen te volgen die hun gedachten gericht houden op het hemelse goed, verlangen zij met hart en met woorden dat zij hen vanuit hun zorgzaamheid te hulp komen. Maar sommigen blijven zo erg naar het kwade toegekeerd dat zij, verstrikt in de ondeugd, volharden in het kwaad.

17. Zes mogelijke verleidingen voor geestelijke mensen.

Maar de vlam die zich onder de geestelijke mensen mengde, bedekt hen met een dichte mist.
Dat betekent dat de overredingskracht van de duivelse aanblazing zijn vurige verleiding laat uitgaan naar de mensen die met heel hun inzet de Geest zouden moeten dienen. Met de slechtheid van zijn ondeugden benevelt hij hen, zodat zij meer naar het vlees dan naar de Geest hunkeren.

Dat is op zes verschillende manieren waarneembaar.
De oude vijand probeert zowel hun vijf uiterlijke zintuigen als ook de innerlijke vroomheid van hun hart te verdraaien.
Sommigen van hen verwondt de vlam .

Die vlam brengt sommigen letsel toe. De duivel blaast hen met zijn trucjes vleselijke begeerten en lusten toe en ontsteekt in hen wellust en velerlei vormen van onreine bezoedeling

Maar naar degenen die het vuur niet kan deren, blaast de vlam heftig dodelijk gif toe, groen gif of wit of rood of paars, afkomstig van de slang die er van top tot teen vol mee zit.
Hoe gebeurt dit?
Als zij de wellustige bezoedeling weigeren, stort hij over hen de droefheid van de wereld uit als was het uitschietende groene wasdom. Zij worden daardoor zo terneer gedrukt dat zij noch tot geestelijke noch tot wereldlijke zaken in staat zijn.
Ofwel hij geeft hun onverschilligheid in ten aanzien van ondeugden alsof die een neutrale, blanke onverschilligheid zijn, zodat zij noch voor God noch voor de mensen hun schandalige instelling verbergen.
Ofwel hij stuurt gedachten van aardse glorie op hen af als was het een fonkelend rood object. Zij houden er een bitter en angstig hart aan over.
Ofwel gaat het om kwaadsprekerij ten aanzien van hun naasten als was dat een flauwgeel kleurig kleinnood, zodat zij tot mensen van achterklap en dubbele tong worden.
Ofwel legt hij hun heimelijk een schijnheilige rechtvaardigheid op als een vreselijk zwarte aangelegenheid waardoor zij op erbarmelijke wijze in donkerheid verkeren.
Het zijn allemaal dodelijke vormen van pest vanaf het bedrog van de bedrieger tot op het laatst als zijn bedrog, waarmee hij zijn schadelijke en hitsige gloed van ondeugden de mens infecteert, op deze aardbol een einde zal nemen.

18. De ongedoopten.

Maar de vlam die in de richting van de afgrond gaat, draagt verschillende straffen met zich mee voor degenen die – niet gewassen door de het water van het doopsel – geen kennis hebben van het licht van het ware geloof, en die de Satan als God vereren.

Dat betekent, dat de brand die verband houdt met het verderf, felle en bittere kwellingen bezorgt aan de zielen die niet in het bad van het heil gezuiverd zijn. Zij kennen de heldere gloed van de hemelse erfenis niet en zien ook niet het geloof van de kerkelijke instellingen. Zij houden niet op om hem te vereren die vanuit een hinderlaag de zielen van de mensen de dood in wil jagen. Zij willen hem niet verruilen voor Hem die heil en leven schenkt aan de mensen.

19. De betekenis van de pijlen uit zijn muil, de rook uit zijn borst en het vocht uit zijn lendenen.

Uit zijn muil zie je zeer scherpe pijlen wegschieten.
Dat zijn de ergste en afschuwelijk stinkendste wonden die uit de duivelse razernij te voorschijn komen en als een razende storm van ongerechtigheid rondgaan.

Uit zijn borst kwalmt zwarte rook.
Dat duidt op zijn snode probeersels en op de kwaadwillige uitstoot van zijn woede en nijd.

Uit zijn lendenen borrelt gloeiend vocht.

Dat verwijst naar de meest onreine uitstoot van zijn eigen kokende wellust.

20. De betekenis van de draaikolk in zijn navel en de onreine kikkerdril in zijn buik.

Uit zijn navel wervelde gloeiend hete wind.
Dat duidt op de wurging van de aller heetste ontucht die hij in zijn vraatzucht uitoefent op zijn onderdanen.

En uit zijn achterste welde viezigheid alsof het kikkerdril was.
Dat duidt op de stinkende ontlasting, ontstaan door het bederf van zijn smerige vraatzucht, toen die oude verleider zijn volgelingen in de verstoktheid van de wanhoop verleidde om totaal zijn wil te doen.

Dat alles veroorzaakte hevige onrust bij de mensen.
Dat komt omdat die smerigheden de grootst mogelijke ellende van onvrijheid opleggen aan de mensen die hun hoop niet stellen op hemelse maar op wereldse zaken.

21. De duivel stookt met zijn kwalijk ongeloof de mensen op om voor wáár aan te nemen wat hij hun valselijk voorhoudt.

Ook van hemzelf gaat een afschuwelijke lucht uit met een geweldige stank. Met al die ongerechtigheid besmeurt hij veel mensen.
Dat betekent dat van de duivel de aller-zwartste dwaling van een stinkend geweten voortkomt. Bij de mensen veroorzaakt dat grote onrust door hun kwalijk ongeloof.
Hoe dan?
Sinds de onthoofding van Johannes de Doper is uit dat feit de zeer kwalijke dwaling ontstaan dat de Zoon van God de genezing is van elk zondig gewond zijn. De duivel misleidt veel mensen met verschillende denkbeelden. Zij denken dat het wáár is wat hij hun, volgens hun opvatting, bewijst, maar het is vals. Op deze wijze worden velen van hen misleid omdat hun geloof altijd in zwakheid wankelt.

Maar u, mijn kinderen, als jullie oprecht en vroom wilt leven, vlucht dan weg van deze zeer kwalijke dwaling, opdat de bitterste dood jullie niet te pakken krijgt in ongeloof.

22. Ketters die de duivel als God vereren, moeten gemeden worden en uit de Kerk gebannen. Zij zijn de ingewanden van de duivel en de ontspruitende twijg van de zoon van het verderf.

Vlucht ook weg van hen die in holen wonen. Het zijn de soldaten van de duivel! Wee hen!
Wee hen die op deze wijze volhard hebben. Zij vormen de ingewanden van de duivel en de ontluikende loot van de zoon van het erderf.

Daarom, mijn geliefde kinderen, gaat hen uit de weg met heel uw toewijding en met alle krachten van uw ziel en lichaam. Want het oude serpent heeft hen met zijn trucs in bedwang en omgordt hen daarmee. Zij veren hem als God, en geloven in hem door zijn valse misleiding. Zij zijn de allereslechtste moordenaars omdat zij hen die hem domweg volgen, vermoorden voordat zij hen toestaan hun fout te herzien. In zichzelf zijn zij ook de allerschandelijkste ontuchtplegers die hun zaad op moorddadige wijze doden en aan de duivel opdragen. Zo dringen zij ook vol van hun ondeugden als scheurmakers mijn Kerk binnen. Zij doen dat door het doopsel en het sacrament van het Lichaam en het Bloed van mijn Zoon, en ook de andere instellingen die mijn Kerk rijk is, met hun smerig gedoe boosaardig belachelijk te maken. En ofschoon zij uit vrees voor mijn volk deze instellingen van Mij niet openlijk bestrijden, houden zij die in hun hart in feite voor belachelijk. Want met duivels bedrog doen zij alsof zij de heiligheid in pacht hebben. Daarin worden zij zelf door de duivel bedrogen. Want als de duivel zich openlijk aan hen te kennen zou geven, zou hij door hen erkend worden, en zouden zij afstand van hem nemen. Daarom laat hij hun arglistig deze dingen als goed en heilig voorkomen. Zo bedriegt hij hen. Wee degenen die in deze dood volharden.

Maar omdat de duivel weet dat hij voor zijn bedrog maar weinig tijd heeft, maakt hij nu haast om de ontrouw bij zijn aanhangers te voltooien. Het gaat over jullie, perverse bedriegers, die u inspant om het katholieke geloof omver te werpen. Jullie, wankelmoedigen, bent te slap om de giftige pijlen van menselijke bevlekking af te weren. Tegen alle wetten in brengen jullie die naar believen in praktijk. Vervolgens, als jullie je hartstocht met uitstorting van het giftig zaad van jullie wellust hebt botgevierd, dan bidden jullie schijnheilig en nemen jullie een valse houding van heiligheid aan. Maar dat is Mij niet waardig vanwege zijn afschuwelijke stank.

Het is een feit dat het schisma is ontstaan toen het joodse volk met duivelse bespotting op de Horeb een begin maakte met verachting van God door het maken van een afgodsbeeld (cfr.Ex.32), zoals ook nu nog sommige mensen eigenzinnig de spot met Hem drijven. En vervolgens is er het schisma van ontuchtplegers in Midjan toen daar schandalige dingen gebeurd zijn. En zo zijn er nog meer van dergelijke dingen die op u vallen omdat u met uw eigen slechtheid deel hebt aan al die zaken. U bent zelfs slechter dan die oude volken omdat u, ofschoon u de Wet van God onder ogen hebt, die hardnekkig verwerpt. Maar u die naar uw heil verlangt en waarvoor u het doopsel hebt ontvangen en een gezalfde berg van God bent geworden, verzet u tegen satan en wil niet naar beneden komen van de berg van uw heil.

23. De genade van God wijkt van hen die zijn hulp verachten, maar God komt degenen die Hem zoeken genadig te hulp.

Maar de duivel houdt niet op om zijn hinderlagen te leggen tegen de mens die zozeer verhard is dat hij de hulp van God om aan de duivel weerstand te bieden, in de wind slaat. Hij neemt bij die mens waar hoe zwarte ongerechtigheid in hem omhoog komt. Heel het lichaam van die mens wordt met zulk een bitterheid vervuld, dat ook zijn lichaam verzwakt en uitteert.
Wanneer een mens het kwade begint te herkauwen en zichzelf dermate in wanhoop begint te storten, alsof het voor hem onmogelijk zou zijn om het kwade te vermijden en het goede te doen, dan zal de duivel, als hij dit ziet, zeggen: “Zie de mens, hij is aan ons gelijk. Hij ontkent God en wendt zich naar ons toe en volgt ons. Laten wij ons dus haasten en naar hem toe snellen, zodat wij hem met onze listen in toom houden, en hij ons niet kan ontsnappen. Hij wil immers God loslaten en ons volgen”.

Een mens wordt door duivelse influisteringen bestookt, zodat hij besmeurd raakt met moorden, overspel, vraatzucht, dronkenschap en een overmaat aan alle ondeugden. Als hij daarin zonder berouw volhardt, komt hij in de dood terecht. Maar als hij zich tegen de duivel teweer stelt en zich door boetedoening aan zijn ondeugden onttrekt, zal hij opnieuw tot leven komen.
Want ten aanzien van de mens die de begeerten van zijn vlees gevolgd is en het goede verlangen van zijn geest veronachtzaamd heeft, zal de Maker van de wereld zeggen: “Deze mens veracht Mij en hij houdt op zondige wijze van zijn lichaam. Hij wil niet weten dat hij zich van het verderf af moet wenden. Daarom moet hij verworpen worden”. Maar over wie de goede gloed van zijn geest op prijs gesteld heeft en de begeerte van zijn vlees heeft afgezworen, zegt de Schepper van de wereld: “Deze mens kijkt naar Mij op en voedt zijn lichaam niet met drek. Hij wenst te weten wat hij moet doen om zich van de dood verre te houden. Dus wordt hem hulp geboden. Hoe dan wel? Zoals Salomon dat overeenkomstig mijn wil formuleert….

24. Woorden van Salomon hierover (Spreuken 13,21).

Rampspoed achtervolgt de zondaars, maar de rechtvaardigen worden met geluk beloond.
Wat betekent dit?
Strompelend en in puin vallend duiken overal dood-brengende ziektes op terwijl men niet attent is om daarin de waarheid te vinden, maar alleen iets dat zij achteloos weggooien. Omdat zij niet waard zijn om God te aanschouwen, en geen enkel geluk in God noch in mensen vinden, en omdat zij God verachten en de duivel vereren, daarom zit hun alles tegen en brengt wat zij doen alleen maar tegenspoed.
Maar bij de goede mensen bewerkt het een oprechte gezindheid en een juiste denkwijze naar omhoog (in de richting van God), zodat zij in hun schoot de erfenis van de Vader ontvangen. Hun staat het verheven licht te wachten. Zij laten zich niet begoochelen door de prullen van de markt zoals die hier en daar te koop zijn, maar zij bezitten wat voor God van waarachtige waarde is.

25. Ware vereerders van God die met heel hun inzet de aardse zaken met voeten treden, verpletteren de oude slang uit alle macht.

Maar je ziet…toen kwam daar een grote menigte mensen aan die schitterde door een zeer heldere klaarheid. Daarmee werd de slang volledig en stevig vertrapt. Dat wijst er op dat er een getrouwe schare van gelovigen bestaat, die, ofschoon in menselijke miserie voortgebracht, voortschrijdt naar de hemelse begeerlijkheden, in het geloof van het doopsel en mooi gesierd met de pracht van de zalige deugden. Dat doen zij door met hun daden de oude verleider op de krachtigste wijze te vertrappen en te verwerpen, en met zeer harde foltering te vernietigen. Zij zijn maagden, martelaren en alle overige dergelijke vereerders van God die met volle overgave de aardse dingen vertrappen en naar de hemelse verlangen. Dat gebeurt zo krachtig dat de slang geen enkele schade meer kan toebrengen, niet met zijn vlammen en ook niet met zijn gif. Want zij zijn zo sterk en stevig in God gewapend, dat zij noch door open vuur, noch door verborgen verleidingen van de duivel besmet kunnen raken. Door de grote kracht van hun deugden laten zij ijdele nietswaardigheden achter zich, en door rechtgeaard te leven streven zij de heiligheid na.

Maar wie met open ogen toekijkt en met open oren toehoort, zal deze mystieke woorden van Mij met een kus begroeten. Zij komen uit Mij, de Levende, voort.

Amen

DEEL III

SCIVIAS, DEEL III
Sc.3.1

HOOFDSTUKKEN VAN HET EERSTE VISIOEN VAN HET DERDE DEEL

1. De harten van de gelovigen moeten de grootte, de breedte en de hoogte van de vreze des Heren in acht nemen en eerbiedigen.
2. Elke gelovige ziel die wijselijk God eert, is door haar geloof een zetel van God.
3. De diepte van Gods mysteries is voor de mensen onpeilbaar tenzij en in zoverre die door het geloof gegeven en ontvangen wordt.
4. In de Wijsheid van God de Vader is rekening gehouden met de vervolmaking van de uitverkorenen door de liefde van zijn Zoon.
5. Een voorbeeld hierover in het evangelie.
6.Wat leem van leem op de borst mag betekenen en waarom de mens niet door een engel geminacht mag worden.
7.Woorden van Jesaja hierover.
8. Woorden van David.
9.God de Vader verricht, ordent en voltooit al zijn werken in de Zoon die mens is geworden uit de dageraad van een Maagd.
10. De ronddraaiende cirkel.
11. De macht van God is groter dan de mens kan bevroeden. Waarom loven de engelen God?
12. God is waarachtig door zijn open gerechtigheid, en rechtvaardig zonder mankeren.
13. De kracht, de gerechtigheid en het oordeel van God kennen geen grenzen: onbegrijpelijk voor het mensenverstand.
14. De val van de eerste engel en zij die het met hem eens waren. Waarom en hoe en waardoor zij ten val zijn gekomen.
15. Woorden van Ezechiël hierover.
16. De glorie van de schittering die de duivel verloor door zijn trots, is in het geheim van de Vader behouden gebleven ten bate van een ander geschapen licht.
17. De duivel is gevallen zonder erfgenaam, de mens mét een erfgenaam.
18. Het voorbeeld van Goliath en David aangaande deze aangelegenheid.

HET EERSTE VISIOEN VAN HET DERDE DEEL.

Ik, een mens, afkomstig van andere mensen, ben niet waardig om mens genoemd te worden vanwege een overtreding van Gods wet, en dat terwijl ik rechtschapen had moeten zijn, maar ik ben onrechtschapen. Dankzij zijn genade ben ik Gods schepsel en zal Hij mij ook redden.

Ik keek naar het Oosten. En zie, daar zag ik iets als een steen uit één stuk, gaaf en van een geweldige omvang en hoogte. Hij was ijzerkleurig. Er rustte een lichtende wolk op. En daarop stond een ronde koningstroon met daarop Iemand die heel helder was door een wonderlijk en glorievol licht. Dat was zó intens dat ik hem op generlei wijze duidelijk kon waarnemen. Op zijn borst bevond zich zwarte en modderige slijk zo breed als de borst van een grote man is, maar wel omgeven met kostbare stenen en parels. En van die lichtende en op een troon zittende figuur ging een grote goudkleurige lichtkrans uit als de dageraad. De omvang daarvan heb ik nooit kunnen waarnemen. Hij draaide van het Oosten naar het Noorden, naar het Westen en het Zuiden en vandaar weer naar het Oosten naar het licht zelf, en dat zonder ophouden. Die lichtkrans was vanaf de aarde zo hoog dat ik hem niet zou kunnen inschatten. Hij straalde een verschrikkelijk helder licht uit met de kleur van steen, staal en vuur. In zijn volle omvang straalde hij omhoog tot in de hemel en terug tot in de diepe afgrond, zodat ik zijn begrenzing niet kon waarnemen.

Vervolgens zag ik met intense schittering en pracht een grote ster uitgaan van het geheimnisvolle wezen van Degene die op een troon was gezeten. Samen met die ster zag ik een zeer groot aantal fonkelende vonken weg spatten die met de genoemde ster samensmolten. Zij keken uit naar het Zuiden waar ze iemand op een troon zagen zitten als een vreemde. Zij wenden zich van hem af . Zij hunkerden meer naar het Noorden dan op te willen kijken naar Hem. Maar direct al, terwijl zij zich afwendden, werden ze uitgedoofd en werden zij zo zwart als houtskool.

Toen stak er van hen uit een wervelwind op die hen terstond van uit het Zuiden terug joeg achter de troon van Hem die op de troon is gezeten. Hij stortte hen hals over kop naar het Noorden toe in de afgrond zodat ik niemand van hen meer kon waarnemen. Maar de grote schittering die hun werd ontnomen, zag ik onmiddellijk bij het uitdoven terugkeren naar Degene die op de troon is gezeten.

En Degene die op de troon was gezeten, hoorde ik tot mij zeggen: “Schrijf de dingen op die je ziet en hoort”. En vanuit het innerlijk begrijpen van het visioen, antwoordde ik: “Ik vraag U, mijn Heer, om mij begrip te geven, zodat ik deze mystieke zaken verhalend tot uitdrukking kan brengen. Laat mij niet alleen, maar bevestig mij (cfr.Jes.14,9 en 11,19) in het opkomen van uw rechtgeaardheid waarin uw Zoon aan het licht is getreden. Geef mij in hoe ik naar vermogen en overeenkomstig uw bedoeling uw goddelijk raadsbesluit onder woorden kan brengen; hoe U gewild hebt dat uw Zoon mens zou worden, een mens in de tijd. In alle eenvoud hebt U dat al gewild nog vóór de schepping en in het vuur van de duif, oftewel van de Heilige Geest, zodat die Zoon van U wonderbaarlijk als een schitterende zon zou opgaan in de gedachte van een maagd, en daar bekleed zou worden met een ware menselijke gestalte terwille van de mens”.

En opnieuw hoorde ik Hem tot mij zeggen: “O, hoe mooi zijn jouw ogen in het verhaal van God, want daar gloort de dageraad overeenkomstig Gods raadsbesluit”. En opnieuw antwoordde ik, verlicht door wat ik begreep van het innerlijk inzicht van dat visioen: “In het binnenste van mijn ziel kom ik mij voor als as van as van rommel en als opwaaiend stof, waarin ik bevend neerzit als een veertje in de schaduw. Vernietig en verwijder mij toch niet van de aarde van de levenden, want in dit visioen werk ik mij in het zweet . Doe het ook niet omdat ik nietswaardig ben in mijn geest die vastzit aan mijn lichamelijkheid. Voortdurend reken ik mijzelf tot iemand die op de laatste en minste plaats komt, zodat ik niet waard ben om mens genoemd te worden. Want ik ben een bangerik en durf uw mysteries niet uit te spreken. O goede en zachtmoedige Vader, leer mij inzien wat U wilt dat ik zou moeten zeggen. O Vader, die gevreesd moet worden, en zoetste en vol van genade, laat me niet in de steek, maar behoed mij in uw barmhartigheid”.

En opnieuw hoorde ik dezelfde stem die tot mij sprak: “Nu moet je spreken en wijs zijn. Ik wil dat je spreekt ofschoon je maar as bent. Spreek over het openbaar maken van het brood dat de Zoon van God is, leven uit vurige liefde. Iedere dode zal Hij doen opstaan naar ziel en lichaam. Hij zal hem doen opstaan naar ziel en lichaam en na kwijtschelding van de zonden hem tot rust brengen in heldere klaarheid. Hij is degene die zelf in de mens het begin en het einde is van de opwekking tot heiligheid, nog voordat die in hem wordt opgewekt. Daaruit blijkt hoe groot de middelaar is die de grootmoedige, glorierijke en onbegrijpelijke God als werktuig gegeven heeft, toen Hij zijn Zoon zond in de kuisheid van een maagdelijk wezen dat geen enkele vorm van smet in haar maagdelijkheid kon hebben, waardoor zij minder waard zou zijn geweest. Er kon en er moest geen sprake zijn van enigerlei vleselijke smet in het denken van de Maagd, want de moorddadige en dodelijke dood van het mensengeslacht is zonder het te weten en als in de slaap misleid geworden toen de Zoon van God in grote stilte gekomen is in de dageraad, dat wil zeggen in een nederig meisje. De dood is voortgegaan zeker van zichzelf, niet bewust van het leven dat deze lieve Maagd bij zich droeg, want haar maagdelijkheid was voor hem verborgen. De Maagd zelf verkeerde in armoedige omstandigheden, omdat de goddelijke Majesteit haar zo wilde aantreffen.
Schrijf dan nu aldus over de ware erkenning van de Schepper in zijn goedheid.

1. De harten van de gelovigen moeten de grootte, de breedte en de hoogte van de vreze des Heren in acht nemen en eerbiedigen.

God moet door elk van zijn schepsels met de hoogste eer en vreze vereerd en gevreesd worden. Hij heeft alles geschapen voor de glorie waartoe Hij de mens bestemd heeft en waarvan Hij de afvallige engel met zijn volgelingen heeft uitgesloten. Het is immers terecht dat de Schepper van alles geëerd wordt door zijn schepsel, en dat God heel getrouw boven alles wordt aanbeden. Ongetwijfeld is dat het wat die steen die je ziet, te beduiden heeft. Want die steen is in het mysterie de grootte van de vreze des Heren, die altijd met de zuiverste intentie in de harten van de gelovigen moet opkomen en daar blijvend moet volharden.

Maar het feit dat je hem helemaal gaaf ziet en met zijn geweldige omvang en hoogte en in de kleur van ijzer, betekent dat de stevige en omvangrijke grootte van de vreze des Heren zeer sterk bewaard moet blijven. Want God moet door ieder schepsel met volle inzet geëerd worden. Het schepsel moet erkennen dat God één en waarachtig is, en dat er niemand is dan Hij alleen, en dat niemand aan Hem gelijk is. De steen heeft een geweldige afmeting. Hij is niet te bevatten. Hij gaat allen en alles te boven. Ook in de hoogte. Want niemand is in staat diens heilige goddelijkheid te begrijpen of aan te raken met de reikwijdte van zijn zintuigen, want diens hoogte gaat alles te boven.

Maar het feit dat de steen ijzerkleurig lijkt, wijst er op dat het voor het menselijk begrip lastig en moeilijk is om God te vrezen. Dat is zelfs héél moeilijk voor de onstandvastigheid van korrelige as. Het menselijk schepsel is immers weerbarstig.

2. Elke gelovige ziel die wijselijk God eert, is door haar geloof een zetel van God.

De witte wolk boven de steen is de heldere wijsheid van de menselijke geest. En daarop stond een ronde koningstroon . Dat is het sterke en vorstelijke geloof dat in het christenvolk aanwezig is. Daar is God trouw mee verbonden. Want waar de vreze des Heren stevig geworteld is, daar zal ook de wijsheid van het menselijk verstand uitblinken. Vervolgens zal daar, met Gods hulp, ook het geloof aan toegevoegd worden. Daarin bereidt God voor zichzelf een rustplaats. Want als er vreze voor God is, dan zal Hij ook door de wijsheid van het menselijk verstand in geloof begrepen worden. Hij moet immers door die deugden benaderd worden, zoals een zetel zijn heer omsluit. Dan bereidt God ook in die deugden zijn zetel. Hij is de hoogste boven alles. Hij kan niet met begrippen van macht of overheersing begrepen worden..Alleen in het enige en pure geloof is Hij gezeten, want God is de enige en boven alles in wie men moet geloven.

3. De diepte van Gods mysteries is voor de mensen onpeilbaar tenzij en in zoverre die door het geloof gegeven en ontvangen wordt.

Op die troon is Iemand gezeten die heel helder is door een wonderlijk glorievol licht. Dat is zó intens dat ik Hem op generlei wijze duidelijk kan waarnemen. Op zijn borst bevindt zich zwarte en modderige slijk zo breed als de borst van een grote man is, maar wel omgeven met kostbare stenen en parels. Het gaat over de levende God die alles te boven gaat. Hij is stralend van goedheid en bewonderenswaardig in wat Hij doet. De geweldige helderheid die in de diepte van het mysterie gelegen is, kan geen mens volledig aanschouwen. Dat kan alleen in de mate waarin het gelovig begrepen en gedragen wordt, zoals een zetel zijn heer draagt en omvat.
Zoals de zetel onderdanig is aan zijn heer, zodat hij zich niet tegen hem kan verzetten, zo verlangt ook het geloof niet om trots naar God op te kijken, maar slechts om Hem met oprechte vroomheid aan te raken.

4. In de Wijsheid van God de Vader is rekening gehouden met de vervolmaking van de uitverkorenen door de liefde van zijn Zoon.

Op zijn borst dat betekent: in de wijsheid van zijn misterie bevindt zich uit liefde voor zijn Zoon, ziek, zwak en armzalig slijk. Dat is de mens. Dat slijk is zwart verwijzend naar de zwartheid van de zonden, en modderig vanwege de vleselijke bevlekking. Zo breed als de borst van een grote man is: dat verwijst naar de wijde omvang van de diepe en grote wijsheid waarmee God zelf de mens geschapen heeft. Daarbij ziet Hij om naar hen die door boetedoening op weg zijn naar de redding van hun ziel, ongeacht door welk zondig misdrijf zij zich voordien ook in hun zwakheid tegen God hebben verzet. Zij willen immers bij Hem komen.
Zij zijn omgeven met meerdere sieraden van mensen die temidden van hen verschijnen als kostbare stenen, grote persoonlijkheden zoals martelaren en maagden van heiligheid. Ook lijken zij op parels. Die duiden op de onschuldige en rouwmoedige kinderen van de verlossing.
De slijk is dus mooi omgeven met kostbare stenen en parels. Dat duidt op zoveel deugden die in de lijfelijke mens aanwezig zijn en in God in volle klaarheid schitteren. Want Hij die adem en leven aan de mens gegeven heeft, heeft daarbij naar zichzelf gekeken. Hoezo?

In zijn voorbestemming wist God vooruit dat zijn Zoon mens zou worden ten bate van de verlossing, en dat in diens lichaam de afwassing van alle vormen van misdadige bevlekking zou plaatsvinden. Daarom ziet God om naar de zielen die gerechtvaardigd zullen worden zolang zij nog in hun lichaam aanwezig zijn, ofschoon zij een overmaat aan zonden bedreven hebben, mits zij er maar een gewoonte van gemaakt hebben om na hun verschillende dwalingen opnieuw in de gerechtigheid van God te wandelen. Dit alles op voorwaarde dat zij in God blijven en verre blijven van grove vergeetachtigheid en dat zij op hun schreden terug keren van elke ondeugd waardoor zij dodelijk gewond geraakt zijn en in zonden terecht zijn gekomen. Zij zien hoe veel mensen opgestaan zijn uit dwalingen waarin zij vol wonden leefden met wonden van de ergste soort, hersteld uit de dood van stinkende misdaden.
Maar ook zullen er velen aantreden die in de bitterheid van het schrijnend leed van de zonde zo ernstig gewond zijn geraakt, dat zij zelfs in de gewoonte van hun slechte zeden zo weerzinwekkend geworden zijn, dat zij niet verder op adem kunnen komen in de golven om dodelijk werk te verrichten in echtbreuk, moord en overmaat aan alle vormen van slechtheid.

5. Een voorbeeld hierover in het evangelie.

O, ongelukkigen! Komen zij zelf niet als vreemdelingen terug uit een verafgelegen gebied zoals in het evangelie te lezen staat, waar de jongere zoon zegt Ik ga terug naar mijn vader. Ik zal hem zeggen: ‘Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u. Ik ben niet meer waard om uw zoon genoemd te worden. Behandel mij als een van uw dagloners’ (Lk.15,18-19)
Dat betekent.
De mens die na een val in de zonde, op aansporing van de Heilige Geest tot inkeer komt en zegt: “Ik wil opstaan uit die ondraaglijke gevolgen van de zonde. Ik kan die niet verdragen vanwege de grootte van mijn schuld. Ik zal terugkeren, wenend bij de herinnering in mijn gemoed en rouwend om mijn zonden. Zo zal ik tot mijn vader terugkeren. Hij is mijn Vader, want hij heeft mij geschapen. Ik zal hem zeggen: “Vader, ik heb tegen de hemel gezondigd!” Dat wil zeggen: Ik heb gezondigd tegen het hemels werk dat ik ben, tegen U die mij geschapen hebt overeenkomstig uw wil. U hebt mij bij die schepping zó aangeraakt dat ik ook hemels zou moeten zijn in mijn daden. Maar ik heb mij ingelaten met zeer slechte daden, zondigend tegen U, want ik heb mijn menselijke natuur in mij teniet gedaan
Hoe?

In vele afschuwelijke dingen. Daarom ben ik ook schuldig ten aanzien van mijn teloorgang en ten aanzien van uw grootheid. Ik ben niet waard om uw kind genoemd te worden, want in de nietswaardigheid van mijn hart ben ik op een andere manier met het schepselzijn omgegaan dan waartoe ik door U geschapen ben. Maar maak mij nu tot een slaaf die met het loon van het bloed van uw Zoon is vrijgekocht.

Hemzelf hebt U ons gegeven als zo’n hoge afkoopsom dat de dood die nooit meer ongedaan kan maken om welke prijs dan ook. Die afkoopsom vergeeft de zondaars door de boetedoening die uit het lijden van uw Zoon is voortgekomen. Het rechtmatig erfdeel van de kinderen heb ik in Adam verloren. Ofschoon als zoon geschapen in rechtvaardigheid, is hem de eer van het geluk ontzegd geworden. Maar nu moet boetedoening de wonden van de mensen genezen via het bloed van uw Zoon.

Dit moet gezegd worden aan hen die Adam volgen in zijn val en zich vervolgens in boetedoening bekeren. Dan komen zij tot heil. Zij herinneren zich dat zij veel dingen hebben gehoord die in de Schrift worden verteld. Ook over de kruisiging en het bloed dat door hun Verlosser is gestort. Zuchtend herinneren zij zich dat zij met hun gehoor gezondigd hebben tegen wat zij met toeleg hadden moeten volbrengen. Met name geldt dat het volbrengen van het woord van God, terwijl zij juist zijn Wet veronachtzaamden. Die was hun in een vastgestelde wet opgelegd om te onderhouden. Maar zij weigerden om te kijken naar wat gedaan moest worden, of juist niet gedaan moest worden vanwege de vreze des Heren.
Zij komen dan toch tot de waarheid en zien de dingen die zij ooit vernomen hebben of van God uit al wisten.
Terwijl zij eerst zozeer verblind waren dat zij niets van Gods gerechtigheid wilden weten,
werden zij nu enigermate bereid om aan die wijsheid de voorkeur te geven boven de zonden die dateren van toen zij die wijsheid nog verachtten en het woord van God verwierpen en bespuugden.

Velen van hen hebben overvloed aan aardse goederen, maar zij worden niet verzadigd en het is voor hen ook niet voldoende om in het huis van God de goddelijke eredienst te vieren en de gerechtigheid bovenmate te beoefenen. Daarom zijn zij altijd bedroefd bij de herinnering aan het smartvolle kwaad dat zij hebben aangericht in tegendraadse zaken. Toen hielden zij er ongeoorloofde praktijken op na en liepen zij aan de geoorloofde zaken van Gods Wet voorbij.

6.Wat leem van leem op de borst mag betekenen en waarom de mens niet door een engel geminacht mag worden.

Dat is de modderige slijk die je kunt zien op de borst van de liefdevolle Vader. Wat betekent dat?

Het volk treedt gelovig de Zoon van God tegemoet die van het hart van de Vader is uitgegaan en op de wereld is gekomen. Het volk hecht zich aan Hem met dezelfde bedoeling als waarmee ze in Hem geeloven. Zo komen zij beslist ook aan het hart van de liefdevolle Vader terecht opdat geen engel of welk ander schepsel dan ook de mens zou verachten. Want de Zoon van de allerhoogste God is mens geworden en draagt dus het menszijn in zich. Het heilige engelenkoor zou de mens voor onwaardig gehouden kunnen hebben vanwege de grote smerigheid van ondeugd in zijn zonden. Zelf zijn de verheven engelen onschendbaar ten aanzien van iedere tekortkoming in rechtschapenheid. Zij zien enkel heel gedegen het gelaat van de Vader. En waar de vader van houdt daar houden ook zij van samen met de Zoon.
Hoe dan?

De Zoon van God is immers mens geworden. Want Ik, de Vader, heb mijn Zoon, geboren uit een Maagd, aangesteld tot heil en herstel van de mens. Dat zegt ook Jesaja mijn dienaar (Is.40,11).

7.Woorden van Jesaja hierover.

Als een herder zal Hij zijn kudde weiden, in zijn armen brengt Hij zijn kudde samen. Hij draagt ze aan zijn borst, terwijl hij de ooien leidt.(Is.40,11).
Dat betekent: zoals een herder zijn kudde weidt, zo weidt mijn Zoon zijn verloste kudde als de goede herder .
Hoe doet Hij dat?

Hij weidt de kudde met de Wet die Hij namens Mij in werking heeft gesteld. Met de uitgestrekte macht van zijn arm – dat duidt er op dat mijn Zoon mens is – zal Hij de onschuldige lammeren bijeenbrengen uit de schuld van Adam via de onschuld van het doopsel. Daarin wordt de oude mens afgelegd met de werken die daarbij horen, en mijn Zoon zal hen op zijn schoot tillen via zijn deugden en zijn Wet.
Hoe zal dat gebeuren? Hij heft hen omhoog tot in de hoogste hemelen zodat zij zijn ledematen worden.

Daardoor blijkt de mens in het innerlijk geheim van God gestalte te krijgen. Geen enkel schepsel, zelfs geen engel kan dat, want mijn Eniggeboren Zoon heeft terwille van de verlossing van het mensengeslacht de gestalte van een mens aangenomen in maagdelijk vlees . Hij zal de mensen in wording dan ook in zijn hart dragen. Hoe dan wel?

Die Zoon van Mij draagt de mensen in zijn bloed. Zo zijn zij door zijn vijf wonden gered.
Welke zonden zij ook met hun vijf zintuigen bedreven hebben, zij zullen na boetedoening afgewassen worden door opperste gerechtigheid. Hij heeft hen immers op zich genomen door mens te worden, door met vijf wonden gewond te raken op het kruis, door te sterven, begraven te worden en uit de doden op te saan.
Hij heeft hen ook zijn hand toegestoken en hen weer naar zich toegehaald. Hoe dan? Doordat die Zoon van Mij mens geworden is voor hen die dachten dat zij verloren waren vanwege de val van Adam. Die Eniggeborene van Mij heeft ook de dood overwonnen, zodat die niet langer over hen kon heersen. Bij gevolg wist Hij ook, uit kracht van zijn helder inzicht, dat zij zouden komen via de zuiverende kracht van de boetedoening.

Hoe zie je hen dan in de schoot van de Vader terecht komen? Dat gebeurt doordat de Mensenzoon tot volmaaktheid komt in het geheimvolle bestaan van de Vader samen met zijn ledematen. Hoe dan? Wanneer de wereld voltooid wordt, worden ook de ledematen van Christus voltooid. O, hoe mooi is die Zoon, zoals de Psalmist het uitdrukt….

8. Woorden van David.

U bent de mooiste onder de mensen (Ps.45,3). Dat betekent: In Hem schittert de prachtigste schoonheid in zijn helderste gestalte zonder enige smet van zonde, zonder stinkend menselijk vocht, en zonder enige begeerte naar de daad die verricht wordt in begeerte naar zonde die eigen is aan het zwakke menselijk lichamelijk bestaan. Deze Mens is daar nooit mee besmet. Deze gedaante van de Mensenzoon is in alle eenvoud geboren ten bate van alle mensen. Dat is ook de reden waarom een ongeschonden Maagd haar Zoon zonder zonde heeft gebaard, omdat zij wist dat Zij een Zoon had buiten iedere last van het baren om. (Cfr. Gen3,16 Ik zal de lasten van je zwangerschap zeer zwaar maken, met pijn zul je kinderen baren.) Hoe dan wel? Omdat Zij geen enkel contact heeft gehad met een zondige bezigheid, heeft Zij ook geen smarten gekend bij het baren, maar bleef, diep in haar binnenste, blij haar lichamelijke ongereptheid bewaard. O, wat een luisterrijke gestalte!

Maar het mag de mensen bekend zijn dat die lichamelijke schoonheid niet groter kon zijn dan de gestalte van de mens die door de schikking van de diepe Wijsheid tot stand werd gebracht.
Want de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, één God in drie Personen, scheppen geen behagen in de schoonheid van het vlees, maar in de grote nederigheid. Vandaar dat de Zoon van God zich omkleed heeft met nederigheid.

Toch was er in de gestalte van de Mensenzoon geen enkel gebrek, zoals dat soms in de uiterlijke gestalte van een mens voorkomt overeenkomstig de beschikking van God. Zoals

bijvoorbeeld de ledematen van een mens soms mismaakt zijn, niet normaal, zoals bij zwakzinnigen. Dat is niet te wijten aan de natuurlijke vormgeving in het lichaam van een mens, maar dat heeft te maken met het raadsbesluit van God.
De krachtige natuur komt voort in een juiste ontwikkelingsgroei; de zieke natuur komt voort uit afwijkende vorming en mismaaktheid, maar daar kan deze mens, mijn kind, niets aan doen.

Maar hoe verschillend de mensen in hun ledematen ook zijn, of ze zwart zijn of lelijk, vol vlekken of melaats, lijdend aan waterzucht of vol zitten met afwijkingen of met kwaadaardige huiduitslag als gevolg van duivelse beïnvloeding, of zij onwijs zijn en hardleers om het goede van de Heer te zien, laakbaar en schuldig aan grove vergeetachtigheid om gerechtigheid te beoefenen, en het slechte doen en het goede nalaten, en bij dit alles het kruis en het lijden van de Heer verachten,…God de Vader kijkt naar de bedoeling van zijn maaksel van leem, zoals een vader omziet naar zijn kinderen als hij hen op zijn schoot tilt. En omdat Hij God is, heeft Hij ook de liefde van een vader voor zijn kinderen. Zo groot is immers de intense liefde van zijn hart voor de mensen dat Hij zijn Zoon naar het kruis gezonden heeft zoals een lam dat tam naar de slachtbank wordt geleid (Jer.11,19) om gedood te worden. Zijn grote liefde blijkt ook uit het feit dat de Zoon het verloren schaap op zijn schouders teruggebracht heeft. Daarmee heeft Hij de mensheid opgeraapt en in grote smarten gedragen, omdat Hij bereid is voor zijn schapen te sterven.

Temidden van die mensen bevinden zich ook velen die met eretekens omhangen zijn, die prachtige gewaden van deugden dragen, martelaren, maagden, onschuldige kinderen, mensen die boete doen, en mensen die aan hun leermeesters onderdanig zijn, zoals voorspeld is geworden. Ook zijn er mensen die zich bewust zijn van hun misstappen, zich pijnigend in een voortdurend gevecht, terwijl zij maar voortdurend blijven ontkennen wie of wat zij feitelijk zijn. Er hoeft niet gezegd te worden wie ze zijn of waartoe zij zijn uitverkoren, want allen tellen mee.

Wie is in staat om in de diepe wijsheid van de Allerhoogste te kijken en om in het onderscheidingsvermogen van zijn Wijsheid te schouwen of hij deel uitmaakt van het getal van de getelden? Zijn oordelen zijn ondoorgrondelijk voor alle mensen (Cfr.Rom.11,33). U moet toesnellen, want het Rijk van God is voor u in gereedheid gebracht. Want naar gelang de ijver waarmee gelovigen de gerechtigheid van God in praktijk brengen, die schoongewassen zijn in het doopsel en gekend zijn in het geloof, in die mate zal ook hun loon zijn.

9.God de Vader verricht, ordent en voltooit al zijn werken in de Zoon die mens is geworden uit de dageraad van een Maagd.

En zoals je ziet, gaat er van die lichtende en op een troon zittende figuur een grote goudkleurige lichtkrans uit als de dageraad. De omvang daarvan kun je nooit waarnemen. Dat duidt op het volgende.
Van de almachtige Vader gaat een zeer sterke kracht uit en een heel sterke daad. In zijn macht ligt alles vervat. Daarmee werkt Hij in zijn Zoon die Hij van altijd al bij zich heeft gehad in de heerlijkheid van zijn goddelijk wezen. Door Hem ordent en volbrengt Hij al zijn werken, die van vóór de wereld, en ook die vanaf het begin in de wereld aanwezig zijn. Dat begin kleurt rood als de dageraad met zijn prachtigste gloed. Dat verwijst naar de Zoon die in de zeer wijze Maagd, – die als dageraad wordt aangeduid -, mens geworden is door de kracht van de “vinger Gods” oftewel door de Heilige Geest. In Hem is elk werk van de Vader tot stand gekomen. De omvang van die gloriekrans kan door geen enkel verstand begrepen worden. Want God is onschatbaar en onbegrijpelijk in zijn macht, en onovertroffen en wonderbaar in zijn werken.
10. De ronddraaiende cirkel.

En die goudkleurige lichtkrans draaide van het Oosten naar het Noorden en vandaar naar het Westen en het Zuiden, naar Hem die op de troon is gezeten, en dat zonder einde.
Dit betekent dat de macht en het werken van God rondgaanen heel de schepping omvatten.
Hoe dan?

Door de wil van de Vader, die met de Zoon en de Heilige Geest één God is, zijn alle schepselen ontstaan. Zij allen speuren zijn macht.
Hoe dan?

Allen ervaren Hem in de schepping als draaiend vanuit het Oosten oftewel vanuit de oorsprong van alle gerechtigheid, en verder neigend naar het Noorden waar de duivelse verwarring heerst, en naar het Westen waar de donkere duisternissen van de dood het levenslicht willen doven. Maar het licht rijst weer op en overwint de dichte nevel van de duisternis. Dan doordraaiend naar het Zuiden waar de verschroeiende hitte van de gerechtigheid Gods in de harten van de gelovigen gloeit. En aldus terugkerend naar de oorsprong van de gerechtigheid dus als het ware naar het Oosten. Wat heeft dat te beduiden?

Wanneer op de door God vastgestelde tijd het werk van God door zijn hoogste macht vervuld is geworden bij de mensen op deze aarde, dan zal ook de cirkelgang van de wereld voltooid zijn op het einde van de wereld en op de jongste dag. In Degene die op de troon is gezeten zullen dan al zijn werken zonder ophouden schitteren in zijn uitverkorenen: Hij die was en is en in zijn godheid blijven zal zonder enige onderbreking van tijd, zodat Hij niet geweest is, maar is.

11.De macht van God is groter dan de mens kan bevroeden. Waarom loven de engelen God?

En wat betreft de lichtkrans die vanaf de aarde zo hoog is dat je hem niet kunt inschatten. Dat betekent dat de opperste macht van God voor het aanvoelen en het begrip van de mens zo hoog boven alle schepselen verheven is , en zo onbegrijpelijk in allen en boven alles uit, dat geen enkel schepsel die macht met enig zintuig kan om schrijven. Het enige dat gezegd kan worden, is dat zij al het weten te boven gaat. Vandaar dat de engelen God herhaaldelijk lof toezingen. Zij zien Hem immers in zijn macht en glorie, maar niet volkomen en ten einde toe. Ook kunnen zij nooit verzadigd worden door zijn grootheid en zijn schoonheid.

12.God is waarachtig door zijn open gerechtigheid, en rechtvaardig zonder mankeren.

Over Hij straalde een verschrikkelijk helder licht uit met kleuren van steen, staal en vuur het volgende. Dit duidt er op dat de goddelijke macht in grote gestrengheid goddelijke macht uitstraalt tegen de heimelijke, ongeduldige en ongestrafte vreselijke ongerechtigheid.
En als staal…. Dat duidt op het feit dat God scherpzinnige gerechtigheid beoefent. Die kent geen enkele ongerechtigheid als was zij loszittende korrels stof. Of zoals gezegd wordt: “Deze ongerechtigheid is terecht!” Dat kan God niet behagen. Hij is zelf de gerechtigheid die iedere andere gerechtigheid staalhard bevestigt ofschoon die toch veel fragieler is dan zijn eigen gerechtigheid. Het is als ijzer tegenover staal en zelfs als het vuur. Hij is zelf het oordelend vuur dat elke zonde in iedere ongerechtigheid verbrandt. Die ongerechtigheid heeft zich nooit willen plooien op zoek naar Gods barmhartigheid.
God is ook als een steen in een mens, want Hij is wáár en rechtgeaard zonder enige afwijking.
Want een steen kan niet week worden. Hij kent geen enkele verandering. Hij is als staal zoals helderziendheid die zonder mankeren alles van tijdelijke aard doorziet. Want Hij is God die boven alles staat. Hij is als vuur, Hij ontvlamt alles, steekt alles in brand en verlicht het zonder enige tijdelijke wisselvallige nieuwigheidjes. Hij is immers God.

13.De kracht, de gerechtigheid en het oordeel van God kennen geen grenzen: onbegrijpelijk voor het mensenverstand.

In zijn volle omvang straalde hij omhoog tot in de hemel en terug tot in de diepe afgrond, zodat ik zijn begrenzing niet kon waarnemen.
Dat betekent dat de kracht van de macht en de daadkracht van God en van zijn gerechtigheid evenals die van zijn aller-juiste oordeel eindeloos zijn en overal onbegrijpelijk zowel in de hoogte van de hemel alsook in de diepte van de afgrond. Geen mens kan dat begrijpen.

14.De val van de eerste engel en zij die het met hem eens waren. Waarom en hoe en waardoor zij ten val zijn gekomen.

Je ziet ook met intense schittering en pracht een grote ster uitgaan van het geheimnisvolle wezen van Degene die op een troon is gezeten. Samen met die ster zie je een zeer groot aantal fonkelende vonken weg spatten.
Dat wijst op het feit dat op bevel van de almachtige Vader, de engel Lucifer – thans de Satan – bij zijn ontstaan met grote glorie omkleed was en met stralende helderheid en pracht te voorschijn trad, en samen met hem alle fonkelende sterren van zijn stoet. Toen straalden zij in hun lichtende gloed, maar nu zijn zij gedoofd in het duister van dichte nevel.
Wie geneigd is tot het kwaad, ziet niet volledig naar Mij op. Vertrouwend op zichzelf dacht hij dat hij kon ondernemen wat hij maar wilde, en dat hij zou kunnen voltooien wat hij zou beginnen. Vandaar dat hij al wat hij verschuldigd was aan Degene die op de troon is gezeten omdat hij door Hem geschapen was, omgebogen heeft naar zichzelf toe. Daarmee boog hij af naar het kwaad.

Wat betreft de woorden: samen met die ster optrekkend naar het Zuiden zagen zij Iemand op een troon zetelen alsof het een vreemde was. Zij wendden zich van Hem af. Zij hunkerden meer naar het Noorden dan op te willen zien naar Hem. Dat betekent dat die Lucifer en iedere (engel) uit zijn gevolg wonderlijk geschapen is in de warme goedheid van God, maar nu dwars ligt. Uit trots veracht hij Hem die in de hemel regeert. Zij allen zijn ontstaan bij de schepping, maar van begin af aan hebben zij smaak gevonden in de goddeloosheid, die hun tot verderf geworden is. Zij zagen op naar God, maar niet om Hem in goedheid te willen erkennen, maar om zich boven Hem te willen verheffen als boven een vreemde. Met een flagrante zelfverheffing keerden zij zich van Hem af door Hem niet te erkennen. Zij neigden méér naar hun val, dan te verlangen naar het erkennen van God in zijn glorie.

Maar direct al, terwijl zij zich afwendden, doofden zij uit en werden zij zo zwart als houtskool.
Dat betekent dat, terwijl zij het trots beneden hun waardigheid achtten om God te erkennen, Lucifer zelf met heel zijn aanhang uitgeblust werden in hun slechtigheid. Weg was de heldere gloed van zijn glans waarmee hij door Gods macht was uitgedost. Daarmee deed hij afbreuk in zichzelf aan de innerlijke schoonheid waardoor hij zich bewust moest zijn van het goede. Hij haakte naar de goddeloosheid die hem verslond. Zo is hij uitgedoofd temidden van de eeuwige klaarheid, en is hij in het eeuwige verderf terecht gekomen. Vandaar dat zij allen zo zwart werden als houtskool. Want samen met de duivel, hun leider, werden zij uitgesloten van de lichtende krans van hun pracht. Zo liggen zij nu uitgeblust in het verderf van de duisternis zonder welke glorie van gelukzaligheid dan ook zoals steenkool zonder vuur in zijn gloeiende sintels.

Toen stak er van hen uit een wervelwind op die hen terstond van uit het Zuiden terug joeg achter de troon van Hem die op de troon is gezeten. Hij stortte hen hals over kop naar het Noorden toe in de afgrond zodat je er niemand meer van kunt zien.
Dat duidt op het feit dat er een zeer hevige opgeblazenheid van goddeloosheid in deze engelen van ongerechtigheid is opgekomen. Zij wilden boven God staan en Hem met hun trots aan zich onderwerpen. Maar in God ontstak een aller-bitterste boosheid ter vernietiging, en Hij heeft hen teruggeworpen weg van het Zuiden, dat is weg van het goede. Dat betekent dat God hen verworpen heeft in de vergetelheid van God die alles regeert, dus naar het Noorden. Waar zij zich trots wilden verheffen, daar zijn zij in verwarring ten val gekomen, en wegens hun hoogmoed in de afgrond van de eeuwige dood gestort. Dat is hun eeuwige verdoemenis. Daar zullen zij nooit meer het licht zien, zoals Ik door mijn dienaar Ezechiël heb gesproken in het zuidelijk bergwoud. Dat had een vurige vrucht van gerechtigheid moeten voortbrengen, maar dat niet heeft gedaan.

15. Woorden van Ezechiël hierover.

Ik steek u in brand, het vuur zal zowel het groene als het dorre hout verbranden. De laaiende vlam zal niet uitdoven: van noord tot zuid zullen alle gezichten er door verschroeid worden.
En al het vlees zal zien dat Ik, de Heer, het heb ontstoken. Het zal niet gedoofd worden.
(Vulgaat: Ez.20, 47-48; LXX: Ez. 21,3-4) En zo is het!

O jij stompzinnige! In je trots ben je tegen Mij in opstand gekomen, tegen Mij die geen begin of einde ken. Vanuit mijn naijver doe Ik in jou het vuur van mijn mijn naijver ontbranden. Daarmee zal Ik alle levenskracht in jou verbranden waarmee je een vals leven op touw hebt willen zetten, meer vertrouwend op jezelf dan op Mij. Want in je waanzin meende je te kunnen worden wat je in je trots had uitgedacht. Ik zal alle dorheid van de verworpelingen in jou doen branden omdat je bij de mens, die maar as is, de suggestie hebt gedaan dat de zonde iets goeds is. Jouw suggestie zal je geen enkel voordeel opleveren, maar zal in jou een eeuwig vuur zijn.
Voor jou zal er geen enkele beloning van heil zijn, en ook niet voor degenen die jouw voorbeeld volgen. En ook al zul je er om smeken, de ontstoken straf zal niet worden gedoofd. Zij zal als het ware je voortdenderende trots verbranden in het zicht van de verlangde eer, die je voor jezelf met zoveel hartstocht hebt willen bezitten. Je bent verworpen, weg van al je roem. Je bent opgestaan in het Zuidoosten, in het warme en zeer heldere licht, en je valt neer in de duisternis van het Noorden, dat is de hel.

Iedere mens zal die zien: de uitverkorenen want die zijn haar ontvlucht, alsook de verworpenen want die zullen er in gestraft worden. Allen weten dat Ik, de almachtige Heer, haar heb ontstoken om, al jouw slechte daden, jij duivel, te bestraffen. Zij zal niet gedoofd worden, noch voor jouw slechte daden noch voor die van je volgelingen.
En zo heeft de teloorgang van de duivelse trots de Satan en zijn engelen in de akelige en uiterste duisternis van eeuwige kwellingen gestort zonder enige troost van licht. Er is voor hem geen enkele plek binnen het eeuwige licht. En ook jij, zwakke mens, hebt niets meer van hen kunnen waarnemen. Gedreven door mijn Geest spreekt Ezechiël ook weer tot de koning van Tyrus met deze geheimnisvolle woorden:
Alle volken die jou kenden, staan verbijsterd. Je bent een schrikbeeld geworden; tot in eeuwigheid zul je niet meer zijn. (Ez.28,19)
Dat betekent: Alle rechtgeaarde mensen die jou, duivel, zullen zien, dronken als je bent over de ondeugden bij de volken die jou hebben omarmd in het schenden van Gods wet, zullen verdorren en verbijsterd zijn over jouw smerig lot. Verbijsterd zijn zij over het feit dat jij met jouw stoken de tempel in het bouwwerk van God dat toch de mens is, hebt bezoedeld. Daarom ook ben je door je hoogmoed een nul geworden. Je bent alle heilzame eer kwijt geraakt. Je bent immers volstrekt onbekwaam geworden voor welk geluk dan ook. In de eeuwigheid zul je geen enkele eer of roem meer hebben temidden van de hemelingen, want voor eeuwig en altijd ben je voor hen een eindeloze schande geworden.

16. De glorie van de schittering die de duivel verloor door zijn trots, is in het geheim van de Vader behouden gebleven ten bate van een ander geschapen licht.

Nu over: de grote schittering die hun werd ontnomen, zag ik onmiddellijk bij het uitdoven terugkeren naar Degene die op de troon is gezeten.

Dat duidt op het feit dat de heldere en grote gloed die de duivel vanwege zijn hoogmoed en koppigheid is kwijtgeraakt, naar de Vader is teruggekeerd en daar in zijn geheim werd bewaard. Vanwege zijn hoogmoed en koppigheid is de duivel die gloed kwijtgeraakt. Het zaad van de dood heeft toen zijn intrede gedaan in zijn bestaan en dat van zijn volgelingen. Lucifer was van een helderder licht dan de overige engelen. De schitterende glorie van hem mocht niet verloren gaan. Daarom heeft God die bewaard voor een ander licht dat het méér waard zou zijn.

Want degene die God naakt heeft doen opstaan – bedoeld is de duivel met zijn trawanten- niet bedekt met vlees maar wel in prachtige schittering, diens schittering heeft Hij bewaard voor het leem waaruit Hij de mens gemaakt heeft. Hij maakt hem uit de meest platvloerse aarde, opdat hij zich niet zou verheffen tot gelijkheid met God. Want degene die Hij met veel prachtig licht geschapen had, en niet voorzien van zo’n zwakke en miserabele natuur als van de mens, heeft niet staande kunnen blijven in zijn verhevenheid, want er is maar één God zonder begin en zonder einde in alle eeuwigheid. Daarom is het het allerergste van alle misdrijven als men zich aan God gelijk stelt.

Nu echter heb Ik, God van de hemel, het luisterrijke licht dat bij de duivel is weggehaald vanwege zijn slechtheid en dat Ik zorgvuldig bij Mijzelf verborgen hield, aan de leem van de aarde gegeven dat Ik geboetseerd heb tot mijn Beeld en gelijkenis. Het is zoals een mens doet als zijn zoon sterft. Hij heeft dan geen nakomelingen meer om er zijn erfenis aan na te laten. Omdat hij geen erfrechtelijke kinderen meer heeft, haalt de Vader de erfenis weer naar zich toe, en houdt die in petto voor een andere zoon die nog geboren moet worden. Zodra die uit hem geboren zal worden, zal hij de erfenis aan hem geven.

17. De duivel is gevallen zonder erfgenaam, de mens mét een erfgenaam.

De duivel is gevallen zonder erfgenaam. Dat is een goede en terechte zaak, want hij heeft nooit iets goeds gedaan of geprobeerd. Daarom heeft iemand anders zijn erfenis ontvangen. Ook die kwam ten val, maar die had wél een erfgenaam namelijk het begin van gehoorzaamheid. Hij heeft die immers met toewijding op zich genomen, ofschoon hij de taak die daarbij hoorde, niet heeft volbracht. Maar Gods genade heeft dat wél gedaan door de menswording van de Redder van de volkeren tot herstel van die goede erfenis. Zo heeft de mens zijn erfenis via Christus teruggekregen, want vanaf het begin heeft Christus het gebod van God niet beneden zijn waardigheid geacht. De duivel daarentegen heeft absoluut niet verlangd om zijn Schepper te dienen door het volbrengen van wat goed is. Hij verkoos de eer van de trots. Daarom heeft hij geen eer ontvangen, maar ging hij ten onder in het verderf.

18. Het voorbeeld van Goliath en David aangaande deze aangelegenheid.

Zoals Goliath opstond om David te bespotten, zo is ook de duivel opgestaan in zelfoverschatting. Hij wilde gelijk zijn aan de Allerhoogste. En zoals Goliath, onbekend met de vaardigheden van David, hem zomaar hield voor een lichtgewicht, zo heeft de opgeblazen trots van de duivel de geringheid van het menszijn van Gods Zoon veracht. In de wereld geboren heeft de Zoon van God niet zijn eigen glorie gezocht, maar uit alle macht die van God.
Hoe dan?

De duivel heeft dit voorbeeld niet eens willen bekijken, want dan zou hij zich aan zijn Schepper onderwerpen, zoals de Zoon zich aan de Vader ondergeschikt gemaakt heeft. Maar David heeft Goliath zijn hoofd afgehakt door de geheime kracht van God, zoals, geïnspireerd door de Heilige Geest, werd opgeschreven:
David nam het hoofd van de Filistijn mee om het naar Jeruzalem te brengen; de wapens die hij hem had afgenomen, legde hij neer in zijn tent. (1Sam.17,54).Dat betekent: Mijn zeer krachtige Zoon heeft de wapenrusting en de buit van de duivel meegenomen toen Hij de kop van het oude serpent heeft afgehouwen.
Waar gebeurde dit?

Nog in de schoot van de Maagd die deze kop heeft verpletterd. Door wie? Door haar Zoon. Wat houdt die verplettering in? De heilige nederigheid, aanwezig in de Moeder en de Zoon, heeft direct al vanaf het eerste begin de trots verbrijzeld, dat wil zeggen de kop van de duivel. En zo heeft mijn Zoon in alle nederigheid in zijn lichamelijk bestaan die kop naar de Heilige Kerk gebracht waardoor deze zelf een visioen van vrede geworden is. Door zijn zeer grote nederigheid heeft Hij haar laten zien dat de hoogmoed van de duivel vernietigd is geworden. De sterkste wapens van de duivel zijn de verwerpelijke ondeugden waarmee hij het mensengeslacht heeft overrompeld. De mensen hebben hem als God geëerd. Hij heeft het volk met zijn ondeugden ten dode toe angst aangejaagd zoals wapens dat bij mensen doen. Die wapens zijn door mijn Zoon gebroken en Hij heeft ze opgeborgen in zijn tent, dat wil zeggen in het lijden van zijn lichaam toen Hij hing aan het kruis.

Daarom heeft Hij die strijd ook in zijn tenten opgeborgen, dat wil zeggen in de lichamen van zijn uitverkoren ledematen, opdat ook zij de wapens van de duivel met Hem zouden delen.
Hoe dan?
Zoals Hij in zijn lijden de duivel heeft overwonnen, zo zullen ook zij hem overwinnen door zich te beteugelen in hun verlangens en door het niet eens zijn met zijnverlangens. En zoals in deze gelijkenis de roem van Goliath aan David gegeven is, zo heb Ik de glorie , die van de eerste engel werd afgenomen, aan Adam en diens nageslacht gegeven dat zich bereid verklaart om mijn wetten na te komen, nadat de hoogmoed van de duivel de nek is omgedraaid.

Wie derhalve scherpe oren heeft aan zijn innerlijk inzicht zal met warme liefde naar deze woorden hunkeren, en ze in het geweten van zijn gemoed opschrijven.

SCIVIAS 3.2.

HOOFDSTUKKEN VAN HET TWEEDE VISIOEN VAN HET DERDE DEEL

1. Het geloof dat voorheen verborgen was, is in het mysterie van de menswording aan het daglicht getreden.
2. Het geloof staat in verband met de vreze des Heren, en deze weer met het geloof in de Heer.
3. In alle vier de windstreken van de wereld bouwen de gelovigen hun goede werken op dat geloof.
4. De vier hoekpijlers.
5. De mens moet behoedzaam voortschrijden, en wijselijk de hinderlagen van de duivel ontvluchten.
6. De betekenis van de vier hoeken van het bouwwerk.
7. Nog iets anders over de vier hoeken.
8. God de Vader geeft aan de mensen de mogelijkheden om sterk te staan en zich te verdedigen, om het goede te doen en er rekening mee te houden dat het vlees maar as is.
9. Over de beschouwende kennis.
10. Woorden van Paulus (Rom.11,5-6).
11.Woorden van Salomon (Eccl.15,17).
12.Keuze tussen twee zaken.
13. De goede voorschriften die bij Abraham en Mozes zijn opgekomen.
14.Het beschouwend denken is bij Noë opgekomen, maar het kwaad is onophoudelijk aanwezig geweest tot bij Abraham en Mozes.
15. Woorden van Paulus hierover (Rom.5,14).
16. De juiste levenswijze is bij Abraham en Mozes zichtbaar geworden.
Klare rechtschapenheid kwam aan het licht toen de Zoon van God mens werd.
Vurige daden van goedheid zullen tot het einde van de wereld in de Kerk mogelijk zijn door het doopsel.
17. Woorden van David hierover (Psalm 1,2)
18. De ledematen van Christus blijven onvolmaakt in zijn uitverkorenen en in zijn Kerk totdat zij in de toekomst de volmaaktheid zullen bereiken.
19. Hoe het getal “tien” afgezwakt is geworden door Adam. Maar in de Zoon van God is het herrezen tot het tienvoudige, en dit tienvoudige tot het duizendvoudige.
20. Woorden uit het Evangelie hierover.
21.De zonden van de mensen zijn in de vijf wonden van Christus vernietigd geworden.
22. Op inspiratie van de Heilige Geest maakt de mens met zijn vijf zintuigen onderscheid tussen het goede en het kwade.
23. In voor- en tegenspoed moet de mens zich met lichaam en ziel moeite geven om het kwade te mijden en het goede te doen.
24. Het menselijk brein heeft wijsheid en onderscheidingsvermogen nodig om God te kennen.
25. De mens die uit vier bestanddelen is samenghesteld, moet het katholieke geloof op gelijke wijze belijden.
26. Een gelovige mens dient van deugd tot deugd op te klimmen.
27. Op de door de Vader vastgestelde tijd is de Zoon van God in de wereld gezonden
om de wil van de Vader te volbrengen tot redding van de mens.
28. In het doen en laten van het schepsel kan geen mens de trots van het kwaad of het einde daarvan bevroeden; net zo min als het begin of het einde van het opperste gerecht, en al evenmin de gerechte beloning door Gods wil.

HET TWEEDE VISIOEN VAN HET DERDE DEEL.

Binnen de omtrek van een cirkel die uitging van Hem die op een troon was gezeten, zag ik vervolgens iets dat op een grote berg leek. Die leek met zijn voet te rusten op een geweldige steenrots. Op die rots bevond zich, met een wolk omhuld, de troon van Hem die er op zat. Het leek alsof die steenrots rechtop stond en dat de berg zich in de breedte uitstrekte. En op die berg stond een soort vierkantig gebouw. Het was gebouwd als een vierhoekige stad, een beetje scheef uitgevoerd. Eén hoek was naar het Oosten gekeerd, een andere naar het Westen, een derde naar het Noorden en de vierde naar het Zuiden. Dat gebouw was ommuurd met een twee-soortige muur. De ene was schitterend licht, zoals het daglicht, de andere was samengesteld uit een allegaartje van stenen. De muren sloten aaneen in de oostelijke en de noordelijke hoek. Het lichtende deel van de ommuring strekte zich uit van de oostelijke naar de noordelijke hoek. Dat gedeelte was helemaal gaaf en er zat nergens een onderbreking in. Het andere stenen gedeelte van de muur liep van de noordelijke hoek naar de westelijke en verder naar de zuidelijke, eindigend in de oostelijke hoek. Dit stenen gedeelte van de muur had twee onderbroken plekken en wel tussen de westelijke en de zuidelijke hoek. De lengte van dit bouwwerk bedroeg honderd el, de breedte vijftig el, de hoogte vijf el. Twee tegenover elkaar staande muren waren even lang, en de twee andere aan de vóór- en de achterzijde waren even breed. Maar de vier muren van het bouwwerk waren even hoog, behalve de gevechtstorens die er enigszins bovenuit staken.

De ruimte tussen het bolwerk en de schittering die uitging van voornoemde cirkel en die reikte tot in de diepe afgrond, was boven op de oostelijke hoek één handpalm groot. Maar elders, namelijk in het Noorden, het Westen en het Zuiden, was de breedte tussen het bouwwerk en die schitterende gloed zó groot dat ik er op geen enkele wijze een schatting van kon maken.
En Hij die op de troon was gezeten sprak tot mij die vol verbazing was over wat ik zag:….

1. Het geloof dat voorheen verborgen was, is in het mysterie van de menswording aan het daglicht getreden.

Het geloof dat bij de oude heiligen van bovenaf bewerkstelligd is geworden door de goedheid van de Vader, is als het ware maar bleekjes te voorschijn gekomen. Maar toen de Zoon van God mens geworden is, is het vurig en openlijk aan het daglicht getreden met vurige goede werken. Dat heeft plaatsgevonden doordat de Zoon van God ons geleerd heeft om de nietswaardige zaken te vertrappen en de hemelse te omhelzen. De eerste Vaders zijn de wereld niet ontvlucht. Zij hebben er zich ook niet van afgewend. Zij hebben God met een simpel geloof en nederige toewijding geëerd omdat hun nog niet duidelijk was gemaakt dat zij alles moesten verlaten.

Vandaar ook dat er in het visioen te zien valt: binnen de omtrek van een cirkel die uitging van Hem die op een troon was gezeten, zag ik vervolgens iets dat op een grote berg leek. Die leek met zijn voet te rusten op een geweldige steenrots. Op die rots bevond zich de troon van Hem die er op zat ,met een wolk omhuld. Het leek alsof die steenrots rechtop stond en dat de berg zich in de breedte uitstrekte. Dat betekent dat alles wat krachtig tot stand gebracht wordt door de krachtige en sterke inspanning van de almachtige en verheven Vader, staat als een berg. Bedoeld is het geloof dat groot is in werkzame kracht en dat zichtbaar wordt in de besnijdenis van Abraham, en voortgaat in de Zoon van de Allerhoogste God. Na de ondergang van het oude serpent is dat geloof door de Heilige Geest aan de mensen geïnspireerd. Zodoende kunnen zij getrouw voort werken in de goedheid van de Vader, gelovend dat Hij een almachtige God is die in staat was om zo’n grote vijand te overwinnen. Gesteund en opgeheven door hun kleine geloof bereiken zij de glorie die de duivel zelf vanwege zijn trots is kwijtgeraakt.

2. Het geloof staat in verband met de vreze des Heren, en deze met het geloof in de Heer.

En die berg bevindt zich aan de basis van de genoemde geweldige steen. Die steen heeft te maken met het geheim van de vreze des Heren. Het geloof hangt immers samen met de onwrikbaarheid van de vreze des Heren, en die vreze des Heren staat weer in verband met de kracht van het geloof. Het betreft het geloof in het feit dat de Zoon, die geboren werd uit een Maagd, door de Vader gezonden is, en dat het ware geloof is uitgegaan van de Zoon als eerste fundament van ieder goed werk. De vreze des Heren brengt dat geloof met al zijn deugden voort in contact met God in de Hoge. Op die wijze wordt God, de Albeheerser, getrouw vereerd in de wijsheid van de gelovigen.
Hoe dan?
Omdat de vreze des Heren op felle, maar toch omzichtige wijze, de geheimen van de hemel binnendringt. Want de vreze des Heren is de oorsprong van elke goede bedoeling. Met die goede intentie reikt het gelukzalige geloof tot bij God in de volle breedte van de volmaaktheid., en deint via goede werken uit tot heiligheid..

3. In alle vier de windstreken van de wereld bouwen de gelovigen hun goede werken op dat geloof.

Nu over: En op die berg stond een soort vierkantig gebouw. Het was gebouwd als een vierhoekige stad. Dat betekent dat de goedheid van de Vader goede werken bouwt op het geloof.
Van de vier hoeken van de aarde verzamelt Hij veel gelovigen en trekt hen op naar hemelse zaken. Zo worden zij versterkt in de standvastige beoefening van de deugden, en de hemelse Vader neemt hen welwillend op in zijn schoot, dat wil zeggen: in zijn innige almacht en zijn mystieke raadgevingen. Zo verzorgt Hij hen met de vier vierkante rotsblokkenn van het geloof.
Hoe dan?

4. De v ier hoekpijlers.

In het begin van de schepping heb Ik, de Almachtige, Adam aangesteld als eerste hoekpijler. van de mensen Toen hij ontslapen was, is zijn nageslacht door een grote scheuring steeds zwakker geworden, totdat de tweede hoekpijler kwam: Noë. Toen heeft de grote zondvloed plaatsgevonden. In het beeld van de ark heb Ik toen het mysterie van mijn Zoon aangekondigd. Maar in de hoekpijler die Noë was, heb Ik bij wijze van waarschuwing gewezen op het lichtend gedeelte van de stadsmuur. Want toen Ik de zondaars in de zondvloed heb laten verdrinken, heb Ik aan de mensen duidelijk gemaakt dat zij de dood moesten ontvluchten en naar het leven moesten verlangen. Op die manier heb Ik hun duidelijk een spiegel voorgehouden om te kiezen tussen twee zaken. Wat betekent dit?

In zijn ziel zit de mens vol groene levenskracht en staat hij in het volle leven. Daarin ziet en kent hij twee wegen, een goede en een kwade. Afhankelijk van het feit of de mens voor het ene dan wel voor het andere kiest, zal hij tijdens zijn levensdagen met lichaam en ziel het goede doen of het kwade. Zo is er bij Noë op mijn vermanend aandringen aangetoond dat er voor het gemoed twee beslissende keuzemogelijkheden aanwezig zijn namelijk ofwel met de meest beslissende overtuiging het kwade verachten, ofwel het goede na te streven. Dat zijn zaken die vooruitlopen op de wil van God zoals op de verordening van de besnijdenis. Het is een vooruitlopen naar de derde hoekpijler waar Abraham en Mozes samenkomen in de besnijdenis en de Wet. Zo dan gingen de besnijdenis en de Wet vooraf aan de vierde hoekpijler namelijk die van de Heilige Drieëenheid. Daar vond het Oude Testament een einde in de uiterlijke tekenen in de Zoon, en waar toen tevens via de Zoon in de Kerk het interne zaad opkwam met zijn innerlijke kern. Hij is geboren en heeft geleden voor het heil van de mensen. Zo is Hij ook verrezen en zetelt Hij nu bij de Vader. De hoek die door de val van Adam verborgen en verzwakt was geraakt, heeft Hij hersteld tot heil en ten bate van de zielen van de mensen.

5. De mens moet behoedzaam voortschrijden, en wijselijk de hinderlagen van de duivel ontvluchten.

Wat het volgende betreft: Het was gebouwd als een vierhoekige stad, een beetje scheef uitgevoerd.. Dat betekent dat de mens, ofschoon hij toch het scheppingswerk van God is, vanwege zijn zwakheid niet in staat is om dapper en zonder zonden, manmoedig en zonder vrees voor zijn zwakke positie, de duivel te overwinnen. Om niet te zondigen moet hij hem nederig uit de weg gaan, en zijn hinderlagen wijselijk ontwijken . Hij moet zich trouw toeleggen op het doen van goede werken om op die manier te volharden in het gezelschap van de Zoon van God. Zetelend op de hoek is Hij als het ware de hoekpijler en verenigt Hij zich ook met het uitverkoren bezigzijn van de mens.

6. De betekenis van de vier hoeken van het bouwwerk.

Evenwel: Eén hoek was naar het Oosten gekeerd, een andere naar het Westen, een derde naar het Noorden en de vierde naar het Zuiden. Dat betekent dat de Zoon van God, geboren uit een Maagd, geleden heeft in zijn lichaam om de mens in zijn oorspronkelijke gerechtigheid te herstellen tot het leven waarin alle gerechtigheid zijn plaats heeft. Dat is de oostelijke hoek.

Vandaar daagt het heil van de zielen, omdat God alle gerechtigheid in zijn Zoon tot vervulling heeft gebracht. Deze gerechtigheid is vanaf Abel tot de Zoon van God in het vooruitzicht gesteld. In Hem kwam een einde aan de vleselijke wetmatigheid van het Oude Testament, en ontstond het heil van de gelovige mensen door het geloof. Dat heil kwam er door de Zoon van God. Hij werd daartoe op het einde van de tijden in de wereld gezonden door de Vader. Dat is de westelijke hoek.

De gerechtigheid richtte zich ook in de tijd van Abraham en Mozes tegen de duivel. Zij lieten daarbij al de beloofde genadegave zien waardoor de mens verlost is geworden. Als een rover heeft de duivel de mensverraderlijk ten val gebracht in de persoon van Adam. Dat is de noordelijke hoek.

Daaruit is ook de ellendige en dodelijke val ontstaan die het menselijke geslacht is overkomen.
Vervolgens is die edelmoedig en heel mooi door de verheven goedgunstigheid volledig in ere hersteld via het vurig samenwerken van God en mens. Dat is de zuidelijke hoek.

7. Nog iets anders over de vier hoeken.

De vierde hoek staat naar het Zuiden gericht. Dat verwijst naar het feit dat Adam, de eerste mens, door God geschapen is, maar dat het bespiegelende inzicht van de twee interpretatiemogelijkheden niet direct aan het licht traden. Dat duidt op het feit dat vanaf Adam zelf zijn nageslacht ongeordend was, bewust God niet dienend in daadwerkelijke gehoorzaamheid aan de Wet. Hij deed alleen zijn eigen wil in de vorm van het ergste kwaad. Hij schitterde niet in de juiste kennis van God en ook niet in gelukzaligheid. Hij was gewoon dood. Slechts in het hart van de Vaderlag verbogen wat Hij met de mens zou gaan doen.
De hoek in het Oosten verwijst naar Noé. Daar begon de gerechtigheid op te komen. Daar kwam ook de vooraf aangekondigde speculatieve, beschouwende kennis aan het licht die de hele heiligheid laat zien en die later volledig aanwezig zou komen in de Zoon van God. En omdat om het even welke gerechtigheid in de Zoon van God een aanvang neemt, is Hij het ware Oosten. Daarom moet dit bouwwerk als eerste vanaf het Oosten benoemd worden, en dat ter ere van de heiligheid die ook allereerst in No;e waarachtig aan het licht getreden is.

De hoek in het Noorden is Abraham en Mozes. Zij dekten samen op effectieve wijze de voornoemde bespiegelende kennis af tegen de Satan. Zij legden er als het ware kostbare stenen omheen en van boven af deden zij dit met vergulde ornamenten van glasheldere ornamenten van Gods heldere gerechtigheid namelijk met de besnijdenis en de Wet. Want vóór de besnijdenis en de Wet, was de gerechtigheid praktischnaakt en zonder effect.

En nu nog de vierde hoek: die van het Westen. Die verbeeldt de ware Drievuldigheid die duidelijk aan het licht trad bij de doop van de Verlosser. Hij heeft de stad Jeruzalem volledig en heilig opgericht door met heel zijn inzet zijn toevlucht te nemen tot de hemel tot redding van de zielen.

8. God de Vader geeft aan de mensen de mogelijkheden om sterk te staan en zich te verdedigen, om het goede te doen en er rekening mee te houden dat het vlees maar as is.

Over: Dat gebouw was ommuurd met een twee-soortige muur. De ene was schitterend licht, zoals het daglicht, de andere was samengesteld uit een allegaartje van stenen. De muren sloten aaneen in de oostelijke en de noordelijke hoek. Dat betekent dat door de goedheid van de Vader langs alle kanten aan de mensen één grote beveiliging gegarandeerd is. Dat is met name een versterking en en verdediging in goede werken met de bedoeling dat zij, daarmee ommuurd en versterkt, de vleselijke begeerten laten varen en hun toevlucht nemen tot de ene God die hun beschermer is. is

Dat gebouw was ommuurd met een tweesoortige muur
De soort van de ene muur is de speculatieve kennis van een twee-soortige mening. De mens heeft deze kennis immers via de scherpzinnigstee doorvorsing van zijn ziel, zodat hij in al zijn zaken omzichtig te werk gaat. En wat die andersoortige muur betreft, die verwijst naar het feit dat het menselijk vlees maar as is, want zo is de mens door God geschapen: een werk dat gemaakt is om te werken.

9. Over de beschouwende kennis.

De beschouwende kennis is helder als het daglicht, want daarmee doorziet en overweegt men het gehalte van zijn daden. Men ziet hoe prachtig de uitstraling is van de menselijke geest als die aandachtig om zich heen kijkt. Deze heldere kennis komt als een witte wolk op in de mens.
Zij verspreidt zich razend snel in de geest van de volken zoals ook een wolk die als het daglicht langs de hemel scheert. Die helderheid vindt zijn verklaring in het feit dat dit prachtige werk door God goedgunstig in de mens tot stand is gebracht zodat zij, als zij daarmee het kwade mijden, het goede doen dat als daglicht in hen schijnt.

Via deze kennis komt elk werk in de mens tot stand. Hoe dan wel? De mens heeft twee mogelijkheden. Hoe dan? De mens heeft kennis van het goede en het kwade, en hij voelt het ook aan. Als hij van het kwade overgaat naar het goede, volgt hij God na. Hij doet dan het goede in Hem die rechtschapen is. Hij wil het kwade niet. Maar als hij het kwade doet, raakt hij door de duivelse verleiding verstrikt in de zonden, omdat hij zich niet wil beteugelen. Hij wil de duivel bespeuren in de band van de zonden. De duivel zoekt immers de ongerechtigheid en vlucht weg van wat heilig is. Maar als de mens zich losrukt van het kwaad en het goede gaat doen, dan neemt de allerhoogste goedheid hem op. Want dan heeft hij zichzelf overwonnen uit liefde tot God die zijn Zoon voor hem heeft overgeleverd aan de dood op het kruis.

Deze kennis is beschouwend omdat zij als een spiegel werkt, en wel op deze manier. Als een mens zijn gelaat in een spiegel bekijkt, dan ziet hij ofwel iets moois of iets lelijks. Zo ziet hij in zijn geweten ook het goede en het kwade in wat hij gedaan heeft en in wat hij bij zichzelf overweegt. Deze overweging vindt plaats in het kenvermogen dat God in de mens geblazen heeft toen Hij hem de levensadem in zijn gezicht blies (cfr. Gen.2,7). Het leven van de dieren is gebrekkig omdat zij geen verstand hebben. De ziel van de mens kent dat gebrek niet, omdat die eeuwig blijft leven, want die is redelijk. Vandaar dat een mens, als hij nadenkt over wat goed of kwaad is, wel aanvoelt of een daad tegendraads is of overeenkomstig de regel. Hij is gevormd door de genade Gods, en in zijn oorsprong bij de schepping is hem redelijkheid ingeblazen. Die genade is in hem hersteld geworden bij de uitverkiezing in het doopsel en de heiliging van de ziel van het Nieuwe Testament. Mijn zeer geliefde Paulus spreekt als volgt over die genadevolle uitverkiezing….

10. Woorden van Paulus (Rom.11,5-6).

Een rest is overgebleven dankzij een genadige uitverkiezing. Is het echter uit genade, dan is het niet vanwege verdienstelijke daden; anders zou de genade geen genade meer zijn. Dat moet men zo verstaan. De overigen die niet door de strik van de dood gevangen zijn geraakt, moeten zich niet voegen naar het voorbeeld van de duivel. Zij zijn gered geworden door de openlijke heilzame verlossing, toen God zijn Zoon gezonden heeft om mens te worden. Dat is dus een uitverkiezing tot duidelijk heil van de mensen.
Hoe is dat gegaan?

De genade van God heeft de mens gemaakt, maar deze is gevallen door zijn armzalig gedoe. Toen is de genadevolle uitverkiezing zichtbaar geworden in een uitverkoren instrument: de Zoon van God werd geboren uit een Maagd. In Hem was geen enkele misstap toegestaan.
Want als een willekeurige mens voor zichzelf een gebruiksvoorwerp maakt, en dit door iemand anders wordt ontvreemd, dan kiest hij voor zichzelf een beter dat niemand hem kan ontnemen en waar hij volkomen tevreden over kan zijn. Zo is de genade van God te werk gegaan. De genade heeft Adam als eerste mens gemaakt. Maar de duivel heeft Adam van zijn onschuld beroofd. Maar diezelfde genade heeft later de volheid van goede werken tot stand gebracht door de Zoon van God tot redding van de zielen. Als dus het heil tot stand is gekomen door de genade van God, dan is die niet voortgekomen uit de verdiensten van de mensen.
Hoe dan wel?

De rechtschapenheid in het werk heeft bij Adam ontbroken, zodat de mens nooit in het heil terug kon keren door toedoen van zijn goede werken. De enige mogelijkheid was dat hij door genade van de aller rechtvaardigste Zoon van God, die gehoorzaam geworden is aan zijn Vader, hersteld zou worden. En ook dat de mens gereinigd zou worden door het doopsel dat de Zoon van God aan de mensen heeft overgeleverd, alsook door goede werken te verrichten. Dat werk komt tot stand door de genade van God in samenwerking met de mens, en door de mens in samenwerking met de genade. Vandaar dat de genade van God samengaat met het werk van de mens, en dat dit werk volgt op de genade.
Wat nu als het heil uit de verdienste van de mens zou voortkomen, en het juiste handelen van de mens uit hemzelf, zodat het niet de genade van God zou zijn die aan het werk ten grondslag zou liggen? Dan zou de genade geen genade meer zijn. Waarom niet? Omdat de mens dan uit zichzelf het bestaan zou hebben en niet uit God, en geen schepsel zou dan nog dank zeggen aan God, en de genade van God zou dan eenvoudigweg niet bestaan. Maar dat is niet aan de orde.
Het is de genade van God die de mens afhankelijk heeft gemaakt van zijn redelijkheid, zodat hij met kennis van goed en kwaad juist zou handelen. Via deze kennis zou hij behagen moeten scheppen in het goede, en het kwade van zich afwerpen. Zo kan hij ook kennis hebben van leven en dood, en kan hij kiezen waar hij wil staan, zoals Salomon zegt met begrip voor de Wijsheid…

11.Woorden van Salomon (Eccl.15,17).

Ik heb water en vuur voor je neergezet. Strek je hand uit naar wat je hebben wilt.
Dat betekent:

Bij de eerste opwekking van een ziel plaatst God daarin een grote en scherpzinnige kracht namelijk het doorzien van wat slecht is en wat goed, als water en vuur. Maar zoals water altijd dodelijke beesten in zich bergt en zeer veel nutteloze dingen verstopt, zo is ook de mens. Hij overspoelt zijn slechte daden, en verstopt ze opdat ze niet ontdekt worden.
En ook zoals vuur alles verbrandt en geen enkele nietswaardige zaak onverbrand laat, en zoals een handwerkman zijn sieraden zuiverder maakt door het verwijderen van roest, zo ook maakt het goede een mens zuiver door de roest van slechtheid van hem af te schuren. Want water en vuur harmoniëren niet met elkaar. Zij verstikken en doden elkaar wederkerig. Zo doet ook de mens. In het kwade doodt hij het goede, en in het goede doodt hij het kwade. En in alle twee verbergt hij altijd heimelijk zijn verlangens terwijl hij ze steeds weer om en om keert.

12.Keuze tussen twee zaken.

En in dit wisselend gedoe van verlangens heeft de mens de keuze om te doen wat hij verlangt. Met zijn wil keert hij zich naar iets om het te volbrengen alsof hij zijn hand uitstrekt om het goede met Gods genade te volbrengen, ofwel om op aanstichten van de duivel met influistering van zijn snode listen het kwade te voltrekken. Dat alles terwijl de mens dit beziet met de kennis van zijn redelijkheid. Want met één en dezelfde kennis beziet hij goed en kwaad zoals hij het wil.
Wat hiervan te denken?

De keuze bestaat hierin dat de mens in het verlangen van zijn ziel alles bekijkt als in een spiegel. Dan zegt hij bij zichzelf: “Ik kan zowel het één als het andere doen!” Hij gaat dan nog niet over tot de daad. Hij heeft het echter wel al een plaats gegeven in zijn gedachte, als het ware op de kruising van twee wegen. Dat betekent dat het geweten voor de keuze staat van twee mogelijkheden namelijk van het goede of het kwade. Zo zal hij uiteindelijk overeenkomstig zijn verlangen uitreiken naar het werk van boven of naar dat van beneden.

13. De goede voorschriften die bij Abraham en Mozes zijn opgekomen.

De andere muur was samengesteld uit een allegaartje van stenen. Deze woorden verwijzen naar het mensengeslacht en de goede wettelijke bepalingen die in de gedachte van de mensen zijn opgekomen, met name bij Abraham en Mozes en nog vele anderen. Die bepalingen waren als het zaad voorafgaande aan Gods eigen wet met alle bijkomende bepalingen van Gods gerechtigheid in de Wet tot op de dag van vandaag.
Hoe dan?

Zoals het werk van God in en door de mens aanwezig is, zo heeft God ook op het einde van de Wet zijn Zoon gezonden omwille van het heil van de mensen zonder zonde. De Zoon is opgetreden in een menselijk lichaam. Daarbij heeft Hij het fundament voor dat geloof op zich zelf gelegd. Dat heeft Hij gedaan terwille van het hele mensengeslacht inclusief de eerste mens die uit het paradijs geworpen was wegens een overtreding van wat recht en juist was. Daar heeft Hij de hele christenschare bij ingesloten. Dat beduidt dit bouwwerk in de goedheid van de Vader. De mens hoort in het hemels Jeruzalem geplaatst te worden.

14.Het beschouwend denken is bij Noë opgekomen, maar het kwaad is onophoudelijk aanwezig geweest tot bij Abraham en Mozes.

De muren sloten aaneen in de oostelijke en de noordelijke hoek.
Dat slaat op het feit dat er in het speculatieve denken en in het menselijk doen en laten een gemeenschappelijke begrenzing bestaat aan de ongerechtigheid. Door die ongerechtigheid verkeerden de mensen in vergetelheid aan God. Die stak voor het eerst de kop op bij Adam en duurde met zijn zieke ongerechtigheid voort tot de zondvloed. Die ongerechtigheid was zo erg dat de gezamenlijke bevolking vanwege de grote ongerechtigheid in de zondvloed van de wateren ten onder is gegaan. Toen is ook het speculatieve denken onder invloed van mijn inspiratie actief geworden met de kennis van het goede bij Noë
Dat is de oostelijke hoek, zoals hiervóór gezegd is geworden.

Maar ofschoon de waarschuwende maning van God bij Noë terecht kwam, is toch de hang naar het kwaad halsstarrig in zijn gedachten aanwezig gebleven en triomfantelijk naar het Noorden verder getrokken. Zodoende heeft de kwalijke afgekeerdheid van God pas met Abraham een einde genomen. In hem is die afgekeerdheid onderdrukt geworden als in de noordelijke hoek. Daarin is de zeer scherpe blik van Gods gerechtigheid ontstaan.

Het lichtende deel van de ommuring strekte zich uit van de oostelijke naar de noordelijke hoek. Dat gedeelte was helemaal gaaf en er zat nergens een onderbreking in.
Deze woorden slaan op het feit dat het beschouwend weten vanaf de oostelijke hoek – dat is vanaf de dagen van Noë begonnen is te ontluiken. Van te voren, vóór Noë , was het kwaad druk bezig om zoveel mogelijk bij de mensen door te dringen om God belachelijk te maken. De mensen volgden méér hun begeerten dan dat zij hechtten aan de verering van God. De eerste mensen, waarbij het beschouwend kennen nog verborgen was, werden door de duivel zoals hij wilde naar hartelust verzwolgen, tot aan Noë. Zoals al opgemerkt, werd het beschouwend kennen in hem duidelijk. Toch vertrouwde de duivel er tot dan toe op dat hij heel de mensengemeenschap in zijn macht zou houden. Ondertussen woekerde de ongerechtigheid voort tot aan de noordelijke hoek, dat is tot aan Abraham en Mozes. Vóór hen was de ongerechtigheid in zijn slechtigheid als het ware onaangetast in de bespiegelende kennis aanwezig, nog niet onderbroken of verbrijzeld door de vastgestelde gerechtigheid van God. Er was nog geen besnijdenis of Wet voorgeschreven. Maar toch begon de duivel ongerust te worden bij die Vaders, terwijl hij voordien als het ware vol vertrouwen zijn gang kon gaan in de wereld. Paulus, mijn uitverkoren, helderschijnend werktuig zegt daarover….

15. Woorden van Paulus hierover (Rom.5,14).

Toch heeft de dood als een vorst geregeerd in de tijd van Adam tot Mozes, dus ook over hem die zich niet op de wijze van Adam schuldig hadden gemaakt aan de overtreding van een gebod. Adam nu is het beeld van hem die komen moest.
Dat betekent: van Adam tot Mozes heeft de dood geregeerd terwijl er niemand in een zegevierende oorlog tegen ten strijde is getrokken. Waarom? Omdat de strengheid en het in praktijk brengen van de Wet voor de tijd van Mozes nog niet aan de orde was, behalve dan dat de besnijdenis die bij Abraham op bevel van God had plaatsgevonden, er een zacht vooruit lopen op was. Maar de kwaal van de dood bleef naar believen voortbestaan van dwaling tot dwaling. Volgens Gods wil stond toen een machtige strijder op, Mozes. Hij heeft de machtige wapens van gerechtigheid voorbereid. Daarmee is de dood in zijn verering vernietigd geworden door de instrumenten van de Wet. De Wet bergt alle heil van de zielen in zich onder verwijzing naar de Zoon van God. Want de dood was ook in de onschuldigen bedwongen geworden. In de onnozelheid van hun kleinheid wisten dezen in hun doen en laten niets van de misstap van Adam temidden van de volkeren. Adam is de voorloper van wie komen zal. Hoe dan? Adam is rechtschapen en onschuldig door God geschapen los van ontvangenis en begin van zonde. Zo is ook de Zoon van God geboren, komend uit de Maagd Maria, vrij van iedere zondenvlek.

16. De juiste levenswijze is bij Abraham en Mozes zichtbaar geworden.
Klare rechtschapenheid kwam aan het licht toen de Zoon van God mens werd.
Vurige daden van goedheid zullen tot het einde van de wereld in de Kerk mogelijk zijn door het doopsel.

Zoals je ziet: Het andere stenen gedeelte van de muur liep van de noordelijke hoek naar de westelijke en verder naar de zuidelijke, eindigend in de oostelijke hoek.

Dat betekent dat de goede werken van de mensen waarmee zij in God toegerust zijn, ontstaan zijn in de noordelijke hoek. Dat verwijst naar de besnijdenis van Abraham en de wet van Mozes met de bepalingen die horen bij de gerechtigheid van de mensen tot aan de westelijke hoek. Daar is de zeer heldere gerechtigheid opgekomen bij de menswording van Gods Zoon. Van daar af heeft die gerechtigheid zich uitgestrekt tot de zuidelijke hoek. Daar is door het doopsel en de overige heilsmiddelen van de uitverkoren en nieuwe Bruid van de Zoon van God het brandend vuur aangestoken tot herstel van het heil van Adam. Vandaar heeft het heil zich verder uitgebreid en heeft zijn eindpunt bereikt in de eerste oostelijke hoek, aldus terugkerend naar de Vader.
Hoe dan?
Die hoog verheven Vader vertoefde in zijn mysterie en regelde er alles wat gerecht was om de val van de eerste mens terug te doen keren naar God tot heil van de zielen. Hoe dan?
Omdat de mens gevallen was, heb Ik hem vol medelijden overeind geholpen, en heb mijn Zoon gezonden om het heil van de zielen te herstellen. Mijn dienaar de psalmistDavid heeft het daar over waar hij zegt…

17. Woorden van David hierover (Psalm 1,2)

Gelukkig de mens die vreugde beleeft aan de Wet van de Heer, en die dag en nacht overweegt.

Dat betekent Het gaat over de wet van de gerechtigheid die de Eniggeboren Zoon van God, geboren uit een Maagd, aan de wereld bekend gemaakt heeft. Hij is met de Vader en de Heilige Geest één God, en Hij heerst over heel de wereld. Dat is zo omdat de Zoon van de Vader mens geworden is. Als een waarneembare mens is Hij zichtbaar geworden, en is Hij in het vlees boven ieder schepsel verheven. Zo is het de wil van de Vader geweest tot heil. Hoe dan wel?

Deze Zoon van de Vader is voordat de wereld ontstond, uit de Vader voortgekomen. Vervolgens is Hij op het einde van de tijden uit een Moeder in de wereld gekomen. Ofschoon mens geworden, is Hij desalniettemin op onzichtbare wijze in de Vader gebleven. Zoals de wil onzichtbaar in een mens aanwezig is voordat hij naar buiten treedt in een daad, zo is ook Hij in zijn vlees zichtbaar geworden tot heil van de mensen.
Zo overpeinst de Vader met zijn Zoon alles wat maar terecht gedaan kan worden tegen de eerste val van Adam. Wat dan?
Deze Zoon van de Vader is, vóór de wereld ontstond, uit de Vader voortgekomen. Daarna is Hij op het einde van de tijden in de wereld gekomen uit een moeder.

Ofschoon Hij vlees geworden is, is Hij toch op onzichtbare wijze in de Vader gebleven, zoals ook de wil onzichtbaar in een mens aanwezig is voordat zij in een daad tot uitdrukking komt. Vervolgens is Hij zichtbaar geworden in het vlees tot heil van de mensen. Daarom overpeinst de almachtige Vader samen met de Zoon alles wat maar gerechtigd is tegen de eerste val van Adam. Waar is die gerechtigheid dan? In de liefde van de Zoon die vóór alle tijden in de Vader in de glorie van de Godheid verbleef. Later, op de vastgestelde wereldse tijd is Hij mens geworden, om door de Vader vanuit zijn hart in de wereld gezonden te worden als opperpriester over alle gerechtigheid. Daarom heeft de Zoon ook de Wet van gerechtigheid samengesteld en die, genomen uit de hand van de Vader, als wet voor de Christenen afgekondigd.

Maar de wet, die de Vader door zijn Zoon in werking heeft willen stellen, wordt over dag bestudeerd. Hoe dan? Namelijk op de dag die geëigend was, toen er nog geen enkele donkere schaduw van het kwaad in enig schepsel aanwezig was, en voordat enig tijdelijk schepsel was aangesteld, is deze Wet van zijn Zoon al overwogen. Ook al des nachts. Hoe dan?

Toen de schepping had plaatsgevonden, stak ook het kwaad zijn kop op. Dat kwaad kwam als een donkere nacht zowel in de engel als in de mens. Maar ook dan nog blijft de Vader zo denken tot de jongste dag waarop Hij zijn werken zo onbeschrijfbaar mooi tot voltooiing brengt. Zo laat Hij de Wet van zijn Zoon zien en openbaart die, want daarin worden alle goede werken volbracht die in de mens gedaan moeten worden.

18. De ledematen van Christus blijven onvolmaakt in zijn uitverkorenen en in zijn Kerk totdat zij in de toekomst de volmaaktheid zullen bereiken.

Je ziet dus: Dit stenen gedeelte van de muur heeft twee onderbroken plekken en wel tussen de westelijke en de zuidelijke hoek. Dat betekent dat het mensenwerk als versterkte verdediging van zichzelf nog op twee manieren onvolkomen is. Het is immers duidelijk dat de ledematen van Gods Zoon nog altijd onvolmaakt zijn in zijn uitverkorenen . Daar duidt de eerste onderbreking in de westelijke muur op. Want Gods Zoon is op het einde der tijden in de wereld gezonden. En toch is de Kerk nog altijd onvolmaakt in de beoefening van alle deugden zoals zij behoort te zijn. Zij moet nog verder uitgebouwd worden tot het hemelse Jeruzalem. Dat verwijst naar de andere onderbreking in het Zuiden als de Kerk volmaakt zal worden in de hemelse aangelegenheden.

19. Hoe het getal “tien” afgezwakt is geworden door Adam. Maar in de Zoon van God is het herrezen tot het tienvoudige, en dit tienvoudige tot het duizendvoudige.
(In dit hoofdstuk speelt de getallensymboliek een grote rol)

Wat betreft de zin: De lengte van dit bouwwerk bedraagt honderd el. Die betekent dat het tienvoudige getal verzwakt was in de mens die naar de vijand was overgelopen. In mijn Zoon is dit in ere hersteld tot heil van de zielen door het veelvoudige tienvoud van honderdvoudige deugden. Zo is het tienvoudige in alle deugden door toedoen van het honderdvoudige opgeklommen tot de duizendvoudige volmaaktheid van alle deugden. Op die manier zijn de duizend trucs van de duivel volledig ongedaan gemaakt. Met die trucs heeft hij de hele kudde van de beminnelijke schapen van de almachtige God misleid. Wat betekent dit?

Ik, de Almachtige, heb in het begin levendig brandende lichten ontstoken. In hun pracht moesten zij stralen. Weliswaar hebben sommige in mijn liefde volhard, maar andere kwamen ten val doordat zij Mij, hun Schepper, geminacht hebben. Maar als Schepper past het Mij niet om wat Ik tot stand gebracht heb, leeg en zinloos achter te laten.
Hoe dan?
Uit de trotse legerschare heeft een engelachtig schepsel in ijdele glorie gemeend aan zijn Schepper gelijk te kunnen zijn vanwege het goede dat zijn Schepper hem uit erkentelijkheid had meegegeven. Daarom is hij ten dode toe verdoemd.
Toen heeft God voorzien dat, wat door het verdoemde leger ten val was gekomen, op sterkere wijze hersteld moest worden.
Hoe dan?

God heeft de mens in geest en lichaam tot leven geroepen uit leem van de aarde. De mens moest de glorie bereiken waaruit de duivelse verrader met zijn volgelingen verbannen was. De mens is God zeer dierbaar. Hij heeft hem immers gemaakt als zijn beeld en gelijkenis (Gen.1,26-27) opdat hij in volmaakte heiligheid alle deugden zou beoefenen. Zo heeft God alle schepselen bedoeld.
In de schepping van de mens ligt ook de bedoeling dat hij in zeer nederige gehoorzaamheid en in de beoefening van deugden in dienst zal staan van de lof van de glorievolle engelenscharen die met onophoudelijke toewijding God eer brengen. En in dezelfde gelukzaligheid zal de mens dan volbrengen wat de verloren engel, neerstortend in zijn hoogmoed, nagelaten heeft te doen.

Daarom is een mens volledig een tienvoudig getal als hij dit alles volbrengt vanuit de kracht van God. Maar het tienvoudige getal vermenigvuldigt het honderdvoudige in deze voorstelling van zaken. Want de mens die door duivelse misleiding vervreemd geraakt is van God, is uiteindelijk door Gods medelijden en inspiratie aangemaand en standvastig begonnen om God te erkennen met de Wet en de Profeten van het Oude Testament. Vervolgens is dat nog aangescherpt door de heiligheid en door alle genademiddelen van de deugdzame standvastigheid van de Kerk.

Vanaf Abel is de mens begonnen om op deze wijze alle deugden te beoefenen. Zo heeft de mens die deugden beoefend tot en met de meest recente rechtvaardige toe. Dat is het honderdvoudige getal van de lengte van dit bouwwerk dat God als een mystiek beeld aan de mensen laat zien. De bedoeling daarvan is dat zij niet wanhopen als zij in hun slechtheden terecht gekomen zijn, maar dat zij daaruit overeind komen en zich sterker gaan inspannen om de werken van God te volbrengen. Want ook ieder die tot zonde vervalt, maar er zich uit opricht, zal sterker zijn dan voorheen. Zo heeft God dan ook door zijn Zoon in de wereld te zenden, de deugden bij de mensen groter en sterker hersteld en het ingestorte menselijk geslacht weer opgericht, sterker dan het voordien was.

Vandaar ook dat de mens geestelijk en lichamelijk sterker is dan wanneer hij niet de zwaartekracht van zijn lichaam zou voelen. Want hij worstelt in zichzelf met veel gevaarlijke situaties, terwijl hij zeer felle strijd levert en overwint door zich vast te klampen aan de Heer, zijn God, en Hem trouw dient. Zo herkent hij zichzelf in zijn strijd en in het kastijden van zijn lichaam. Een engel die niet de zwaartekracht van zijn aards lichaam ervaart, is alleen maar een heldere en pure soldaat van de hemelse harmonie, volhardend in het aanschouwen van God. Maar een mens , ofschoon bezwaard door lichamelijke, vieze ballast, is toch de sterkste, glorievolste en heiligste soldaat vanwege zijn herstelde inspanning die hij met lichaam en ziel voor God verricht. Op deze wijze bereikt hij door het honderdtal van zijn inspanningen het duizendtal van de toekomstige beloning. Dat is uiteraard zo wanneer hij op de laatste dag zijn loon ontvangt en zich in de hemelse woning mateloos met lichaam en ziel verheugen zal.

Zo wordt dus het verzwakte tienvoudige getal door mijn Zoon hersteld. Hij die geboren is uit een Maagd en geleden heeft aan een kruis, heeft de mens teruggebracht naar de hemelse contreien, zoals mijn Zoon ook in het Evangelie zegt:

20. Woorden uit het Evangelie hierover (Lukas 15,8-9).

Als een vrouw tien drachmen heeft en er één verliest, steekt ze toch de lamp aan, veegt het hele huis schoon en zoekt ze alles af tot ze het muntstukje gevonden heeft? En als ze het gevonden heeft, roept ze haar vriendinnen en buren bijeen en zegt: “Deel in mijn vreugde, want ik heb de drachme teruggevonden die ik kwijt was”.
Dat betekent het volgende.

De Heilige Drievuldigheid had tien drachmen. Dat betekent dat Hij in de uitverkoren engelen en mensen tien rangordes van verschillende verhevenheid had. Maar Hij verloor één drachme toen de mens méér gehoor gaf aan de duivelse verleiding dan te luisteren naar het voorschrift van God. Daardoor kwam hij in de dood terecht. God heeft toen een felle lamp aangestoken namelijk Christus, waarlijk God en waarlijk mens, tevens de meest heldere zon van gerechtigheid. Door Hem haalde Hij het huis overhoop, bedoeld is het Joodse volk. Binnen de Wet zocht hij nauwkeurig naar ieder element dat waardevol was voor het heil; en daarmee heeft Hij opnieuw de heiliging van de mensen opgebouwd. Zo heeft Hij zijn drachme teruggevonden n.l. de mens die Hij verloren had.
Toen heeft Hij zijn vriendinnen bijeen geroepen, dat zijn de wereldse gerechtigheden; en de buurvrouwen, dat zijn de geestelijke deugden. En hij zei: “Wenst Mij jubelend en blij geluk, en bouwt het hemelse Jeruzalem op met levende stenen, want Ik heb de mens teruggevonden die door het duivelse bedrog verloren was geraakt”.
2l. In de vijf wonden van Christus zijn de zonden van de mensen uitgewist.

Zoals je ziet is de breedte van dit bouwwerk vijftig el. Dat betekent dat de hele breedte van de ondeugden van de mensen in de vijf bloedende wonden, die mijn Zoon op het kruis opgelopen heeft, barmhartig afgewassen en vergeven zijn geworden. De mensen moesten het werk van God opbouwen, maar zij volgden meer hun eigen begeertes dan te werken voor God. De wonden in de handen van mijn Zoon hebben de werken van ongehoorzaamheid van Adam en Eva uitgewist, en de wonden in zijn voeten hebben de wegen van de menselijke ballingschap vrij gemaakt, en uit de wonde in zijn zijde is de Kerk ontsproten. Zo is de zondeschuld van Adam en Eva gedelgd geworden, want uit de zijde van Adam is Eva geschapen.
Vandaar ook dat mijn Zoon aan het kruis geslagen is, opdat datgene wat door het hout (NB:verwijzing naar de boom met de verboden vrucht in het paradijs) als misstap is geschied, ook door het hout (kruis) ongedaan gemaakt zou worden. En de drank (die men Jezus op het kruis te drinken gaf) was azijn en gal om de smaak van de appel (de verboden vrucht van het paradijs) ongedaan te maken.

22. Met de vijf zintuigen die de Heilige Geest hem inademt, onderscheidt de mens wat goed en wat kwaad is.

En de hoogte van het bouwwerk bedraagt vijf el. Dat duidt op de voortreffelijkheid van de goddelijke wetenschappen in de Schrift die terwille van het werk van God in de vijf zintuigen van de mens aanwezig zijn. Tot nut van de mensen zijn zij door de Heilige Geest in geademd. Want met zijn vijf zintuigen blikt de mens omhoog naar het goddelijk Wezen en ziet daar alles wat goed en wat kwaad is.

23. De mens moet zich met lichaam en ziel moeite geven om in voor- en tegenspoed het kwade te vermijden en het goede te doen.

Daarom ook zijn de twee muren van dat gebouw aan beide zijden even lang… want in het huis van Gods goedheid moet de mens als het ware aan de twee muren – dat wil zeggen met lichaam en ziel, en aan beide zijden – dat wil zeggen de gunstige en de ongunstige, te allen tijde werken. Hoe dan? Door het kwade te vermijden en het goede te doen.
Hoe dan? Omdat de diepe en onbegrijpelijke goddelijke macht de mens zó gemaakt heeft dat hij met al zijn krachten en met alles wat in zijn vermogen ligt, zowel vroom als met al zijn verstandelijk vermogens God zal eren in de volheid van zijn verstandelijk inzicht. Want het is waardig dat de Schepper van alles vóór en boven alles zeer waardig als God wordt geëerd.

24. De menselijke geest moet wijsheid en onderscheidingsvermogen hebben om God te leren kennen.

Ook zijn de twee muren daarvan aan het begin en het einde even breed. Want in het werk van God zijn wijsheid en onderscheidingsvermogen zoals twee wanden. De wijsheid is daarbij als
het hogere gedeelte en het onderscheidingsvermogen als het lagere. God ademt ons die toe met zijn gelijkmatige en precieze gave om Hem te leren kennen overeenkomstig de omvang van de menselijke geest.

25. De mens bestaat uit vier elementen en legt zich met evenveel toewijding toe op het katholiek geloof.

Nu wat betreft Die vier muren van het bouwwerk zijn overal in het rond even hoog behalve de gevechtstorens die er enigszins in hoogte bovenuit steken. Dat betekent dat de mens, geplaatst in de vier elementen, overal het katholieke geloof door de goedheid van de Vader met gelijke toewijding en verering hoog zal houden. Dat zal hij doen door met de Vader en de Heilige Geest ook de Zoon te eren, want de Zoon brengt al zijn daden in hen tot stand. Hoe dan?

Elk werk dat de Zoon tot stand gebracht heeft en nog steeds tot stand brengt, doet Hij door de goedheid van de Vader in de Heilige Geest. Wat betekent dit?
Volgens de wil van de Vader was het de Zoon die de mens vrijkocht door zijn menswording. Wat een geweldige goedheid! Want de Vader heeft het zó geregeld dat zijn Zoon geboren is uit een maagd, ontvangen van de Heilige Geest. Hij heeft het vlees aangenomen uit liefde voor de mensen om hen terug te brengen naar het herstelde leven. Zodoende zou de mens opnieuw deel hebben aan Gods leven. Door Hem moest de mens terugkeren tot het heil en het juiste katholieke geloof. In dat geloof moeten de Vader en de Zoon en de Heilige Geest gekend worden als de enige en ware God.

26. De gelovige mens moet van deugd naar deugd opklimmen.

Ook is er sprake van bolwerken die er bovenuit steken. Wat betekent dat?

Als de mens met het topje van zijn goede begrip toekijkt, dan bouwt hij de muur van zijn geloof hoog op met deugdzame werken van God terwijl hij opstijgt boven een begripvol geloof. Hij weet dan dat God in zijn machtige godheid aanwezig is. Op dat geloof bouwt hij vervolgens de hogere gestaltes van de deugden als de meest voortreffelijk bolwerken. Hoe moet men dat zien?
Hij bouwt immers de hogere deugden op. Voor hem is het niet genoeg om geloof te hebben in God. Hij klimt in de groene palmboom. Bedoeld is dat hij opstijgt van deugd naar deugd. Daarmee wordt het meest oprechte geloof verheven en versierd tot een stad met vestingtorens.

27. Op de door de Vader vastgestelde tijd is de Zoon naar de wereld gezonden om in de verlossing van de mens de wil van de Vader te volbrengen.

Wat betreft de ruimte die er is tussen het bolwerk en de gloedvolle schittering die uitging van de voornoemde cirkel en die reikte tot in de diepe afgrond, was boven op de oostelijke hoek één handpalm groot.
Dat betekent dat er ruimte van de opperste geheimenissen is tussen
enerzijds het werk van Gods Zoon (- dat als een gebouw wordt voorgesteld -) die lichamelijk zonder zonde op deze aarde aanwezig is en in de goedheid van de Vader de vele deugden in praktijk brengt,
en anderzijds de macht van de Vader die als een glans van uiterste kracht aanwezig is in de laagste en de hoogste zaken, toen Hij zijn Zoon naar de wereld zond op de top van de hoek die uitziet naar het Oosten. Dat is naar de gerechtigheid die als eerste bij Noë wordt aangetoond. Op
aansporing van de Heilige Geest is dit de voorafbeelding van de volmaakte gerechtigheid die duidelijk is geworden bij de menswording van de Zoon van God. Op deze wijze was er in deze geheimen als het ware de ruimte van een beeld, namelijk zoals een uitgespreide hand dat is van de duim tot aan de vingers. Dat duidt op de tijd die in het diepste wezen van de Vader was vastgesteld waarop Hij met aller sterkste hand zijn eniggeboren Zoon heeft willen zenden, opdat Deze zou rondgaan met alle kootjes van zijn vingers, dat wil zeggen met al zijn werken in de Heilige Geest om de wil van de Vader te doen. Zo heft Hij geleden op het kruis vanwege de ellendige en te verachten ongehoorzaamheid die de duivel stiekem de mens heeft ingefluisterd.
Om de mens te redden heeft de barmhartigheid van God zich neergebogen over de aarde door tussenkomst van het menszijn van de Zoon van God in de onbegrijpelijke hoogheid van zijn goddelijk wezen.

28. Geen mens kan bevroeden hoe groot de trots van het kwaad is of hoe het eindigt in de mens die het bedrijft. Evenmin kan hij het einde van de opperste rechtvaardigheid nagaan noch de rechtvaardige vergelding van Gods wil.

Wat betreft de volgende woorden: Maar elders, namelijk in het Noorden, het Westen en het Zuiden, was de breedte tussen het bouwwerk en die schitterende gloed zó groot dat ik er op geen enkele wijze een schatting van kon maken.
Dat betekent dat geen mens, log vanwege zijn sterfelijk lichaam, de hovaardij van het kwaad kan kennen dat aanwezig is in het innerlijk van de duivel uit het Noorden. Ook kan hij het einddoel niet kennen dat de duivel beoogt in het schepsel dat met hem meewerkt als de mens ten val komt. Ook het begin of het einde van het brandende Zuiden dat verwijst naar de opperste gerechtigheid, vermag de mens niet te kennen. En al evenmin is hij in staat om te overzien hoe bij alle volken deze zaken open en bloot zijn voor de werking en het vermogen van mijn kennis.
Dat geldt zowel de uitverkorenen als de verworpenen. Allen worden onderworpen aan het strengste onerzoek. Daarin worden zij op de meest scherpe en nauwkeurige gestrengheid onderzocht in verband met het onderhouden van mijn geboden.
Inmiddels moeten toch allen er ten volle op vertrouwen dat Ik hen in al hun noden tegemoet kom. Want al deze aangelegenheden liggen zodanig in mijn geheimenissen opgesloten dat noch het menselijk aanvoelen noch zijn verstand hoe dan ook in staat is om er de omvang en de diepte van kan omvatten of begrijpen, tenzij er mijn toestemming voor gegeven wordt. Wie echter scherpe oren aan zijn innerlijk begripsvermogen heeft, mag in de vurige liefde van mijn spiegel hunkeren naar mijn woorden en ze bewust opschrijven in zijn hart.

HET DERDE VISIOEN VAN HET DERDE DEEL

1. De goddelijke deugden die in het Oude Testament ontspringen, dragen in het Nieuwe Testament rijke vrucht.
2. Door de wil van God worden deugden bij de mensen actief.
3. Over de levenshouding van de hemelse liefde, de zelfbeheersing, de eerbied, het mededogen, de overwinning, en de betekenis daarvan.
4. Over de praktijk van deze deugden en de betekenis daarvan.
5. Speciaal over de hemelse liefde; de praktijk en de betekenis daarvan.
6. Speciaal over de tucht, de zelfbeheersing; de praktijk en de betekenis daarvan.
7. Speciaal over de eerbied: de praktijk en de betekenis daarvan.
8. Speciaal over het mededogen: de praktijk en de betekenis daarvan.
9. Speciaal over de overwinning: de praktijk en de betekenis daarvan.
10. Over de houding van het geduld en de verzuchting: de praktijk en de betekenis daarvan.
11. Over de houding van al deze deugden en de betekenis daarvan.
12. Speciaal over het geduld: de praktijk en de betekenis daarvan.
13. Speciaal over de verzuchting: de praktijk en de betekenis daarvan.

HET DERDE VISIOEN VAN HET DERDE DEEL.

Daarna zag ik iets als een ijzerkleurige toren. Die bevond zich ongeveer in het midden van de lengte van het voornoemde lichtgevende deel van de muur van het betreffende gebouw. Die toren bevond zich op de buitenzijde van de muur. Hij was vier el breed en zeven el hoog. Op die toren zag ik vijf gestalts. Zij stonden los van elkaar maar onder één enkele boog. Naar boven toe had die boog een kegelvormige spits. De eerste gestalte keek in oostelijke richting. De tweede keek naar het Noordoosten, de derde naar het Noorden, de vierde naar de kolom van Gods Woord. Aan de voet daarvan was Aartsvader Abraham gezeten. De vijfde gestalte keek naar de toren van de Kerk en naar de mensen die in dat gebouw heen en weer liepen.
Maar in één ding leken ze allen op elkaar. Al deze gestaltes waren gekleed in zijden gewaden. en ze droegen wit schoeisel, behalve de vijfde gestalte die overal wapens scheen te dragen. De tweede en de derde gestalte waren blootshoofds met loshangend wit haar. Zij hadden geen mantel om. Maar de eerste, de derde en de vierde gestalte was gekleed in witte tunica’s. Maar hierin was wel onderscheid.
De eerste gestalte droeg een hogepriesterlijke hoofdtooi. Zijn haren waren gekamd en wit. Hij was gekleed in een soort witte mantel die aan de onderkant twee met purperdraad doorweefde randen had. In zijn rechterhand droeg hij een lelie en andere bloemen, maar in zijn linkerhand had hij een palmtak. Hij sprak: “Hoe zoet is het leven en hoe zoet de omhelzing van het eeuwig leven. En hoe zalig is het geluk waarin zich de eeuwige beloningen bevinden. U verkeert altijd door in ware geneugten. En toch is het zo dat ik nooit vervuld of verzadigd kan raken van de innerlijke blijdschap die in mijn God aanwezig is”.
De tweede gestalte was gekleed in een purperen gewaad. Hij stond daar als een jongeman die nog niet de volle leeftijd van een man heeft bereikt, maar die wel een diepe ernst over zich had.
Hij sprak: De schrikaanjagende vijand – de duivel dus -, en ook een vijandelijke mens of de wereld zullen mij geen angst aanjagen voor de leefwijze van God. Onder zijn toezicht blijf ik altijd overeind.
De derde gestalte hield zijn gelaat bedekt met de witte slip van zijn rechter mouw. Hij sprak: “O, slonzige onreinheid van deze wereld, kruip weg en verdwijn uit mijn ogen, want mijn Geliefde is geboren uit de zuivere Maagd Maria”.
De vierde gestalte droeg een sluier op zijn hoofd. Het was een witte sluier die het haar bedekte op de wijze zoals vrouwen dat doen. En hij droeg een paarskleurige mantel. Op zijn borst droeg hij de beeltenis van Jezus Christus. Daaromheen stond op de borst van de gestalte het volgende geschreven: “Door het diepe medelijden van onze God waarmee Hij op ons is toegetreden, komend van uit het Oosten uit de hoogte”.
En de gestalte sprak: “Aan pelgrims reik ik altijd de hand, ook aan de behoeftigen, de armen, de zwakken en de mensen die verzuchtingen slaken”.
De vijfde gestalte was gewapend met een helm op zijn hoofd. Hij droeg een harnas en scheenplaten en ijzeren handschoenen. In zijn linkerhand droeg hij een schild afhangend van zijn schouders. Hij was omgord met een zwaard en had een lans in zijn rechterhand. Onder zijn voeten lag iets dat op een leeuw geleek met opengesperde muil. Ook waren er gestalten die op mensen geleken. Sommigen daarvan lieten klaroenen schallen. Anderen veroorzaakten met scherts voor hun plezier een hels kabaal, en anderen hielden zich bezig met verschillende spelen. Maar de gestalte vertrapte hen met zijn voeten, inclusief de leeuw. Met de lans die hij in zijn rechterhand had, doorboorde hij hen fel, en sprak: Ik overwin de sterke leeuw en ook jou, haat en nijd, evenals jou,vuiligheid, en evenzeer jullie met je bedrieglijke spelen.
Maar binnen dat gebouw zag ik twee andere gestalten die tegen diezelfde toren aan stonden. De eerste daarvan scheen op het plaveisel van dat bouwwerk te staan in een boog met een vurige gloed. Die boog was van binnen beschilderd met afbeeldingen van boze geesten en was tegen de vermelde toren geplaatst. De andere gestalte bevond zich buiten de boog, slechts zijdelings en niet onder de boog. Beide gestaltes keken nu eens naar de toren, dan weer naar de mensen die het gebouw in en uit liepen. Ook zij waren gekleed in zijden gewaden. Zij droegen een witte sluier met een band om hun hoofd zoals vrouwen dat doen. Zij hadden geen mantels aan, maar droegen wel wit schoeisel.
De eerste gestalte droeg iets als een driehoekige rode kroon, rood als hyacint. Hij was gehuld in een wit gewaad dat overal goed zichtbaar met groen doorweven was. En die gestalte zei: “Ik overwin met de allersterkste Zoon van God, die van de Vader is uitgegaan en op aarde gekomen is om de mensen te redden. Hij is naar de Vader teruggekeerd, nadat Hij in de grootst mogelijke ellende aan een kruis stierf en Hij is daarna uit de doden opgestaan. Daarom wil ik niet in verwarring de ellende en het verdriet van deze wereld ontvluchten”.
De andere gestalte had een witte tuniek aan, maar een beetje vaal van kleur. In zijn rechterhand droeg hij een kruis met daarop de afbeelding van de Verlosser. Zijn hoofd hield hij gebogen in de richting van het kruis. En hij sprak: “Dit kind heeft veel ellende in deze wereld gedragen. Daarom wil ik altijd huilen en verdriet hebben vanwege de vreugde van het eeuwig leven, waarheen de goede schapen geleid moeten worden door de nobele Zoon van God.

En ik zag hoe alle voornoemde gestalten alle woorden over het mysterie van God uitspraken tot vermaning van de mensen. Toen sprak Degene die op de troon was gezeten en die mij dit alles had laten zien, opnieuw tot mij….

1. De goddelijke deugden die in het Oude Testament ontspringen, dragen in het Nieuwe Testament rijke vrucht.

Door de sterke en standvastige wil van God ontsproten in het Oude Testament zoetjesaan de goddelijke deugden. Maar toen hadden ze, wellicht door de onwetendheid van de vereerders, nog niet ten volle hun zachte en zoete smaak. Want toen trof de strengheid van de Wet de overtreders alleen nog maar op heftige wijze. Maar toen zij later door Gods genade in het Nieuwe Testament meer vruchten gingen dragen, bleek ook dat de goddelijke deugden voor degenen die liefdevol hongerden naar sterk en volmaakt hemels voedsel, opperste zoetheid bevatten. En dat terwijl zij voordien – zoals gezegd – een zekere geheime vertoning leken van toekomstige zaken, zoals ook dit wonder met zijn uitwerkingen duidelijk aantoont.

Want – zoals je kunt zien – bevond die toren. zich ongeveer in het midden van de lengte van het voornoemde lichtgevende deel van de muur van het betreffende gebouw. Dat is een symbool van het vooruitlopen van de wil van God, die door de besnijdenis op velerlei en verschillende wijzen bekend geworden is. God heeft namelijk in het teken van de besnijdenis de Wet aangereikt, en via de Wet de gunst van het Evangelie. Want door de verspreiding van het geloof bij de gelovige Abraham is bij hem ook de besnijdenis opgekomen als een mysterie van ware voorafbeelding. Want door Gods macht hebben zich krachtige deugden ontwikkeld, te beginnen bij Abraham zelf. Dat is als het ware gebeurd midden in het verlengde van het beschouwend bezig zijn met twee mogelijkheden, onder invloed van de zeer sterke goedheid van de hemelse Vader. Door toedoen van God waren ze later een duidelijke voorafbeelding van wat God tot stand wilde brengen voorafgaand aan het feit dat het openlijk in praktijk gebracht zou worden.

De toren had de kleur van ijzer en bevond zich op de buitenzijde van de muur. Dat duidt op de gerechtigheid van God die zich sterk en onoverwinnelijk als het ware op beschouwende wijze manifesteert door de besnijdenis. Die vindt immers in het vlees dus aan de buitenkant plaats, maar wordt tevens met gelukzalige deugden aangebracht in geestelijke daden in een geestelijke muur, die God in de mensen heeft opgetrokken.

2. Door de wil van God worden deugden bij de mensen actief.

De toren is vier el breed. Dat is zo omdat die deugden door de wil van de Vader actief zijn bij de mens die zich geplaatst weet in de omvang van de vier elementen waarmee hij zich lichamelijk voedt, zolang hij in zijn lichaam is.
De hoogte van de toren is zeven el. Want in de grootte van de zeven gaven van de Heilige Geest is zoveel sterkte aanwezig als de toren hoog is. En dat is van dien aard dat de Kerk bij de menswording van mijn Zoon ontstaan is. Dat wordt vooraf uitgebeeld via de besnijdenis van het Oude Testament.

3. Over de levenshouding van de hemelse liefde, de zelfbeheersing, de eerbied, het mededogen, de overwinning, en de betekenis daarvan.

Nu over de woorden:
Op die toren zag ik vijf gestaltes. Zij stonden los van elkaar maar onder één enkele boog. Naar boven toe had die boog een kegelvormige spits.
Dat is zo omdat in die toren – dat wil zeggen: in de kracht van de besnijdenis – vijf sterke deugden samenhangen, niet doordat elke deugd een zelfstandige positie inneemt, maar in de activiteit van de mens slechts één afstraling is van God. De mens wordt immers met deugden toegerust omdat die het werk van de mens bepalen in zijn samenwerking met God.

Daarom zijn deze vijf deugden in deze toren aanwezig als de vijf zintuigen bij de mens. Heel treffend raken zij aan de besnijdenis. Zij snijden de ongerechtigheid weg. Zo worden ook de vijf zintuigen van de mens binnen de Kerk door het doopsel besneden. Toch werken de vijf zintuigen niet zelfstandig in de mens, maar de mens werkt er mee, en zij doen het met de mens. Zo zijn zij elkaar van dienst. En ieder afzonderlijk werken zij zich zeer ijverig in het zweet, elk met een eigen toppunt van prestatie in de vorm van een toren, dat wil zeggen met een goed gevormde waardigheid door de deugd van standvastigheid.

En de eerste gestalte staat gericht naar het oosten. Die deugd heeft wenend van liefde uitgekeken naar de Zoon van God, opdat, zodra de Zoon gekomen zou zijn, Hij openlijk zou spreken over het eeuwig leven dat de (periode van) besnijdenis slechts in het verborgene heeft gehad.

De tweede gestalte staat gericht naar het noordoosten, want die heeft gedeeltelijk zowel naar het oosten als naar het noorden gekeken. Hij keek vol plichtsbesef als het ware naar het oosten. Hij was boos over de ongepastheid van de ongedisciplineerde losbandigheid, namelijk omdat God niet in ere werd gehouden, en ook omdat men er misprijzend deed over het feit dat de wet van God bij het volk niet in ere werd gehouden.

De derde gestalte staat gericht op het noorden. Hij smakt de oeverloze losbandigheid die hij veracht, genadeloos op de grond. Hij verdedigt zich daar tegen met een terechte instelling.

De vierde gestalte staat gericht naar de zuil van het Woord van God, waartegen Abraham gezeten is. Want de vierde gestalte hangt samen met de menswording van Gods Zoon. Die is voor Abraham als een fundamenteel iets, als een voorteken met een betekenis van uitzonderlijke diepgang, namelijk de ram die verstrikt is geraakt in een doornstruik (verwijzing naar Abraham in Gen.22,13)

De vijfde gestalte kijkt uit op de toren van de Kerk en naar de mensen die her en der in het gebouw heen en weer lopen. Hij heeft zich opgericht om glorierijk elke ongerechtigheid te vernietigen die bij Adam begonnen is. Hij kijkt uit naar de kracht van de Kerk opdat deze glorierijk ten strijde zal trekken tegen de duivelse ongerechtigheden. Hij ziet ook om naar de mensen die in het gebouw heen en weer rennen met een bonte verscheidenheid van zedelijk leven. Hij geeft hen inzicht in de angstaanjagende ijver van God met de bedoeling dat zij als schapen van de gerechtigheid zullen volharden.

4. Over de praktijk van deze deugden en de betekenis daarvan.

Maar wat betekent het dat zij in één ding met elkaar overeenkomen? Dat betekent dat zij God met evengrote toewijding vereren in het doen en laten van de mensen. Want al deze gestalten waren als het ware op gelijke wijze gekleed in zijden gewaden. Dat duidt er op dat elke deugd van hen zoetheid en zachtheid bevat. Op geen enkele wijze beladen of belasten zij mensen daarmee. Maar zoals balsem zoetjesaan uit zijn struik neersijpelt, zo bewerken zij op milddadige wijze de zoetheid van het hemelrijk in de geest van de mensen. Dat gebeurt zonder ruwe en harde ongerechtigheid.
En zij dragen witte schoenen. Zij volgen mijn gerechtigheid recht-toe recht-aan in de witte sfeer van het hemelrijk, dwars door de onderwerping van de duivel heen. Daarbij vertrappen zij elk spoor van hem bij de mensen.

Maar de vijfde gestalte schijnt van alle kanten bewapend te zijn. Die houdt het oog op de Kerk gericht. Daar worden de heftigste gevechten geleverd tegen de duivelse ondeugden. In de Kerk behaalt hij overal de overwinning met het aller kostbaarste wapen namelijk de onoverwinnelijke kracht van God. Waar die voorbij komt, doodt hij elk onrecht tot verwarring van het duivelse bedrog.

Maar de tweede en de derde gestalte zijn blootshoofds en hebben loshangend wit haar. Dat betekent dat zij zichzelf geen enkele lastige taak opleggen, en uit liefde voor Mij leggen zij zich ook niet de last van rijkdom of begeerte op. Zij doen het blootshoofds. Dat betekent dat zij hun geweten met volle bewustzijn aan Mij openbaren, altijd brandend van liefde voor Mij. Zij gooien alles van zich af wat hen door de begeerte van het vlees verwart en bezwaart. Dat wordt aangeduid door hun witte haren. Want die verwijzen naar de heldere geest die haakt naar goede werken.
Zij dragen geen mantels. Zij werpen immers de heidense gewoontes af samen met de onkuisheid en viezigheid van de duivel en met alle wereldse zorgen. Want de wijsheid van deze wereld is dwaasheid bij God (cfr.1 Cor.3,19).

De eerste, de derde en de vierde gestalte, zijn allen gekleed in witte tunica’s.
Dat duidt op het aannemen van de onschuld. In zoete kuisheid verwijst die naar de menswording van mijn Zoon. Hij heeft de mens aan de dood onttrokken door hem te bekleden met een leven van redding.
Maar er is onderscheid tussen hen. Hun kracht is gelegen in de gave van de Heilige Geest wanneer de ene deugd dit hulpmiddel voor de ziel aandraagt, en de andere deugd een ander hulpmiddel. Toch is het allemaal één ijverig streven van God, zodat het hemelse Jeruzalem hiermee op volmaakte wijze opgebouwd kan worden. Deze deugden zijn het werk dat de mensen verrichten en waardoor zij bij God aankomen.

5. Speciaal over de hemelse liefde; de praktijk en de betekenis daarvan.

Vandaar dat de eerste gestalte verwijst naar de hemelse liefde. Want vóór elke andere zorg moet die bij de mensen aanwezig zijn. De eerste gestalte droeg een hogepriesterlijke hoofdtooi. Zijn haren waren gekamd en wit.
Dat slaat allereerst op de gekroonde gestalte van de Hoge Priester Jezus Christus. Vervolgens geldt dat ook de hogepriesters van het Oude Testament, en degenen die tegen de Zoon van God gezegd hebben: Och, scheurde U de hemel maar open, en daalde U maar naar omlaag! (cfr. Is.64,1).
Die gestalte staat daar blootshoofds zonder een vrouwelijke hoofddoek om, ten bate van hen die in het wit gekleed zijn. Dat is de voorafbeelding van het feit dat het priesterambt bij de komst van mijn Zoon vrij moet zijn van de verplichtingen van het huwelijk. Terwille van het heil moet Hij in het ongehuwd leven nagevolgd worden door zijn priesters. Zo moeten zij Hem met de volmaaktste hemelse liefde aanhangen, zodat zij op afstand blijven van het armoedig zedelijk gedrag van de mensen en van de besmetting met zonde. Zij moeten een helder en zuiver deel van Gods geestelijke gave zijn.

Deze gestalte was gekleed in een soort witte mantel die aan de onderkant twee met purperdraad doorweefde randen had.
Dat betekent dat de genade van God deze gestalte omgeven heeft met de witte kleur van de zachtmoedigheid, ondersteund en versierd aan de uiteinden van de kleren die hem bedekten met de versieringen van de tedere liefde. Want men moet begrijpen dat de goddelijke genade uiteindelijk in ieder goed werk aanwezig moet zijn, en dat die tweeledig is, namelijk in de kracht van de liefde van God en die van de mensen.
Dan nog wat betreft: In de rechterhand houdt de gestalte een lelie en in de andere bloemen.
Dat betekent dat er voor iedere goede daad de witte beloning is van lelies, dat wil zeggen de beloning van het eeuwig leven en de helderheid van het eeuwig licht, en de andere bloemetjes van heiligheid die er mee gepaard gaan en die er door de hemelse liefde aan toegevoegd worden.
Maar in de linkerhand houdt de gestalte een palmtak. De betekenis daarvan is dat de gestalte, als hij aan de dood denkt, een palmtak draagt. Die komt voort uit zijn verborgen gelukzalige deugd. Met die deugd bedelft hij de dood als het ware onder een lawine van stenen, zoals de gestalte ook met zijn woorden verklaart. Zoals hierboven vermeld is geworden, richt hij die woorden tot de kinderen van God.

6. Speciaal over de zelfbeheersing en wat die behelst en betekent.

De tweede gestalte gaat over de zelfbeheersing. Want op de liefde tot het eeuwig leven ontspruit de beheersing van de vleselijke begeerlijkheid in de tucht van grote zelfbeheersing.
Deze gestalte gaat gekleed in een paarse tuniek omdat hij temidden van de mensen omgeven is door mijn wet en door de versterving van het vlees. Dat vindt plaats in een purperen gewaad naar het voorbeeld van mijn Zoon, die in liefde geboren is uit een Maagd. Die liefde heeft in Hem volledig doorgewerkt.
Die gestalte staat daar als een jongeman die nog niet de volle leeftijd van een man bereikt heeft maar toch een diepe ernst bezit. Zelf beheersing is immers altijd in een jongensachtige vrees aanwezig, omdat een knaap in zijn groei ontzag heeft voor zijn meester waarbij hij in de leer is. Vandaar ook dat Ik, de Almachtige, altijd leermeester ben van zelftucht. Die is in Mij, om zo te zeggen, niet op volle mannelijk kracht actief, want die wil zich nog niet voluit manifesteren in de uitoefening van zijn wil, maar wel trouw in eerbiedige zelfbeperking, zoals Hij in bovengenoemde bewoordingen laat zien.

7. Speciaal over de eerbied: de praktijk en de betekenis daarvan.

De derde gestalte laat zien wat eerbied betekent. Want na de zelfbeheersing komt de bescheidenheid van eerbiedige schroom opzetten. Zij verdrijft daarmee de verwarring van de zonde. Daarom bedekt hij zijn gezicht met de witte mouw van zijnrechterhand. Hij schermt als het ware zijn innerlijk bewustzijn af tegen verkrachting en duivelse bezoedeling alsof het het gelaat van zijn ziel betreft. Hij verdedigt zich met het witte kleed van onschuld en zuiverheid. Hij heeft die bij wijze van spreken in zijn rechterhand oftewel in het heil van zijn werken. Want de minachting voor elke vunzigheid van de Satan hecht er zich krachtig aan. Die vunzigheid werpt hij flink van zich af zoals hij ook zelf in de voorgaande woorden van zijn vermaning aangeeft.

8. Speciaal over het mededogen: de praktijk en de betekenis daarvan.

De vierde gestalte betekent medelijden, want na de eerbied verheft zich de deugd van het medelijden met de behoeftigen want ook in het hart van de eeuwige Vader is het oprechte medelijden van zijn genade aanwezig. Door medelijden bewogen heeft Hij het immers in het Oude Testament zo geregeld dat Hij om te beginnen medelijden met Abraham heeft getoond. Hij heeft hem uit zijn land weggeleid en hem opgedragen dat hij zelf en zijn nakomelingen besneden zouden worden Daarmee heeft Hij hem grote wonderlijke zaken geopenbaard in de ware Drievuldigheid. Door die zaken heeft Hij ook op symbolische wijze de komst van zijn Zoon aangekondigd. Dit alles behelst het mededogen dat Abraham vooraf uitbeeldt in zijn offer van Izaak.

De vierde gestalte droeg een sluier op zijn hoofd. Het was een witte sluier die het haar bedekte zoals vrouwen dat hebben.
Dat is als het ware het versluierde begin van de verlossing alsof het het hoofd betreft van degene die medelijden heeft met de verloren zielen en die hij uit de ballingschap van de dood terugbrengt onder de blanke sluier van vroomheid. Want zij maakt de zielen blank en de mens maakt zij weer stralend omdat hij samengewerkt heeft met het medelijden van God. Want voor de mensen die God met minachting beschouwen zolang zij nog in zonde leven, schittert de barmhartigheid als een zonnestraal van blanke zoetheid nadat hun vanuit de hemel genade ten deel gevallen is. Het mededogen in de gedaante van een vrouw is als een zeer vruchtbare moeder voor de zielen die in staat van verwerping verkeren. Want zoals een vrouw haar hoofd bedekt, zo onderdrukt het mededogen de dood van de zielen. En zoals een vrouw zachter is dan een man, zo is ook het mededogen zachter dan de razende waanzin van de misstappen in de zieke toestand waarin de zondaar verkeert voordat zijn hart geraakt wordt door God. Daarom wordt die deugd ook voorgesteld in een vrouwelijke gedaante. Want in vrouwelijke kuisheid vervat, is maagdelijke materie in de schoot van Maria opgekomen als het zoetste mededogen dat altijd al in de Vader verborgen aanwezig was totdat de Vader haar door de Heilige Geest zichtbaar maakte in de schoot van de Maagd.

En de gestalte droeg een paarskleurige mantel. De betekenis daarvan is dat die gestalte omgeven was door een zeer schitterende zon. Dat is het teken van mijn Zoon die vanuit de hemel in de wereld straalt, zoals de zonneschijn op de aarde. Mijn Zoon is immers werkelijk de zon die de aarde verlicht via de heiligmaking van de Kerk.

Op zijn borst draagt hij de beeltenis van mijn Eniggeboren Zoon. Dat duidt op het feit dat Ik mijn Zoon aan de borst van het mededogen heb gevlijd, toen Ik Hem in de schoot van de Maagd Maria heb gelegd.

Daarom staat er op de borst van die deugd geschreven: Dankzij de innige barmhartigheid van onze God waarmee Hij oprijzend uit de hoge hemelsfeer naar ons toegekomen is (cfr.Lucas 1,78 en Mal.3,20vv). Wat betekent dit? Overal waar mijn macht rondwaart, wordt het duidelijk in het heimelijk kennen van de inborst van de barmhartigheid, dat mijn Zoon werkelijk barmhartig is.
Hoe dan? Zoals het beschreven staat in het Evangelie in wat mijn dienaar Zacharias zegt in het Evangelie (Lk.1,78) Dankzij de innige barmhartigheid van onze God waarmee Hij oprijzend uit de hoge hemelsfeer naar ons toegekomen is Dat betekent: door de schoot van het vaderlijk mededogen is redding gekomen. Want zoals de ingewanden in een mens, zo lag het in het hart van de Vader verborgen dat zijn Zoon op het einde der tijden mens zou worden. Toen heeft God de mensen bezocht. Op welke wijze? Door het hemels brood dat zijn Zoon toch is, geboren in het vlees uit de Maagd Maria. Hij komt van omhoog – dat is uit het hart van de Vader- om de allergrootste barmhartigheid te brengen aan de mensen die zijn mededogen zoeken, zoals dat mededogen ook zelf de kinderen van God aanspreekt in boven aangehaalde bewoordingen.

9. Speciaal over de overwinning: de praktijk en de betekenis daarvan.

De vijfde gestalte verwijst naar de overwinning, want na het mededogen dat Ik heb laten zien in de besnijdenis, terwijl Ik mijn Zoon in de wereld wilde zenden, is de overwinning nog tijdens de besnijdenis een feit geworden. Op die manier ben Ik met nog meer kracht voortgegaan tot de komst van mijn Zoon en samen met Hem (zal Ik dat blijven doen) tot de jongste dag. Immers in mijn Zoon heb Ik het oude serpent overwonnen. Hij heeft zijn hand overspeeld toen hij het mensengeslacht met duizend ongerechtigheden wegkaapte. Daarmee houdt hij het mensengeslacht vastgeketend. Maar mijn Eniggeboren Zoon heeft die ongerechtigheden met alle strijdbare wapens overwonnen. Die wapens kwamen op bij de menswording van de bloem van alle deugden. Wat wordt daarmee bedoeld? Na de barmhartigheid volgt de overwinning wanneer de mens zichzelf en alle tegenstrevende ondeugden overwint. Hoe dan?

In de vijf genoemde deugden staat de hemelse liefde voorop en wel in het feit dat de mens God kent en erkent door Hem boven alles te beminnen. Vervolgens – als gevolg van zijn geloof – komt de mens in aanraking met de wet van de zelfbeheersing waarmee hij met goede en gepaste eerbied de hang om te zondigen in bedwang houdt. Daarom wordt de mens door deze drie deugden tot in zijn hart gerechtvaardigd. Dan krijgt hij oog voor iets anders namelijk voor de benarde toestand van zijn naaste om wie hij zich zal bekommeren in al zijn behoeftes alsof het hemzelf betrof.

Spoedig daarna wordt de mens met zijn drie deugden een krachtige krijger waardoor hij van binnenuit volmaakt is en in medelijden mijn Zoon als een barnhartige Samaritaan navolgt. Op deze wijze overwint hij met de wapens van zijn onoverwinnelijke deugden de krachten van de duivel. En dat doet hij door zichzelf te overwinnen en zijn naaste te begeleiden. Met die deugden overwint hij alle kwaad door de trots af te werpen die Adam uit het paradijs verdreven heeft.

En diezelfde deugd draagt een helm op zijn hoofd. De betekenis daarvan is de volgende: Vervuld van het hemelse verlangen naar God die aan het hoofd van alles staat, moet de mens er hevig naar verlangen om het eeuwig heil te bereiken. Hij is ook gehuld in een harnas om aan te geven dat de mens aan de duivel moet weerstaan. In rechtschapenheid moet hij de wil om zijn vleselijke lusten te bevredigen beteugelen. Hij moet met oprechte vrees en terechte angst aan God onderworpen zijn. Getrouw moet hij diens strikte oordeel vrezen, zoals de psalmdichter David het op mijn aangeven formuleert:

Hemelvuur striemt de wereld met licht zodat de aardbodem siddert en schokt (Psalm 76(77),19).
Dat betekent: “Uw wonderen en geheimen, Heer van al wat bestaat, hebben geschitterd en kwamen aan het licht”. Hoe dan? Het is zoals de bliksem die gedeeltelijk zichtbaar en gedeeltelijk onzichtbaar is. Uw mysteries worden nu eens begrepen en dan weer niet. Er bestaat immers geen volk dat over de hele breedte van de aardbol is verspreid – de aardbol die volgens uw wil zo wonderlijk is geschapen – of daar is de naam van uw glorie en de macht van uw majesteit op verschillende manieren en door wonderlijke tekenen prachtig doorgedrongen. Dat is zelfs het geval als het licht van het geloof en van de waarheid er nog niet op volkomen wijze tot het heil van de mensen heeft geschenen. Daarom wendt de mens zich bewogen en met grote verzuchtingen af van zijn eigen wil. Bevend laat hij zijnbegeertes varen omdat hij het opperste oordeel vreest. Voorheen wandelde hij immers in aardse bezigheden en was hij zichzelf in achteloosheid vergeten. Maar nu keert hij wijselijk naar zichzelf terug.

Voornoemde deugd-gestalte heeft scheenplaten aan. Dat verwijst naar het feit dat hem de rechte weg gewezen is, en dat hij de wegen van de dood door middel van lichamelijke versterving zou ontvluchten.

Hij heeft ook ijzeren handschoenen aan. Dat is om te ontkomen aan de werken van de duivel door middel van de besnijdenis van de geest en door een zeer zuiver geloof in God. Aldus ontsnapt hij aan de strikken van de zeer grimmige vijand.

In zijn linkerhand draagt hij een schild dat van de schouder naar beneden hangt. De linker kant want daar vindt het duivelse gevecht tegen de mens plaats, en die kant wordt omgeven door de genade van Gods krachtigste geboden. Daardoor is de mens door zulk een kracht van het geloof omgeven en verdedigd, dat de duivel hem niet kan verpesten met zijn influisteringen, en dat de mens niet ten prooi valt aan zijn ondeugden. Hij is immers vanaf zijn schouders gepantserd door Gods bescherming. Want de genade van God gaat gepaard met de kracht van de ziel die gericht staat op God via de band van de liefde tot God en de naaste

De gestalte is omgord met een zwaard. De mens moet zich immers in bedwang houden door zijn lichaam te kastijden overeenkomstig de gestrengheid van het woord van God. Hij moet de ongerechtigheid van zichzelf en van de andere mensen wegsnijden. En in zijn linkerhand heeft hij een lans. Dat betekent dat de mens met vertrouwen op God en manmoedig iedere duivelse ongerechtigheid kan overwinnen. Dat doet hij met de grootst mogelijke vrede in de Heer. Die vrede is de ware rechtschapenheid tegen de smerigste strijd van de duivel en de mens. Die strijd kan alleen maar moeilijk en met hulp van God tot een goed einde worden gebracht.
Dan nu over het feit dat er aan de voeten van de gestalte de gedaante van een leeuw ligt met opengesperde muil. Dat is de duivel die neergeveld is door de overwinning die behaald werd door de voeten van hen die het rechte pad van leven en waarheid zijn gegaan, toen de Satan op zeer bittere wijze en met opengesperde muil het mensengeslacht verslond. Zijn tong hing uit zijn muil. Dat duidt op zijn zelfoverschatting waarmee hij in zijn vreselijke boosaardigheid het hele mensengeslacht vanaf Adam volledig meende te kunnen verslinden.

En ook onder de voeten van de gestalte liggen enkele mensen. Via hun gluiperigheid zijn dat de verlammende zweren van de duivel. Die sluipen binnen bij het begin van elk kwaad. Vol ijver voor God en voortgaande in rechtschapenheid verbrijzelt de gestalte deze zweren. Die perverse manipulaties onderwerpen zich op verschillende manieren aan de duivel en staan in zijn dienst.

Sommige mensen deden klaroenen weerschallen. Dat duidt op het feit dat zij zich te buiten gaan zodra het kwaad van zich laat horen. Ziek gaan zij als een dolle te keer uit haat tegen de rechtvaardigheid van God. Geslacht na geslacht gebeurt dit in grote hoogmoed.
Andere mensen maken spottend een hels kabaal met verschillende muziekinstrumenten. Zij zijn bedrieglijk bezig met hun fantasierijke zinsbegoochelingen die bij de duivel horen. Ook zijn zij hardnekkig bezig in een opgeschroefde overmoed en met schele ogen kijkend naar de strenge tucht van God.

Nog andere mensen verdoen hun tijd met allerlei spelen. Zij houden zich bezig met allerlei bezoedelende ondeugden, die zij overeenkomstig hun wellustige wil, en zoals zij die zelf uitdenken, plegen op aanstichten van de duivel.
Deze gestalte vertrapt al deze mensen met zijn voeten inclusief de leeuw. In Gods gerechtigheid en met opperste ijver verbrijzelt deze gestalte al deze ijdelheden van het volk evenals de verleidingen van de Satan.

En met de lans die de gestalte in zijn rechterhand houdt, doorboort hij hen fel. Stoutmoedig en met vertrouwen op God doorboort en verwondt de gestalte allen heel erg en smartelijk vanwege hun onreinheid. Want door God worden zij ontgoocheld en totaal nietswaardig geacht, zoals de gestalte ook zelf in al zijn vermanende woorden tot uitdrukking heeft gebracht.

10. Over de houding van het geduld en de verzuchting, en wat die betekent.

Wat je binnen in het gebouw ziet, zijn twee andere gestaltes die tegen deze toren aan staan. Dat betekent dat de hemelse Vader binnen het werk dat Hij door zijn Zoon volbracht heeft, Hem openlijk heeft aangewezen in zijn duidelijk optreden, en dat Hij in de besnijdenis op verholen wijze aan het licht is getreden. Daar gaan twee deugdelijke leefwijzen mee gepaard. De ene is het voorbeeld van Christus navolgen, en de andere is in zijn voetstappen treden. Dat betekent dat dit met alle kracht en eerbied dient te gebeuren, de voorop gaande wil van God tegemoet. Want daarin laten zij de vrucht zien die in de besnijdenis ligt opgesloten.

De eerste gestalte lijkt daar te staan op het plaveisel van het bouwwerk, als het ware onder een boog met een prachtige vuurgloed. Die boog was aan de binnenkant beschilderd met verschillende afbeeldingen van boze geesten. Hij leunde tegen de toren aan.
Dat betekent dat die deugd uitgeoefend wordt door de aardse zaken te vertrappen vanuit de goedheid van de Vader, en door, naar het voorbeeld van Gods Zoon, nauwgezet dwars door de verlangens van het vlees heen te gaan.
Hoe gebeurt dat dan? Met grote gelatenheid gaat die gestalte dwars door de tegendraadse dingen van de wereld heen, nadat hij die binnen de boog stevig onderzocht en uitgezeefd heeft.
Dat betekent: binnen de geldende normen van de wereldlijke macht die vurig is in de verschrikking van de aardse hoogmoed en die eigen is aan de duivelse menigte. Deze trekt de innerlijke vleselijke begeerten van de ziel naar zijn wil toe. En dat doet zij terwijl die boog zich ondertussen op velerlei wijzen verzet tegen wat juist en goed is. Die menigte veracht in het ware verbond wat gebouwd is op God. Maar met de hulp van God blijft de deugd overwinnares in de goede mensen, ook al worden zij erg bestookt en afgemat door de hinderlagen van de kwaadwilligen.

Maar de andere gestalte die aan de buitenkant van de boog staat, staat zover ter zijde dat die onder geen enkele boog staat. Want terwijl de eerste gestalte de hoogmoedige macht geduldig overwint, – die hem overigens veel last heeft bezorgd -, schrijdt deze tweede gestalte aan die macht voorbij. Want wat de last aangaat die deze macht met zich meebrengt, die is als het ware buiten die macht ontstaan ofschoon in de buurt daarvan. Bedoeld is de herinnering aan de kommervolle ellende waaruit zij is voortgekomen. Deze gestalte neemt haar standplaats in zonder de druk van de boog, aangezien zij vrij is van de macht van dit tijdelijk bestaan door openlijk het kruis van Christus te dragen.

Wat betekenen nu de woorden: beide gestaltes houden ondertussen de genoemde toren in het oog? Dat betekent dat zij zelf het volledige werk voorstellen voorafgaand aan de wil van God. Zij zien in de besnijdenis van het Oude Testament de oorsprong van hun wortels. Maar toch zijn zij groter dan in het begin toen zij nog in de tijd van de besnijdenis leefden. Want elk schitterend werk gaat aan het begin van de leer vooraf.

Wat betekent nu: Ondertussen kijken zij ook naar de mensen die het gebouw in- en uitlopen. Daarin is ook de aansporing van de Heilige Geest gelegen voor de volken die naar God gaan langs de weg van de gerechtigheid. En ook is het een waarschuwing die uitgaat naar hen die zich onder de misdadige invloed van de duivel bevinden en willen afdwalen van de weg van de gerechtigheid. Vandaar dat zij door hen worden aangemoedigd om hen te volgen in het doen van het goede.

11. Over hun kleding en wat die betekent.

Ook zijn zij gekleed in zijden gewaden. Dat duidt op de zachtmoedigheid waarin zij leven opdat zij niet bezwaard zouden worden door verontwaardiging over de ellende van de vervolgingen.

En ze dragen een hoofdtooi, een witte sluier, zoals vrouwen dat plegen te doen. Het is immers terecht dat de mens met zijn hoofd onderworpen is aan God door zich in zijn geest permanent met liefde te omgeven. Zo kan hij Hem met vreugde en blijdschap omarmen, zoals een vrouw haar man met oprechte eerbied en liefde bejegent overeenkomstig de bedoeling van God.

Maar zij dragen geen mantels, want zij bekommeren zich niet om wereldse zaken. Zij neigen slechts naar de dingen die in het toekomstig leven bij God eeuwigheidswaarde hebben.

Maar zij dragen wel wit schoeisel. Op hun wegen van gerechtigheid stralen zij immers vanwege de blanke witheid van het geloof in hun hoofden, opdat de mensen in de voetstappen van hun voorbeeld zouden treden.

12. Speciaal over het geduld en haar kleding en wat dat betekent.

(NB. In dit nummer maakt Hildegard gebruik van het bijbelse woord cornus=hoorn.
Een opgestoken hoorn heeft de betekenis van weerbare kracht; een afgehouwen of gebroken hoorn betekent verlies van kracht.)

De eerste gestalte verbeeldt het geduld, want die deugd komt op in de hoorn van Abraham. Daarmee wordt het begin van gehoorzaamheid bedoeld toen hij aan God gehoorzaamde. In zijn besnijdenis is dat als het ware het eerste geluid van gehoorzaamheid na de val van Adam. En dat is dan tevens een vooruitlopen op de praktische gehoorzaamheid in de ware zin van het Woord dat in de Zoon van God aanwezig is, zoals het geluid de drager is van een woord.
(NB. Jezus wordt door Sint Jan “Het Woord van God genoemd. Cfr. Jo.1,14: En het Woord is vlees geworden.)

En op zijn hoofd heeft hij als het ware een driehoekige roodachtige kroon, zoals een edele hyacint prachtig rood is. Dat betekent dat het verstand van gelovige mensen in het begin door het geloof in de Heilige Drievuldigheid ten zeerste gekroond wordt, wanneer zij uit liefde voor God en het ware geloof, hun vleselijk bestaan minachten en niet aarzelen om hun bloed te vergieten. Ook de Zoon van God heeft door mens te worden de dood overwonnen met het rood van zijn bloed. De Kerk is daarmee gesierd als met het rood van een hyacint in haar pracht.

Die gestalte is ook in een witte tuniek gekleed waarvan de plooien overal goed zichtbaar groengekleurd zijn. Dat betekent dat hij het kleed van het werk van God aantrekt in de blanke witheid van het eeuwige licht, in de plooien versierd met klachten en verzuchtingen van iemand die zegt: O, wanneer zal ik het ware licht aanschouwen ?(cfr. Ps.41[42],3). Dit verlangen doet zich in dit leven op gelukkige maar verholen wijze voor. Daardoor worden de tegenslagen van de gelovigen opgevrolijkt tot groene groeikracht voor de ziel die bezocht wordt door veel rampen, maar die zij geduldig voor God verduurt. Diezelfde deugd verklaart dat ook in de hiervoor aangehaalde bewoordingen.

13. Speciaal over de verzuchting en haar kleding en de betekenis daarvan.

De andere gestalte slaakt verzuchtingen. Want na het geduldig verdragen van alles wat tegen zit, komt bij mijn uitverkorenen een verzuchting op bij de gedachte aan het leven. Door mijn vermaning komt die verzuchting zodat Ik vanuit mijn hart mijn Zoon gezonden heb omwille van de verzuchting van mijn volk. Want mijn volk, zowel in het oude als in het nieuwe testament, had en heeft deze herinnering van de Geest die de verzuchtingen verstaat in haar smartelijke uitingen, want het is waarachtig een doorn in het hart.

Daarom bevindt de gestalte zich ook in de noordelijke streek om te vechten tegen de ontketende onreinheid van de duivelse hinderlagen. En hij is gekleed in het wit, maar toch een beetje vaal.
Hij is weliswaar omgeven door goede werken die in een oprecht geloof tot stand zijn gekomen, maar toch is dat geloof een beetje flets. Want altijd is er dat gezucht en geween terwille van het eeuwige geluk.

En nu over het feit dat hij in haar rechter hand een kruis draagt met de beeltenis van de Verlosser terwijl hij zijn hoofd daar naar toe neigt. Dat betekent dat hij rechts, dat is de juiste zijde van zijn krachtige daad, het lijden van mijn Zoon omhelst met heel het verlangen van zijn goede bedoeling hunkerend naar en zich voegend bij Hem. Hij volgt Hem in zijn smarten en zorgen zoals hij ook laat zien in de boven aangehaalde woorden van zijn aanmoediging.

Vandaar ook dat je ziet hoe alle genoemde gestaltes al hun woorden uitspreken overeenkomstig het geheim van God tot vermaning van de mensen. Want via alle deugden van de zachtmoedigheid onderricht de vroomheid tot God de mensen door hun denken aan te sporen om het kwade los te laten en zich te richten op het goede. Wie echter aan zijn innerlijke verstand scherpe oren heeft, zal zich in vurige liefde aan Mij spiegelen, haken naar mijn woorden en ze bewust in zijn ziel opschrijven.

HET VIERDE VISIOEN

HOOFDSTUKKEN VAN HET VIERDE VISIOEN VAN HET DERDE DEEL

1. De eerzame deugden traden aan het licht toen de gestrengheid van de Wet werd verzacht door de menswording van het Woord van God.
2. De aartsvaders gaven al aan dat de Wet nabij was.
3. Geen enkele hoogmoed kan de kracht van God weerstaan.
4. De gerechtigheid van God moet gevreesd worden, en de hoogte daarvan gaat ieder schepsel te boven
5. Het woord van God kent drie scharpe kanten: het Oude Testament, de nieuwe genade en de verklaringen van de goddelijke boeken.
6. De eerste kennismaking met de goddelijke Wet, de werking van het Evangelie, en de uitmuntende wijsheid van de belangrijkste leermeesters.
7. God heeft het begin van de Wet laten duren vanaf de tijd van de aartsvaders en de profeten tot aan de openbaring van zijn Zoon.
8. De aartsvaders en de profeten hebben de evangelische boodschap geëerd door zich over de menswording van de Zoon van God te verwonderen.
9.Vanaf de eerste tot en met de laatste uitverkorene is Gods Woord bij wijze van voorafbeelding verborgen gebleven voor de zielen van de Oudsten.
10. De leer van de Zoon gaat uit van de Vader en keert tot de Vader terug. Die leer verbreidt zich tot vrucht van zegening en bereikt zo de leraren van de Kerk.
11. Door de prediking van Christus zijn er apostelen gekomen, en martelaren en andere uitverkorenen.
12. Na het Evangelie is de wijsheid van de goddelijke Schrift onder de mensen verspreid.
In het begin was er maar weinig aandacht voor. Ten slotte werd die aandacht maar zwak vanwege de bekoeling van de liefde.
13. In het begin moet de mens bedeesd aan een goed werk beginnen, halverwege sterk en standvastig, en op het einde nederig.
14. De mysteries van Gods Zoon aanwezig in het allerdiepste geheim van de Vaderzijn in het Oude en het Nieuwe Testament openbaar gemaakt, en door de genade van de Heilige Geest zijn ze verklaard geworden. Dat wordt slechts verholen aan de mens geopenbaard die maar stof is.
15. Over de kennis van God, de status daarvan, en wat die betekent.
16. Hoe staan de engelen daar tegenover; en waarom hebben zij vleugels?
17. Over hen die bijeengedreven schapen worden genoemd.
18. Over het feit dat God sommigen wat zachter aanpakt, anderen forser, en weer anderen met de grootst mogelijke ellende naar lichaam en geest.
19. Het voorbeeld van de Farao, Mozes en Aaron in deze aangelegenheid.
20. Over hoe God, die de mensen gadeslaat, hen straft en troost.
21. Woorden van Wijsheid van Salomon.
22. Waarom de Goddelijke Wijsheid de mensen ziet alsof ze bekleed zijn met nieuwe kleren.

HET VIERDE VISIOEN VAN HET DERDE DEEL

Boven de toren van Gods voortgaande wil uit, maar toch één el onder de noordelijke hoek, zag ik iets dat op een staalkleurige kolom leek. Die kolom stond tegen de buitenkant van het zoëven genoemde lichte gedeelte van de muur aan. Die kolom had een afschrikwekkende aan blik. Hij was zo groot en hoog dat ik hem onmogelijk kon schatten. Hij was bovendien driehoekig. Van de voet tot de top waren de hoeken zo scherp als een zwaard. De eerste hoek stond gericht op het oosten, de tweede op het noorden, en de derde op het zuiden. De kolom stond nagenoeg tegen de buitenzijde van het gebouw aan.

Van de voet tot de top groeiden er takken uit de oosthoek. Op de eerste tak, kort bij de voet, zag ik Abraham zitten. Op de tweede zat Mozes en op de derde Josua. Vervolgens zaten daar de overige aartsvaders en profeten, ieder één voor één ordelijk opwaarts op zijn eigen tak, overeenkomstig de tijd waarop zij elkaar hier op aarde waren opgevolgd.
Allen zaten zij gericht naar de noordelijke hoek van de kolom. Zij keken verwonderd naar wat zij daar in hun geest inde toekomst zagen gebeuren.

Maar tussen de twee hoeken waarvan de ene naar het oosten en de andere naar het noorden gekeerd stond, bevond zich voor het aangezicht van de aartsvaders en de profeten de zuil die van de voet tot aan zijn top – als het ware verwrongen en afgerond – vol rimpels zat alsof uit de bast van een boom een kiem moest uitbotten.

Maar vanuit de tweede hoek, de noordelijke, ging een glans uit van schitterende helderheid. Die strekte zich uit tot de zuidelijke hoek en weerkaatste daar tegen. In die gloed, zo groot en zo breed als die was, ontwaarde ik de apostelen, de martelaren, de belijders en de maagden, en nog veel andere heiligen. Zij verkeerden daar in grote vreugde.

Maar de derde hoek die op het zuiden gericht stond, was in het midden breed en omvangrijk, maar onderaan en in de top was die zuil enigszins dunner en versmald zoals een boog die men spant om er pijlen mee af te schieten. Op de top van die zuil zag ik een lichtgloed zo helder dat geen mensentong die zou kunnen beschrijven. Daarop verscheen een duif met een goudkleurige straal in zijn bek. Die straal overspoelde de kolom met sterk glanzend licht.

Terwijl ik naar dit alles keek, hoorde ik een stem uit de hemel die mij op zeer dreigende en bestraffende toon toesprak en zei: “Wat je ziet, komt van God”. Bij het horen van die stem beefde ik zó dat ik niet verder durfde toe te zien.

Toen zag ik ook binnen dat gebouw op de vloer een soort gestalte staan tegenover de zuil. Die gestalte stond nu eens naar de zuil te kijken en dan weer naar de mensen die in het gebouw op en neer liepen. Die gestalte straalde zoveel schittering en klaarheid uit dat ik vanwege de immense gloed die er van uitging, geen gezicht kon zien en ook niet de kleding die de gestalte aanhad. Het enige dat ik zag, was dat zij evenals de andere deugden verscheen in de gedaante van een mens.

Om die gestalte heen zag ik een heel mooie groep engelachtige wezens met vleugels. Zij stonden daar in diepe verering, met eerbiedig ontzag en vol liefde. Maar voor het aangezicht van de gestalte zag ik nog een andere menigte in menselijke gedaante en donkere kledij. Zij stonden daar in grote bevangenheid en vrees.

De genoemde gestalte bekeek de mensen die vanaf de wereld het gebouw binnenkwamen en daar van nieuwe kleding werden voorzien. Hij sprak tot ieder van hen: “Kijk naar de kleren die ja aangetrokken hebt, en wil je Schepper niet vergeten die jou geschapen heeft”.

Terwijl ik dit alles verwonderd in ogenschouw nam, sprak Hij die op de troon zat, opnieuw tot mij.

1. De eerzame deugden traden aan het licht toen de gestrengheid van de Wet werd verzacht door de menswording van het Woord van God.

Het woord van God waardoor alles geschapen is, is vóór alle tijden uit het hart van God geboren. Maar later, op het einde van de tijden, is het Woord uit een maagd mens geworden, zoals de oude heiligen voorspeld hadden. Ofschoon Hij de menselijke gedaante heeft aangenomen, heeft Hij zijn God-zijn niet afgelegd. Hij is en blijft met de Vader en de Heilige Geest de ene en ware God. Hij heeft de wereld verzacht met zijn mildheid, en hem met de glans van zijn heerlijkheid beschenen.

Vandaar de tekst: de zuil die je ziet oprijzen boven de vermelde toren van de voorop gaande wil van God. Dat duidt op het onuitsprekelijke geheim van Gods Woord. Met name betreft dat het feit dat alles wat in het Oude en in het Nieuwe Testament gerechtigd is, tot stand is gekomen in de Zoon van God. Het is allemaal door goddelijke inspiratie aan de trouw gelovige mensen geopenbaard tot hun heil. Dat is gebeurd toen de Zoon van de hemelse Vader zich verwaardigd heeft om uit een allerzoetste Maagd mens te worden. Immers toen bij het begin van de besnijdenis door de vooruitziende blik van Gods wil zich degelijke deugden hebben gemanifesteerd, heeft ook het geheim van het Woord van God duidelijke uitleg gekregen volgens een heel terechte logica. Toen is ook heel terecht het mysterie van het Woord van God verklaard geworden. Het zat al vervat in wat de Aartsvaders en de Profeten te verstaan hadden gegeven. Zij hebben voorzegd dat het Woord heel terecht openbaar gemaakt moest worden en al wat bestaat onderworpen moest worden aan God. Dat zou met de grootst mogelijke gestrengheid moeten gebeuren. Die gestrengheid is gepaard gegaan met diepsnijdende gerechtigheid van God. Zij heeft geen enkele verwerpelijke ongerechtigheid ongemoeid gelaten, maar juist met wettelijke geboden afgehakt.

2. De aartsvaders gaven al aan dat de Wet nabij was.

Maar één el onder de noordelijke hoek zie je een kolom staan. Dat duidt op een speciale menselijke omgang in een voortreffelijke buurtschap die er geweest is vanaf de tijd van de aartsvaders. Zij hebben gesproken over de strikte rechtvaardigheid van het Woord van God en de betekenis daarvan tot aan de Wet die als het ware in het noordelijk deel tegen de duivel gevochten heeft.

3. Geen enkele hoogmoed kan de kracht van God weerstaan.

Die kolom had een staalblauwe kleur en stond tegen de buitenkant van het zoëven genoemde lichte gedeelte van de muur aan. Dat duidt op het feit dat de kracht van Gods Woord onoverwinnelijk en onovertroffen sterk is. Niemand kan er aan weerstaan door zinloos verzet of door ijdele hoogmoed. De oude Vaders waren er weliswaar op bespiegelende wijze van buitenaf mee verbonden via beschouwende kennis en werken van gerechtigheid, maar ze waren er nog niet aan vastgeklonken met vurige en volmaakte daad die uitgaat van de Zoon van God. Dat bleek uit hun holklinkende woorden.

4. De gerechtigheid van God moet gevreesd worden, en de hoogte daarvan gaat ieder schepsel te boven

Die kolom had een afschrikwekkende aan blik. De gerechtigheid die aanwezig is in het Woord van God, moet door het menselijk geweten gevreesd worden bij een goddeloos oordeel van onrechtvaardige rechters die alleen maar oordelen overeenkomstig hun eigen voordeel.
Hij was zo groot en hoog dat ik hem onmogelijk kon schatten. Dat betekent dat het Woord, de Zoon van God, alle schepselen te boven gaat in de grootheid van zijn glorie, in de hoogheid van zijn godheid en in de vaderlijke majesteit. Dat is zo mateloos groot dat geen mens door de verdorvenheid van zijn vlees dit ten volle kan aanschouwen.

5. Het woord van God kent drie scherpe kanten: het Oude Testament, de nieuwe genade en de verklaringen van de goddelijke boeken.

Die kolom was driehoekig. Iedere hoek was van beneden tot bovenaan toe zo scherp als een zwaard. Die woorden betekenen dat de kracht van Gods Woord, rondgaand en wentelend, drie scherpe aangelegenheden heeft geopenbaard door de Heilige Geest. Het Oude Testament heeft die kracht aangeduid toen die nog in het Nieuwe Testament verklaard moest worden. Door de Heilige Geest heeft de kracht van God drie scherpe aangelegenheden aangereikt, te weten het Oude Verbond, de nieuwe genade en de verklaring daarvan door gelovige geleerden. In die drie aangelegenheden brengt de vrome mens tot stand wat juist is, aanvankelijk door het in zich op te nemen en voortgaand tot aan het toppunt waar het goede een aanvang neemt, steeds verder strevend naar volmaaktheid – zeg maar tot aan de top – wanneer hij het tot voltooiing brengt. Immers alles wat juist en goed is, was en is en zal in eeuwigheid in de scherp aanwezige Godheid blijven die overal doordringt, zodat geen enkele macht kan volharden in boosaardigheid wanneer de roem van zijn vroomheid die wil overwinnen.

6. De eerste kennismaking met de goddelijke Wet, de werking van het Evangelie, en de uitmuntende wijsheid van de belangrijkste leermeesters.

De eerste hoek wijst naar het Oosten. Dat betekent: het eerste ontstaan van de aanvang van het kennen van God vond plaats binnen de goddelijke Wet vóórdat de dag van alle gerechtigheid was aangebroken.
De tweede hoek wijst naar het noorden. Want na de aanvang van zijn goede en vastgestelde werking, zijn het evangelie van mijn Zoon en zijn andere voorschriften in Mij, de Vader, opgekomen tegen het noorden, waar alle ongerechtigheid is ontstaan.
De derde hoek is gericht op het zuiden, een beetje aanleunend tegen de buitenkant van het gebouw. Dat verwijst naar de diepe en uitstekende wijsheid van de belangrijkste geleerden
die door hun noeste werken van gerechtigheid en door de warmte van de Heilige Geest, duistere zaken in Wet en Profeten hebben blootgelegd. In de Evangelies hebben zij de kern laten zien en geschikt gemaakt om die te begrijpen. Terwijl zij voortdurend de uiterlijke materie van de Schriften voor ogen hadden, overwogen zij er het werk van Gods goedheid in en de mystieke betekenis er van.

7. God heeft het begin van de Wet laten duren vanaf de tijd van de aartsvaders en de profeten tot aan de openbaring van zijn Zoon.

Van de voet tot de top groeiden er takken uit de oosthoek van de driehoekige zuil.
Dat betekent dat door de Wet van gerechtigheid bij het begin van onze kennis van God als het ware in de oosthoek takken te voorschijn kwamen. Daar worden de tijden van de aartsvaders mee bedoeld.
De kolom van het goddelijk Wezen met zijn scherpe kanten laat alles ontstaan vanaf zijn wortels. Dat betekent vanaf het goede begin in het denken van zijn uitverkorenen, en zo verder tot aan zijn top, oftewel tot aan het verschijnen van de Mensenzoon die één en al gerechtigheid is.

Vandaar ook dat je op de eerste tak, kort bij de voet, Abraham ziet zitten. Door de scherp toeziende Voorzienigheid ging de tijd ten einde die bij Abraham begonnen was toen hij in alle gemoedsrust gehoorzaamde aan God en zijn vaderland verliet.

Op de tweede tak zit Mozes Want op inspiratie van God heeft vervolgens het begin van de inplanting van de Wet van Mozes plaatsgevonden als voorafbeelding van de Zoon van de Allerhoogste

Op de derde tak zit Jozua. Want hij heeft vervolgens van God de geest ontvangen om de gebruiken van Gods Wet sterker ingang te laten vinden op bevel van God.

Vervolgens zaten daar de overige aartsvaders en profeten, ieder één voor één ordelijk opwaarts gezeten op zijn eigen tak, overeenkomstig de tijd waarin zij elkaar hier op aarde opgevolgd waren. Immers in ieder tijdsbestek van de elkaar opvolgende aartsvaders en profeten heeft God iedere afzonderlijke afstammeling omhoog uitgeademd tot op de hoogte van zijn geboden. Dat gebeurde toen zij in hun dagen terecht en ordelijk in de hun getoonde gerechtigheid ontslapen zijn, trouw onderworpen aan de goddelijke majesteit, en overeenkomstig de tijd waarin zij geleefd hebben.

8. De aartsvaders en de profeten hebben de evangelische boodschap geëerd door zich over de menswording van de Zoon van God te verwonderen.

Allen zitten zij gericht naar de noordelijke hoek van de kolom. Zij kijken verwonderd naar wat zij daar in hun geest inde toekomst zien gebeuren.
In de geest aangespoord door de Heilige Geest, hebben allen zich toegekeerd en gekeken naar de evangelische boodschap van de kracht van Gods Zoon waarmee Hij de duivel bestreed. Zij spraken over de menswording van de Zoon van God. Zij waren verwonderd over het feit dat Hij uit het hart van de Vader en via de schoot van een Maagd kwam. Hij heeft zichzelf kenbaar gemaakt via grote wondedaden in zijn eigen optreden en in dat van zijn volgelingen. Op wonderbare wijze volgden dezen Hem in een nieuwe genade na door te vertrappen wat verwerpelijk is en door sterk te streven naar wat eeuwigdurende vreugde bevat.

9.Vanaf de eerste tot en met de laatste uitverkorene is Gods Woord bij wijze van voorafbeelding verborgen gebleven voor de zielen van de Oudsten.

Maar tussen de twee hoeken waarvan de ene naar het oosten en de andere naar het noorden gekeerd staat, bevindt zich voor het aangezicht van de aartsvaders en de profeten de zuil die van zijn voet tot aan de top – als het ware verwrongen en afgerond – vol rimpels zit alsof uit de bast van een boom een kiem moet uitbotten.

Dit is de betekenis daarvan. Tussen de twee toppunten, dat wil zeggen tussen mijn geopenbaarde kennis en de daarop volgende leer van mijn Zoon, heeft mijn enig Woord verborgen gelegen in de zielen van de oude Vaders in mijn voorschriften over de dingen die men in gedachten moest houden. Dat diende te gebeuren van de eerste uitverkorene tot en met de laatste heilige, omgeven in een mystieke kringloop. Want Hij heeft al zijn gereedschap goed op orde gereed gelegd en geslepen. Dat heeft Hij gedaan door zich liefdevol in een wentelende genade aan allen te openbaren zoals afgebeeld in de rimpels van de besnijdenis. Die besnijdenis is een vooruitziende afschaduwing geweest van de dingen die nog komen moesten*). in de door de gestrengheid van de Wet toegevoegde betekenis met daarin de juiste kiem geborgen van de meest verheven en heilige menswording.

*) Hier worden een paar woorden geciteerd van Kol.2,27 Dit alles is slechts een voorafschaduwing van de werkelijkheid die nog moest komen en die gevonden wordt in Christus.
Hildegard heeft het in dit nummer kennelijk over de gerimpelde voorhuid van de penis die in de besnijdenis verwijderd wordt.

10. De leer van de Zoon gaat uit van de Vader en keert tot de Vader terug. Die leer verbreidt zich tot vrucht van zegening en bereikt zo de leraren van de Kerk.

Maar vanuit de tweede hoek, de noordelijke, ging er een glans uit van schitterende helderheid. Die strekte zich uit tot de zuidelijke hoek en weerkaatste daar tegen.

Van het andere, het Nieuwe Testament, zijn de woorden van mijn Zoon uitgegaan tegen de duivel in. Die woorden komen van Mij, de Vader, en keren naar Mij terug. Want als de zon in het vlees schijnt, in mijn Zoon dus, dan schijnt het licht van het Evangelie in zijn prediking. Van Hem en van zijn leerlingen verspreidt dat licht zich als een vrucht van zegening. Zo keert het ook terug in de bron van heil. Op die manier bereikt het de leiders, dat wil zeggen: de mensen die de woorden van het Oude en het Nieuwe Testament doorvorsen. Daarmee laten zij zien dat de wijsheid samen met die zon is opgestaan en over de wereld straalt. In zijn zijde brandt die wijsheid hevig zoals de middagzon straalt over zijn uitverkorenen.
11. Door de prediking van Christus zijn er apostelen gekomen, en martelaren en andere uitverkorenen.

In die gloed, zo groot en zo breed als die was, ontwaarde ik de apostelen, de martelaren, de belijders en de maagden, en nog veel andere heiligen. Zij verkeerden daar in grote vreugde.

Terwijl mijn Zoon predikte en het licht van de waarheid verspreidde, zijn de apostelen in dat heldere licht verkondigers van het licht geworden. Zo kwamen er ook martelaren die als sterke strijders trouw hun bloed vergoten, en plichtsgetrouwe belijders die mijn Zoon navolgden, en maagden die het zaad van het Woord volgden, en al die andere geliefden van Mij die zich laafden aan de bron van blijdschap en de bron van het heil. De Heilige Geest doorstroomt hen zodat zij branden van deugd naar deugd (cfr.Ps.83,8) en dat ook uitstralen.

12. Na het Evangelie is de wijsheid van de goddelijke Schrift onder de mensen verspreid. In het begin was er maar weinig aandacht voor. Ten slotte werd die aandacht maar zwak vanwege de bekoeling van de liefde.

Maar de derde hoek die op het zuiden gericht stond, was in het midden breed en omvangrijk, maar onderaan en in de top was die zuil enigszins dunner en versmald zoals een boog die men spant om er pijlen mee af te schieten.

Deze tekst heeft te maken met de wijsheid van de heiligen die zij in zijn diepe betekenis hebben gezocht. Bij de verspreiding van het Evangelie was die wijsheid brandend aanwezig in de vurige gloed van de Heilige Geest. Via de Wijsheid wilden zij de eigenlijke kern van de diepgang hervinden. Het gaat met name over wat zij moeten begrijpen van het woord van God. Die wijsheid zit daar middenin verborgen. Want door het versterkte en verstevigde geloof bij het christenvolk, is gaandeweg een breed verstaan uitgegaan van de zielen van heilige geleerden die de diepe ondoorgrondelijkheid van de Schriften doorzochten en die tot kennis van veel mensen brachten. De mensen leerden dus veel van hen zodat hun begrip zich verwijdde in wijsheid en kennis van de goddelijke Schrift. In het begin verkeerde de Schrift als het ware nog onderaan in de belangstelling van de Kerk. Er was nog maar weinig of slechts in geringe mate studie over. De mensen hadden de Schrift nog niet met zoveel liefde omhelsd zoals dat dit later wel het geval is geweest.
Maar nog later, op het einde van de tijden, als op het toppunt de toeleg van velen bekoeld raakt, en de kennis van het goddelijke niet langer een begerenswaardige bezigheid is, brengen de mensen hun geweten tot zwijgen. Het lijkt er op alsof het voor hen niet langer iets goeds is om te doen. Zij kennen het nog slechts als iets vreemds buiten hen, als was het een droom.

13. In het begin moet de mens bedeesd aan een goed werk beginnen, halverwege sterk en standvastig, en op het einde nederig.

Die hoek…. was in het midden het breedst in ruwheid. Want, ontdaan van de schaduwzijden van het Oude Testament, strekten de ruwe uitingen van Godsverering zich in het beperkte begin uit naar een eigen middelpunt. Het gaat daarbij om zeer sterke deugden die met grote ijver beoefend werden toen het volk zich sneller schrap zette tegen het kwaad door de duivel te verwonden met woorden die van God afkomstig zijn, en door de duivel buiten te werpen en alle ongerechtigheden te vertrappen door middel van de grote gestrengheid van Gods rechtvaardigheid. Uiteindelijk zal God tegen het einde van de wereld neerdalen in zelfvergetelheid om sterker levend vanuit het vuur van de Heilige Geest met gespannen boog ten strijde trekken. Ook de mens moet met lichaam en ziel opstaan tegen de ondeugden. Daartoe is hij (als de boog) aan beide uiteinden smaller en in het midden breder. Dat betekent dat de mens van het begin tot het einde behoedzaam dient te zijn in grote vrees en nederigheid. En tussendoor dient hij stevig en vast met de gave van de Heilige Geest zijn speren van goede werken te werpen naar de hinderlagen van de duivel. Want als de mens pas begint met goede werken te doen, is zijn deugdzaamheid nog maar slapjes. Maar als het er op aankomt om het goede te doen, pakt hij het steviger aan, omdat de Heilige Geest hem met zijn beïnvloeding sterkt. Hij zal evenwel niet langdurig onder die werkzame invloed kunnen blijven. Vandaar dat hij tot het einde toe steeds weer verder verslapt in zijn toeleg vanwege de zwakte van zijn vlees. Daarom moet hij altijd door zijn boog gespannen houden om zich tegen de duivelse ongerechtigheden te verdedigen.

14. De mysteries van Gods Zoon aanwezig in het allerdiepste geheim van de Vader zijn in het Oude en het Nieuwe Testament openbaar gemaakt, en door de genade van de Heilige Geest zijn ze verklaard geworden. Dat wordt slechts verholen aan de mens geopenbaard die maar stof is.

Op de top van die zuil zie je een lichtgloed zo helder dat geen mensentong die zou kunnen beschrijven. Dat duidt op het feit dat de hemelse Vader de mysteries van zijn Zoon in het diepste geheim heeft prijsgegeven. In de Vader bloeit Hij in de helderste lichtglans die maar mogelijk is. In die lichtglans ligt de hele gerechtigheid vervat, zowel die van toen de Wet nog van kracht was, als die van nu in het Nieuwe Testament. Het betreft de allerhelderste klaarheid van de licht brengende Wijsheid. Dat is van dien aard dat het voor geen enkele mens mogelijk is om hier ook maar iets over te kunnen zeggen. Hij is maar as en verkeert in rottend vlees.

Daarop verscheen een duif met een goudkleurige straal in zijn bek. Die straal overspoelde de kolom met een sterk glanzend licht. Het betreft de vlammende Heilige Geest in de fonkeling van het licht van Gods Zoon in het hart van de stralende Vader. Door de Heilige Geest worden de geheimenissen van de Zoon van de Allerhoogste verklaard. Hij komt uit de meest verheven hoogte om het volk te verlossen dat door het aloude serpent is misleid. Daarom ademt de Heilige Geest ook alle wettelijke geboden en nieuwe getuigenissen uit. (Hij geeft namelijk de wet van de helderheid van zijn mysterie nog vóór de menswording van de Heer, terwijl Hij in die helderheid zijn werkzame kracht laat zien bij de menswording van de Zoon van God).
Hij heeft een gouden glans bij zijn allerdiepste uitademing. Daarbij gaat het om de zeer uitzonderlijke en uitmuntende glans van zijn zalving. Door een veelvuldige en grote mystieke beïnvloeding openbaart Hij aan de oude voorvaderen veel en grote geheimenissenover Gods eniggeboren Zoon, zoals voorzegd werd. Op kenmerkende wijze wezen zij die Zoon van God aan en verbaasden zij zich sprakeloos ten zeerste over het feit dat Hij opkomt in de dageraad van de eeuwige Maagd. Daarbij verbrandt Hij ook de tekst van het Oude Testament en van het Evangelie tot een geestelijke kern waarin heel de gerechtigheid zit opgesloten.
Daarom is het je vanwege de enorme goddelijke kracht niet mogelijk om naar het goddelijk licht te kijken. Die kan door geen enkel sterfelijk wezen worden gezien, tenzij Ik het versluierd wil laten zien aan wie Ik wil. Daarom pas op dat je je niet overmoedig verstout om te begrijpen wat van God komt. Dat blijkt al uit de angstige beving die je overvalt.

15. Over de kennis van God, de status daarvan, en wat die betekent.

Binnen dat gebouw zie je op de vloer een gestalte staan tegenover de zuil.
Dat betekent dat je binnen het werk van de Vader een kracht kunt zien die het geheim van het Woord van de Vader verklaart. Die kracht heeft zowel onder de mensen van het Oude Verbond als die van het Nieuwe Verbond alle gerechtigheid in de stad van de Almachtige geopenbaard. De woorden op de vloer verwijzen naar alles wat zich door het werk van de goede Vader op heel de aarde bevindt. Want zowel de aardse alsook de hemelse komen voort uit zijn voorzienigheid.

Wat betekent nu dat de gestalte nu eens de zuil gadeslaat en dan weer de mensen die in het gebouw op en neer lopen?
Dat betekent dat de gestalte zowel naar het geheim kijkt dat de kracht van het God-zijn in het Woord van God voortbrengt, als ook naar de mensen die in de goedheid van de Vader bezig zijn. Hij doorziet wie samenwerken en wie niet. Hij weet immers met welke inzet elkeen zijn best doet.

De uitdrukking de gestalte verwijst naar het weten van God. Hij doorschouwt immers alle mensen en alles wat zich in de hemel en op aarde bevindt. Die gestalte straalt zoveel schittering en klaarheid uit dat men vanwege de immense gloed die er van uitgaat, zijn gelaat en ook de kleding die de gedaante aanheeft, niet kan waarnemen.
Die gestalt is verschrikkelijk en angstaanjagend zoals een dreigende bliksemflits, maar tevens ook zacht van goedheid zoals het stralen van de zon. Door zijn dreiging en zijn zachtaardigheid tevens is die gestalte onbegrijpelijk voor de mensen. Dat komt vanwege de afschrikwekkende uitstraling van het God-zijn op zijngelaat, en vanwege het licht dat de gestalte in zich draagt als was het een statiegewaad. Men kan ook niet recht in de zon kijken of in de prachtkleding van zijn stralen. Die gestalte bevindt zich overal en in alles en is in het geheim van zijn bestaan zo’n grote schoonheid, dat door geen mens gevat kan worden met hoeveel zachtmoedigheid Hij de mensen draagt en met onvoorstelbaar medelijden spaart tot daar waar de hardste steen vanwege zijn hardheid niet doorboord kan worden. Daarmee wordt de harde en onverbeterlijke mens bedoeld die absoluut niet los wil komen van zijn kwaad.

En toch verschijnt de gestalte evenals de andere deugden in de gedaante van een mens.
Want in de kracht van zijn goedheid heeft God de mens heel sterk toegerust met redelijkheid, met kennis en met verstand. Zo kan hij zich met intense liefde beminnen, met diepe vroomheid vereren en de duivelse spinsels verachten. Maar bovenal kan hij Hem beminnen die hem zo’n grote en intense eer geschonken heeft.

16. Hoe staan de engelen daar tegenover; en waarom hebben zij vleugels?

Om die gestalte heen zag ik een heel mooie groep engelachtige wezens met vleugels. Zij stonden daar in diepe verering, met eerbiedig ontzag en vol liefde.
Dat betekent dat zalige en hoogverheven geesten in engelachtige dienst en met onuitsprekelijke en allerzuiverste lofprijzing de kennis van God vereren. Een mens kan dat niet zo waardig doen omdat hij nog in sterfelijk stof gehuld is. Maar zij omhelzen God met hun vurige verering, want zij zijn helemaal levend licht. Dat is niet omdat zij vleugels hebben zoals andere vliegende schepselen, maar, omdat zij door Gods kracht opvlammen in hun eigen leefsfeer, lijkt het alsof ze veren hebben. Vandaar dat zij Mij, de ware God, vereren met oprechte eerbied en ware nederigheid. Zij kennen mijn raadsbesluiten en zijn vurig in hun liefde tot Mij omdat zij altijd mijn aangezicht zien. Zij willen en verlangen niets anders dan dat waarvan zij zien dat het behagen vindt in mijn ogen.

17. Over hen die bijeengedreven schapen worden genoemd.

Maar voor het aangezicht van de gestalte zag ik nog een andere menigte in menselijke gedaante en in donkere kledij. Zij stonden daar in grote bevangenheid en vrees.

Dit zijn mensen die in de gedachtenis van God hun bestaan hebben. Hoe dan? De mens staat in de achting van God in hoog aanzien. Hij ziet de mens als horend bij Hem. Maar Hij verwerpt de mens die meer geneigd is om te volharden om zich in het verderf te storten dan om bij God te horen. Maar de mensen die je in zo’n grote getale aanwezig ziet, worden schapen genoemd die bijeen gedreven zijn. Zij hebben de menselijke natuur vanwege hun menselijke daden. Zij dragen een somber kleed. Dat is een verwijzing naar hun dralen in zondige praktijken. Maar zij verkeren ook in vrees omdat zij bang zijn voor het oordeel van God. Daarom worden zij bijeengedreven schapen genoemd. Op veel manieren drijf Ik hen immers samen zodat zij toch tot leven komen, losgerukt uit de dood door het bloed van mijn Zoon. Daarom ook worden deze mensen tegen hun zin met veel droefenis en zorgen door Mij als schapen bijeengedreven met de bedoeling dat zij hun ondeugdelijk leven verlaten. Door de wil van het vlees en hun jeugdig elan willen zij het liefst zo doorgaan zolang zij vastzitten aan wereldse zaken. Zij willen volharden in de gloed van hun hartstocht totdat het vuur uit hun vlees wijkt door de verkilling van hun leeftijd. Toch hou Ik hen op verschillende manieren in toom overeenkomstig wat Ik in hen gaande zie, met de bedoeling dat zij afstand nemen van hun zondig bestaan.

18. Over het feit dat God sommigen wat zachter aanpakt, anderen forser, en weer anderen met de grootst mogelijke ellende naar lichaam en geest.

Sommigen van hen in wie het wereldse gedoe niet met zoveel heftigheid brandt, beteugel Ik niet met zo’n felle zweep, maar doe het op zachtere wijze. In hen zie Ik immers niet zoveel bitterheid als bij anderen. Zodra zij immers mijn berisping ervaren, laten zij met bekwame spoed hun kwade wil varen en komen zij naar Mij toe met achterlating van de wereldse ijdelheden. Maar sommigen roep Ik op strengere wijze tot de orde, want die zijn zo vurig en hartstochtelijk bezig met zondigen vanuit hun vleselijke ondeugd, dat zij alleen maar door een stevigere aan pak van Mij weer geschikt worden voor mijn koninkrijk. In mijn kennis zie Ik hen, ken Ik hen en dring Ik bij hen aan naar gelang de overvloedige aandrang van hun lichamen.
En een andere keer overval Ik mensen die in de grootst mogelijke en sterkste kommer en kwel verkeren naar lichaam en geest. Die zijn immers zo opstandig en overdadig bezig met hun vleselijke hartstocht, dat zij alleen als zij door een aller ernstigste ramp getroffen worden, ophouden met hun schandalig gedrag in het prikkelen van hun vlees. Want zolang als het hun goed gaat in wat zij willen, zullen zij zich niet tot God bekeren. Immers waar de één door zijn kleinzieligheid volkomen wanhopig wordt, daar spot een ander met grootheidswaanzin. En waar de een vervalt in wanhoop, daar wordt een ander nauwelijks geraakt in zijn hoogmoed. Op die manier dring Ik aan bij degenen die Mij toebehoren ofschoon zij Mij met hun gedrag verachten. Ik wil dat zij – omdat Ik hen ken – gedwongen worden door de ellende die zij zowel lichamelijk als geestelijk ondergaan, uiteindelijk naar Mij terugkeren zodat zij gered worden. Zo heeft ook de Farao dodelijk verschrikt uiteindelijk het joodse volk gedwongen om zijn land te verlaten, zoals er geschreven staat.

19. Het voorbeeld van de Farao, Mozes en Aaron in deze aangelegenheid.

Die nacht nog liet de Farao Mozes en Aaron ontbieden en sprak: “Maak dat u bij mijn volk wegkomt, u en de Israëlieten. Ga Jahwe vereren zoals u gevraagd hebt. Neem ook al uw kleinvee en heel uw hebben en houden mee zoals u gevraagd hebt. Ga weg en geef mij de zegen (Ex.12,31-32)
Dat betreft het volgende. De belastende en zeer ernstige mistoestanden die eigen zijn aan deze wereld, belasten veel mensen met overmatig veel kommer en kwel. In hun harten roepen zij uit: “Helaas, helaas, waarheen kunnen wij vluchten?!” En terwijl zij ruzie maken over die ellende, jaagt men die mensen weg. Die haasten zich dan ook om bij hen vandaan te gaan, want zij verdorren lichamelijk door de zware geseling van Gods hand. Zij zijn niet in staat om met vreugde te leven in het genot van de wereld omdat God hen roept. Dat is de roeping van de rechtvaardigen door toedoen van verschillende vormen van rampspoed vanwege de duistere nacht van de zonden.

De Farao, of liever de duivelse ondeugden roepen Mozes op vanwege het geschreeuw van het volk over hun kommer en kwel. Het gaat over de mensen die door God met heel erg pijnlijke, lichamelijke zowel als geestelijke, zaken geprest worden.
Ook Aaron wordt opgeroepen. Dat zijn de mensen die God in het nachtelijk uur van de rampen met lichtere pressie oproept. Zelfs bij het onderdrukken van de menselijke begeerlijkheid roepen de ondeugden de mensen toe: “Sta op van uw vleselijke gewoonte en verlaat uw oude woongebied dat je hier bij ons hebt gehad. Maak je los uit het gewone volk dat wij hier hebben en dat ons eert. Doe afstand van de wereldse zaken die wij er zo graag op na houden. U bent immers buitenstaanders bij ons al die tijd dat jullie bij ons in gevangenschap hebt geleefd. Zonen van God zijn onder jullie. Zij zien Hem en erkennen Hem.
Verlaat ons en keer langs een andere weg terug. Wijdt jullie aan God toe in onoverwinnelijke zaken waarmee jullie ons hebt overwonnen, zoals jullie in jullie verlangens tot uitdrukking brengen. Neem ook jullie zachtmoedigheid als de makheid van schapen met u mee, want van daaruit valt het jullie moeilijk om voor ons te werken. Jullie willen een andere pijn verdragen door een lam te volgen. Het is een heel glorieus wapen met de kracht van wapenen waarmee jullie ons hebt overwonnen en waar wij niet tegen opgewassen zijn. Neem die wapens op in de nieuwheid van uw denken dat u zo graag hebben wilt. Ga van ons weg zoals jullie al zolang gewild hebt, terwijl jullie ons fel bestreden. Keer terug naar jullie vaderland waar jullie zo in je zielvoor hebt geleden.
Omhels dat andere leven dat jullie van ons wegleidt. En zegen in lofprijzing aan God de strijd waarmee jullie ontkomen bent aan de wereldse zaken en beslommeringen.

20. Over hoe God, die de mensen gadeslaat, hen straft en troost.

Ik ben ook de almachtige God. Als zodanig dwing Ik de genoemde schapen om naar Mij toe te komen. Dat geldt ook mijn zuilen. Daarmee worden de meer krachtige erfgenamen van de hemel bedoeld. Ik bekrachtig hen door hun ongerechtigheid van het bedrijven van zonden te bestraffen wanneer zij aangevochten worden door het binnendringen van de overtreding van Adam. Zij zouden niet staande kunnen blijven als Ik hen niet met mijn genade zou sterken. Op sommigen van hen drukt niet zo’n zware last van ongerechtigheden. Hen straf Ik met een lichtere straf. Want als Ik hen met fellere zweepslagen zou treffen, zouden zij de moed verliezen en wanhopig worden. Zij liggen immers niet vastgeketend aan fellere bekorende aanblazingen van de duivel.

Maar anderen houd Ik in een fellere houdgreep die hevig pijn doet. Zij zijn belast met een zwaardere last van een grote verscheidenheid aan de meest ernstige zeden van begeerten die voortgekomen zijn uit de strijd met de duivel. Ik wil niet dat zij buiten mijn verbond vallen waartoe zij behoren. Ik wil dat zij zich met heel hun verlangen aan Mij vastklampen en mijn geboden onderhouden. Want als Ik hen lichter zou straffen zoals die anderen, dan zouden zij mijn berispingen van generlei waarde achten. En dat terwijl zij door de meest ernstige aanvechtingen van de duivel worden belaagd.

Er zijn ook ballingen van het hemels vaderland die Ik niet ken. Zij keren Mij totaal de rug toe met hun lege begeerte van geest. Zij misleiden zichzelf met hun roofzuchtige driestheid. Zij zoeken Mij niet en willen ook niets van Mij weten. Zij verstikken ieder goed verlangen in zichzelf, zodat zij van Mij geen enkele hulp vragen. Begerig zwelgen zij slechts in hun eigen zaken overeenkomstig de lust van hun vleselijke verlangens ( cfr. 1Petrus 2,11). Sommigen van hen verkeren naar believen in overvloed en in vleselijk genot, maar leven toch niet te zeer in haat en afgunst. Maar zij wentelen zich in aangename gevoelens van wellust, genietend van vleselijke lusten. Ik geef hun ruimschoots deel aan de vruchten van de aarde, zodat zij niet ten onder gaan in armoede. Zij zijn immers door Mij geschapen. Ik wil niet dat zij mijn volk verzwelgen door hun slechtheid. Daarom zal hun ten deel vallen wat zij begeren.

Maar anderen gaan zo woest te keer in een overmaat aan bittere gal en haat en afgunst (cfr.1Petrus 3,9) dat zij geen enkel onrecht dat hun wordt aangedaan bereid zijn te verdragen. Dat gaat zover dat, als zij de eer en de rijkdom van deze wereld zouden hebben, de hemelse deugden bij de mensen zouden willen vernietigen zodat zij die niet bij hen zouden hoeven te eerbiedigen. Daarom neem Ik de veldvruchten en de rijkdommen van hen af en stort hen in grote ellende. Zij moeten zich niet kunnen verheffen tot zo’n groot kwaad als zij wel zouden willen. Zij zouden duivelse dingen doen als zij daartoe de kans kregen.

Aldus werp Ik in de juiste mate hindernissen op de wegen van zowel de goede als de kwade mensen. Daarbij hou Ik rekening met de mate van hun instemming zoals Ik die aantref in hun begeertes. Ook Salomon getuigt hiervan waar hij zegt:

21. Woorden van Wijsheid van Salomon.

Heel het gedrag van een mens mag in zijn eigen ogen rein zijn, Jahweh toets de geesten. (Spreuken 16,2)
Dat betekent het volgende. Alle wegen waarnaar de levendige geest van de mensen bij volle kennis verlangt, en naar wat hem bezig houdt als hij overdenkt wat hem nuttig kan zijn (of het vruchtbaar is of juist zwakzinnig nutteloos), al deze zaken liggen open en bloot voor de ogen van de almachtige God. God overziet dit alles, en er is absoluut niets dat aan zijn goddelijke blik ontgaat, want Hij weet alles. Zo overziet Hij het heelal en bestuurt alles op de juiste wijze. Hoe dan?
Hij is immers de beoordelaar van de zielen. Hij streelt hen met zoete liefkozingen en rust. Maar ook straft Hij hen met beproeving in lijden en ellende, zodat zij wakker blijven en in de juiste maat blijven lopen. Zij moeten zich niet tegen Hem keren en ook niet van Hem wegvluchten om Hem voorbij te streven. Zij moeten slechts doen wat Hij goedkeurt rekening houdend met dat waartoe eenieder in staat is. Want bij de uitvoering van de vergelding, hetzij in deze tijd hetzij in de toekomstige, is het doorslaggevend hoe zij God vereerd hebben.
Daarom worden de zielen ook op correcte wijze gewogen. Dat gebeurt zo dat de redelijkheid van de mens niet verder verheven wordt in hogere zaken, en niet dieper neergedrukt in lagere dan God in zijn rechtvaardig oordeel goed acht. Want God verzet zich daar tegen omdat geen enkele ziel, in welke aangelegenheid dan ook, zo overmatig krachtig is dat hij God kan verslaan. God oordeelt immers alles op de meest correcte wijze. Met zijn rechtvaardigheid verzet Hij zich tegen hen. Daar kunnen zij niet tegen op. Zij vermogen niet méér dan Hij hun toestaat.
Want zoals het ijk-lood op de juiste wijze de waarde van het geld aangeeft, zo hanteert God een dergelijke maat om het goede van het kwade te onderscheiden. Op geen enkele wijze kan men ontkomen aan de meest geijkte norm van zijn oordeel wanneer sommigen vanwege hun verdiensten glorie en vreugde van leven ontvangen, en anderen dodelijke straf en droefenis overeenkomstig de meest exacte kijk die God op hen heeft.

22. Waarom de Goddelijke Wijsheid de mensen ziet alsof ze bekleed zijn met nieuwe kleren.

De genoemde gestalte bekijkt de mensen die vanaf de wereld het gebouw binnenkomen en daar van nieuwe kleding worden voorzien. Dat betekent dat de Wijsheid van God de mensen kent die hun verfoeilijke ontrouw achter zich laten door de macht van Gods werking, en die in het doopsel ten bate van het eeuwig leven als-het-ware een nieuw menszijn aantrekken. Hij vermaant hen om niet op hun schreden terug te keren (cfr.Mk.13,16) naar de duivel , of als zij die misstap al hebben begaan, dat zij dan terugkeren naar God, hun Schepper. Met aansporende woorden spreekt Hij tot ieder van hen, zoals hiervoor reeds werd gezegd.
Wie aan zijn innerlijk verstand oren heeft, moet in vurige liefde mijn woorden aanhangen als mijn spiegelbeeld, en ze diep in het bewustzijn van zijn ziel opschrijven.

SCIVIAS, DEEL III
Sc.3.5

HOOFDSTUKKEN VAN HET VIJFDE VISIOEN VAN HET DERDE DEEL

1. De aard van het ijver en van God, en wat dit uitwerkt.
2. God onderzoekt nauwkeurig de zonden van de mensen om hen te bestraffen hetzij terwijl zij nog lijfelijk in leven zijn, hetzij in het hiernamaals. Ook kan de mens er zichzelf van reinigen door naar geest en lichaam boete te doen.
3. Woorden van Job hierover.
4. Wie met vrees zondigen, zijn het waard om met de hulp van God op te staan door boete te doen tot reiniging. Als het hen hier niet helemaal lukt om tot leven te komen, lukt het hun later wel.
5. Hoe het goede bij een redelijke mens antwoord geeft aan het kwade en het kwade aan het goede.
6. Over het feit dat er in een mens een dubbele roepstem klinkt: de ene roept om het leven, de andere om de dood.
7. Woorden van de Psalmist hierover.
8. De wonderbaarlijke en bewonderenswaardige oordelen van Gods ijver in het Oude Testament laten zien dat wij God moeten vrezen.
9. Men kan God niet door bedrieglijke en vleiende woorden bewegen om af te wijken van zijn rechtvaardig oordeel.
10. De verheven wraak overtreft de daad van de mensen niet door zwaarder te straffen.
11. Woorden van David hierover.
12. De ogen van God zien elke ongerechtigheid en Hij straft die. En, ofschoon de menselijke geest de oordelen van God niet kan doorzien, blijven de misstappen van de mens toch niet onbesproken.
13. De ijver van God die rechtvaardig het doen en laten van de mens beoordeelt, is voor ieder schepsel angstaanjagend.
14. De kracht van de Heilige Drievuldigheid onderwerpt de menselijke geest in alle zachtmoedigheid aan Zichzelf en aan een terecht oordeel in overeenstemming met ieders eigen uiteenlopende bedoelingen.
15. De ijver van God heeft de duivel allereerst in/door Christus overwonnen en hem vervolgens bij de uitverkorenen verjaagd; daarna verplettert Hij hem totaal in de zoon van het verderf. De godvrezenden spaart Hij, de opstandigen kastijdt Hij.
16. Verstokten die Gods gerechtigheid verachten, geen respect hebben voor de waarschuwing van God, en geen acht slaan op zijn aanmaning aan de mens, worden in het verderf gestort.
17. De elementen klagen luid over de hardnekkigheid van hen die geen berouw tonen. Als wraak worden de elementen over hen heen geworpen.
18. God roept de terugvordering van zijn eer af over de razende, zelfingenomen en wetens en willens zondige mensen zoals Hij deed bij Kaïn en de Farao en bij de mensen die bij de Horeb een afgodsbeeld hebben aanbeden en zich met Baal-Peor hebben afgegeven (cfr.Num.25,5 en Psalm 106(105),28)
19. Over Gods gerechtigheid, zichtbaar geworden in Abel, vereerd in verdere uitverkorenen en zoet-smakend in Gods Zoon. Als die gerechtigheid overtreden wordt, wordt ze door de ijver van God gewroken, door Hem die was, die nu is en er altijd zal zijn.
20. Wie op hondse wijze de Kerk en het toegewijd zijn aan de Kerk verafschuwt, en wie kerkelijke goederen vernietigt, wordt door Gods ijver verworpen.
21. Wat Jacob heeft gedaan, was een voorafbeelding van een inzegening van een kerk.
22. Overal waar het lichaam van Christus opgedragen wordt, moet er een gewijde steen zijn, ook als er om een of andere reden geen tempel kan zijn.
23. Er moet een reden zijn om een tempel te stichten. Die reden hangt samen met de inzet van het volk.
24. Hoe en waarom Jakob tienden van alles heeft geofferd.
25. Wie kerken verwoest, besmeurt ze met misdadig bloed of met ontucht; wie geen gewijde steen benutten om daarop een offer te brengen, en wie tienden of andere tempelzaken roven, wee hen, wee die miserabelen!
26. Wie kerkelijke zaken aan honden en varkens geeft, – dat wil zeggen: aan het gemene volk -, die worden door Gods ijver verworpen, zijzelf of hun nageslacht, van de hoogste graad tot de laagste.
27. Hoe God in zijn wraak zowel gelovigen als ongelovigen neervelt.
28. Hoe ellendig de ijver van God de mensen verbrandt die menen wijs te zijn en hun macht te kunnen laten gelden door onrechtvaardige oordelen te vellen.
29. In de ijver van God hoort men geen geschreeuw van een dreigende stem. Er is alleen de vaste en sterke macht van een rechtvaardig oordeel.
30. Het weten van een mens is als het ware een spiegel waarin het verlangen naar goed en kwaad te zien is.
31. Uit vrees komt angst voort, en uit angst schrik en beven. Vanuit deze drie moet de mens doen wat juist is.
32. Dit hoofdstuk gaat over het allereerste begin, dat wil zeggen over het onderscheidingsvermogen en over de hierboven aangehaalde genade van Christus.
33. Om zich over zijn zonden te verontschuldigen moet niemand mopperen tegen zijn schepper.

HET VIJFDE VISIOEN VAN HET DERDE DEEL

Hierna zag ik het volgende.

In de noordelijke hoek, daar waar de twee soorten muren van het voornoemde gebouw samenkomen, was er een hoofd te zien dat een merkwaardige vorm had. Het bevond zich op de buitenzijde van die hoek, en vanaf de hals stond het daar onbeweeglijk. Het stak even hoog boven de aarde uit als de hoogte van de hoek zelf, maar daar niet boven uit. Het was precies even groot, exact gelijk in hoogte. Dat hoofd had de kleur van vuur, roodgloeiend als een brandende vlam. En het had tevens een afschrikwekkend mensengelaat. Het keek erg vertoornd in noordelijke richting.
Van de hals naar beneden toe zag ik niets van zijn gestalte want de rest van zijn lichaam was op die plaats volledig verborgen en vaag. Ik zag zijn hoofd wel in de vorm van een onbedekt mensenhoofd. Het had geen haren zoals een man en was ook niet met een sluier bedekt zoals bij een vrouw. Toch was het eerder een man dan een vrouw. En hij was heel vreselijk om aan te zien.
De gedaante had drie vleugels van wonderbaarlijke breedte en lengte. Ze waren zo wit als een stralende wolk. Ze waren niet omhoog gestoken. Ze waren alleen maar elk afzonderlijk helemaal uitgestrekt, maar wel zo dat het hoofd er enigszins bovenuit stak. Een vleugel ging langs zijn rechterwang omhoog, wijzend in noordoostelijke richting. De tweede vleugel die in het midden zat, wees vanaf zijn keel naar het noordwesten. De derde vleugel wees vanaf zijn kin naar het westen. De vleugels bewogen af en toe heftig en sloegen op dezelfde plaats, dan weer hielden ze op met bewegen. Ik hoorde niet dat het hoofd iets zei. Maar terwijl de gestalte soms onbeweeglijk bleef, sloeg zij soms ook met de vleugels in de richting waarheen zij zich richtte, zoals gezegd is.
En opnieuw hoorde ik Degene die op de troon is gezeten tot mij spreken.

1. De aard van het ijver en van God, en wat dit uitwerkt.

God, die bij het oude volk zijn ijver zwaar heeft doen gelden, heeft zich bij het nieuwe volk, uit liefde voor zijn Zoon, zachtmoedig en zachtaardig getoond. Niet dat Hij nu de zonden van de overtreders achteloos gering acht, maar omdat Hij barmhartig een intense en waarachtige boetedoening verwacht van een zuiver hart. Maar de slechtheid van een verstokte mens verdraagt Hij niet. Hij straft die af met zijn rechtvaardig oordeel.
Daarom staat er: Het hoofd dat te zien is in de noordelijke hoek, daar waar de twee soorten muren van het gebouw samenkomen. Dat is een beeld om te verwijzen naar de naijver van God. Hij is de wreker van onbuigzame ongerechtigheid die op geen enkele manier genezen wil worden. Hij staat op via het indringende mysterie van het Woord van God dat aangekondigd is door de gestaltes en het spreken van de aartsvaders en de profeten.
Zo verschijnt die ijver van God ook in het beeld van een hoofd, want boven elke vrees uit wordt die ijver gekend in de striktheid van zijn vergelding, zoals een mens herkenbaar is aan zijn gelaat. Die ijver reageert vurig op het noord-westelijk deel. Dat wil zeggen dat die ijlings en effectief korte metten maakt met de duivel en al het kwaad. Ook bij Abraham en Mozes zijn er twee soorten van verdediging werkzaam: de beschouwende kennis waar er twee meningen mogelijk zijn, en de praktische aanpak. Zij komen samen in het ene werk van God. Want tegen de duivel, als het gaat over de keuze tussen goed en kwaad, moet de mens in alle gevallen heel sterk samen met de goedheid van God te werk gaan.
De overtreding echter die door speculatief denken plaatsvindt door daden van mensen die de geboden van God overtreden, wordt door de ijver van God gewroken, tenzij er vergeving plaatsvindt. Waar treedt die wraak in werking? Daar waar er geen vrees voor God en mens bestaat in de erkenning van God. En zulk een hart dat zo in de smerigheid van de ondeugd versteend en dood is dat het het oordeel van God niet vreest noch de aanblik van een mens,
dat hart wordt in verwarring gebracht en door Gods ijver neergesmakt overeenkomstig de wet van God. Hoe vindt dat plaats?

2. God onderzoekt nauwkeurig de zonden van de mensen om hen te bestraffen hetzij terwijl zij nog lijfelijk in leven zijn, hetzij in het hiernamaals. Ook kan de mens er zichzelf van reinigen door naar geest en lichaam. boete te doen.

Als een gebod eenmaal uitgevaardigd is en er een overtreding plaatsvindt, treedt de ijver in werking die de ongerechtigheid met een heel terecht oordeel ongedaan maakt. In het Oude Testament werd die ongerechtigheid met strenge vergelding in de bestaande mens zelf ongedaan gemaakt, terwijl de overtreding van de Wet in die mens als een zweer voort etterde.
Maar na de komst van de evangelische genade mikt diezelfde ijver op boetedoening. Na de dood van de mensen gaat de ijver over tot de straffen en kwellingen van de hel. Want de voorgenomen en de voltrokken en de slinkse wandaden van de mens zal Ik zodanig onderzoeken dat Ik ze wreek hetzij lijfelijk terwijl hij nog in zijn lichaam is, of via een straf in het hiernamaals. Het kan ook zijn dat de mens zijn misstappen uitboet door boetedoening omwille van de vergeving terwijl hij nog in ziel en lichaam leeft waarin hij de misstappen heeft begaan. In mijn geest zegt mijn dienaar Job hierover….

3. Woorden van Job hierover.

Ik vertrek mijn gezicht en word door smart gefolterd. Ik was bang over al mijn daden, wetend dat U de zondaar niet zult sparen. Maar als ik ook zo goddeloos ben, waar heb ik dan vruchteloos voor geleefd? (cfr.Job 9,27-29)
Dat betekent het volgende. Ik zal het kijken naar mijn innerlijk veranderen. Hoe dan?
Ik wil met name het feit veranderen dat ik zo wisselvallig ben.

Als ik iets van genot ervaar, wordt ik overspoeld door het bloed in mijn aderen. De ene keer voel ik toorn en een andere keer ervaar ik verterende droefheid. Als ik met graagte toegeef aan wat ik in mijzelf aantref, is het alsof ik een beminnelijk gezicht zie. Door mij te richten op het doen van het goede, doe ik het tegen mijn wil in.
Als ik toegegeven heb, word ik door een geseling geraakt. Dan span ik mij in om mij af te wenden van dat gelaat dat mij zo bekend is. Dan treedt mijn wil in werking om mij te richten op een andersgericht genot. Ik voeg mij dan naar de beschouwende gedachte om met een goed geweten naar God te zien en niet naar de begeerte van het vlees. Want via de begeerte van het vlees kom ik niet bij Hem terecht.

En die twee oorzaken zitten achter het feit dat ik schrik heb voor heel mijn doen en laten. Hoe zo? Als ik iets goeds doe, ben ik bang dat ik het niet goed genoeg doe voor God, want ik doorzie het niet helemaal. Ik zie het wazig als in een spiegel. Soms doorzie ik het met mijn geest, maar een andere keer weet ik het niet meer vanwege de logheid van mijn lichaam. Maar wanneer ik iets verkeerds doe, raak ik in verwarring door het geweten in mijn geest. Want diep van binnen ben ik er mij van bewust dat het geweten van hen die in zonde verkeren, niet wordt gespaard. Dat is het geval wanneer een mens weet wat er in zijn doen en laten tegen God in gaat. Hij moet gereinigd worden hetzij door een lijfelijke kastijding, hetzij door een straf uit boetedoening, of anders door een kwellende straf in het andere leven.
Daarom wordt een overtreder niet gespaard als hij geen boete doet, want er wordt hem geen verlof gegeven om te zondigen zodat hij ook metterdaad zou zondigen. Hij moet daarentegen gestraft worden hetzij hier of later.

Daarom, als ik zo weinig vroom ben en zozeer verhard dat ik mij niet wil laten vermurwen om afstand te nemen van mijn eigen zaken, met name van mijn zonden, dan kom ik er niet toe om die in een groot gevecht in mijzelf te bestrijden.
Als ik steeds tegen God inga in de mij bekende aangelegenheden, omdat ik nu eenmaal in zonden ontvangen ben en altijd geneigd ben om ongerechtigheid te plegen, en ook niet bang ben om door God veroordeeld te worden (dan vraag ik mij af) waarom ben ik zo verstrikt in zo’n ijdel bestaan dat ik bij herhaling en met kennis God erken, en – daarmee in tegenspraak – in mijn nietswaardigheid verkeer?

Toch ben ik niet zo onmachtig dat ik geen onderscheid zou zien tussen goed en kwaad. Daarom, als ik mij tegen mijn gezond verstand verzet en zeg “Ik ken God niet”, dan ben ik een leugenaar. Want mijn geweten klaagt mij aan voor het feit dat ik fout ben en dat ik schuldig ben voor God als ik begin met iets te doen dat niet deugt. Maar ik ben niet vergeefs bezig als ik mij met een goed geweten tegen het kwaad verzet. Want ik ben zelf een werk van God. Dan keer ik mij naar God toe, en dan ontvang ik daar een goede beloning voor.

4. Wie met vrees zondigen, zijn het waard om met de hulp van God op te staan door boete te doen tot reiniging. Als het hen hier niet helemaal lukt om tot leven te komen, lukt het hun later wel.

Ik, de Heer van allen, getuig dus dat het billijk is dat een mens met smartelijke verzuchting of met berouwvolle wroeging of met waardige afstraffing zijn zonden uitlevert, hetzij in deze tijd hetzij in de toekomstige, zoals aangekondigd. Hoe gaat dat dan?

Wie zondigen met vrees en met de pijn van boetedoening, wie bevreesd zijn over hun zonden, verdienen het door Gods genade dat zij telkens weer opstaan van hun overtredingen om daarvan gereinigd te worden.
En als het dan toch nog niet lukt om volledig gereinigd te worden in deze tijd, dan krijgen zij die reiniging in de toekomstige tijd om tot leven te komen.

Wie daarentegen zo verhard zijn van hart en ook niet met vrees en smartelijke boetedoening verlangend willen weten van hun zonden, maar juist volharden in zulk een verstoktheid, alsof het hun niet zou passen om God te vrezen, die bekomen geen zuivering van hun zonden, niet in dit leven en ook niet in het toekomstige. Zij zullen straffen ondergaan zonder de troost van de reiniging die tot leven leidt. Want met de redelijkheid waarmee zij door Mij geschapen zijn, willen zij geen verantwoording geven over hun ongehoorzaamheid. Hoe moet dat dan?

5. Hoe het goede bij een redelijke mens antwoord geeft aan het kwade en het kwade aan het goede.

Voor het verstand van de redelijke mens bestaan er twee mogelijkheden om te reageren op het kennen van goed en kwaad. Daar passen twee reacties bij, namelijk een goede en een verkeerde. Hoe zo?

Het goede beantwoordt het kwade door er in God weerstand aan te bieden. Het kwaad beantwoordt het goede door het te bestrijden samen met de duivel. Maar zij die in het goede verkeren, geven hun weerwoord aan het kwaad. Zij beteugelen zichzelf altijd als het kwaad zich aandient, om zich niet te verlustigen in hun eigen pleziertjes.

Maar zij die in zonden verkeren, beantwoorden het goede door zich geenszins te onthouden van euvele daden, maar er zich juist hartstochtelijk in te verlustigen.. Zij willen geen weerwoord geven aan de verlokking van het kwaad. Hoe zit dat?

6. Over het feit dat er in een mens een dubbele roepstem klinkt: de ene roept om het leven, de andere om de dood.

De mens hoort in zijn binnenste een tweevoudige roepstem namelijk het verlangen naar een vruchtbaar leven en de begeerte naar verval. Hoe zit dat?
Door het verlangen naar een vruchtbaar bestaan wordt hij geroepen tot leven, maar door te haken naar verval, wordt hij geroepen tot de dood. Maar in zijn verlangen naar een vruchtbaar bestaan, wil hij het goede doen en zegt dan bij zichzelf: “Doe wat goed is”. Dat is het juiste weerwoord tegen het kwaad, zodat hij dat uit de weg gaat, en goede vrucht voortbrengt. Maar als er verlangen is om in de fout te gaan, dan spoort hij zichzelf aan met de woorden: “Doe waar je zin in hebt. Dat is dan tevens een antwoord tegen het doen van het goede als hij niet wil weerstaan aan zijn hang naar het kwaad, maar wil overgaan tot genieten van ongerechtigheid. Met dit antwoord veracht hij Mij en houdt Mij als het ware voor een bedrieger. Hij onthoudt Mij de eer die Mij toekomt. En omdat hij zich van het goede afkeert, en geen pijn voelt bij het feit dat hij zich niet uit vrees voor Mij inspant, gaat hij over tot het bespotten van hemelse zaken, zoals de profeet David het op mijn aangeven uitdrukt….

7. Woorden van de Psalmist hierover. (Ps.72,9)

Zij zetten een grote mond op tot aan de hemel, en hun tong roert zich overal op aarde (Ps.72,9)
Dat betekent:
Veel mensen zijn dwaas in hun redenering. Zij willen de onvoorstelbare vrees voor de Heer niet begrijpen. Zij onttrekken zich aan hun goede verlangens waarmee zij naar Mij zouden moeten hunkeren en hun ware God zouden moeten erkennen. Zij weigeren in te stemmen met hun goede geweten dat de mens toch altijd ter beschikking staat om goede werken in God te verrichten. Maar herhaaldelijk kiezen zij voor bitterheid in plaats voor wat goed is. Daarmee beroven zij zichzelf en gooien zij de ware schat over boord terwijl zij zich zogenaamd rijk maken met een veelheid aan ongerechtigheden.

Hiermee brengen zij hun manier van denken in stelling tegen de hemelse werken zodra zij hun mond openen. Zij vernietigen die hemelse zaken in zichzelf door hun honende razernij. Zij zeggen dan bij zichzelf: “De dingen die wij willen doen, zijn evengoed geoorloofd als de zogenaamde hemelse zaken die de oude Vaders ons, onwetenden, naar hun believen hebben opgelegd”. Op die manier ontkrachten zij de woorden en instellingen van de oude vaders, die door een hemels initiatief in mij zijn ingeplant. Zij zijn dan ook steeds bezig met snoepen van wat verkeerd is, en zo praten zij ook. Zij overspelen hun hand in overschatting van wat mogelijk is. Op die manier doen zij hardnekkig hun eigen wil. Zij willen aan hun lichaam geen beperkingen opleggen tegen de ondeugden. Maar zonder inspanning van hun geest wentelen zij zich in de verlangens van hun vlees als in de modder. Dat is toch wat de duivelse verleiding inhoudt.

8. De wonderbaarlijke en bewonderenswaardige oordelen van Gods ijver in het Oude Testament laten zien dat wij God moeten vrezen.
En zoals je ziet: Er was een hoofd dat een merkwaardige vorm had. Dat betekent dat in de naijver van de Heer wonderlijke en bewonderenswaardige oordelen aanwezig zijn die door een met zonden beladen mens niet gekend kunnen worden.

Maar wat betreft de woorden: Het hoofd bevond zich op de buitenzijde van die hoek, en het stond daar onbeweeglijk op de hals, die betekenen dat mijn ijver tegen de duivel zowel in het denken als in het gedrag van de mensen naar buiten treedt in het zicht van de volkeren. Dat is ook al gebeurd in het Oude Testament bij Abraham en Mozes. Dat is geschied opdat de volken Mij zouden vrezen door oog in oog te staan met mijn schrikwekkende reactie en die ook te voelen. Ondertussen dreigt mijn gerechtigheid ook naar het noorden*) tegen de meest wrede ongerechtigheid van de Satan.

*) De verblijfplaats van de duivel wordt in het noorden gedacht. Zie bv Jer.1,13-15 De Heer richtte zich opnieuw tot mij: “Wat zie je?” Ik zei:”Ik zie een gloeiend hete kookpot die vanuit het noorden overhelt”. De Heer zei: “Vanuit het noorden zal onheil over alle inwoners van dit land worden uitgestort…”

9. Men kan God niet door bedrieglijke en vleiende woorden bewegen om af te wijken van zijn rechtvaardig oordeel.

En vanaf de hals stond het hoofd daar onbeweeglijk. Want met praatjes en verraderlijke woorden over niet goedgemaakte overtredingen kan men God niet vermurwen om van zijn terechte oordeel af te wijken. Dat wordt voorgesteld door de nek van zijn kracht die door God aan de vastgestelde Wet gehecht is en die door de mensen in acht genomen moet worden. Daarbij past Hij welverdiende straffen toe bij iedereen die zich niet aan de voorschriften van de Wet houdt overeenkomstig de slechte dingen waarin hij slap geweest is en zichzelf bevuild heeft. En met diezelfde overweldigende kracht vecht Hij terug tegen de duivel en die hem volgen. Dat wordt voorgesteld in het beeld van de starre nek. Zo verzet Hij zich tegen hun ongerechtigheid.

10. De verheven wraak overtreft de daad van de mensen niet door zwaarder te straffen.

Het hoofd stak even hoog boven de aarde uit als de hoogte van de hoek zelf. Dat betekent dat God alle aardse zaken te boven gaat in de meest correcte gerechtigheid van zijn antwoord. Dat doet Hij met dezelfde wrekende beantwoording als waarmee Hij tevoren bij Abraham en Mozes de werken van de mensen met een Wet heeft afgebakend. Want als men God niet wil kennen, dan luidt het goddelijk oordeel dat God zowel in het denken van de mensen als in hun daden, hun onwetendheid neersmakt.

Het hoofd stak niet boven de hoek uit. Het was precies even groot, exact gelijk in hoogte.
Dat betekent dat de hoogste wraak niet heviger is en niet boven de menselijke daad uitstijgt dan wat die echt verdient. In de uitmuntende gerechtigheid waarmee Hij alles beoordeelt, is zijn wraak alleen maar evenredig en rechtvaardig. Daar was zich ook de psalmist David van bewust toen hij zei:…

11. Woorden van David hierover.
Ik weet, Heer, uw voorschriften zijn rechtvaardig en U vernederde mij vanuit uw trouw.
(Ps.118,75)

Dat betekent het volgende.
God, ik besef dat U mij door uw goedheid niet gedood hebt omwille van mijn zonden, en dat U mij daarmee niet de mogelijkheid ontnomen hebt om naar lichaam en geest nog iets te doen.
Ook besef ik dat U niet vanwege uw macht en ook niet vanwege uw toorn hun zonden zwaarder laat wegen dan de verdiensten die zij hebben. En dat geldt zowel voor degenen die willens en wetens handelen als bij degenen die het onwetend doen.

Het goede doe ik al redetwistend met mijzelf; het slechte volbreng ik uit de begeerte van het vlees. Daarom beloont U het goede, en veroordeelt U het kwade. Maar U wijkt niet af van wat billijk en rechtvaardig is. Hoe dan? Als U heftiger zou reageren dan wat de mens doet als hij zondigt, dan zou er geen evenwichtig oordeel zijn. Maar als U heftiger zou reageren dan wat de mens doet als hij zondigt, dan zou er geen evenwichtig oordeel zijn. Maar als U slap zou reageren en niet zou oproepen tot boete, en dat er dan geen gerechtelijk onderzoek zou plaatsvinden om de ongerechtigheid ongedaan te maken, dan zou U als rechtvaardige God, de ongerechtigheid vergoelijken en koesteren. De dood was ooit het meest bittere oordeel in de dood van Adam. Maar door de genade die U opnieuw gegeven hebt, roept U via boetedoening de mens opnieuw tot leven. Dat kon alleen maar gebeuren door één iemand, en dat bent U, God. Het heel juiste en billijkste oordeel bestaat in de zuivering door uw genade die leidt tot leven, want uw oordeel is bij ieder afzonderlijk geval aangepast aan de juiste maat. Want alles wat U doet is overeenkomstig de waarheid, en U past geen enkele overmaat toe op valse wijze. Want wat méér is in het teveel of minder in het te weinig , doet tekort aan wat juist is.
Bij veel gejammer tempert U uw macht door niemand te doden door toepassing van uw toch heel duidelijke macht daartoe. U redeneert bij Uzelf dat U sparen zult als er boete gedaan wordt. Daarom heb ik mij vanwege uw barmhartigheid vernederd en geef ik eer aan uw Naam,
ook al ben ik ondertussen benauwd voor uw oordeel over mijn schuldige overtredingen.

12. De ogen van God zien elke ongerechtigheid en Hij straft die. En, ofschoon de menselijke geest de oordelen van God niet kan doorzien, blijven de misstappen van de mens toch niet onbesproken.

Dat hoofd had de kleur van vuur, roodgloeiend als een brandende vlam. Die woorden betekenen dat er in Gods naijver een vlammende weerstand aanwezig is, roodgloeiend vanwege de uiterst krachtige gloed van zijn toorn met een afschrikwekkend gelaat van een mens. De ogen van God zien immers iedere ongerechtigheid recht in het gezicht. De schuld van de meest uiteenlopende misdrijven blijft dan ook niet voor God verborgen, want Hij ziet ze aan met een verschrikkelijke blik, en beoordeelt ze op zijn terechte wijze. En omdat het doen en laten van de mensen ook monsterlijke en vreselijke ongepastheden bevat, vertoont het hun menselijk gezicht in daden van vleselijke lusten.

En het had tevens een afschrikwekkend mensengelaat. Het keek erg vertoornd in noordelijke richting. Want in zijn wraak is God verontwaardigd over elk kwaad dat voortkomt uit duivelse aandrang.
En dan staat er: van de hals naar beneden toe zag ik niets van zijn gestalte, want de rest van zijn lichaam was op die plaats volledig verborgen en vaag. Dat betekent dat er in Gods gedrevenheid terechte veroordelingen aanwezig zijn. Die verjagen effectief het armzalig gedoe van slechte mensen. Geen enkel menselijk verstand is in staat dat volledig te doorgronden omdat het in de hoek van het menselijk denken en doen verborgen ligt en daar toegedekt wordt, met als gevolg dat het door geen enkel onderzoek doorzien en begrepen kan worden. Soms dringt de bedreven aangelegenheid wel tot ons weten door wanneer het zichtbaar wordt naar aanleiding van de wraak die God neemt en die op het gelaat van de mens te zien is in overeenstemming met de verlangens van zijn hart. Dat is ook de reden waarom er in de wraakneming geen enkele verdoezeling van wat voor een verzachtende omstandigheid dan ook, aanwezig is. Er is alleen maar plaats voor de juiste gerechtigheid overeenkomstig de zonden van de mensen, want hun misdrijven blijven niet onbesproken, zoals voorzegd is, omdat de ijver van God zijn eigen onderzoek doet.

13. De ijver van God die rechtvaardig het doen en laten van de mens beoordeelt, is voor ieder schepsel angstaanjagend.

Ik zag zijn hoofd wel in de vorm van een onbedekt mensenhoofd.
Dat is zo omdat de ijver van God geenszins aan sterfelijkheid onderworpen is. Die is immers altijd vrij van elke neerdrukkende zwakheid, en de daden van de mensen beoordeelt Hij op correcte wijze.
Het had geen haren zoals een man en was ook niet met een sluier bedekt zoals bij een vrouw.
Hij heeft geen enkele zorg over een gevoel dat Hij iemand moet bestrijden die Hem de baas zou zijn in welke mannelijke kracht dan ook. En ook heeft Hij geen last van vrouwelijke zwakheid in een vreesachtig gemoed, dat Hij dingen die tegen zitten, niet zou kunnen overwinnen.
Toch was het eerder een man dan een vrouw. En hij was heel vreselijk om aan te zien.
Want de heel sterke kracht van God is groter in mannelijke kordaatheid dan in zachte vrouwelijke zwakheid.
En hij had een erg verschrikkelijke aanblik, want zijn naijver is voor ieder schepsel schrikaanjagend en vreeswekkend wanneer die gevoeld wordt bij de toepassing van de vergelding.

14. De kracht van de Heilige Drievuldigheid onderwerpt de menselijke geest in alle zachtmoedigheid aan Zichzelf en aan een terecht oordeel in overeenstemming met ieders eigen uiteenlopende bedoelingen.

Nu over: De gedaante had drie vleugels van wonderbaarlijke breedte en lengte. Ze waren zo wit als een stralende wolk. Dat duidt erop hoe ver de onbegrijpelijke kracht van de Heilige Drievuldigheid reikt. Geen mens is in staat die reikwijdte te begrijpen, niet in de grootte van zijn glorie en ook niet in de omvang van zijn macht. Die macht schittert door haar grote mildheid en helderheid van het God-zijn. Tevens ook door het gerechtigd oordeel waarmee Hij de geest van de mensen aan Zich onderwerpt, hoezeer zij ook in grote verscheidenheid als wolken uit elkaar drijven.
Die vleugels waren niet omhoog gestoken. Ze waren alleen maar elk afzonderlijk helemaal uitgestrekt, maar wel zo dat het hoofd er nog enigszins bovenuit stak. De wraak van God verheft zich geenszins hooghartig, maar bij ieder geval richt het zich op wat het aan straf verdient. Maar dat gebeurt altijd volgens de meest strikte norm die past bij het rechtvaardig oordeel over de bestraffing. Dat gebeurt zo dat het vermogen van Gods macht voorafgaat aan de intensiteit van zijn kracht, en wel als het ware in het hoofd van zijn wraak (N.B. in het visioen is er sprake van een hoofd!). Het gaat over de menselijke daden waarvan de ware Drievuldigheid niet toestaat dat ze onbesproken blijven. Maar bij dit alles gaat Hij toch niet zo wrekend en vermorzelend te werk als het vanuit zijn macht mogelijk zou zijn.

15. De ijver van God heeft de duivel allereerst in/door Christus overwonnen en hem vervolgens bij de uitverkorenen verjaagd; daarna verplettert Hij hem totaal in de zoon van het verderf. De godvrezenden spaart Hij, de opstandigen kastijdt Hij.

Een vleugel gaat langs zijn rechterwang omhoog wijzend in noordoostelijke richting.
Dat betekent dat God met zijn rechtvaardig oordeel eerst aan de rechtse kant van de verlossing de duivel en al het kwaad overwonnen heeft.
De tweede vleugel, die in het midden zit, wijst vanaf zijn keel naar het noordwesten.
Dat duidt op de verlossing die door de Zoon tot stand is gekomen, en als het ware halverwege, na de versterking van het geloof en de geproefde zoetheid van de uitverkorenen, de razende vijand door hen heeft verjaagd. Gelijktijdig ontrukt Hij hen uit zijn muil.
De derde vleugel wijts vanaf zijn kin naar het westen.
Dat betekent dat als de Satan verdreven is bij de uitverkorenen van God, hij vervolgens ook links van het verderf volledig verbrijzeld wordt in de zoon van het verderf als de wereld al naar zijn einde neigt.
De vleugels bewegen af en toe heftig en slaan op dezelfde plaats, dan weer houden ze op met bewegen.
De ijver van God wordt tot wraak bewogen door een afschrikwekkend en geweldig oordeel over elk schepsel. Hij laat zijn veroordeling gepaard gaan met een hevige slag overal waar het door een terecht oordeel aan de goddelijke majesteit behaagt. Immers overal waar de vreze des Heren en de liefde en de eer van God eerbiedig in acht genomen worden, daar toont God zich mild en zachtmoedig, en voert Hij zijn straf niet uit. Maar de keiharde rebellen straft Hij vreselijk en rechtvaardig.

16. Verstokten die Gods gerechtigheid verachten, geen respect hebben voor de waarschuwing van God, en geen acht slaan op zijn aanmaning aan de mens, worden in het verderf gestort.

De eerste vleugel van mijn wraak slaat de mensen en werpt hen in de afgrond van het verderf. Zij zijn zo verhard, harder dan steen, dat zij met hun innerlijke blik voortdurend mijn gerechtigheid verachten. Met de kennis van hun verstand kijken zij achterom. Zij leven meer van hun vleselijke lusten (cfr.1Petrus 2,11) en van de duivelse verleidingen dan dat zij willen letten op de ware gerechtigheid. Op geen enkele wijze willen zij zich afkeren van hun nietswaardig bestaan, niet door de aansporing van mijn kant, noch door de oproep van de mensen. Zo spijkeren zij de geest van hun geweten vast op een kruis. Zij geven meer om de ongerechtigheid van de duivel, en leven daar meer van dan van mijn gerechtigheid. Deze mensen gieten als het ware gesmolten lood in hun harten, met die losgeslagen verlangens van hun armzalige slapheid. Zij gebruiken het om de ijzeren hardheid van hun godvergetenheid nog te verstevigen. Op die manier zijn zij verhard als staal zodat zij noch omwille vanGod noch omwille van de mens zichzelf of wie dan ook sparen bij hun ongerechtigheid.

17. De elementen klagen luid over de hardnekkigheid van hen die geen berouw tonen. Als wraak worden de elementen over hen heen geworpen.

Samen met de overige schepselen roepen en klagen de elementen over hen. Zij doen dat omwille van het feit dat de armzalige menselijke natuur in de zo ontzettend korte tijd die hij maar heeft, zo onverstandig is tegenover God. En dat terwijl de elementen zelf in vrees en respect de voorschriften van de Heer volbrengen. Daarom verheffen zij vreselijk donderend hun stem tegen de mens. Hoe dan? Dat gebeurt niet doordat de elementen roepen met een stem of klagen met de kennis van een met reden begiftigd schepsel, maar zij doen dat op eigen wijze met lawaai en donder. Dat gebeurt zo dat de mensen in schrik en beven schreeuwen van angst zodra God dit, samen met andere natuurverschijnselen, over de mensen laat komen. Zij blijven opstandig. Zij nemen geen ander standpunt in en veranderen ook niet in zichzelf overeenkomstig dat wat de goddelijke macht hen opdraagt. Daarom apen deze vreselijk verharde mensen de duivel na. Deze wil in de verharding van zijn ondeugd niet onderdoen voor God, zijn Schepper. Dat is ook de reden waarom hij van elk geluk verstoken is en waarom ook zij verloren gaan die hem volgen.

18. God roept de terugvordering van zijn eer af over de razende, zelfingenomen en wetens en willens zondige mensen zoals Hij deed bij Kaïn en de Farao en bij de mensen die bij de Horeb een afgodsbeeld hebben aanbeden en zich met Baal-Peor hebben afgegeven (cfr.Num.25,5 en Psalm 106(105),28).

De middelste vleugel van mijn naijver slaat razende mensen neer, en daarbij elk kwaad dat de mensen vol eigenwaan wetens en willens verrichten. Als eerste kwam dit kwaad in een mens op tegen het bloed van Abel. Hij werd door zijn broer gehaat voor het feit dat hij door God geliefd was omdat hij zijn hele hebben en houden opofferde door het uit vrije wil uit te delen.

Vervolgens manifesteerde dit kwaad zich in de Farao. Hij was door mijn wonderen gewaarschuwd. Stijf van schrik voor Mij heeft hij mijn volk Israël laten vertrekken tegen zijn wil in. Uit woede wilde hij het terughalen. Daarom heeft mijn naijver hem verzwolgen.

Daarna stak het kwaad op nieuw zijn kop op. Deze keer bij mijn volk. Ofschoon het volk Mij kende en mijn wonderdaden had gezien, heeft het op de Horeb een afgod aanbeden. Toen is de kroon van zijn hoofd gevallen, zodat de Wet van God voor hen verworden is tot twee vergankelijke stenen platen en andere dergelijke zaken. Ten gevolge van dit alles zijn de roem en het geluk hun ontvallen. Dit alles is gebeurd door mijn wrekende wraak.

Vandaar ook dat mijn dienaar Mozes over datzelfde volk dat zo vaak tegenover Mij weerbarstig was, namens Mij een straf deed uitgaan. Dat gebeurde toen hij metterdaad aan mijn uitverkorenen moest zeggen dat iedereen zijn broeder, vriend en naaste moest doden (Ex.32,27), en nog een keer toen hij ziedend tot de rechters van het volk zei dat iedereen zijn naasten noest doden die zich ingelaten hadden met Beëlfegor (Num.25,5 en Psalm 106(105),28). Toen heb Ik Mij gewroken door het kwaad te doden dat zich tegen Mij gericht had.

19. Over Gods gerechtigheid, zichtbaar geworden in Abel, vereerd in verdere uitverkorenen en zoet-smakend in Gods Zoon. Als die gerechtigheid overtreden wordt, wordt ze door de ijver van God gewroken, door Hem die was, die nu is en er altijd zal zijn.

De gerechtigheid van God is evenwel eerst bij Abel ontstaan. Uit alle slechte en verkeerde generaties zijn na hem veel andere uitverkorenen gevonden die mijn verder uitgewerkte geboden verzameld en onderhouden hebben als kinderen van Israël. Temidden van hen is ook rouw en droefenis ontstaan, verlangend naar de menswording van mijn Zoon. Maar toen de openbaarmaking van mijn Zoon een feit was doordat Ik Hem gezonden had, geboren uit een Maagd, werd elke gerechtigheid van de Wet gekookt en gezouten en bereid tot een hartige en goed smakende maaltijd voor heel het volk dat in Mij gelooft. Ondertussen maakten de apostelen van de waarheid, die waarheid bekend. Ik nam dan ook wraak bij al die genoemde generaties omdat zij wetens en willens tegen mijn gerechtigheid zijn ingegaan. Mijn ijver blijft dit doen. Want God die er toen was, is er nu nog en zal er altijd zijn. Ook mijn ijver die er toen was, is er nu nog en zal staande blijven tot aan het einde van alle stammen en volken.
De gerechtigheid van God neemt geen einde, maar verwijdert elke roestaanslag van ongerechtigheid.

20. Wie op hondse wijze de Kerk en het toegewijd zijn aan de Kerk verafschuwt, en wie kerkelijke goederen vernietigt, wordt door Gods ijver verworpen.

Daarom ook, gedreven door diezelfde ijver, neem Ik deze ongerechtigheid weg. Ik verwerp daarbij degene die op hondse wijze de Kerk verafschuwt, die in Mij als een bloem gedijt. Of ook degene die in zijn razende ongerechtigheid de door Mij ingestelde toewijding vernietigt, of andere gerechte zaken die bij mijn tempel behoren. Het betreft zaken die sterk opgekomen zijn als voorafbeelding van mijn dienaar Jacob. De Schrift getuigt daarvan.

21. Wat Jacob heeft gedaan, was een voorafbeelding van een inzegening van een kerk.

NB. Voor een goed verstaan van dit nummer is het goed om ons de volgende teksten in herinnering te roepen. Mt.16,18 Ik zeg je: jij bent Petrus en op deze steenrots zal Ik mijn kerk bouwen. En ook Mt.7,24-27. De naam Petrus is afgeleid van het Griekse woord petra dat rots betekent.

De volgende morgen vroeg zette Jacob de steen die hij als hoofdsteun gediend had, overeind tot gedenksteen. Hij goot er olie overheen, en noemde die plaats Bethel. (Gen.28,18-19). Dat betekent het volgende.

Jacob is vroeg opgestaan. Hij is opgestaan als een minnaar van ware gerechtigheid in een opgerichte tempel. Hij heeft daar een passende naam aan gegeven. Want van die naam uit moest de meest passende tempel ontstaan namelijk de Maagd Maria van waaruit de Zon van Gerechtigheid is opgegaan.
Hij heeft de steen genomen die hij bij wijze van altaar onder zijn hoger gelegen hoofd had gelegd, dat wil zeggen ten bate van Christus, opdat die steen in Diens naam geheiligd zou worden en heilig zou heten. Iedere altaar dat gewijd wordt, is onderworpen aan de macht van de almachtige God, het hoofd van alle gelovigen. Hij heeft de steen opgericht als titel van het boek van het Leven, en als verpersoonlijking van de voortreffelijke geur van het hemels Jeruzalem. Zo is ieder altaar dat geheiligd is, het allerbelangrijkste deel van zijn tempel doordat er olie bij wijze van zalfolie over heen gegoten is. Die zalfolie is als de genade van de Almachtige God bij het heilig doopsel. En die plaats heeft Hij huis en tempel van God genoemd overeenkomstig de naam van de stad het hemelse Jeruzalem, die de levende tempel van de levende God is.

22. Overal waar het lichaam van Christus opgedragen wordt, moet er een gewijde steen zijn, ook als er om een of andere reden geen tempel kan zijn.

Overeenkomstig dit voorbeeld en met deze betekenis moet er in een tempel een steen aangebracht worden die aan mijn Naam is toegewijd. Met die steen is zo’n tempel dan gekenmerkt, want Ik ben die stevige rots. Elke gerechtigheid en de wet van de Christenen hoort Mij toe. Dus overal waar een plaats geheiligd wordt om er het lichaam van mijn Zoon te offeren, daar wil Ik een steen hebben die in mijn Naam gemerkt is, want Ik ben de enig echte sterkte. Dat geldt ook daar waar er om een of andere reden geen mogelijkheid bestaat om een tempel te bouwen. Want zoals gezegd heeft mijn dienaar Jacob een steen in mijn Naam opgericht als voorbeeld, omdat mijn Zoon ook uit zijn stam geboren is.

23. Er moet een reden zijn om een tempel te stichten, en die gaat samen met de inzet van het volk.

De bouw van een tempel die aan Mij wordt toegewijd, mag niet zo maar plaatsvinden zonder de inzet van de bevolking en zonder dat er een reden voor is. Die reden hangt samen met de dienende inzet van de bevolking, zoals ook het hemelse Jeruzalem, met Christus aan het hoofd, haar gerechtigheid niet wil ontberen, maar steeds uitkijkt naar de inspanningen van haar kinderen die zij bij God wil opnemen.

Hoe gaat dat in zijn werk? Om zich te onttrekken aan de dienst van de Satan beperken zij zich in het vrijwillig voldoen aan hun vleselijke lusten en gaan zij tegen zichzelf in door zich los te maken uit de greep van eigen bezit omwille van de liefde voor het hemelse. Dat gebeurt door niet alles te gebruiken, maar door zich sommige dingen te ontzeggen en ze aan God op te offeren voor zijn glorie. Daarin heeft mijn dienaar Jacob het voorbeeld gegeven toen hij een tiende deel van heel zijn bezit inzette, zoals hij gezegd had en zoals het ook staat opgetekend.

24. Hoe en waarom Jakob tienden van alles heeft geofferd.

Van alles wat U mij geeft, zal ik een tiende deel aan U opdragen (Gen.28,22)
Dat betekent:
Van alles wat U mij geeft, geef ik U een tiende deel terug, want dat is uw Wet. O mijn God, als eerste betreft dat de gaven in mijn ziel. Ik snijd daar mijn eigen wil uit weg. Ik bied U uw eigen gerechtigheid aan tegen dat wat ik graag wil. En vervolgens geef ik U het tiende deel van alles wat ik hier op aarde bezit.
Wat betekent dit?
Elke gelovige mens die behoort tot de tiende rang van de hogere burgers, moet altijd het tiende deel van heel zijn bezit afstaan aan mijn tempel vanwege het eerherstel dat berekend wordt van het tiende getal dat geteld kan worden. Dat betekent dat het gaat over alles wat zijn bestaan heeft in de kennis van God, en dat behoort tot de ware tempel namelijk het hemels Jeruzalem.

25. Wie kerken verwoest, besmeurt ze met misdadig bloed of met ontucht; wie geen gewijde steen benutten om daarop een offer te brengen, en wie tienden of andere tempelzaken roven, wee hen, wee die miserabelen!

Deze tekst richt zich tot hen die de vrees voor Mij vergetend, tempels die aan mijn Naam zijn toegewijd, verwoesten door de razernij van hun ongerechtigheid. Dat doen zij door bij de heilige plaatsen, de wijding die deze naar het voorbeeld van Jacob gekregen hebben, te ontwijden en te besmeuren met bloed dat vergoten wordt bij moord of te bevuilen met zaadlozing in ontucht of hoererij. Zij doen het ook als zij de toegewijde instelling van de oude Vaders minachten door bij het hoogste offer geen gewijde steen te gebruiken zoals Jacob die overeind zette met een diepe betekenis. Het kan ook gebeuren door geen acht te slaan op de gerechtigheid die door Mij is ingesteld als tienden, of die aanwezig is in de zaken die tot mijn tempel behoren. Wee die ellendigen, wee die ellendelingen, wee die miserabele mensen die zich zo schandelijk gedragen en die zo dóór en dóór slecht zijn in de ogen van mijn Majesteit!
Zoals gezegd: zij veronachtzamen alles wat Ik heb ingesteld en wat in het Oude Testament werd overgeleverd. Want overeenkomstig de barmhartige genade is de nieuwe Wet door mijn Zoon uit het Oude Testament voortgebracht, en wat in de gerechtigheid van Wet en Profeten
nog onvolmaakt was, is door mijn Zoon aangevuld. Hij heeft alle tekenen van de eerste Vaders en alles wat zij verholen in de schaduw gezegd hebben, openlijk in alle gerechtigheid in zichzelf openbaar gemaakt.

26. Wie kerkelijke zaken aan honden en varkens geeft, – dat wil zeggen: aan het gemene volk -, die worden door Gods ijver verworpen, zijzelf of hun nageslacht, van de hoogste graad tot de laagste.

En allen die dit allemaal vernietigen doordat zij de levensspijs die in beide testamenten bereid is geworden, als slijk verachten en vertrappen en aan honden, varkens en ander vee te eten geven – Ik bedoel daarmee aan verkeerde mensen -, al die mensen of hun nazaten zal Ik ook in de steek laten. Zij geven het immers eerder over aan heidense gewoontes en aan lege onwetendheid dan aan Mij, de Almachtige God. Zij benutten het voor eigen gebruik en eigen wil. Al die mensen of hun nazaten zal Ik ook verachten. In mijn ijverzuchtige wraak smijt Ik hen van de hoogste tree naar de laagste, en van rijkdom naar armoede.

27. Hoe God in zijn wraak zowel gelovigen als ongelovigen neervelt.

De derde vleugel van mijn wraak velt zowel gelovigen als ongelovigen vanwege hun goddeloos en ongerechtig gedrag. De wraak treft gelovigen die geen goede en gerechte dingen willen doen. Het gaat over mensen die duidelijk het geloof zien en die bekend zijn met de gerechtigheid van God en toch vastzitten in de duisternis van hun slechte doen en laten. Zij zuchten, maar denken niet aan wat er na de duisternis van het kwaad komt. Zij willen zich verlustigen in wat slecht is. Maar God staat niet toe dat zij doen wat zij willen. Met zijn wraak weerhoudt Hij hen daarvan. Maar zij verkeren zozeer in duisternis dat zij Hem vergeten zijn, zozeer dat zij het liefst van Hem weg willen lopen.

Maar de ongelovigen slaat Hij neer omwille van hun ongeloof. Dat gebeurt zelfs zo dat hun in de weerwraak hun ongerechtigheid wordt afgenomen, wanneer hun niet wordt toegestaan om het kwaad te volbrengen dat zij zo graag zouden willen doen.
Vandaar dat de perverse duivel, overdonderd door de zaligheid van de gelovige mensen die schitteren voor Gods ogen, hen zou willen meetrekken in de duisternis van de dood in overeenstemming met zijn boosaardigheid. Maar hij kan hen niet verder in zijn greep houden dan de strekking van hun daden reiken.

28. Hoe ellendig de ijver van God de mensen verbrandt die menen wijs te zijn en hun macht te kunnen laten gelden door onrechtvaardige oordelen te vellen.

Maar op aarde wordt een andere maatstaf aangelegd door mensen die begunstigd zijn met een nuchter verstand. Zij zijn zo wijs dat zij God indachtig zijn overeenkomstig hun eigen wil, begiftigd als zij zijn met de wijsheid van hun eigen aanvoelen. Vandaar dat zij overmoedig zelf de wijze kennis willen hebben om alles te kunnen doen wat zij bedenken, en om gerechtigheid met ongerechtigheid te vermengen. Maar in feite zijn zij dom in hun wijsheid. Want op deze wijze rekenen zij zichzelf immers volledig en volkomen in staat om alles te hebben, te begrijpen en te verkrijgen wat zij maar naar willekeur bedenken kunnen.

Onderwijl willen zij, steunend op hun macht, hun vleugels uitslaan over provincies, steden en andere plaatsen, en over zaken waar zij op dat moment met gezag bij betrokken zijn. Bij wat zij doen willen zij niet de verstandelijke maatstaf van het kijken naar God er op nahouden. Dan worden zij voor de ogen van God verdreven en verworpen vanwege hun goddeloze en onterechte oordelen die zij eerder uitspraken, en waarbij zij er bewust geen vreze des Heren op na wilden houden.

En zo zullen zij door die ijver van Mij in groot geween verkeren en met smekende stem tegenover alle mensen staan. Te rechter tijd zien en horen zij de veroordeling van hun ongerechtigheid. Sommigen van hen zullen nog tijdens hun leven in grote ellende en gebrek verkeren. Anderen zullen een ellendige dood sterven tijdens verschillende vormen van lijden. In zo’n verscheidenheid wordt er wraak genomen en ontbrandt mijn ijver iedere ongerechtigheid weg, want die gaat rechtstreeks tegen Mij in.

29. In de ijver van God is geen dreigende, schreeuwende stem te horen, maar er is wel de beslissende kracht van het rechtvaardig oordeel.

Nu over het feit dat je niet hoorde dat het hoofd iets zei. Maar terwijl de gestalte onbeweeglijk bleef, sloeg zij soms ook met de vleugels in de richting waarheen zij zich richtte, zoals gezegd is.
Dat betekent dat Gods ijver niet schreeuwt met dreigende stem en zich ook niet trots opricht, maar onbewogen blijft in de kracht van zijn macht en in het uitspeken van zijn gerechte oordelen.
Met zijn wraak die volgt op de razernij van de daden, brengt Hij de oude zaken die zonder vrees voor God gepleegd zijn, in verwarring. Hij vertrapt ze overeenkomstig de reikwijdte van de wraak van zijn oordeel, zoals jou, mens, op de meest waarachtige wijze is geopenbaard.
En omdat God rechtvaardig is, moet elke ongerechtigheid door een rechtvaardig iemand onderzocht worden. God kent de geheime positie waarin het geweten van de mens verkeert.
30. Het geweten van een mens is als het ware een spiegel waarin het verlangen naar goed en kwaad te zien is.

Want in een mens is het geweten als een spiegel waarin het verlangen verborgen ligt waarmee hij iets goeds of iets kwaads wil. Want de mens die zich geplaatst ziet tussen die twee mogelijkheden, neigt naar datgene waarnaar zijn verlangen uitgaat. De mens nu die zich naar het goede toekeert en het goede met de hulp van God aanvaardt, ontvangt op loffelijke wijze de beloning van een gelukzalige vergelding. Hij heeft immers het kwade veracht en het goede volbracht. Maar wie neigt naar wat verkeerd is, en dat op aandringen van de duivel via een slechte daad verzwelgt, loopt dan ook op ellendige wijze tegen de straffen van een terechte vergelding aan. Hij heeft immers het goede veronachtzaamd en het kwade gedaan.
Daarom moet de mens nederig en met grote toewijding aan God onderworpen zijn, en trouw aan zijn heil werken. Dat heil vloeit voort uit het hoogste goed, namelijk wanneer een ziel dronken is van haar eigen innerlijke heiligheid. Zij verkeert dan in de goede gesteldheid en is wakker om haar Schepper te dienen. Hoe dan?

31. Hoe vrees voort vloeit uit angst, en angst gepaard gaat met schrik en beven. Vanuit deze drie moet de mens doen wat juist is.

Bezorgdheid is het begin van angst en die gaat gepaard met vrees, maar vrees veroorzaakt angst en beven. Van daaruit moet de mens doen wat juist is. Hoe dan? Het feit dat de mens door vrees angstig begint te worden, komt als een gave van de Heilige Geest voort uit zijn redelijkheid. Daarom kan hij dat volstrekt niet veronachtzamen zonder dat God het weet. De wetenschap die hij in God aanwezig weet, boezemt hem angst in ten aanzien van alles wat met God van doen heeft. En als hij, God kennend, zich daar ijverig op toelegt, dan treft hem opnieuw de vurige genade van Christus. Die maant hem. Dan begint hij te beven zodat hij verschrikt raakt van wroeging en hij alsnog volbrengt wat voor God gerechtigd is.

32. Dit hoofdstuk gaat over het allereerste begin, dat wil zeggen over het onderscheidingsvermogen en over de hierboven aangehaalde genade van Christus.

Nu dan mensen, wilt begrijpen en leert verstaan waar dit allemaal vandaan komt. Waar gaat het over? God is het die het goede in u tot stand brengt. Hoe? Hij heeft jullie zo gemaakt, dat jullie Hem met je verstand aanwezig kunt weten in jullie doen en laten dat jullie wijselijk en met overleg tot stand brengen. Een redeloos wezen doet alles zonder verstand en zonder nadenken, ook zonder onderscheid te maken en zonder schroom. Ook kent het God niet want het heeft geen verstand. Het voelt Hem alleen maar, want het is zijn schepping. Het redelijk dier dat mens heet, heeft verstand en wijsheid, onderscheidingsvermogen en oprechtheid in zijn doen en laten, dat hij op redelijke wijze tot stand brengt. Dat is de eerste wortel die Gods genade in iedere mens geplant heeft toen Hij hem een ziel gaf om te leven. Al deze dingen zijn in het verstand aanwezig, want daardoor zijn de mensen zich bewust van God, zodat zij kunnen willen wat recht en goed is. Vandaar dat het volkomen heilzaam werk dat opborrelt in de goede wil van de mens, en dat de mens oppakt en onderneemt in relatie met zijn Verlosser, te weten met de Zoon van God, door wie de Vader elk werk in de Heilige Geest tot stand brengt, dat werk wordt opnieuw door de vurige genade in Christus Jezus, ontstoken en bemoedigd.

33. Om zich over zijn zonden te verontschuldigen moet niemand mopperen tegen zijn schepper.

Daarom moet de mens in de vreugde van de Heilige Geest werken van gerechtigheid verrichten. Hij moet niet weifelen in afkeurenswaardig gemopper. Dat betekent dat hij niet moet zeggen dat hem bij dit alles ook maar iets tegenstaat, iets dat hem bij het eerste ontstaan door Gods genade als eerste gave is meegegeven, of iets dat hetzelfde ontstaan opnieuw ter aansporing heeft aangeraakt in de vurige genade van de Heilige Geest. Het is de bedoeling dat de mens niet kwalijk ineenstort, en vervolgens angstig wordt over dingen die hij door een onbegrijpelijke impuls misdaan heeft, alsof hij in de kern van zijn ontstaan iets te weinig heeft meegekregen.. En dat hij, als hij gevallen is en in nood verkeert, niet moppert en bij zichzelf zegt: “O wee, wat heb ik gedaan door mijn doen en laten niet in God te doorzien?” Hij moet verder voortgaan zonder de last van ontrouw, zodat hij niet vanwege zijn doen en laten God wantrouwt, maar zich veilig voelt zonder tot tranens toe bewogen gejammer over zijn armzalig gedoe.
Maar wie scherpe oren heeft aan zijn verstand, kan in de vurige liefde van mijn spiegel hunkeren naar deze woorden, en ze opschrijven in het bewustzijn van zijn geweten.

SCIVIAS, DEEL III
Sc.3.6

HOOFDSTUKKEN VAN HET ZESDE VISIOEN VAN HET DERDE DEEL

1. Geen enkele gelovige moet het beneden zijn waardigheid achten om onder een gezag te staan. Want door het leiderschap van het volk Israël tijdens de Wet zijn ook de bestuurders van de tijd van de genade aangeduid.
2. De dingen die door de hardheid van de Wet verborgen werden gehouden als onder een sluier, zijn door de genade van de Heilige Geest aan het licht gebracht bij de menswording van de Zoon van God.
3. De mens die bekleed is met de waardigheid van het leergezag, is de plaatsbekleder van God.
4. Behalve mensen met geestelijk leergezag zijn er ook hoger en lager geplaatsten met wereldse macht om over het volk te regeren.
5. Door het uiterlijke dienstwerk kan het innerlijke worden begrepen.
6.Waarom God toegestaan heeft dat het ene geslacht boven het andere uitsteekt en het andere daaraan onderworpen is.
7. Woorden van Izaak en Jacob hier over.
8. Hier vinden we een aanduiding over de drievoudige sociale ordening: de heersende klasse, de vrijen en de horigen.
9. Over het feit dat zowel de wereldlijke als de geestelijke stand in vier groeperingen opgedeeld kan worden.
10. Niemand mag zich een geestelijke of wereldlijke waardigheid toe-eigenen hetzij door roof of door diefstal of door aankoop.
11. Mensen die een rijp verstand hebben, een zuiver geweten, en niet uit zijn op vleiende loftuitingen van mensen, zijn waardig om gekozen te worden in een bestuur.
12. Al wie bestuursmacht verwerft ongeacht of het God behaagt of niet, en die wegvlucht van God, staat aan de kant van de duivel. Aan zo iemand wordt geen weerstand geboden in de verwachting dat hij toch later erger gestraft zal worden.
13. Zoals al die genoemde mensen er waren, zo zijn ze er nu nog en zullen ze er ook altijd zijn heel de tijd dat er mensen zijn onder het gezag van de goddelijke Voorzienigheid.
14. In de stand van de hogere en de lagere leken zijn er drie geledingen.
15. De geestelijke leermeesters dienen in eenheid van geloof voor te gaan aan het volk.
16. De wereldlijke en bestuurlijke macht en het volk moeten elkaar met zuivere bedoelingen en met eenvoudige toewijding tegemoet komen.
17. In het werk van God gingen zes deugden aan de overige vooraf.
18. Over de waarde van de onthouding, de vrijgevigheid, de waarheid, de vrede, de gelukzaligheid, het onderscheidingsvermogen, de verlossing van de zielen en de betekenis daarvan.
19. Over de praktijk van die deugden en wat die inhoudt.
20. In het bijzonder over de onthouding en de praktijk daarvan, en wat dat betekent.
21. In het bijzonder over de vrijgevigheid en de praktijk daarvan, en wat er de betekenis van is.
22. In het bijzonder over de vroomheid en de praktijk daarvan, en wat er de betekenis van is.
23. In het bijzonder over de waarheid en de praktijk daarvan, en wat er de betekenis van is.
24. In het bijzonder over de vrede en de praktijk daarvan, en wat er de betekenis van is.
25. In het bijzonder over de gelukzaligheid en de praktijk daarvan, en wat er de betekenis van is.
26. In het bijzonder over de onderscheiding van de geest en de praktijk daarvan, en wat er de betekenis van is.
27. In het bijzonder over de verlossing van de zielen en de praktijk daarvan, en wat er de betekenis van is.

HET ZESDE VISIOEN VAN HEET DERDE DEEL

En vervolgens zag ik tussen de noordelijke en de westelijke hoek de muur van een wand van het genoemde gebouw. Die muur was aan de binnenkant helemaal voorzien van bogen op de wijze van een omheining, niet open als een traliewerk, maar gesloten met in elke boog iets als een afbeelding van mensen. Maar aan de buitenzijde van die muur zag ik twee kleinere muren even lang als de afstand die er was tussen de noordelijke en de westelijke hoek. De hoogte van die twee lagere muren was drie el. De breedte tussen de binnenste muur met bogen en de middelste muur bedroeg één el. En de breedte tussen de buitenste muur en die welke in het midden stond, bedroeg één palm, maar dan wel de palm van een kinderhand.

Ook zag ik binnen dat gebouw zes gestaltes staan vóór de genoemde muur met de bogen. Ze stonden op het plaveisel. Drie stonden dicht bij elkaar vóór de muur kort bij de hoek die op het Noorden gericht was. De drie andere gestaltes stonden ook samen aan het einde van die muur kort bij de hoek die naar het Westen gericht stond. Ze keken alle drie naar de schilderingen die in de bogen waren afgebeeld.

Aan het einde van die muur zag ik binnen in het gebouw nog een andere gestalte op een steen zitten. Die steen diende hem als zetel en stond op het plaveisel. Met de rechter zijde leunde de gestalte tegen de muur. Maar het gelaat van de gestalte was gericht naar de kolom van de ware Drieëenheid.. Aan het einde van die muur zag ik evenwel nog een andere gedaante op een hogere plek op de muur staan eveneens kijkend naar die voornoemde kolom van de ware Drievuldigheid.

Bij deze gestaltes zag ik de volgende gelijkenis: evenals de vorige gestaltes waren zij als het ware gekleed in zijden gewaden en droegen wit schoeisel, behalve de gedaante die rechts van de middelste van de drie stond die ik op het einde van die want had gezien. Die was zo volkomen vol van zuiver, helder licht, dat ik vanwege de grote schittering zijn gedaante niet duidelijk kon waarnemen. Zoals gezegd, was er een uitzondering: op de muur stond een gestalte die zwart schoeisel aan had. Geen van hen droeg een mantel, behalve de middelste van de drie (die op het eerste deel van de muur stonden), die droeg wel een mantel. Verder, twee van de drie hogergeplaatste gestaltes, namelijk die rechts en links van de middelste gestalte stonden, en twee van de drie lagergeplaatste gestaltes – de middelste met name en degene die links stond – droegen geen vrouwelijke sluiers op hun hoofd; zij stonden daar blootshoofds met hun witte haren. Maar de middelste van de eerste drie gestaltes en die welke op de steen zat tegen de muur aan, hadden een witte sluier op het hoofd, zoals dat bij vrouwen gebruikelijk is. Diezelfde gestalte, de middelste van de eerder genoemde drie, en de gestalte die aan haar rechterhand stond, waren in het wit gekleed. Maar ik zag toch een verschil tussen hen beide.
De gestalte die in het midden van de drie hogere gestaltes stond, droeg een safraankleurige aureool op haar hoofd bij wijze van een kroon. Op de rechter zijde daarvan stond gegraveerd: “Altijd aansteken!” En ik zag hoe aan de rechterzijde van die gestalte een duif kwam aangevlogen die met zijn snavel op die tekst ademde. En de gestalte sprak….

(NB. Er volgen nu eerst 8 woorden van “de gestalte” in de nummers 1 t/m 8. Bij nummer 9, 2e alinea begint pas het commentaar op de tekst van het zesde visioen. De nummering van het commentaar laten we dan ook dáár pas beginnen met nr.1 enz. Cfr Brief aan Hans Wilbrink dd. 15 april 2019)

Ik ben vol van intens medelijden. Daaruit stroomt een beek die op generlei wijze geld wil achterhouden of goud of edelstenen ten overstaan van mensen die gebrek lijden en behoeftig zijn, die het noodzakelijke missen en daarom huilen. Nu zal Ik hen troosten en altijd wil Ik hun armoede verhelpen omwille van de liefde van Gods Zoon die zachtaardig en deemoedig is (cfr.Ps.85/86,5;Joël 2,13) en die zijn goederen uitdeelt aan de zielen van de rechtvaardigen terwijl Hij hun wonden genezend aanraakt vanwege hun berouw (cfr. Sapientia 11,24b).

Een andere gestalte die rechts van hem stond, droeg op zijn hart iets dat op een leeuw geleek, blinkend als een spiegel. Aan zijn hals hing iets dat op een bleekkleurige slang geleek en dat eveneens in een kromme buiging als een twijg op zijn borst hing. En hij sprak…

Ik zie een heldere leeuw, en uit liefde voor hem, geef ik. Maar van de vurige slang vlucht ik weg. Maar de slang die aan het kruis hangt, heb ik lief.

De derde gestalte die aan zijn linkerzijde stond, droeg een kleed dat roodachtigpaars van kleur was. Op zijn borst verscheen een engel die aan beide zijden een vleugel had, dat wil zeggen, de rechtervleugel zat aan zijn rechter schouder vast, en de linker vleugel aan de linker schouder. En die gestalte sprak…

Ik heb een engel als gezel. Ik wil geen omgang hebben met degenen die huichelachtig hun ware gedaante verhullen. Ik eet slechts met rechtvaardigen.

De gestalte, de middelste van de drie lagergeplaatsten, was gekleed in een safraankleurig kleed. Op haar schouder zat een heel witte duif die haar met zijn snavel iets in het rechter oor ademde. Maar op haar borst verscheen toen een monsterachtig en wanstaltig mensenhoofd. Ook lagen er onder haar voeten als het ware door hem vertrapte en gekwetste mensen. In haar handen hield de gestalte evenwel een open gerolde boekrol. Op één zijde, namelijk die naar de hemel gericht was, stonden zeven regels geschreven. Ik wilde die graag lezen, maar dat ging niet. En de gestalte sprak….

Ik wil de roede en de gesel ter bittere bestraffing zijn voor de leugenaar die een kind van de duivel is. Want die duivel is ook de tegenstander van de onuitsprekelijke gerechtigheid van God. Daarom ben ik voor hem een weerbarstige en lastige factor, want nooit ben ik aangetroffen in wat hij in de mond neemt. Vandaar dat ik hem ook als dodelijk vergif uit mijn mond spuw. Nooit treft hij mij in zijn listig gedoe. Voor mij is hij het allerergste en allerverderfelijkste kwaad van al wat kwaad is, omdat al het kwade bij hem begonnen is. Daarom verwerp en vertrap ik hem in de beminnelijke gerechtigheid van God. Die gerechtigheid is voor mij onophoudelijk en oneindig beminnelijk. Ik ben voor haar dan ook de stut en de leidsvrouwe omdat elk bouwwerk van Gods deugden op mij gefundeerd en gevestigd wordt. Die deugden bouwen in de hoogte. O allersterkste en edele God, verhoor mij!

De andere gestalte die rechts stond, had een engelachtig gezicht en aan beide zijden een vleugel om te vliegen. Toch had zij een mensengelaat zoals alle andere deugden. En de gestalte zei…

Ik vecht tegen het leger van de duivel dat hardnekkig tegen Mij in opstand komt en zegt: “Ik kan geen enkele ellende verdragen. Alles wat zich tegen mij richt, wil ik van mij afschudden. Ik zal niets vrezen. Wie zou ik vrezen? Ik wil voor niemand bang zijn”. Maar wie zo iets slechts uitkramen, die worden door mij verworpen omdat ik (de gestalte) aangesteld ben om mij altijd te verheugen, altijd en overal blij mee te zijn. De Heer Jezus is genezer en trooster bij elke pijn, want Hij heeft ook zelf in zijn lichaam pijn geleden ten einde toe (cfr.1 Pet.2,24). En omdat Hij ook de gerechte terechtwijzing is, wil ik mij ook bij Hem voegen, ik wil Hem dragen en alle haat en nijd en elk ander kwaad van mij afwerpen. Ik wil ook altijd een blij gezicht hebben terwijl ik vertoef in uw gerechtigheid, o God.

Maar de derde gestalte die links van hem stond, had een wit gewaad aan afgewisseld met groen. Zij had een soort schaaltje met een bleke glans in haar handen. Van dat schaaltje ging veel licht uit als van een bliksemschicht, en scheen op het gelaat en de hals van de gestalte.
En de gestalte sprak….

Ik ben gelukkig, want de Heer Jezus Christus zorgt ervoor dat ik mooi en blank ben. Ondertussen vlucht ik weg van die dodelijke raadgeving van de duivel. Daarmee blijft hij maar voortdurend herkauwend de ongelukkige boodschap verkondigen dat God verworpen wordt en dat de duivel door slechte daden aangetrokken wordt. Vandaar dat ik wegvlucht van de Satan, hem verwerp en hem steeds als een lastpost ervaar. Want ik verlang naar de minnaar die ik steeds omhels en die ik blij en boven alles met vreugde aanhang.

Maar de gestalte die aan het einde van die wand op een steen zat, was in een nagenoeg zwarte tuniek gekleed. Maar op zijn schouder droeg hij een soort kruis met de afbeelding van Jezus Christus. Die afbeelding bewoog heen en weer. En als vanuit de wolken bliksemde een glans van wonderlijke helderheid op de borst van de gestalte, en van daaruit deinde die uit als de schittering van de zon die ergens door vele kieren schijnt. Ook hield de gestalte in haar rechterhand een bescheiden stukje hout vast. Bij wijze van een waaier waren uit de top drie kleine takjes ontsproten met een bloem er aan. In haar schoot droeg de gestalte zeer kleine steentjes van alle soorten edelsteen. Zij keek daar heel zorgvuldig en nauwkeurig naar zoals een handelaar zijn waar pleegt te bekijken. En de gestalte sprak….

Ik, de moeder van alle deugden, draag altijd en bij alles Gods gerechtigheid bij me. Want ik kijk altijd uit naar mijn God, zowel in mijn geestelijke strijd als ook bij de wereldse bekommernissen die ik innerlijk bij mij draag. Ik veroordeel, vertrap en veracht geen koningen, hertogen, voorgangers en andere wereldse leiders die door de Schepper van het heelal zijn aangesteld. Hoe zou het stof het stof mogen verachten? De gekruisigde Zoon van God richt zich tot alle mensen om hen met rechtvaardigheid en barmhartigheid te vermanen. Ik wil dan ook dat elke verordening en instelling van Hem in acht genomen wordt overeenkomstig zijn wil.

Maar de gestalte die op hetzelfde uiteinde van de muur stond, was blootshoofds. Hij had zwart en gekroesd haar en een donkere huidskleur in zijn gezicht. Hij droeg een bonte tuniek met verschillende kleuren doorweven. Ik zag ook dat de gestalte de tuniek en het schoeisel uit deed, en daar naakt stond. En plotseling schitterden de haren van de gestalte in een fonkelend nieuwe blanke schoonheid als van een pasgeboren kind. En over heel het lichaam van de gestalte scheen er een pure en schitterende lichtglans. Toen zag ik ook op de borst van de gestalte een schitterend kruis met de beeltenis van Christus Jezus. Dat kruis stond op een bosje van twee bloemen, een lelie en een roos, die zich een beetje omhoog bogen in de richting van het kruis. Ik zag dat de gestalte de uitgetrokken tuniek en de schoenen flink uitklopte, en dat er veel stof uit kwam. En de gestalte sprak….

Ik doe het oude testament uit en bekleed de edele Zoon van God met zijn gerechtigheid in heiligheid en waarheid. Daarom ben ik hersteld in het goede en afgekeerd van het kwade.
Daarom, mijn God, wil de misdaden van mijn jeugd niet gedenken en ook mijn onwetendheid niet, en neem geen wraak over mijn zonden.
En terwijl ik dit alles aandachtig aanschouwde, sprak Hij die op de troon was gezeten, tot mij:

Geen enkele gelovige die nederig God wil gehoorzamen, moet aarzelen om aan een menselijk gezag onderworpen te zijn. Want het bestuur over het volk is door de Heilige Geest aangesteld tot werkzaam nut van de leefgemeenschap. En ook wat in de toekomst aan kerkelijke verplichtingen trouw en strikt door het oude volk onderhouden zou moeten worden,
ligt daarin al uitgebeeld.

NB. Hier eindigt pas de tekst van het zesde visioen, en begint het commentaar van Hildegard. In de Riesencodex is dat moeilijk te zien omdat het eerste woord van de uitleg van het visioen begint met een onaanzienlijke hoofdletter in zwarte inkt direct aansluitend op de laatste regel van de tekst van het visioen. Daardoor lijkt het alsof de tekst van het visioen gewoon doorgaat. Dat is dus niet het geval. De woorden die volgen hervatten de eerste woorden van het visioen om er commentaar op te gaan geven.

1. Geen enkele gelovige moet het beneden zijn waardigheid achten om onder een gezag te staan. Want door het leiderschap van het volk Israël tijdens de Wet zijn ook de bestuurders van de tijd van de genade aangeduid.

En daarom zie je hier tussen de noordelijke en de westelijke hoek de wand van de muur van dat gebouw. Aan de binnenkant daarvan waren allemaal bogen op de wijze van een omheining, niet open als een traliewerk, maar gesloten.

Dat betekent het volgende. Door Abraham en Mozes bevond er zich een muur waarmee zij zich als het ware in de noordelijke hoek tot aan de ware Drievuldigheid te weer stelden tegen de duivel. De ware Drievuldigheid is openlijk in het ware katholieke geloof verkondigd geworden toen de Zoon van God op het einde van de tijden door God de Vader in de wereld werd gezonden, en zijn leer overvloedig heeft verkondigd. Dat vond als het ware plaats in de westelijke hoek. Daar stond een muur. Die muur stelt het volk van Israël voor, gevestigd in de Wet van Gods gerechtigheid. Die gaat te werk overeenkomstig de bedoeling van de almachtige Vader, in toom gehouden door het Oude Testament en verbonden met Hem. Na het vertoon van deze harde tijd die door de instelling van de oude wetgeving via Gods ijver tot stand is gekomen, zijn de reglementen van de nieuwe waardigheden al vooraf aangeduid.

Het Oude Testament neeg immers naar het Nieuwe. Het Oude Testament bracht de wetsvoorschriften van het Nieuwe Testament voort, en die waren veel groter dan die eerder in het Oude Testament waren ontstaan. Dus uit het mindere is het meerdere ontstaan. Uit de mindere leer van de oude geboden is de grotere en bredere leer van de nieuwe geboden voortgekomen. Het Oude Testament was slechts als het ware het fundament dat eerst gelegd moest worden. Daarop stoelt de diepste wijsheid van elke leerstelling, die openbaar werd bij de menswording van Gods Zoon, en die zich uitstrekt vanaf de oude wet van de besnijdenis tot aan de nieuwe regeling van het doopsel, opgesmukt met de allergrootste geboden.

2. De dingen die door de hardheid van de Wet verborgen werden gehouden als onder een sluier, zijn door de genade van de Heilige Geest aan het licht gebracht bij de menswording van de Zoon van God.

Diezelfde muur – bedoeld is het joodse volk – is in het binnenste van zijn bewustzijn, dus daar waar de menselijke ziel God kent, overal met bogen omgeven. Dat wil zeggen dat het helemaal ommuurd is door het leergezag van hun voorgangers. Die dreunen de voorschriften van de Wet van God op en houden zich die zelf voor als een omwalling, zoals geringe mensen zichzelf belangrijk plegen te maken door zich te tooien met gewichtigere personen dan zij zelf zijn.
Dat gebeurt in de nabijheid van de constructie van het hekwerk. Dat hekwerk is de voorafbeelding van de Heilige Geest die bij de menswording van de Zoon van God de harde letters doorboort. Aan wie er Hem om vroegen heeft de Heilige Geest de omheining van zijn barmhartigheid meer dan volledig laten zien.
Die muur is niet opengebroken doordat de deurwachter, de Heilige Geest, het geestelijk vermogen van het Oude Testament heeft blootgelegd. Dat is later wel gebeurd bij het hekwerk van barmhartigheid, namelijk in het vlees bij het verschijnen van de Zoon van de Almachtige.
Die muur is evenwel intact gebleven in de hardheid van de menselijke voorschriften. Naderhand zijn die door de Heilige Geest in het bad van het levend water doorschijnend geworden.

3. De mens die bekleed is met de waardigheid van het leergezag, is de plaatsbekleder van God.

In elke boog staat iets als een afbeelding van mensen. Dat betekent: zoals iedere afbeelding de gestalte van een mens laat zien, zo is een mens die als het ware in een ereboog staat, in gezag gesteld is, plaatsbekleder van God. Hoe is dat dan?

Dat is zo omdat de diepste en voornaamste wijsheid door Gods genade in de mond van een met rede begaafde mens is gelegd, zodat die mens in naam van God kan besturen door de uitoefening van de gerechtigheid en de werken van barmhartigheid van de Allerhoogste zelf.

4. Behalve mensen met geestelijk leergezag zijn er ook hoger en lager geplaatsten met wereldse macht om over het volk te regeren.

Nu wat betreft: aan de buitenzijde van die muur zie je twee kleinere muren.
Dat betekent dat er in de uiterlijke aangelegenheden buiten het geestelijk gezag nog een onderscheiden bestel van hogere en lagere standen bestaat. Op bevel van God vormen zij als het ware twee muren.

De buitenste muur zijn volgens mijn bedoeling de hoger geplaatste personen die geboren zijn uit de kracht van de wereldlijke macht. En de binnenste muur zijn de lager geplaatsten. Zij staan zowel onder de macht van geestelijke als van wereldlijke personen. Zij staan als het ware tussen de boog van de binnenste genoemde muur (dat is dus van het geestelijk bestuur) en van de buiten muur. Dat zijn de mensen die de wereldlijke macht bezitten, zoals al gezegd is. Daarom staan die twee muren ook buiten het bereik van de binnenste muur met bogen. Want wereldse personen gaan meer over wereldse aangelegenheden, dan zij die over innerlijke zaken gaan. Maar zij horen toch thuis in het bestel van mijn wijngaard. Hoe dan?

(NB. De volgende nummers 5-12 zijn een antwoord op deze twee woorden: Hoe dan? Pas bij nr. 13 hervat Hildegard haar commentaar op het zesde visioen.)

5. Door het uiterlijke dienstwerk kan het innerlijke worden begrepen.

Door het uiterlijke wordt het innerlijke begrepen. Immers zoals een mens via een zichtbare en hoogstaande persoon aan de weet komt hoe men een mens moet vrezen, eren en beminnen, zo begrijpt hij met hetzelfde verstand dat de onzichtbare en allerhoogste God bovenal gevreesd, geëerd en bemind moet worden. Want via de uiterlijke en wereldlijke overheid wordt bij de mens de gedachte opgeroepen aan de innerlijke en geestelijke macht van de goddelijke majesteit. Die is zozeer afgesloten en verborgen voor de mens dat hij die niet met zijn vleselijke ogen kan waarnemen. Dat kan hij alleen met de mate van zijn geloof. En ofschoon God nu eenmaal voor het sterfelijk schepsel onzichtbaar is, kan de mens toch uiteindelijk via het zichtbaar leergezag de Allerhoogste zelf leren kennen en vereren als de Stichter van dat leergezag. Hoe dan wel?

6.Waarom God toegestaan heeft dat een soort mensen boven het andere uitsteekt en het andere daaraan onderworpen is.

De scheppende werking van God heeft het in het zelfverstaan van de mensen gelegd dat in een juist bestel van de volken grote persoonlijkheden de leiding hebben. Die moeten door de mensen geëerbiedigd en geëerd worden. In dat bestek heeft God het toegestaan dat één soort mensen overheersend is en het andere ondergeschikt, en dat de mensen zó onderverdeeld zouden worden dat zij elkaar niet zouden ombrengen en teloor gaan. Was dat niet zo dan zouden ze lui worden, niet wetend hoe zij tot kennis van God zouden kunnen komen. Dat kan alleen wanneer er vrees en eerbied bij de mensen aanwezig is.

NB. Op dit moment schijnt Hildegard geen rekening te houden met mensen die mogelijk misbruik maken van hun positie en met mogelijke egoïsten onder de leidinggevers. Bovendien ziet zij voor de machthebbers niet de taak weggelegd om te dienen. Toch moet zij ook de uitspraak van Jezus in gedachte hebben: Wie onder u de grootste wil zijn, moet aller dienaar zijn. (Mt.20,26)

En zo is de Heilige Geest te werk gegaan toen Hij de mensen tot de innerlijke wet van de Geest bracht. Door die wet moest de mens van binnenuit en van buitenaf geleid worden totdat er aan de wereld een opborrelende bron ontsproten is en in volheid van gerechtigheid verschenen is om te regeren over lichaam en geest. Daarom is de zorg van de wereldlijke macht ingesteld om te zorgen voor de aardse zaken zodat het lichaam gevoed wordt en niet bezwijkt. Het geestelijk leiderschap is ingesteld om zorg te hebben voor de innerlijke verzuchting om te komen tot de dienst aan God (Jezus Sirach 2,1) opdat de ziel naar het hemelse blijft verlangen.
Zo zit dit alles in elkaar omdat Ik het verordend heb. Dat komt overeen met wat Izaak tegen zijn zoon Jacob heeft gezegd….

7. Woorden van Izaak tot Jacob over deze aangelegenheid (Gen.27,29).

Jij moet de leider zijn van je broers, en dat de kinderen van je moeder zich voor jou buigen (Gen.27,29). Dat betekent het volgende. Jij moet de leidsman van je broers zijn, macht over hen uitoefenen met de bijbehorende eerbetuigingen en gelukzaligheden, gezegend met de zegeningen die God ook aan mij (=Izaak) gegeven heeft. En dat alle zonen die uit jouw moeder geboren zijn, zich voor jou zullen buigen, onderworpen als zij aan jou zijn vanwege deze uitzonderlijke zegening van jou. Uit jou zal een groot nageslacht te voorschijn treden (cfr.Mt. 2,6b) waaruit een zeer sterke en machtige man opstaat. Zijn broers zullen hem verjagen en vervolgen. Maar als een leeuw zal hij zich uiterst snel en uit alle macht aan hen ontrukken en in een alles overtreffende macht over hen heersen. Zich beroepend op die macht, die nooit door een doodgewone onbenul zal worden uitgewist, onderdrukt hij hen, terwijl zijn broers onbenullig worden.

Zo heb ook Ik, de hemelse Vader, tot mijn mens geworden Zoon gezegd: “Wees Heer over alle nakomelingen die voortgekomen zijn uit menselijk zaad en die Ik via Jou heb geschapen. Want Jij bent op wonderbare wijze uit een Maagd geboren en niet ontvangen via het zaad van een man. Jij bent van Mij uitgegaan als door opvlammend vuur, op aarde verschijnend als een echte mens terwijl het maagdenvlies van de aller ongereptste en zuiverste Maagd gesloten is gebleven.

Vanwege de opperste klaarheid van je goddelijkheid ben Jij dan ook de Heer over hen die jouw broeders zijn vanwege je menswording waardoor Jij mens bent. En laat de buiging, dat is de onderwerping, door de zonen van je moeder (de moeder namelijk van je menswording), en in gehoorzaamheid van vrome toewijding, zelf geboren uit mensen, aan jou onderworpen zijn.

En omdat de Zoon van God op deze wijze Heer van alle schepselen is, is ook door Hem de instelling van de verschillende machten in de wereld tot stand gekomen overeenkomstig de wil van de Vader en de stimulans van de Heilige Geest. Hoe is dat gebeurd?

Doordat God de buitensporige trots en grootspraak heeft weggenomen waarmee het ene volk het andere niet eerbiedigde, en iedereen maar deed wat hem goed leek, als God dit niet in de onvoorstelbare wijsheid van zijn raadsbesluit ongedaan had gemaakt. Hij heeft zelf temidden van de bevolking een volk apart aangewezen, het kleinste namelijk om dienstbaar en gehoorzaam onderworpen te zijn aan de meer begaafden, maar dat de meer begaafden in iedere vorm van dienstbaarheid deskundig en toegewijd hulp zouden bieden aan de minder begaafden, zoals het ook door de gloedvolle ingeving van de Heilige Geest aan Jakob door zijn vader gegeven is geworden om heer te zijn over zijn broeders, zoals hierboven vermeld is geworden.

8. Hier vinden we een aanduiding over de drievoudige sociale ordening: de heersende klasse, de vrijen en de horigen.

Het feit dat één de leiding moet hebben, is duidelijk in het wereldse bestel waarin één persoon de beschikking heeft over de vrijheid van de anderen.
Vanwege de eerbied die door hen aan hem wordt bewezen, moet hij hen met zijn macht ontzien. Hij mag hen niet onderdrukken met een beroep op het recht tot dienstbaarheid. Hij moet hen liefhebben alsof het zijn broeders zijn. Maar waar gezegd wordt dat er voor hem gebogen moet worden, wordt blijk gegeven van hun bereidheid tot dienen. Zij die door de band van horigheid aan hun meesters onderworpen zijn, zijn als eigen kinderen; die krijgen lijfelijke verzorging.

(Met verwijzing naar Rom.9,8: Niet de kinderen naar het vlees zijn kinderen van God, maar de kinderen van de belofte worden als kinderen beschouwd.)

Maar toen Jakob deze zeggingschap via de zegen van zijn vader aan zijn broer ontfutseld had (cfr.Gen.27,36), heeft hij via een gedenksteen die hij oprichtte (cfr.Gen.31,45) en met tienden die hij beloofde te zullen geven, vastgesteld dat hij de belangrijkste persoon is in de geestelijke legerschare. Want elke gelovige moet van de onderste trede naar de hoogste opklimmen, en moet ook via de wereldlijke macht het hogere gezag leren van het helderdere licht van het geestelijk leven. In dat licht wordt ook de taak van schipper*) vervuld om de weg van het onbevlekte Lam te volgen.

(* De Kerk wordt vaak voorgesteld als een schip, met Petrus en zijn opvolgers als de kapiteins of de roergangers aan boord).

Het Lam voert de mens omhoog in de volle goedheid van de gerechtigheid, namelijk door de mens overeind te helpen die neerligt als gevolg van de hinderlagen van een perverse rover.

9. Over het feit dat zowel de wereldlijke als de geestelijke stand in vier groeperingen opgedeeld kan worden.

Vandaar ook dat deze twee lagen (van de bevolking) namelijk de mensen die voorgaan bij de aardse aangelegenheden en zij die dat doen in de hemelse, in vier groeperingen worden opgedeeld.

God heeft immers de grote kracht van het verstandelijk weten aan de mensen gegeven zodat men onder verlichting van de Heilige Geest deze zaken bij zichzelf zou onderzoeken aan de hand van de vier elementen (i.e. water, aarde, lucht en vuur). Ik veracht of verwerp niet dat men die toepast op de twee genoemde lagen van zijn.

Want wie het mindere in mijn Naam uitvergroot is waard om zijn loon te ontvangen (Lukas 10,7) en geen verwerping. Die vier elementen zijn evenzeer aanwezig in wereldse zware lasten als in geestelijke aangelegenheden. Hoe dan?

In wereldlijke aangelegenheden spelen edele en nog edelere mensen een rol, en er zijn mensen die dienen en mensen die gehoorzamen. In geestelijke zaken zijn
er ook hogergeplaatsten en oversten, en er zijn mensen die gehoorzamen en mensen die bestraffen.

10. Niemand mag zich een geestelijke of wereldlijke waardigheid toeëigenen door roof of diefstal of tegen betaling.

Ik (=God) wil absoluut niet dat deze dingen die door mijn verordening zijn ingesteld, versjacherd worden als dingen die op een veiling te koop zijn. Ik wil dat men er op redelijke wijze mee omgaat. Zij die deze taken op zich nemen, moeten dienstbaar zijn voor God en mensen. Maar oh wee! Sommige giftige schorpioenen overtreden mijn gerechtigheid. Met het dodelijk gif van hebzucht en trots roven zij deze zaken niet alleen op werelds gebied maar ook in geestelijke aangelegenheden. Het roven van wereldlijke waardigheden, aardse zaken die met aardse middelen verworven worden, moeten weliswaar ten strengste met wrekende ijver van God onderzocht worden, maar bij het roven van geestelijke zaken moet dat met nog meer gestrengheid en ijver gebeuren.
Want in uiterlijke zaken zijn wereldse mensen vlees van vlees, maar geestelijke mensen hebben een band met de innerlijke zaken van de geest. Maar ofschoon wereldse mensen zich bezig houden met uiterlijke zaken en een aardse taak hebben, moeten zij toch ook in die aangelegenheden zelfbeheersing aan de dag leggen. Geestelijke mensen daarentegen die in de religieuze leefsfeer vertoeven en in de verachting van de wereld, staan gericht op het hart van de almachtige Vader en moeten veeleer in de naam van het geestelijke vurig Gods Zoon navolgen in het hoge priesterschap. Want zoals de Zoon uit het hart van de Vader is voortgekomen, zo heeft de Vader in zijn Zoon personen van het magisterium (leergezag) bij Zich geplaatst. Die bekleden een boven de kudde staande positie ten bate van de Kerk met God verbonden in het juiste dienstwerk. Hoe dan?

11. Zij die rijp van inzicht zijn en een goed geweten hebben en niet de vluchtige, vleiende woorden van mensen zoeken, die zijn waardig om voor een bestuurstaak gekozen te worden.

Zij die bezonnen, trouwhartig en evenwichtig van geest zijn, met een hart dat geheel naar Mij openstaat, dat zijn mijn zeer geliefde en trouwe behoeders en mijn zekerste vrienden. Zij hebben een goed geweten, zodat zij niet op verdorven en averechtse wijze het leraarsambt begeren en dat ook niet via duivels gekonkel proberen te bemachtigen. Ook proberen zij het niet met geld of via wereldlijke macht te verwerven en daarmee de vluchtige en vleiende woorden van mensen te zoeken. Zij aanvaarden het ambt in alle nederigheid alleen als een echte uitverkiezing van mijn kant en van het volk. Deze zijn mijn dierbaarste en deugdelijkste behoeders en mijn dierbaarste vrienden.
12. Alwie bestuursmacht verwerft ongeacht of het God behaagt of niet, en die wegvlucht van God, staat aan de kant van de duivel. Aan zo iemand wordt geen weerstand geboden in de verwachting dat hij toch later erger gestraft zal worden.

Degenen die tegendraads zijn en dit ambt op een duistere wijze verwerven, bijvoorbeeld door heimelijk hemelse zaken door middel van aardse zaken in de wacht te slepen, vluchten weg van mijn aangezicht en doden daarmee hun eigen ziel op wrede wijze. Daarmee spotten zij met Mij, want zij negeren Mij en verzetten zich tegen mijn wil. Hoe gebeurt dat?

Zij verachten Mij omdat zij de macht van het leergezag/het bestuur niet door tussenkomst van Mij wensen te verkrijgen, met hun innerlijke blik op Mij gericht en zeggend: Is dit welgevallig aan God, of niet? Nee, ieder van hen zegt daarentegen: Ook al is dit verkeerd in de ogen van God, ik neem dit toch op mij, vertrouwend op de Heer, omdat ik het nog tijdens mijn leven uitboet in mijn lichaam. Op die manier verwerven zij het leraarsambt buiten Mij, de levende God, om. Zij vragen het Mij niet eens; zij wagen het zelfs niet om Mij hierover te benaderen. In hun brandende begeerte vluchten zij van Mij weg. Zo roven zij het leraarsambt van Mij weg, en lijden zij schipbreuk ten aanzien van mijn medelijden.

Zulke mensen bevinden zich niet in het hart van de hemelse Vader. Zij bevinden zich in het Noorden (d.i. de verblijfplaats van de duivel) die voor deze aangelegenheden hun vorst is. Mij, de Schepper van alles en allen, willen zij niet zoeken. Zij zoeken hun eigen wil. Die beschouwen zij als hun God. Die volgen zij, en Mij laten ze in de steek. Zij willen Mij niet kennen. Ik ken hen ook niet. Hun begeerte geeft hun in wat zij willen. En omdat zij weigeren om Mij te vrezen, wil Ik hen ook niet in de weg staan met de verschrikking van mijn toorn, tot de dag komt waarop tegen hen wordt opgetreden en hen niets meer kan redden. Nog in dit leven worden zij volslagen overwonnen of anders zullen zij, zoals aangekondigd is, in het toekomstige gericht verantwoording moeten afleggen over de dingen die zij doen. Zij kennen Mij in hun geloof, maar in wat zij uitrichten, kijken zij niet naar Mij om.

(Vanaf 13 hervat Hildegard haar commentaar op het zesde visioen.)

13. Zoals al die genoemde mensen er waren, zo zijn ze er nu nog en zullen ze er ook altijd zijn, heel de tijd dat er mensen zijn onder het gezag van de goddelijke Voorzienigheid.

Nu gaan we naar wat je in het visioen kunt lezen: aan de buitenzijde van die muur zag ik twee kleinere muren even lang als de afstand die er was tussen de noordelijke en de westelijke hoek. Dat duidt op het feit dat er in de wordingsgeschiedenis van grotere en kleinere bevolkingsgroepen via Abraham en Mozes – als het ware van uit het Noorden tot aan de openbaring van het katholieke geloof in de ware Drieëenheid, – mijn Zoon dat geloof onderricht heeft tot in het Westen, nadat Hij door Mij naar de wereld was gezonden. Sindsdien hebben volken en hun vorsten en leermeesters in mijn Wet volhard als de kern en het voorbeeld van het volk van het Nieuwe Testament. Door mijn ijver bleven zij reikhalzend uitzien naar de komst van mijn Zoon, geboren in het vlees. Zo waren er, zijn er en zullen er altijd verschillen zijn tussen mensen van binnen en van buiten, dat wil zeggen: geestelijke en wereldlijke mensen, hogere en lagere.
De twee kleinere muren zijn aan beide zijden aan de hoeken met elkaar verbonden bij wijze van een schildpad. Want de volken, zowel van het Oude als van het Nieuwe Testament, zijn vanuit hun oorsprong, in eer en in bestuur als een eenheid verklaard als de dubbele schelp van een schildpad. Dat betekent dat zij op gezag van de goddelijke Voorzienigheid goed en waardig op elkaar aansluiten als het ene gebouw van het hemelse Jeruzalem.

14. In de stand van de hogere en de lagere leken zijn er drie geledingen.

Nu over wat er staat: De hoogte evenwel van de twee lagere muren bedraagt drie el. Dat betekent dat er in de rangorde van de rechtmatige twee wereldse standen, namelijk de hogere en de lagere, drie geledingen onder de mensen bestaan, namelijk de meer vooraanstaande bestuurders, de anderen die vrijzijn van de slavenband van de geknechten, en het gewone volk dat in dienstbaarheid onderworpen is aan hen die boven hen staan.

15. De geestelijke leermeesters dienen in eenheid van geloof voor te gaan aan het volk.

Daarom staat er: De breedte tussen de binnenste muur met bogen en de middelste muur bedroeg één el. Dat is een verwijzing naar de ruimte die er ligt tussen de hogergeplaatste personen van het leergezag en de lagere rangen van de aardsgerichte dienstbaarheid. Die ruimte is volgens God bedoeld om de onderdanen te roepen tot de orde van de eenheid van het geloof.
16. De wereldlijke en bestuurlijke macht en het volk moeten elkaar met zuivere bedoelingen en met eenvoudige toewijding tegemoet komen.

En de breedte tussen de buitenste muur en die van in het midden bedroeg één palm, maar dan wel de palm van een kinderhand. Dat duidt er op dat er tussen de lagere macht van het wereldlijk gezag en het onderworpen zijn van de civiele dienstbaarheid, de ruimte bestaat van een terecht ontzag, zodat deze twee vormen van eensgezinde en kinderlijke onschuld elkaar steunen en de handen ineen slaan in hun samenwerking.

17. Bij het werk van God gingen zes deugden aan de overige vooraf.

Nu over de woorden:
Binnen dat gebouw zijn zes gestaltes te zien. Zij staan op het plaveisel van dat gebouw vóór de muur met de bogen.
Dat betekent dat er bij het werken van Gods goedheid zes deugden actief zijn. Die gaan aan de overige deugden vooraf, en duiden op het feit dat God zijn schepping in zes dagen heeft voltooid. Met het oog op de toekomstige zaken staan die deugden vóór de muur. Dat betekent dat zij staan vóór het Israëlische volk. Dat wordt in het gareel gehouden door de goddelijke Wet, en is omwald door het leergezag en ook door de verdediging van hun voorgangers. Ondertussen vertrappen zij ook, in deze zin van het woord, het plaveisel van hun aardse zorgen in het gebouw van de hoogste Vader, opdat de christelijke heerschare zich met deze zes deugden tegen de duivel zal verzetten.

18. Over de waarde van de onthouding, de vrijgevigheid, de waarheid, de vrede, de gelukzaligheid, het onderscheidingsvermogen, de verlossing van de zielen en de betekenis daarvan.

Vervolgens staat er: Drie stonden dicht bij elkaar vóór de muur kort bij de hoek die op het Noorden gericht was.
Dat betekent dat de Heilige Drieëenheid, die in de kracht van haar majesteit niet van elkaar te scheiden is, en die aan het begin van het Oude Testament – dat een aanvang nam met Abraham en Mozes en die zich verzet hebben tegen de duivel – door verschillende en geheime gestaltes aangeduid is geworden.

Drie andere gestaltes stonden ook samen aan het einde van die muur kort bij de hoek die naar het Westen gericht staat.
Dat betekent dat de Drievuldigheid, in eenheid van heiligheid regerend, aan het einde van het tanende Oude Testament, openlijk met die Naam is aangekondigd, toen de Zoon van God in het vlees geboren is ten bate van de verlossing van de mens die ten onder dreigde te gaan.

Ze keken alle drie naar de schilderingen die in de bogen waren aangebracht.
Dat betekent dat Zij altijd met gelijke en toegewijde aandacht er op letten, hoe bij de mensen het leergezag van Gods ordening, zowel in het Nieuwe als in het Oude Testament, op hun gezag in praktijk gebracht wordt.

Dan nu de zinsnede: Aan het einde van die muur zie je binnen in het gebouw nog een andere gestalte op een steen zitten. Die steen was bij wijze van zetel op de vloer geplaatst.
Dat betekent dat bij de afschaffing van het Oude Testament van het oude volk, en bij het begin, toen het nieuwe geloof in de ware Drievuldigheid een aanvang nam en God aan de Kerk alle standvastige deugden onderrichtte, ontsproot ook die deugd op bescheiden wijze door toedoen van de opperste Vader. Die deugd blijft via de mens ook tot aan het einde van de wereld van kracht.
Daarom zetelt die deugd of kracht op een zeer stevige steen, dat wil zeggen op de enige Zoon van God, die de zetel en het rustpunt is van alle gelovigen die neerkijken op wat vergankelijk is, en van allen die in het zuivere geloof op Hem vertrouwen.

Met de rechter zijde leunde de gestalte tegen de muur.
Dat betekent: de gestalte bevindt zich in de juiste rust en aan de kant van het heil voor dit volk. Het volk is door de beschikking van God onder het leergezag geplaatst, zodat de hoger geplaatsten samen met de lager geplaatsten de gestalte met hun doen en laten zullen eren.
Maar het gelaat van de gestalte staat gericht naar de kolom van de ware Drieëenheid..
Want bij alles richt de gestalte haar blik op de Drieëenheid zelf met de volle inzet van haar aandacht. Want zoals de eeuwige Drieëenheid zonder mankeren in drie Personen gedacht moet worden, zo moeten allen die God vereren Hem met hun daden heel nauwkeurig voor ogen houden, en, terwijl zij dat doen, Hem niet uit het oog verliezen.

Nu over: aan het einde van die muur zag ik evenwel nog een andere gedaante op een hogere plek op de muur staan.
Dat betekent dat deze deugd ook in de overgang van de schaduw van de Oude Wet naar het geloof in de Heilige Drieëenheid, zowel bij het belangrijke leergezag als ook bij het gewone volk, opgeklommen is tot een hogere top van hemels verlangen terwijl het ware licht van de gerechtigheid oplicht, recht overeind en strijdend in de Zoon van God, vechtend tegen de ondeugd. Want door Hem is het begonnen, en met Hem zal het blijven in het hemels Jeruzalem, ook na het einde van de tijden.

Eveneens kijkend naar die voornoemde kolom van de ware Drievuldigheid….
Want door de heilige en onzegbare Drieëenheid gesterkt, brengt de gestalte de zielen naar het vaderland terug.

19. Over de praktijk van die deugden en wat die inhoudt.

Eerst dit: bij deze gestaltes zag ik de volgende gelijkenis… Dat duidt op het feit dat dezelfde deugden eender zijn bij de verschillende gaven van God.

Daarom zijn zij evenals de vorige gestaltes als het ware gekleed in zijden gewaden. Die gewaden zijn de lieflijkste werken om hen heen alsook om de overige deugden heen die in goddelijke wetmatigheid de vereerders van God verbeelden omdat zij die goede werken verrichten in waarachtige gerechtigheid.

Zij dragen ook wit schoeisel, want in hun vurigheid zit ook de witte gloed van het volgen van het voorbeeld van de goede werken bij de mensen.

…behalve de gedaante die rechts van de middelste van de drie stond die ik op het einde van die want had gezien. Die was zó volkomen vol van zuiver, helder licht, dat ik vanwege de grote schittering zijn gedaante niet duidelijk kon waarnemen.
Het gaat over de deugd die door de gave van de Heilige Drieëenheid op het einde van de oude gestrengheid oprijst, helemaal doorschijnend en puur. Geen enkele duivelse ongerechtigheid valt aan die gestalte op te merken. Zij verkeert in de blije klaarte van de vreugdevolle eensgezindheid onder de mensen. Dat is zo sterk dat, vanwege de hoeveelheid glorie en eer die zij bij de hemelingen heeft, haar gestalte op geen enkele wijze door geen enkele sterfelijke mens waargenomen kan worden tenzij God het goed vindt om het te laten zien.

Op de muur stond een gestalte die zwart schoeisel aan had.
Dat duidt op het feit dat er vóór de menswording van mijn Zoon, zowel in de hogere als in de lagere klasse, onder de mensen het teken en het spoor van de dood aanwezig was.

Maar geen van hen droeg een mantel… Dat betekent dat zij zowel de aardse Godsverering als ook de samenhang met de instelling van de Wet verworpen hadden. Innerlijk beschouwen zij de ware gerechtigheid. …met uitzondering van de middelste van de drie die op het voorste deel van de muur stonden. Die droeg wel een mantel. Want deze gestalte was omgeven door Gods begrijpende liefde toen zij zich aan het begin van de Wet van Gestrengheid aftobde onder Gods bescherming. Met verwerping van de vleselijke lusten heeft deze gestalte haar hemelse schat opgeborgen in Gods begrijpende liefde.

En twee van de drie hogergeplaatste gestaltes, namelijk die rechts en links van de middelste gestalte stonden, en twee van de drie lagergeplaatste gestaltes – de middelste met name en die links stond – droegen geen vrouwelijke sluier op hun hoofd; zij stonden daar blootshoofds met hun witte haren.
Want Wet en Profeten treden naar voren door de kracht van de allerhoogste Majesteit. Door hun kracht laten zij leven en dood zien met daarbij de twee geboden van de dubbele liefde (de liefde tot God en die tot de naaste). Die geboden komen voort uit de éne en dezelfde kracht van God. Zij bezitten de standvastigheid van de innerlijke, attente aandacht en kennen de zoete vreugde ten aanzien van goddelijke zaken. Zij zijn absoluut vrij van onderworpen te zijn aan pijn en aan de strikken van de dood. Dat komt vanwege hun verbondenheid met Christus, mijn Zoon. Met hun onbedekte haren schitteren zij in hun blanke maagdelijkheid. Want God houdt heel veel van de maagdelijkheid van de Maagd Maria.

Nu over: Maar de middelste van de eerste drie gestaltes en die andere die op de steen tegen de muur aan zit, hebben een witte sluier op het hoofd, zoals dat bij vrouwen gebruikelijk is.

Dat betekent dat deze gestaltes met de hulp van de Allerhoogste en in het standvastig bewaren van de gelukzalige rust, puur en zacht gebonden zijn door de sterke band van onderdanigheid. In hun serene en vrome toewijding vereren zij God als het hoofd van alle gelovigen, zoals een echtgenoot door zijn vrouw met oprechte eerbied geëerd dient te worden.

Diezelfde gestalte, de middelste van de eerder genoemde drie, en de gestalte die aan haar rechterhand staat, zijn in het wit gekleed.
Want door de kracht van de goddelijke majesteit en in hun allerzoetste gelukzaligheid stralen hun fel lichtende en blanke werken uit bij de mensen. Zij staan standvastig onder de Wet van God waarmee zij verbonden zijn.

Maar toch zie je een verschil tussen hen beide. Dat wil zeggen dat zij bij God toch onderscheiden deugden bezitten waarmee zij Hem eenparig vereren.

20. In het bijzonder over de onthouding en de praktijk daarvan, en wat dat betekent.

Daarom de gestalte die in het midden van de drie hogere gestaltes stond verbeeldt de onthouding. Zij is immers in haar eerste strijd als het ware een stad, een hemelgewelf en versiering van deugden die haar aankleefden toen zij zich onthield van de zonde bij het in acht nemen van strenge zeden. Op die manier heeft zij alle kinderachtigheden van het kwade onderzocht en heeft zij ze afgewezen. Zij heeft er zich absoluut niet mee ingelaten. Zij is eerder een moeder temidden van de deugden die verwijzen naar de glorie van God bij het begin van de Wet van het oude volk.

En op haar hoofd droeg zij bij wijze van een kroon een safraankleurige aureool. Op de rechter zijde daarvan stond gegraveerd: “Altijd aansteken!”
Want op haar hoofd is zij gekroond met een paarsachtige uitstraling van een zon
namelijk van Gods Zoon. Door zijn heldere uitstraling is zij geheel omgeven. Zij verlangt naar niemand anders dan naar Hem die haar altijd in vuur en vlam zet aan de rechter zijde van haar ziel.

Zoals je ziet: aan de rechterzijde van de gestalte komt een duif aangevlogen. Die duif ademt met zijn snavel in de richting van de Schrift. Want aan de rechterkant van het hemels heil is immers de gave van waarachtige eenvoud aanwezig, dat wil zeggen van de Heilige Geest. Bij onthouding ontsteekt de Heilige Geest alle goede dingen door zijn verheven ingeving tot redding van de zielen. Dezelfde kracht geeft dat ook aan in de bovenvermelde woorden van zijn vermaning.

21. In het bijzonder over de vrijgevigheid en de praktijk daarvan, en wat er de betekenis van is.

Een andere gestalte die rechts van hem stond…
Die woorden betekenen vrijgevigheid die in kinderlijke eenvoud aanwezig is. Daarin zit geen enkele stompzinnigheid of hardheid tegenover het lijden van mensen. Door haar onbaatzuchtigheid weerhoudt zij zich altijd van ruwheid bij het verrichten van goede werken. Zo streeft zij altijd naar God. Ruimhartigheid is altijd het uitgangspunt van haar handelen zodra zij met onbaatzuchtigheid haar werk aanvat.

In haar hart heeft zij iets dat op een leeuw lijkt, blinkend als een spiegel.
Het is mijn Zoon Jezus Christus die in haar hart verborgen is als een zeer sterke leeuw, en aanwezig is als in de spiegel van haar vrome en prachtige liefde.

Nu over: Aan haar hals draagt de gestalte iets dat wel een bleekkleurige slang lijkt en dat eveneens in een kromme bocht als een twijg op haar borst hangt. Dat duidt op het feit dat zij mijn zeer behoedzame Zoon om haar hals draagt, terwijl Hij kromgebogen onder de bleke angst van het vleselijk lichaam, met veel geduld de pijn van de krommende straffen, inclusief de verheffing op het kruis, heeft ondergaan als medicijn voor alle wonden. Die ruime goedgeefsheid wordt door de hemelse liefde op haar borst gedrukt. Dat neemt zij vaak waar in de gedachten van de mensen, zoals ook duidelijk blijkt uit de voornoemde woorden van haar aansporing.

22. In het bijzonder over de vroomheid en de praktijk daarvan, en wat er de betekenis van is.

De derde gestalte, links van haar, laat de vroomheid zien die absoluut vrij is van haat of nijd ten aanzien van het geluk van een mens. Zij verwelkomt integendeel de voorspoed van alle mensen en verheugt er zich steeds over. Met haar levenskracht en haar zalving van grootmoedigheid weerstaat zij aan de snode kant van de duivelse inblazing. Want bij ieder gevecht van betekenis bestaat haar vroomheid helemaal uit terughoudendheid. Door die vroomheid blijft zij altijd als winnares overeind.

Die gestalte droeg een kleed dat roodachtigpaars van kleur was. Want die gestalte is omkleed met haar allermooiste bezigheid. Zij volhardt namelijk op heel mooie wijze bij bloedige gevechten die namelijk schuilgaan bij het ondergaan van beledigingen naar het voorbeeld van het lijden van mijn Zoon. Zij volgt dan zijn voorbeeld na.

(NB.Schildert Hildegard hier zichzelf in haar strijd naar onafhankelijkheid van de monniken van Disibodenberg?)

Op zijn borst verscheen een engel die aan beide zijden een vleugel had,
Dat betekent dat een mens in zijn gedachte altijd de leefhouding van de engelen
moet nabootsen, en wel door te houden van iedere ordening als van een instelling van God. Want aan beide kanten, op één en op twee vleugels, zijn er gunstige en minder gunstige dingen. In de ene God moet men met deze dubbelzijdige realiteit niet te zeer leunen op wat goed is, en evenmin te zeer gebukt gaan onder het kwade. Men moet opstijgen als op vleugels. Dat wil zeggen: met een zuiver hart opkijken naar God, aldus opstijgend naar God en niet zich neerwerpend op de aarde.

Daarom staat er ook de rechter vleugel zit vast aan de rechter schouder van die gestalte, want het welzijn van een mens wordt aan de rechter kant van het heil van de zielen aangereikt als hulp tot vroomheid wanneer mijn Zoon een mens naar het vaderland heeft teruggebracht.

En de linker vleugel zit vast aan zijn linker schouder. Dat betekent dat links de duistere kant van de duivelse hinderlagen is, en dat daarom de mens daar een vleugel heeft waarmee hij die duistere werken kan verwerpen en zijn toevlucht omhoog kan nemen tot het toevluchtsoord van mijn Zoon. Door Hem is hij immers sterk tegen elke tegenwerking en volgt hij het leven van de rechtvaardigen na. Deze deugd brengt hij ook met woorden tot uitdrukking. Ook dat is hierboven vermeld.

23. In het bijzonder over de waarheid en de praktijk daarvan, en wat er de betekenis van is.

De gestalte, de middelste van de drie lagergeplaatsten, verwijst naar de waarheid. Want na de onthouding en de daarmee samenhangende deugden,
komt de waarheid opzetten met alle daarbij behorende attributen zoals de toren en de vestingwal. Dat stelt een krachtige leiding voor, met name is dat de Heilige Drievuldigheid temidden van haar werkzame krachten bij gelegenheid van de ondergang van de Joodse leefwijze en de opkomst van het ware geloof.

Op de rechter schouder van de gestalte zat een heel witte duif die haar met zijn snavel iets in haar rechter oor ademde. Dat betekent dat op het hoger gelegen gedeelte van rechts, te weten van de gelukzalige terugkeer naar het leven door de menswording van de Zoon van God, de bewonderenswaardige kracht van de Heilige Geest verschijnt, die door zijn aanraking in het rechter oor heeft geademd. Dat betekent: in het hart van de gelovige mensen, zodat zij begrijpen kunnen wat God in zijn goddelijke macht vermag.

En dan de woorden: Maar op zijn borst verscheen toen een monsterachtig en wanstaltig mensenhoofd. Dat duidt er op dat God toestaat dat er ellende in de harten van zijn uitverkorenen zal zijn en dat er vervolgingen door vorsten zullen plaatsvinden, zoals Hij ook gewild heeft dat zijn Zoon te lijden heeft gehad door de opperpriesters (cfr. Mat.16,21) . En omdat God in het hart van de gelovige mens aanwezig is, daarom moet hij ook ter liefde Gods geduldig vervolging ondergaan. En omdat de dood bij de val van de duivel is ontstaan, daarom moet ook de gelovige mens moeitevol veel strijd leveren tegen de duivelse boosaardigheden, die lichamelijk vaak lastig zijn en de mens tegenstaan. Het is eigen aan de mens dat het oude serpent hem altijd achtervolgt. Waar gaat dat over? Over de begeerte van het vlees waarop die boosaardige vijand, in een hinderlaag gelegen, altijd loert.
Maar nu over de woorden:
Ook lagen er onder de voeten van de gestalte als het ware de door haar vertrapte en verbrijzelde mensen. Dat betekent dat onder de voeten van de waarheid alle duivelse valsheden, die in het doen en laten van de mensen voorkomen, tot niets gereduceerd worden. De gestalte zelf is vol liefde om de Kerk op te bouwen, terwijl alle deugden duidelijk aan het licht treden, en in de realiteit als echt beproefd worden. Die echtheid was onzichtbaar opgesloten geweest in het hart van de Vader vóór alle eeuwen. Maar op het einde der tijden is zij zichtbaar verschenen in het lichamelijk vlees van de Zoon.

Vandaar dat er staat:
In haar handen hield de gestalte evenwel een open gerolde boekrol. Op één zijde, namelijk die naar de hemel gericht was, stonden zeven regels geschreven.
Dat betekent dat door Gods genade in alle werken van de waarheid de tekst van de vastgestelde Wet voor het Christenvolk opengeslagen is, deels om openlijk de hemelse gaven te koesteren, en deels om de vleselijke begeertes te vrezen. Daarin zijn de zeven gaven van de Heilige Geest duidelijk zichtbaar, met name het onoverwinnelijke verweer tegen de duivelse hinderlagen van de dood. Je wilt die brief lezen, maar dat kan niet. Want ofschoon de mens er hevig naar verlangt om de geheimen en de verborgen dingen in de gaven van God te kennen, het is niet mogelijk voor de mens. Met zijn sterfelijk lichaam is hij er te log voor om te begrijpen en te bevatten wat God in zijn wonderdaden wil laten gebeuren. Toch kan de mens de dingen naar waarheid begrijpen en bevatten als hij de voorschriften van God opvolgt. Met wat gezegd is, laat deze deugd dit ook zien.

24. In het bijzonder over de vrede en de praktijk daarvan, en wat er de betekenis van is.

De andere gestalte, rechts van de vorige duidt op vrede die een verheven teken en een engelachtige gezel heeft, want zij gedijt in de volle groene groeikracht van de waarheid. Die waarheid is immers aan de rechterzijde van het heil van de zielen omgeven met buitengewone en zeer verheven gaven. Zij bevat ook de vrede door de Zoon van God. Hoe dan? Zoals beschreven in de engelenzang waar gezegd wordt: “Eer aan God in de hoge, en vrede op aarde aan de mensen van goede wil”. Dat betekent: de mens schittert in de allerhoogste God, en God doet het in de mens. De Zoon van God is immers op wonderbare wijze mens geworden. Daarom is God ook in de hemel lofwaardig en glorierijk door heel zijn schepping. Daarom kan er ook op aarde vrede zijn voor die mensen die met toewijding en geloof de wil van de Vader op zich nemen. Want de vrede van de goede wil is tevens de wil van heel de goedheid van de Vader. Die goedheid is zijn Zoon die zowel God als mens is.
En hoe is Hij dan vrede? Hijzelf is vrede voor de mensen door hen te verdedigen tegen de hinderlagen van het oude serpent. Dit oude serpent is de eerste overtreder die het levenslicht verloren heeft en verworpen is in duisternis. De ware vrede, dat is de ware Zoon van God, heeft het licht bij de mensen gebracht. Zo zijn zij op een zalige plek, die de duivel verloren heeft, deelgenoten van het Rijk van God geworden.
En zoals je ziet heeft die genoemde deugd het gelaat van een engel, want zij vlucht weg van alle kwaad door met een engelachtig verlangen en met een heilige bedoeling op te kijken naar het gelaat van God. Daarom staat er: die gestalte heeft aan beide zijden een vleugel om te vliegen. Want zowel bij rust als bij storm richt zij haar blik omhoog naar God. Zij raakt niet verschrikt en wordt niet verbitterd, maar blijft altijd in kalme gemoedsrust recht overeind.
En evenals de overige deugden verschijnt zij in een menselijke gedaante. Want zij is op wonderlijke wijze aan het licht getreden door de Zoon, toen ook alle deugden door haar bij de mensen op de proef gesteld werden, zodat zij op geen enkele wijze wedijver of wrijving zoekt, maar in tegendeel juist altijd zachtmoedigheid. Op die wijze stelt zij zich teweer in de strijd tegen de duivel, zoals ook blijkt uit boven aangehaalde woorden.

25. In het bijzonder over de gelukzaligheid en de praktijk daarvan, en wat er de betekenis van is.

De derde gestalte die aan zijn linkerzijde stond…die duidt op de gelukzaligheid die naar eeuwig leven streeft. Door haar trouw en innige zachtmoedigheid weerspreekt de waarheid elke valsheid van slangachtige overredingskracht die aan de linkerkant de mens misleidt die met hem instemt. De gelukzaligheid is immers de toestand van de onoverwonnen veiligheid van het ware licht waardoor de gestalte het ongeluk van de dood niet vreest. Daarom staat er ook: die gestalte
had een wit gewaad aan afgewisseld met groen. Zij is immers omhangen met trouwe goede werken die zijn wit-schijnend vanwege haar hemels verlangen, en ook is zij omhangen met veelsoortige gaven als een fris-groenkleurig sierraad in de groene groeikracht van de Heilige Geest.

Zij had ook een soort schaaltje met een bleke glans in haar handen. Dat betekent dat de mens in zijn manier van leven laat zien hoe hij als in een armzalig vaatwerkje (bedoeld is in de geheime vermorzeling van zijn hart) God door zijn geloof aanhangt, evenwel in de bleke broosheid van het menselijk vlees. Want het geloof moet juist in het sterfelijk leven zuiver beoefend worden, daar waar de miserie de mensen niet verlaat. Van dat schaaltje ging veel licht uit als van een bliksemschicht, en scheen op het gelaat en de hals van de gestalte. Want het kennen van het eeuwige Licht bevindt zich zowel in het vrezen van God alsook in het beminnen van Hem. Of nog anders gezegd: het trekt vanuit het binnenste van het mensenhart over naar zijn gelaat. Dat wil zeggen dat het overgaat naar de aanvang van een goed werk dat duidelijk de goede bedoeling laat zien.
En de woorden: en de hals. Die betekenen dat later in het goede werk overal voorzichtig een kracht aanwezig blijkt te zijn voor degene die het begrijpt. Want door de gelukzaligheid glanst dit voor God in de mens helderder dan de zon, zoals ook in deze uiteenzetting van de deugd duidelijk blijkt.

26. In het bijzonder over de onderscheiding van de geest en de praktijk daarvan, en wat er de betekenis van is.

De gestalte die op het einde van de muur op een steen zit, stelt het onderscheidingsvermogen voor. In het onderhouden van de oude leefregel blijkt zij volledig tot rust gekomen. Zij is zeer bedreven in het uitzeven van alles. Zij behoudt wat bewaard moet worden, en verwijdert wat verwijderd dient te worden zodat het graan van het kaf gescheiden wordt.

Zij is gekleed in een bijna zwart gewaad. Dat betekent dat zij omkleed is met versterving van het lichaam. Lichtzinnige ijdelheid verwerpt zij volledig. Wat betreft: Op haar rechter schouder draagt zij een soort kruis met daarop de afbeelding van Jezus Christus. Dat betekent dat die deugd geworteld staat in het rechtse deel van Gods kracht, want de almachtige God heeft zijn Zoon op wonderbare wijze gezonden om mens te worden en nederig lijden te ondergaan. Zijn denkend vermogen gaat gepaard met zijn liefde. Door Hem is immers duidelijk geworden dat door het denkend vermogen elke rechtgeaardheid aan het licht kan komen. En zoals God de verlener is van de passende menselijke staat, zo is het onderscheidingsvermogen zijn navolgster in haar taak. Zij vervult haar taak dan ook in het samengaan met de verdeler van alle goeds, de gekruisigde Zoon van God, omdat zij beide waardigheden bezit, de goddelijke en de menselijke.

Terwijl zij zich nu eens hier en dan weer daarheen wendt. Dat duidt op het feit dat zij via de betekenis van het heilig kruis begrip heeft van de wijdte die er ligt tussen de goeden en de kwaden. En wat betreft: Uit de wolken bliksemt als het ware een glans van bijzondere helderheid in haar borst. Dat betekent: vanuit het medelijden van God wordt als het ware vanuit een wolk een zeer heldere gloed van goddelijke vroomheid in het denkvermogen van de mens geblazen. Die activeert het onderscheidingsvermogen in hem, en die verlicht hem.

Daarom staat er ook: Die glans valt in veel stralen uiteen zoals de glans van de zon zich verspreidt en tegelijkertijd ergens door smalle en vele kieren binnendringt… Dat duidt erop dat de Heilige Geest in opperste kracht de verschillende stralen van zijn gaven aan de mensen uitdeelt. Ze zijn helderder dan de zon. Onzegbaar diskreet stort Hij ze in nietige holtes uit. Dat wil zeggen dat Hij ze uitstort via de indringende blikken van de zielen die in Hem geloven. Daarmee verlicht Hij hun zinnen en verstand zodat zij een heel scherp inzicht krijgen in die zaken om te weten wat zij geschikt kunnen doen in God.

Maar de gestalte heeft in haar hand een stuk hout bij wijze van een waaier. Dat betekent dat het waarnemingsvermogen altijd ter rechterzijde van het heil van de zielen door de gave van de Heilige Geest bij de mensen in hun bezigzijn gade slaat als was het in het broze hout van het zwakke vlees. Dat draagt evenwel dit teken met zich mee dat het met Gods hulp de diverse vliegen van duivelse verleidingen weg jaagt, zodat de ziel niet in allerlei ijdelheden verstrooid raakt.
Daarom ook ontspruiten op wonderlijke wijze uit de top (van dat stuk hout) drie takjes met een bloem er aan. Dat verwijst naar het feit dat gelovige mensen boven alles en in alles trouw moeten geloven in de Heilige Drieëenheid die in haar wonderdaden altijd als het ware in bloei staat, en zeer glorievol regeert vanuit haar goddelijke eenheid. Gelovige mensen moeten niet overmoedig bij zichzelf de hemelse geheimenissen onderzoeken. Zoals God al zijn werken in zijn verschillende schepsels op juiste en verschillende manieren ten toon spreidt, zo moeten ook de mensen vanuit hun bescheidenheid al zijn daden goed en juist beoordelen.

Nu over het feit dat de gestalte in haar schoot zeer kleine steentjes van allerlei edelstenen heeft. Zij bekijkt ze zorgvuldig en nauwkeurig zoals een handelaar zijn koopwaar heel nauwkeurig pleegt gade te slaan. Dat betekent dat de gestalte in de schoot van het menselijk denken alles wat geschikt en passend is, via zeer nauwkeurige overwegingen en vakkennis, voor edelstenen van deugden houdt. Daartoe onderzoekt zij nauwkeurig en zorgvuldig elke gerechtigheid die door God is vastgesteld, opdat die overal en in alles op passende en correcte wijze voortgang kan vinden in de harten van de mensen. Met het oog op de beloning voor het werk worden die harten zeer scherp in het oog gehouden, want daar vindt de vergelding bij God plaats, zoals de gestalte dat ook met eigen woorden aankondigt, zoals vermeld is geworden.

27. In het bijzonder over de verlossing van de zielen en de praktijk daarvan, en wat er de betekenis van is.

De gestalte die op het uiteinde van de muur staat…dat duidt op de redding van de zielen. Want te midden van de oude harde toestand schitterde die gestalte op het hoogtepunt van het gezag van de nieuwe genade. Dat was als het ware de grond voor het breekpunt (het nieuwe begin: het Nieuwe Testament) waarmee en waarop het heil van de zielen verschijnt, ontsproten in de Zoon van God, toen Hij uit een Maagd geboren werd voor het heil van de mensen.

De gestalte was blootshoofds en had zwart kroeshaar. Zij was naakt vanwege haar onderworpen dienstbaarheid, evenwel vol vrije waardigheid, want zij hangt openlijk de Zoon van God aan. Hij heeft haar dan ook genadevol doen opstaan.
Zij verdraagt evenwel dat haar haren zwart zijn. Want bij het Joodse volk leek zij duister te zijn zonder ware helderheid, in veel dingen anders zoals het “kroeshaar” van anderssoortige leefgewoontes.

De gestalte heeft ook een donker gelaat alsof men vóór de menswording van de Zoon van God in de schaduw van de dood niet zag dat zij het geluk van het eeuwig heil bezat. Daarom draagt die gestalte een heel bont kleed met zeer veel kleuren doorweven. Binnen het oude volk was de gestalte immers omgeven met een veelvoud van bezigheden, waaronder een veelvoud van ondeugden.

Maar zoals je kunt zien, staat de gestalte daar naakt, want zij heeft dat kleed en het schoeisel uitgetrokken. Dat betekent dat zij door het lijden van mijn Zoon schoongewassen is van de dood, toen, na de komst van de Heilige Geest, het geluid en de woorden van de Apostelen de wereld in gezonden werden. Toen is het heil van de zielen ontstaan, zodat zij door het kwaad te verachten en het verkeerde spoor te verlaten, hevig ontdaan en ontbloot van de duivelse overheersing, gezegd heeft: “Jij, allersmerigste duivel, nooit zou jij mij losgelaten hebben, als ik niet verlost zou zijn geworden door het bloed van het Lam (Apoc.22,14). Jij wilde mij in de helse modderpoel vasthouden, maar nu ben ik vrij en verlost, dankzij God”.

En zo stralen nu haar haren en gelaat door een mooie blankheid en nieuwheid als van een pasgeboren kind. Want na de menswording van mijn Zoon is er een groot volk gegroeid als de haren op het hoofd van de gestalte. Op het innerlijk gelaat van haar ziel is dat volk helder oplichtend, want het hangt de ware en schitterende gerechtigheid aan. Dat bracht met zich mee dat de gestalte op zoek ging naar het eeuwige geluk, vol vertrouwen om gered te worden via het wit-glanzende leven en via de bevrijding van de gelovige ledematen die Christus, hun Hoofd, aanhangen om via een nieuwe wedergeboorte en via de ware kinderlijke onschuld gered te worden tot het hemels leven.

Over heel haar lichaam straalt de gestalte zoals een zuivere glans in helderheid oplicht. Dat betekent zoiets als dat de gestalte in al haar ledematen – dat wil zeggen in het volk dat zich aan mijn Zoon onderworpen heeft – zuiver geworden is in duifachtige eenvoud en helder in de zeer oplichtende schoonheid van Gods gerechtigheid.

Nu over het feit dat je op de borst van de gestalte een prachtig kruis ziet staan met de beeltenis van Jezus Christus er op. Het kruis staat op een kleine struik tussen twee bloemen, een lelie en een roos. Die buigen zich een beetje omhoog in de richting van het kruis. Dat betekent dat die kracht voor de gelovige mensen een sterk afweerschild geworden is bij het lijden van Jezus, de Zaligmaker. Hij heeft met zijn marteldood, als een spoor van zijn goed voorbeeld, de boom van dood en verderf van Adam omgehakt en vertrapt. Tegen die boom zijn ook de twee testamenten – het Oude Testament in het wit en het Nieuwe in het rood – volgens Gods opzet met afkeer te werk gegaan. De twee Testamenten hebben zich met hoog geestelijk verstand gebogen naar het lijden van de vrome en alleredelste Verlosser en naar zijn gerechtigheid bij het ondergaan van de dood.

Daarom zie je hoe de gestalte haar tuniek en haar schoenen uittrekt en flink uitschudt zodat daar veel stof uit verwijderd wordt. Dat betekent dat het heil van de zielen in de nieuwe en goede werken van de mensen de uitgetrokken kleding laat zien van de vorige leefgewoonte en van al het kwaad van de oude wandaden en van alle oude overtredingen en van het verwerpelijke voorbeeld van de overtreding van Adam. Na een heel gedegen onderzoek maakt de gestalte deze dingen bespreekbaar en veracht ze en verwerpt ze als stof van ijdele glorie en als zonden van andere zondaars. Hierboven in het voorwoord zegt de gestalte dat ook over zichzelf

Wie evenwel scherpe oren aan zijn innerlijk denkvermogen heeft, doet er goed aan om in vurige liefde voor mijn spiegel naar deze woorden te hunkeren en ze op te schrijven in het geweten van zijn gemoed!

SCIVIAS, DEEL III
Sc. 3.7

HOOFDSTUKKEN VAN HET ZEVENDE VISIOEN
VAN HET DERDE DEEL

1. De onuitsprekelijke Drieëenheid die op het einde der tijden werd geopenbaard, moet door de gelovigen met een eenvoudig en nederig hart geloofd en vereerd worden.
2. De wereld is gered door het bloed van Christus,
De verering van de Heilige Drieëenheid is uitdrukkelijk afgekondigd,
maar kan door geen enkel verstand begrepen worden.
3. De onuitsprekelijke Drieëenheid openbaart zich aan ieder schepsel op een heel open regerende en machtige wijze, behalve aan ongelovige harten, waarbij zij toch als een diep snijdend zwaard doordringt.
4. Zij die zich binnen de christelijke gemeenschap van het katholieke geloof te weer stellen in dorheid en ongeloof, worden door God in verwarring gedood.
5. De Godheid verwerpt de grootspraak van het Joodse volk.
6. Het duivels schisma van het heidenvolk leidt naar het verderf, afgescheiden van God.
7. Een parabel hierover.
8. Woorden van Johannes hierover.
9. Over het onderscheid en de eenheid van de drie Personen.
10. Over de drie gelijkenissen in de Drieëenheid.
11. Woorden van het boek Koningen hierover.

HET ZEVENDE VISIOEN VAN HET DERDE DEEL

Daarna zag ik hoe in de westelijke hoek van het gebouw een wonderlijke , geheimnisvolle en zeer forse zuil te zien was, purperachtig zwart van kleur. Hij stond zó in die hoek opgesteld dat hij zowel binnen als buiten het gebouw goed zichtbaar was. In omvang en hoogte was hij zó geweldig dat ik er met mijn verstand niet bij kon komen. Bovendien was hij wonderbaarlijk glad en zonder enige oneffenheid. Wel had hij aan de buitenkant, van de voet tot aan de top, drie staalkleurige vlijmscherpe kanten, zo scherp als een goed gewet zwaard.
De kant die op het zuidwesten gericht was, had veel droog stro afgesneden. Dat lag daar verspreid rond.
De kant die op het noordwesten stond, had veel veertjes afgesneden. Ook die lagen daar rond verspreid.
En de middelste scherpe kant wees naar het westen. Die had meerdere dorre takken afgesneden. Ook die lagen daar verstrooid. Vanwege de lichtzinnige vermetelheid was dat allemaal door die scherpe kanten weggesnoeid.

En opnieuw sprak Degene die ik op genoemde troon zag zitten en die mij dat alles had laten zien, tot mij: “Al deze geheime en bewonderenswaardige en onbekende, overvolle gaven die jou, mens, in het ware licht zo helder voorkomen, laat Ik jou zien en deel ze jou mee om er de vurige harten van de gelovigen mee in vuur en vlam te zetten. Zij zijn de zeer zuivere bouwstenen voor de bouw van het hemelse Jeruzalem”.

1. De onuitsprekelijke Drieëenheid die op het einde der tijden werd geopenbaard, moet door de gelovigen met een eenvoudig en nederig hart geloofd en vereerd worden.

De heilige en onuitsprekelijke Drievuldigheid van de opperste eenheid was verborgen voor hen die Hem onder het juk van de Wet dienden. Maar door een nieuwe genade is Hij geopenbaard aan hen die bevrijd zijn van de slavernij. Door zijn getrouwen moet Hij in eenvoud en nederigheid van hart als de ene en ware God geloofd worden, en niet overmoedig nageplozen. Niemand moet ontevreden zijn met de gave die hij van de Heilige Geest heeft ontvangen.
Wanneer iemand meer verlangt dan passend is, omdat hij hardnekkig op zoek is naar zelfverheffing, die komt slechter terecht dan wat hij ongepast graag zou hebben. Dat laat dit visioen ook zien.

De zuil die in de westelijke hoek van het aangeduide gebouw te zien is, is de uitbeelding van de ware Drievuldigheid. De Vader, het Woord en de Heilige Geest is de enige God in drievuldigheid, en de Drievuldigheid in eenheid, afgebeeld als en volmaakte kolom van alles goeds, doordringend in de hoogste en in de kleinste zaken, en heersend over heel de aardbol.

Deze zuil duikt op in het westen. Als het ware bij toeval is de Zoon van God mens geworden. Hij heeft zijn Vader overal eer gebracht en de Heilige Geest aan zijn leerlingen beloofd. Dat heeft de Zoon gedaan door volgens de wil van de Vader de dood te ondergaan. Daarmee heeft Hij aan de mensen het goede voorbeeld gegeven, zodat ook de mensen op correcte wijze de woning van de hoogste Vader konden binnengaan door de ware en juiste werken van de Heilige Geest te volbrengen.

Maar die zuil laat zich zien als wonderbaarlijk en geheimnisvol en heel sterk.
God is immers zo wonderbaarlijk in zijn schepselen aanwezig dat Hij op geen enkele wijze volledig door hen herleid kan worden. Ook is Hij zo vol geheimnissen dat Hij op geen enkele wijze – noch met verstand noch met gevoel – door hen ten einde toe herleid kan worden. Die volheid van geheimenissen is zo volledig dat Hij door geen wetenschap of aanvoelen van zijn schepselen hardnekkig onderzocht dient te worden. Ook is Hij zelfs zo krachtig dat elke kracht van zijn schepselen door Hem aangestuurd wordt, en dus op generlei wijze vergelijkbaar is met de zijne.

2. De wereld is gered door het bloed van Christus,
De verering van de Heilige Drieëenheid is uitdrukkelijk afgekondigd,
maar kan door geen enkel verstand begrepen worden.

Nu over de zinsnede:
De zuil was purperachtigzwart van kleur. Hij stond zó in die hoek opgesteld dat hij zowel binnen als buiten het gebouw goed zichtbaar was. Dat betekent dat de enige Zoon overeenkomstig de wil van de Vader, zijn purperen bloed vergiet voor de zwarte viesheid van de zonden van de mensen. Zo redt Hij de wereld door zijn lijden en heeft Hij het ware en juiste geloof naar zijn getrouwen gebracht. Want bij de ondergang van de oude geloofspraktijk en bij het begin van de eredienst van de nieuwe heiligmakende verering van de Heilige Drievuldigheid is het overduidelijk geworden dat de opperste Vader zijn Zoon in de wereld heeft gezonden nadat Hij door de werking van de Heilige Geest ontvangen was geworden. Hij heeft de eer van de Vader gezocht en niet die van zichzelf. Hij heeft de diepe troost van de Heilige Geest toegankelijk gemaakt, zoals hierboven vermeld werd. En dat heeft Hij zó gedaan dat die nergens verborgen kon blijven zonder dat die niet alleen aan de gelovigen, binnen het werk van God verblijvend, verkondigd zou worden, maar ook aan de ongelovigen die buiten het geloof staan.

En ook: (de zuil) was zó groot dat zowel de omvang alsook de hoogte daarvan je begripsvermogen te boven gaat. Dat betekent dat die Drievuldigheid zo onzegbaar glorierijk en machtig is, dat Zij noch in de grootheid van haar majesteit, noch in de hoogte van haar Godheid, omschreven kan worden door welke grote bewoordingen of omvangrijkheid van menselijke geest dan ook.

De zuil is op wondermooie wijze glad en zonder enige oneffenheid. Want wat buitengewoon bewonderenswaardig is, is het feit dat de zuil zeer nederig in genade is en altijd welwillend. Voor wie aangesneld komen is de gestalte altijd toegankelijk in zoete gerechtigheid. zo wordt er bij haar niets ruws van enige ongerechtigheid gevonden. Zij staat rechtvaardig en goed aan de kant van de verlossing.

3. De onuitsprekelijke Drieëenheid openbaart zich aan ieder schepsel op een heel open regerende en machtige wijze, behalve aan ongelovige harten, waarbij zij toch als een diep snijdend zwaard doordringt.

Nu over het feit:
Wel had hij aan de buitenkant, van de voet tot aan de top, drie staalkleurige vlijmscherpe kanten, zo scherp als een goed gewet zwaard.
Dat betekent dat de onuitsprekelijke Drieëenheid over heel de wereld heel open verschijnt in haar eenheid van het God-zijn, zich verzettend tegen elke duisternis. Tegenover geen enkel van zijn schepselen blijft God in gezag en macht verborgen, met uitzondering tegenover ongelovige harten. Voor hen blijft de Drieëenheid verborgen vanwege hun ongeloof. Omwille van dat ongeloof doodt het oordeel van God hen. Dat gebeurt terecht omdat zij dat verdienen. Het gebeurt zoals het allersterkste staal zonder geluid te maken neerkomt op alles wat zich teweer stelt. Vandaar dat er geschreven staat: van onder tot boven
(cfr.Jer.25,33 van het ene einde der aarde…) vanaf het begin van de schepping tot het einde ervan. En wat er overblijft heeft Hij op machtige wijze en vanuit zijn vlijmscherpe goddelijkheid altijd met een doorklievend zwaard, met wijsheid en kracht doorboord, en dat doet Hij nog altijd.

4. Zij die zich binnen de christelijke gemeenschap van het katholieke geloof te weer stellen in dorheid van ongeloof, worden door God in verwarring gedood.

De kant die op het zuidwesten gericht was, lag vol met veel afgesneden droog stro. Dat lag daar verspreid rond.
Dat duidt op het zeer rechtvaardig God-zijn van de Drieëenheid. Binnen de christelijke gemeenschap verzet Hij zich tegen elke dorheid van menings-verschil, van tegenstrijdigheid en verwerping van het allerzuiverste katholieke geloof. Tot hun zeer grote verwarring doodt en verbrandt Hij de mensen die dat doen. Dat gebeurt als hooi dat platgetrapt en in het vuur verbrand wordt nadat het gescheiden is van de vruchtdragende aar. Daarmee wordt het geloof bedoeld met zijn werken bij het kennen van de Schrift. Alles wat tegen het ware geloof indruist en niet nuttig is, wordt als ongeloof verstrooid en weggedaan. Maar het domme volk, dat onwijs vee, benut het weer.

5. De Godheid verwerpt de grootspraak van het Joodse volk.
Een andere scherpe kant stond op het noordwesten gericht. Daar vielen veel veertjes die zij had afgesneden.
Want die Godheid heeft de verregaande grootspraak van het joodse volk verworpen, toen het in zichzelf met grote hovaardigheid rondvloog en niet in God rechtvaardig wilde zijn maar in zichzelf. Bijvoorbeeld de Farizeeën die probeerden om in de hoogste hemel op te stijgen, vertrouwend op zichzelf en overeenkomstig hun eigen overtuiging.

6. Het duivels schisma van het heidenvolk leidt, afgescheiden van God,
naar het verderf.

En de middelste scherpe kant wijst naar het westen. Die heeft meerdere dorre takken afgesneden. Ook die liggen daar verstrooid in het rond. Want het schandelijk en duivels schisma wordt als rot hout dat lastig en nutteloos is voor het gebruik van de mensen, door de Drieëenheid zelf afgesneden en weggeworpen van de levensvreugde. Het geeft immers méér om de duivelse verzinsels dan om de goddelijke geboden.
Daarom staat er ook: vanwege hun hardnekkigheid zijn zij één voor één door diezelfde scherpe kanten weggesnoeid. Want in alle genoemde gevallen laat de Heilige Drieëenheid toe dat de ongelovigen die ofwel overmoedig met Hem willen breken of die hardnekkig niet in Hem willen geloven, van Hem los gesneden worden en naar het verderf gaan. Op een razende en domme wijze vallen zij de Godheid aan. Zij willen niet buigen voor het geloof dat de Zoon van God zelf heeft aangedragen, en dat ook door zijn leerlingen aan de mensen werd overgedragen, zoals deze vertelling bericht.

7. Een parabel hierover.

Een heer had eens een vuursteen die hij zelf en via zijn bodes aan veel mensen wilde doorgeven als een noodzakelijk iets. Maar die bodes waren niet zo wijs en ook niet erg slim om de woorden van hun heer te begrijpen; zij waren te dom en te onwetend om hun opdracht te volbrengen. Ondertussen komt er een noodweer en hevige storm opzetten met stortregen en wild geraas. De aarde beefde ervan en stenen spleten uiteen (cfr. Mat.27,51). Dat noodweer was zo hevig dat een vat, met daarin een flink aantal kleine kruikjes en dat met de rug naar de hemel gekeerd lag, met heel grote kracht losgerukt werd van de aarde en omgekeerd werd met de opening naar boven.
Door toedoen van die heer kwam er toen een heel hevige steekvlam uit die vuursteen. Die vlam ging met zoveel hitte dwars door de boodschappers heen, dat al hun aderen verhit werden en dat elke angstige aarzeling zo snel van hen afgeschud werd zoals alles wat op een droge huid valt, er ook weer even snel van afvalt. Toen pas herinnerden zij zich alles (cfr,Jo.2,22) wat zij van hun heer gehoord hadden. Zij gingen naar een volk dat geen navel had, en waarvan de stad verwoest was. Aan die mensen gaven zij toen de boodschap van hun heer door. Maar aan sommigen van hen gaven zij ook hun navel terug. Ook gaven zij aan hen hun stad terug nadat zij die hersteld hadden. Aan anderen evenwel gaven zij noch hun navel noch hun stad terug. Integendeel zij slachtten hen af als varkens en sneden hen in stukken.
Zo is die steen over heel de wereld bekend geworden, alle bedrieglijke dingen van de mensen deerlijk treffend en dodend.

Dit is de betekenis van dit verhaal. Die Heer is de almachtige Vader. Zijn eniggeboren Zoon is bij Hem. Hij is de hoeksteen die door de vurige Heilige Geest ontvangen is en uit een volkomen ongerepte Maagd is geboren. Hij is de witste en mooiste bloem die bestaat in de blanke schoonheid van totale heiligheid. Want naar zijn godheid was de Zoon van God al bij de Vader samen met de Vertrooster nog vóór de tijd (cfr. Eccli.1,1 oftewel de Wijsheid van Jezus Sirach) dat er ook maar iets bestond. Daarna is Hij op een gunstig moment door de Vader gezonden, ontvangen door de Heilige Geest. Zoals voorzegd was, is Hij waarachtig mens geworden uit een Maagd, om aan de gelovende mensen de blanke schoonheid van het leven te brengen.

En nadat de Zoon mens geworden was, heeft de hemelse Vader welwillend al het noodzakelijke door Hem en door zijn leerlingen verkondigd, het heil namelijk en de verlossing van de mensen die in Hem geloofd hebben. Maar zolang de Zoon lijfelijk op aarde bij zijn leerlingen vertoefde, waren zij te dom en te traag (cfr. Lc.24,25) om zijn woorden waakzaam in hun geest op te nemen en in daden om te zetten. Zij vingen zijn woorden als het ware nog op in een roes van eenvoud, nog niet gesterkt, maar nog angstig en bang als gewone mensen.

Ondertussen brak de tijd van de waanzinnige harten aan. De Joden veroorzaakten heibel. Zij zochten om hevige verdeeldheid tegen de Zoon van God te zaaien met de bedoeling om Hem tijdens die onrust te kunnen doden. En toen zij al hun boosaardigheid voltrokken zoals zij dat gewenst hadden, toen is in dit onverwacht en geweldig gedonder zo’n groot bloedbad aangericht als nooit eerder geweest is en ook later nooit meer zal plaatsvinden. De aarde werd er hevig door geraakt, dat wil zeggen dat de aardsgerichte geest van de mensen erdoor geschokt werd en die van heel de schepping. De stenen Wet van de Joden brak in stukken door hun misdadige handelwijze.
Toendertijd lag de eerste mens met heel zijn nageslacht, inclusief heel de rest van de schepping, begraven in de dood. Heel zijn aandacht stond gericht op aardse zaken. Met zijn rug naar de hemel gekeerd, wilde hij niet opzien naar God. Evenwel is hij toen door de grote kracht van de Zoon van God weggerukt uit het land van de dood waarin hij met zijn kinderen lag te slapen. Met heel zijn hart verzuchtte hij, en bij volle bewustzijn heeft hij zich als in de baarmoederhals naar het hemels vaderland gekeerd, want hij had vernomen dat Christus, de Zoon van God, omwille van hem was gedood.

Maar nadat de Zoon van God naar de hemel was opgestegen, is de Heilige Geest gekomen van bij de Vader en door de Zoon, zoals de Zoon zelf had beloofd. Want heel de aarde vloeide over van hemelse zoetheid omdat het hemelse brood in de wereld had vertoefd. Ongelovigen hadden daar geen aandacht aan geschonken als was het een gerucht van voorbijgaande aard.
Gelovigen daarentegen hadden het met alle toewijding opgevangen. Omdat dus het ware Woord mens geworden was, is de Heilige Geest verschenen, zichtbaar in vurige tongen. Door toedoen van de Heilige Geest is de Zoon ontvangen en Deze brengt de wereld tot de waarheid. En toen ook de apostelen door de Zoon onderricht waren, heeft de Heilige Geest hen zo met zijn warmte overstroomd dat zij met ziel en lichaam in verschillende talen konden spreken. Want in hen overheerste de ziel het lichaam. Doordat zij zo riepen kwam heel de aardbol door hun woorden in beweging.

Ook nam de Heilige Geest het menselijk opzicht bij hen weg, zodat zij absoluut geen angst hadden voor de woede van de mensen waardoor zij het woord van God niet zouden verkondigen. Maar zo’n vrees werd met zoveel gloed en haast van hen weggenomen, dat zij veeleer gesterkt en helemaal niet week waren. Tegenover iedere weerstand die hen zou kunnen overkomen, waren zij als dood.
Vandaar ook dat zij zich met prompte zin alles herinnerden (cfr.Jo.2,22) wat zij voordien traag gelovend van Christus gehoord en aangenomen hadden. Het kwam weer in hun geheugen terug alsof zij het op dat moment van Hem vernamen.

En zij gingen op pad, reizend temidden van ongelovige volken die geen navel hadden. Dat wil zeggen dat ze niet het merkteken hadden omdat ze geen weet hadden van de heilige onschuld en de rechtschapenheid. Hun stad was door hun ontrouw verwoest, dat wil zeggen de hulpmiddelen van de Wet van God. De geloofsverkondigers brachten hun de woorden van het heil en van het ware geloof in Christus. Zo hebben zij velen uit de grote menigte tot kennis van God gebracht door hen terug te leiden naar de navel, oftewel naar de bron van het doopsel. Daarin ontvingen zij opnieuw de heiligheid die door hun hoogmoedige en trotse overtreding verloren was geraakt. Zij hebben ook de heilige stad van Gods geboden opgericht door die opnieuw voor hen op te bouwen. De duivelse belager had hen daarvan verdreven in de persoon van Adam. Maar de geloofsverkondigers hebben hun die stad teruggeven voor hun heil.

Maar aan de mensen die het geloof van het doopsel en de bepantsering van Gods gebod (=het sacrament van het vormsel) niet wilden ontvangen vanwege hun ongeloof, aan hen zijn zij voorbijgegaan met de boodschap die vervat lag in de tekenen. Om hun verharding en ongeloof hebben zij hen overgeleverd aan de dood. Deze mensen wentelen zich in hun misdrijven en hun smerige lichamelijke bezoedelingen en in de verlokkingen van hoererijen en overspel, zoals varkens die zich wentelen in hun eigen mest. Zij hebben zich niet tot het ware geloof willen bekeren. Daarom zijn zij van het leven afgesneden en verwijderd.

Zo is de Zoon van God via veel verbazingwekkende tekenen over heel de aardbol bekend gemaakt. Op onuitsprekelijke wijze is Hij naar zijn godheid vóór alle tijden uit de Vader voortgekomen. Vervolgens heeft Hij in de tijd op wonderbare wijze een vleselijk lichaam aangenomen uit een Maagd. Dat is zo indrukwekkend dat de harten van allen die het horen, heel erg met angst en beven geschokt en verslagen zijn. De ijdele en verkeerde handelingen die zij in hun wellust hebben bedreven, zijn met hun verachting van de dood tot nietswaardig herleid geworden. Evenwel door het Woord van God dat getuigenis aflegt van de Heilige Drieëenheid en van het levendmakende heil terug naar het leven gebracht, zoals Johannes met zijn vermanende woorden aangeeft waar hij zegt…..

8. Woorden van Johannes hierover.

De Geest getuigt er van dat Christus de waarheid is. Want er zijn drie getuigen, de Geest, het water en het bloed, en deze drie zijn één. En Zij zijn met hun drieën die getuigenis afleggen in de hemel: de Vader, de Zoon en de Geest. En die drie zijn één.
( N.B. Hildegard citeert deze bijbelplaats volgens een eigen interpretatie Cfr.1Jo.5,6-8.)

Dat betekent het volgende:
De geest van de mens is geestelijk. Dat wil zeggen dat die geest niet voortkomt uit het bloed en ook niet geboren wordt uit het vlees, maar dat die ontspruit aan Gods geheimenis. Die is voor de mens onzichtbaar omdat de mens aan verandering onderhevig is. Daarom is het getuigenis van de menselijke geest gericht op Gods Zoon. De glorie van Gods Zoon is wonderlijk in de mystieke sfeer die door geen mens volmaakt begrepen kan worden. Neem bij voorbeeld hoe de eniggeboren Zoon van God door de Heilige Geest ontvangen is geworden om op deze aarde te komen. Zo kan ook geen mens ten volle begrijpen hoe de ziel in het lichaam en het bloed van een mens kan komen zodat die één levend wezen wordt.

Zo is het ook met de geest van de mens gesteld. Daarin ligt beslist de grond voor de kennis die hem door God is verleend. Met die kennis kan hij overal in doordringen wat hem maar door God vergund is geworden. Want het leven is niet verkeerd of bedrieglijk maar juist heel correct. Zo is ook Christus de volmaakte waarheid waarin het leven is verrezen en het licht van het heil is opgelicht. Daardoor is de dood gedood, want die is een grote leugen.

En die drie elementen (n.l. geest, water en bloed) geven op aarde een duidelijk getuigenis van de Heilige Drievuldigheid, zodat zij vandaag de dag het geneesmiddel van het levendmakend heil laten zien en meedelen. Daarmee kunnen wij tot de hemelse zaken geraken die voor altijd blijvend zullen zijn. Zij zijn echter nu nog niet voor handen in het sterfelijk vlees, maar worden wel hoopvol verwacht.

Van Mij uit draagt de menselijke geest het getuigenis in zich dat hij nog niet in het volle leven van de verrijzenis verkeert. Dat gebeurt pas wanneer hij door Mijn toedoen herrijst via het water van de wedergeboorte. Hem ontbreekt immers het licht dat in Mij aanwezig is. Hij is uit het geluk verdreven toen hij ontvangen werd door de bezoedelde daad van de verwekking die voortwoekert in het bloed.

Het water heeft ook de eigenschap dat het elke onreinheid schoon wast. Zo staat het water dan ook voor het feit dat het het dood brengende bederf van de dood doet verdwijnen door haar allerzuiverste afwassing. Hier wordt het water eerder met de geest verbonden dan met het bloed. Immers zoals de geest geestelijk is, zo draagt water ook geestelijke heiliging aan. Het water bevindt zich in het midden tussen de geest en het bloed, want door geestelijke omvorming verwerft het kracht en brengt het leven voort.

Ook het bloed getuigt van het feit dat het zijn vergiftigde loop ombuigt naar het huis van heiligheid door het water van de verlossing. Dat is een geneeskrachtige eigenschap die begonnen is in mijn Zoon, en die in Hem tot leven strekt. Want bloed heeft het erg in zich om schuldige misdaden te bevatten en ook hevige onrust over ongerechtigheid vanwege het feit dat het op zoete dwaalwegen voort snelt. Die zoetheid staat in dienst van gloeiende hartstocht, en verstikt de onschuld met afschuwwekkende ondeugden. Dat begint te groeien door de lust om mee te eten op aanraden van de belager, de duivel. (Verwijzing naar Ge.3,6)

En deze drie elementen – geest, water en bloed – vormen samen één geheel. Want de geest is geen levende mens als hij geen bloed in zijn lichaam heeft. Evenmin is de mens een levend wezen, zelfs met de materie van het bloed in zijn lichaam, als hij geen ziel heeft. En zelfs deze twee elementen doen de mens niet herleven in de genade van het Nieuwe Testament. Dat gebeurt alleen via het water van de wedergeboorte. En zo vormen deze drie elementen één geheel ten bate van de verlossing. Ze blijven onvolledig voor het heil zolang de elementen niet aangevuld worden door het heilzame water (van de doop).
Want de uitzonderlijke eer van het leven ontbreekt aan het redenerend verstand.
De verloste mens zal daarbij altijd de volmaakte lofprijzing moeten laten meeklinken naar God toe, want Die heeft hem zijn redelijk verstand gegeven.

God heeft de mens immers uit eigen wil geschapen tot de eer die in het lichaam van zijn Zoon zijn volheid bereikt in het eeuwige leven, terwijl de verloren mens herleeft tot eer van het leven, verlost in God door heilzame genade.
En de geest die weliswaar voor de lichamelijke menselijke ogen onzichtbaar is, wijst naar de Vader die voor heel de schepping onschatbaar is.
En het water dat afwassing van ongerechtigheid bewerkt, verwijst naar het Woord. Dat is de Zoon die door zijn lijden de smetten van de zonden van de mensen afwast.
En het bloed dat de mens omhelst en verwarmt, verwijst naar de Heilige Geest die bij de mensen heel heldere deugden opwekt en ontsteekt.
Zo zijn deze drie, te weten Geest, water en bloed, één, en in hun eenheid drie.
En zoals gezegd zijn zij één in de verlossing, en doen zij zich kennen als Drievuldigheid in eenheid, en als één in Drievuldigheid. Hoe dan wel?

De heilige en hemelse Drievuldigheid legt een hemels getuigenis af. Het komt dus niet van iemand anders, maar vertoont zich duidelijk vanuit zichzelf. Hoe dan?
Van de Vader wordt getuigd dat Hij zijn unieke vruchtbare Woord van alle eeuwigheid voortbrengt, en dat Hij door Hem alles geschapen heeft. Vervolgens dat Hij Hem op het voorbestemde tijdstip zeer glorievol heeft doen opbloeien in een Maagd.
Van het Woord wordt getuigd dat Hij van de Vader is uitgegaan, zich heeft neergebogen naar de menselijke natuur, en vlees geworden is in de bescheidenheid van een Maagd. Hij is dus op geestelijke wijze uitgegaan vanuit de Vader, en is ook weer naar de Vader teruggekeerd in de vruchtbaarheid van het vleselijk bestaan.
Dit is ergens in het midden te situeren. Hij is immers onzichtbaar vóór alle tijden uit de Vader voortgekomen, en in de tijd is Hij door de Heilige Geest in de schoot van een Maagd lichamelijk ontvangen.
Van de Heilige Geest wordt getuigd dat Hij de ongereptheid van de Maagd in vlam gezet heeft, zodat zij het Woord van God kon ontvangen. De Heilige Geest heeft ook de leer over het Woord van God in vurige tongen bevestigd (cfr.Aa.2,3) toen Hij de Apostelen zozeer overstroomde dat zij over heel de wereld de ware Drievuldigheid zouden verkondigen. Hoe dan?

Luidkeels hebben zij verkondigd dat God de Vader dit heeft volbracht, en dat Hij de mens geschapen heeft voor het hoogste geluk waarvan de mens beroofd is geworden. Want de mens, gevormd uit leem van de aarde en rechtop geplaatst, was door eigen wil weer naar beneden teruggekeerd naar de aarde. Genadevol is hij nu weer opnieuw door de mensgeworden Zoon van God overeind gezet, en door de Heilige Geest verlicht en versterkt (=het vormsel) opdat hij niet in het verderf ten onder zou gaan. Hij is teruggeplaatst in het eeuwige licht opdat hij gered zou worden door verlossing.

9. Over het onderscheid en de eenheid van de drie Personen.

Zo wordt van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest getuigd dat er totaal geen verschil is in macht, ofschoon Zij als persoon onderscheiden zijn. Zij werken samen in de eenheid van hun enkelvoudige en onveranderlijke wezen. Hoe dan?
De Vader schept namelijk alles door het Woord – dat is door de Zoon – in eenheid met de Heilige Geest. De Zoon is degene door wie alles tot stand komt in de Vader en de Heilige Geest. De Heilige Geest is degene door wie alles in de Vader en de Zoon zijn groene groeikracht krijgt. En deze drie Personen bestaan zozeer in de eenheid van hun onafscheidelijk samengaan, dat Zij niet in elkaar verdwijnen. Hoe zit dat? Degene die voortbrengt is de Vader, en die geboren wordt is de Zoon, en die van de Vader en de Zoon uitgaat in zeer gloedvolle groene groeikracht, en die in de gedaante van een onschuldige vogel boven de wateren verschijnt en die wateren heeft geheiligd (cfr. Gen.1,2) en die de apostelen heeft geheiligd met vurige gloed (cfr.Hand.2,3), dat is de Heilige Geest.

De Vader had de Zoon al van vóór de tijd van de eeuwen, en de Zoon was al bij de Vader, samen met de Heilige Geest, die al van alle eeuwen met de Vader en de Zoon eeuwig is in de eenheid van het God-zijn.
Vandaar dat men bedenken moet dat, wanneer er van deze Drie er twee of één zoud ontbreken, God niet volledig zou zijn. Hoe dan? Omdat Zij samen een eenheid van God-zijn vormen. Want als er één van Hen zou ontbreken, zou God niet volledig zijn. Waarom is dat zo? Omdat Zij samen de eenheid van het God-zijn vormen, met als gevolg dat, wanneer er éen van Hen zou ontbreken, er geen God zou zijn. Want, ofschoon die Personen onderscheiden worden, vormen Zij toch samen één enkel, volledig en ondeelbaar wezen van onschatbare schoonheid, steeds bestaand in één ondeelbare eenheid. Hoe is dat?

10. Over de drie gelijkenissen in de Drieëenheid.

Op het drievoudig toppunt van bedrijvigheid gaan kracht, wil en warme gedrevenheid gloedvol samen. Hoe dan wel?
In de kracht zit de wil, en in de wil de warme gedrevenheid. Zij gaan steevast samen zoals de adem van de mens aanwezig is bij het uitademen. Hoe zit dat?
Bij die ademhaling van de mens zit in die ademtocht, in één en dezelfde uitademing, zowel vochtigheid als warmte. Dat is ook het geval bij het functioneren van je oog. Hoe dan wel? De ronding van je oog heeft twee dingen in zich die licht doorlaten, maar heeft toch maar één oogholte. Daarmee wordt alles geregeld wat daartoe bestemd is. Luister en begrijp, mens!

Zo zijn er drie Personen in het ene onveranderlijke bestaan van het Goddelijk Wezen. In de Vader is de Zoon, in Hen beiden is de Heilige Geest, en ze zijn één, onderling onafscheidelijk samenwerkend. De Vader doet immers niets zonder de Zoon, en de Zoon niets zonder de Heilige Geest, en de Heilige Geest niets zonder Hen, en de Vader en de Zoon doen niets zonder de Heilige Geest, want Zij vormen een ondeelbare eenheid. Zo is God in drie Personen zonder begin en van vóór de tijd, nog vóór het ontstaan van de wereld, toen de aanname van een lichaam door de Zoon nog niet had plaatsgevonden, tot aan de voorbeschikte tijd toen de voltooiing van die tijd plaatsvond en God zijn Zoon gezonden heeft (Cfr. Gal.4,4). Maar ook bij de menswording van de Zoon was God in drie Personen aanwezig. Hij wil dan ook in de drie Personen aangeroepen worden. Want dezelfde maagdelijke bloem heeft gebloeid in de ongereptheid van de maagdelijkheid. Ook toen is er geen extra persoon aan de onuitsprekelijke Drieëenheid toegevoegd, maar heeft alleen de Zoon van God zelf het vlees aangenomen zonder geschonden te worden.
Vandaar dat deze drie personen één God zijn in hun goddelijkheid. En wie dat zo niet gelooft, wordt van het Rijk van God afgesneden, omdat hij scheuring brengt in de onschendbare grootheid van het Goddelijk Wezen, en ook van zichzelf in het geloof, zoals dat beschreven staat.
11. Woorden van het boek Koningen hierover.

Op de derde dag verscheen iemand, komend van het kamp van Saul, met gescheurde kleren en met as op zijn hoofd (2 Sam.1,2).
Dat slaat op het volgende.
Op de dag dat het katholieke geloof zijn oorsprong vond in het openbaar worden van de Heilige Drievuldigheid, vervielen de mensen in grote verdeeldheid. Zij kwamen vanuit het dood brengende kamp van mensen die op perverse wijze op zoek zijn naar iets dat voor de mens onmogelijk is om te weten. Gebukt onder veel duivelachtig geredeneer doen zij het voorkomen alsof zij zo hoog opklimmen dat zij méér dan hun gegeven is, kunnen en willen weten over het onbegrijpelijke wezen van God. Omdat zij tegen God ingaan, worden zij losgescheurd van het kleed van heil en gerechtigheid. Zij rotten weg door de gespletenheid van de verwarring in hun hoofd ten aanzien van het geloof. Zij hebben geen volledig geloof. De unieke eer van God splitsen zij op in veel sekten. Zij doen afbreuk aan hun eigen hogere eer in een of ander bespottelijk schisma. Zij zullen allen door God veroordeeld worden. Dat wordt in wat volgt, aldus samengevat. (2 Sam.1,13-16):
David sprak tot de jongeman die hem de boodschap (van de dood van Saul) gebracht had: “Waar kom je vandaan?” Deze antwoordde: “Ik ben de zoon van een Amalekiet die hier als vreemdeling verbleef”. En David sprak tot hem: ”Hoe heb je het gewaagd om de hand te slaan aan de gezalfde van God en hem te vermoorden?” Toen riep David een van zijn dienaren en zei: “Kom hier en steek die man neer”. Die heeft hem toen neergestoken en de man stierf. David zei nog tegen hem: “Jouw bloed komt op je eigen hoofd neer. Jouw mond heeft je eigen vonnis geveld door te zeggen: “Ik heb de gezalfde vaan de Heer gedood”.
Dat betekent het volgende:
De Zegevierende, die door geen enkel schepsel te begrijpen valt, spreekt de kinderlijke onwetendheid van de mens toe. Hij spreekt tot het kinderlijke dat zichzelf hoog prijst. Zo’n mens wil dingen weten die niet te bevatten zijn. In zijn domheid probeert hij met grootspraak bij God binnen te dringen door Hem overmoedig toe te spreken: “Ik ken U goed, Heer!” Daarom spreekt Hij hem toe en zegt: “Waar kom jij eigenlijk vandaan, jij die ergens een begin hebt gehad, dat je alles wilt kennen en weten over wat geen begin heeft?” En de stompzinnigheid die bij zo’n mens opgekomen is, een mens die wél een begin kent, antwoordt als vanuit zijn onderbewustzijn: “Ik ben een mensenkind, een zwerver, komend van deze vervloekte aarde (cfr. Gen.3,17) . De eerste mens die ten val gekomen is door te eten van een appel, is op weg gegaan naar dit ballingsoord. En daar stam ik van af”.
Dan zegt God tegen hem: “Omdat je iemand bent van deze vervloekte aarde, en als balling uit je vaderland verdreven, waarom ben je er dan niet voor teruggedeinsd om zo zelfingenomen aan de weet te komen wat je niet behoort te weten. Wat je doen moet, laat je na, zodat het waardeloos is voor het licht van hoop. Het lijkt op het kwaad van doodslag. Want wie overmoedig probeert te achterhalen wie of wat God was vóór de schepping van de wereld, of wat God gaat doen na de laatste dag, die is voorgoed verwijderd van deelname aan de zalige gemeenschap. Wie al bezwaard is met een dodelijk begin van zonde, komt het niet toe zoiets te weten. Hij zal op ellendige wijze verstoken blijven van het gelukzalig heil van de juiste kennis, omdat hij hardnekkig was om aan de weet te komen wat hij niet had moeten onderzoeken.
Daarom, als jij overmoedig en ruwweg dingen doet zoals een doodslag, dan vermoord je in jezelf het zalig begrijpen van de koninklijke profetie. Je ziel zou immers voor zichzelf zuivere kennis moeten zien te verwerven, gelovig namelijk, in de eenvoud die past bij het geloven in God.
In de ijver van zijn allerzuiverste gerechtigheid die geen enkele smet van ongerechtigheid bevat, roept Hij de mens in de meest correcte eenheid van het oordeel aller oordelen, en spreekt aldus: “Kom snel en neem hem de juiste kennis die hij gehad heeft, van hem af, zodat hij in zijn gemoed geen enkele vreugde ondervindt, want hij heeft in zijn hart geen enkele rustplaats voor Mij bereid”.
En zo slaat het onheil van Gods ijver hem neer. Niet de minste twinkeling blijft nog in zijn oog aanwezig om iets te zien, om God te kennen. Daarom sterft ook in hem de gerechtigheid van de leven makende troost, want hij is niet in staat om zichzelf in toom te houden. Dan zal God tegen hem zeggen: “Jouw bloedige ongerechtigheid waarmee jij je tot de hemelse dingen verheft die je niet kunt aanschouwen, moge over jouw geest komen. Jij hebt die geest onterecht tegen Mij in opstand gebracht. Dat kwaad zal jou vertrappen op de naargeestige plek waar je niet in staat bent om op te staan tot de juiste mate van het voorgestelde geloof. Jij hebt niet in het rechte spoor willen treden, maar uit vrije keuze heb je gekozen voor een grote afscheiding. Jouw mond zal verstoken blijven van woorden van wijsheid, want die heeft gesproken tegen jouw heil toen je op onterechte wijze het onbegrijpelijke geheim van het goddelijk Wezen hebt nageplozen. Overmoedig wilde je dingen weten die niet gekend kunnen worden, terwijl je koppig bij jezelf zei: “Wie en wat God is, weet ik best!” Door die overmoed dood je jouw innerlijk heil. Je hebt immers niet in God willen geloven, maar je hebt je trots tegenover Hem opgesteld.
Wie evenwel scherpe oren aan zijn innerlijk begripsvermogen heeft, moet uit vurige liefde voor mijn spiegelbeeld smachten naar mijn woorden en ze opschrijven in het begripsvermogen van zijn ziel.