Brieven.
Er is een tekstkritische uitgave van de brieven van Hildegard uitgegeven door uitgeverij Brepols te Turnhout in de reeks Corpus Christianorum, Continuatio Mediaevalis (XCI e.v.) onder de titel Hildegardis Bingensis Epistolarium, Brepols 1991. De teksten van deze uitgave staan onder redactie van L. van Acker en M. Claes. Wij gebruiken deze Latijnse teksten meestal als uitgangspunt voor de vertalingen.
Het epistolarium (de brievenverzameling) is behoorlijk omvangrijk. Er zijn in totaal zo’n 390 brieven in verschillende codices bewaard gebleven. Het zijn stuk voor stuk belangrijke bronnen waaruit veel omtrent de persoonlijkheid en de denkbeelden van Hildegard te destilleren valt. Dikwijls zijn ook de antwoordbrieven van de adressaten overgeleverd, zodat we een heuse twaalfde-eeuwse briefwisseling kunnen lezen en bestuderen. Helaas is er geen Nederlandse vertaling van alle brieven; vandaar dat Studiegroep Scivias Hildegardis af en toe een vertaling op deze plaats van de website zal publiceren. (Er zijn wel Duitse vertalingen, zoals die van Walburga Storch OSB, Im Feuer der Taube, Die Briefe, Augsburg 1997.)
Brief 128 Hildegard aan Richardis
De eerste vertaling die hier wordt gepubliceerd is van brief nummer LXIV Hildegardis ad Richardem abbatissam, Hildegard aan abdis Richardis. De non Richardis was jarenlang Hildegards secretaresse en hartsvriendin. Door een besluit van de bisschop van Bremen, Hartwig, werd Richardis vanuit het klooster van Hildegard overgeplaatst naar een klooster in Bassum; aldaar werd zij abdis. Hildegard werd daardoor zeer bedroefd en schrijft de volgende brief. (De vertaling is van Hans Wilbrink).
Luister naar mij, je moeder, die in de geest tot je spreekt: ik word door verdriet overmand, een verdriet dat het grote vertrouwen en de troost doodt die ik bij mensen vond. Van nu af wil ik zeggen: het is beter je hoop te vestigen op de Heer dan te vertrouwen op mannen met macht. Dat wil zeggen dat de mens zijn blik moet richten naar de verheven Levende, zonder enige overschaduwing door de liefde en het broze vertrouwen dat de mistige vochtigheid van de aarde korte tijd biedt. Een mens die zo naar God kijkt, heft zijn blik omhoog als de adelaar die naar de zon kijkt. De mens moet zich dan ook niet richten op een hooggeplaatste persoon, die ooit sterft zoals een bloesem afvalt. Daar heb ik uit liefde voor een edel mens geen rekening mee gehouden. Nu zeg ik je: zo vaak als ik aldus zondigde, even zo vaak wees God mij door middel van angsten of verdriet op deze zonde. Zo is het, zoals je zelf weet, nu ook om jouwentwil gebeurd.
En nogmaals zeg ik: wee mij, moeder, wee mij, dochter, waarom heb je mij als een wees alleen gelaten? Ik heb de voortreffelijkheid van je manier van leven bemind, en je wijsheid en je kuisheid, je ziel en je hele wezen, zozeer zelfs dat velen zeiden: wat doe je?
Nu moeten allen met mij klagen die een verdriet lijden gelijk aan het mijne, allen die uit liefde voor God net zo,n sterke liefde voor een mens in het hart en het gemoed droegen, zoals ik voor jou koesterde. Die wordt hun van het ene moment op het andere ontrukt, zoals ook jij van mij bent afgetrokken. Maar mogen toch de engelen Gods je voorgaan. Moge de Zoon van God je beschermen, en moge Zijn moeder je behoeden. Denk aan je ongelukkige moeder Hildegard, opdat je geluk niet verdort.
Er is geen antwoordbrief van Richardis aan Hildegard bewaard gebleven. Wel kwam spoedig daarna een brief van Hartwig, waarin hij meldde dat Richardis op de 29ste oktober 1152 was gestorven. Hartwig gaf in die brief tevens aan dat Richardis het voornemen had terug te keren naar Hildegard in het klooster op de Rupertsberg te Bingen, omdat ze daar ‘uit heel haar hart en in tranen’ naar had verlangd.
————————————————————————————————————————————————————————-
De tweede brief is een brief van de monnik Volmar die Hildegard het grootste deel van haar leven heeft bijgestaan bij de totstandkoming van haar geschriften. De vertaling is van Tony Lindijer.
Brieven van Volmar aan Hildegard en van Hildegard aan haar kloosterzusters
De brieven van Volmar een Hildegard en van Hildegards aan haar kloosterzusters komen voor als Brieven 195 en 195R in de Latijnse uitgave CCCM 91A, Lieven van Acker, Turnhout 1993. De Duitse vertaling Hildegard von Bingen. Im Feuer der Taube, W. Storch, Augsburg 1997, hanteert dezelfde nummers.
Een korte inleiding
Deze brieven zijn aan het eind van Hildegards leven ontstaan toen Hildegard, door ziektes gekweld, haar einde zag naderen en de behoefte voelde haar geestelijk testament vast te leggen. Haar secretaris Volmar hielp haar daarbij.
Het is onduidelijk waarom Volmar zich per brief tot Hildegard richt. Als secretaris bevond hij zich doorgaans in haar onmiddellijke nabijheid en ook gegevens over een mogelijke reis van hem ontbreken. Daarom is het mogelijk dat zijn brief eerder op te vatten is als een ‘statement’, als hij terugblikt op de meer dan 30-jarige samenwerking met zijn meesteres.
Het betreft hier de enige brief, de enige schriftelijke getuigenis van secretaris Volmar die ons is overgeleverd, kort voor zijn dood geschreven en slechts in twee handschriften bewaard.
Volmar richt zich hier tot Hildegard als liefste moeder, heiligste meesteres, uit zich vol lof over haar en brengt de droefheid en leegte onder woorden die de kloostergemeenschap te wachten staat op het moment dat zij er niet meer zal zijn. Interessant is het beeld dat hij hier van Hildegard geeft, mogelijk gedeeld door Hildegards medezusters, want hij spreekt hier ook namens hen, de kloostergemeenschap (en aanhang) van de Rupertsberg. Hij noemt een aantal zaken die hij (en anderen) na haar heengaan zou(den) missen: haar uitleg van de Bijbel, haar muziek en onbekende taal, haar preken, haar duidingen verwijzend naar de zielen van de gestorvenen, haar openbaringen van heden, verleden en toekomst… Maar daarnaast durft hij zijn meesteres te plaatsen in de ontwikkelingen van hun tijd. Het geestelijke en academische klimaat was aan het veranderen. De zich ontwikkelende universiteiten hadden ‘wijsheid in liefde, de heilige Geest’ niet meer als enige bron van hun kennis in hun vaandel staan. Door de invloed van Aristoteles begon men meer waarde te hechten aan een systematische theologie. Toch neemt Volmar het voor Hildegard op, houdt een pleidooi voor haar manier van schouwen en ‘weten’, tegenover de geestdodende trots van de geleerden.
Hildegard richt zich in haar brief niet expliciet tot Volmar, maar tot haar dochters en vat de gehele gang van zaken aangaande de stichting van de Rupertsberg nog eens kort samen. Zij geeft een verantwoording van haar inzet en streven en daarmee de legitimatie voor de stichting van het klooster van de Rupertsberg. De passage tussen haakjes komt niet in alle handschriften voor, mogelijk weggekuist vanwege de negatieve afschildering van de monniken en hun abt van de Disibodenberg.
Verder toont Hildegard grote bezorgdheid om haar dochters. Zij geeft hun vermaningen mee voor de toekomst, als ze er niet meer zal zijn. In de handschriften volgen nu twee geschriften van Hildegard, te weten de uitleg van de geloofsbelijdenis (ESA) en de Vita van Rupertus, behorend tot de kleinere werken van Hildegard. In de uitleg van de geloofsbelijdenis laat zij zien dat zij theologische discussies van die tijd over de drie personen van de Drie-eenheid niet uit de weg gaat*, en met de Vita van Rupertus verzekert en rechtvaardigt zij nogmaals de plaats die zij voor de stichting van haar klooster heeft uitgekozen. Ook de Rupertus-gezangen horen daar bij, met de verheerlijking van Rupertus en haar klooster.
*Zie bijv. ook haar brief aan Odo van Soissons, nr. 40R.
Brief 195 Volmar aan Hildegard.
Aan Hildegard, eerbiedwaardige vrouwe, liefste moeder, heiligste meesteres en waarachtige en bewezen vertrouwelinge van God in het klooster van de heilige Rupertus: <wenst> Volmar, haar – hoewel onwaardige- zoon, en de gehele, eendrachtige schare van haar maagden samen met anderen die haar en God alsook de heilige Rupertus –hoewel lauw- aanhangen en in verschuldigde onderwerping, in verschuldigde gehoorzaamheid en met dochterlijke genegenheid dienen, dat zij in <evenzo> verschuldigde liefde door zijn (van Rupertus) overvloedige vertroosting zodanig vertroost moge worden in de tegenwoordige tijd, dat zij na het tijdelijke verblijf van hun verbanning het hemelse vaderland deelachtig worden.
Hoewel wij u, o liefste moeder, dagelijks nog met onze stoffelijke ogen zien en met onze stoffelijke oren horen, u ook dagelijks, terecht, toegewijd aanhangen en erkennen dat de heilige Geest door u tot ons spreekt, twijfelen we er niet aan, dat uw afwezigheid- waarover wij niet zonder tranen kunnen spreken- ons eens, zoals God het behaagt, zal treffen, als wij u niet meer met onze lichamelijke ogen kunnen zien. Geen mens die leeft, ziet niet een keer de dood (Ps. 89, 49).
Dan zal onze droefenis en onze ellende groter zijn dan onze vreugde nu is. Waar blijft dan het antwoord op vragen over al hun problemen? Waar blijft de nieuwe uitleg van de Schrift? Waar de stem van een nooit eerder gehoorde melodie en het woord van een onbekende taal? Waar blijven dan de nieuwe, niet eerder gehoorde preken op de feesten der heiligen? Waar de onthullingen (ostensio*) van de zielen van de gestorvenen? Waar de openbaring van het verleden, heden en toekomst? Waar de uiteenzetting over de verschillende naturen (natuurkrachten) van de schepselen, terwijl de goddelijke genade dit alles geeft met de allerzachtste en deemoedigste levenshouding, en met moederlijke genegenheid, die wij in u kennen, met overvloedige warme gevoelens ten aanzien van allen?
O, hoe groot is het medelijden van God in zijn gaven! O ijdele zorgen van mensen! O ijdelheid der ijdelheden! ’(Pred. 1,12). Waarom onderzoeken er zovelen vergeefs de leer van allerlei lieden, op moeilijk begaanbare wegen, in verre streken van de wereld? Waarom sloven zij zich uit, gekweld door honger, dorst en kou, in de twistzieke welsprekendheid van de redeneerkunst, in diepgraverij bij nachtelijke waken, ja zelfs in de meest cryptische uitspraken? Zeker, zeker weten wij, aangezien zij dit alles níet met zuiver (argeloos) oogmerk volbrengen, maar wel om de slechte zaak van simonie [handel in kerkelijke ambten], dat zij daarom met te weinig of geen vooruitgang absoluut hun doel niet bereiken, maar in tegendeel zelfs in hun hooghartigheid, waarmee zij zichzelf voor iets (belangrijks) houden, de vonk van de heilige Geest in zich uitdoven. Zo verkondigt, tot beschaming van de moderne scholastici die de hun van boven verleende kennis misbruiken, de geest van de profetie en de schouw in het werktuig van de zwakkere materie (massa), tot leven gewekt zonder hulp van buiten, zodanige dingen die met geen enkel verstand te begrijpen zijn, aangezien Hij ons leert wat Hij wil en ‘waait, waar Hij wil’ (Joh.3, 8). Daarom blijkt ook hier duidelijk in vervulling te gaan dat God het dwaze en zwakke van de wereld uitverkoren heeft, naar gezegd wordt (vgl. I Kor. 1,27), om de wijzen en het sterke te beschamen.
Wij brengen evenwel dit soort dingen niet naar voren, geliefde moeder, daartoe aangezet door de vlam van jaloezie om zulke grote gave, die u door uw eenvoud in vergelijking met ijverige studie door oefening geschonken is, om daaraan af te doen, en ook niet opdat wij, die in het bijzonder de uwen zijn, die veelvuldig met u omgaan en ijverig uw stem horen, ernaar streven ijdele roem te verwerven. – Maar om aan te tonen, dat de ijverige arbeid van die mensen in vergelijking met kuise goedheid en vroomheid, om de verhevenheid van de ware leer te onderzoeken en door inspanning te verkrijgen, weinig waard is. Want de leraar beweegt zijn lippen uiterlijk tevergeefs, als de geest niet in hem woont, die het hart van de toehoorders onderricht. In u tonen zich namelijk meer opvallende wonderwerken, meer wonderdaden van God en de heilige Geest dan wij kunnen en willen benoemen. Het is immers de zaak van anderen u te loven en te prijzen. Aan ons is het echter u te bewonderen, te vereren en lief te hebben.
Omdat u dit alles door uw ervaring met deze zaken zelf beter kent dan wij, en omdat weinig tot begrip van veel dingen volstaat, laten wij het achterwege meer te zeggen tot een wijze <die aan één woord genoeg heeft> en we danken God, die alles kan, die ons u geschonken heeft en u tot eer van zijn naam en tot heil van velen met zijn Geest verlicht heeft. Hem smeken we deemoedig en dringend uw lichamelijke gezondheid en geestelijke kracht te verlenen, zo dat Hij zijn gave die Hij in u uitstortte tot stichting van de gehele kerk rijkelijk moge uitdelen.
*ostensio: in het gezang O Jerusalem van Hildegard komt voor: in vera ostensione ( Fenestrae tuae Ierusalem …in quibus dum fulges, o Ruperte, non potes abscondi tepidis moribus –sicut nec mons valli- coronatus rosis, liliis et purpura in vera ostensione). O Jerusalem is een Rupertus-gezang, waarschijnlijk ter gelegenheid van zijn feest op 15 mei en ter gelegenheid van de inwijding van zijn kapel in 1152 op de Rupertsberg, gecomponeerd. Onder het zingen (mogelijk in processie) werden dan op een gegeven moment de relieken van Rupertus (8ste eeuw) getoond. De abt of abdis was waker over de relieken: het was ook zijn of haar taak deze op feestdagen te tonen. In samenhang met de volgende zin behoort ook een andere interpretatie tot de mogelijkheden. Hildegard zou in staat zijn geweest de werking van de zielen van de gestorvenen op meer spiritistische wijze te duiden. ‘Haar duidingen verwijzend naar de zielen van de gestorvenen’ of ‘onthullingen…etc’ zou een vertaling kunnen zijn.
Brief 195R Hildegard aan haar kloosterzusters.
O dochters, die in de liefde voor de kuisheid in de voetsporen van Christus (Vgl. I Petr. 2, 21) zijt getreden en die mij, arme, in deemoedige onderworpenheid omwille van de hemelse verheffing tot uw moeder hebt verkozen. Niet vanuit mijzelf, maar zoals God het mij in mijn moederlijk hart ingeeft, spreek ik tot jullie: deze plaats, te weten de rustplaats van de relieken van de zalige belijder Rupertus, tot wiens bescherming jullie je toevlucht hebben gezocht, heb ik door Gods wil gevonden, met duidelijke wondertekens omgeven en tot offerplaats van zijn lofprijzing (vgl. Ps. 50,14) <gemaakt>. Met de toestemming van mijn oversten kwam ik hiernaartoe en heb hem met Goddelijke hulp voor mij en allen die mij volgden, tot vrij eigendom verzelfstandigd.
Later ben ik, door God vermaand, naar de Disibodenberg getrokken, die ik met toestemming verlaten had, en diende ten overstaan van allen die daar woonden dit verzoek in: namelijk dat onze woonplaats en ook de door schenking (aalmoezen) verworven goederen van onze plaats niet meer aan hen verbonden zouden zijn, maar losgemaakt moesten worden. Wij zochten immers hier een nuttige gelegenheid voor het heil van onze zielen en de zorg voor de door de Regel geboden tucht.
[En volgens hetgeen ik in een waar visioen vernomen heb, sprak ik tot de vader-abt van deze plaats: het heldere licht heeft gesproken: u had als vader voorstander en tot heil van de zielen van dit geheimzinnige nieuwe klooster van mijn dochters moeten zijn. Hun aalmoezen behoren niet u toe noch uw broeders, want uw plaats had een toevluchtsoord voor hen moeten zijn. Indien u echter wilt volharden in uw weerspannige praatjes en tegen ons blijft grommen, zult u gelijk zijn aan de Amalekiten* en Antiochus**, over wie geschreven staat dat hij de tempel van God heeft verwoest. Want indien zelfs sommigen van u in hun kwaadaardigheid zouden zeggen: wij willen de goederen terugvorderen, - dan zeg ik die ben (Ex.3, 14): jullie zijn de ergste rovers. Indien u echter hun de herder over het geestelijk geneesmiddel wilt onthouden, dan zeg ik u verder dat u gelijk bent aan de zonen van Belial***, en dat u zich niet houdt aan de gerechtigheid van God. Daarom ook zal de gerechtigheid van God u verwoesten. Toen ik, armzalige gestalte, met deze woorden de genoemde vrijheid van deze plaats en de bezittingen van mijn dochters van de genoemde abt en zijn broeders opeiste], hebben allen voor mij deze vrijheid vastgesteld met de belofte van <schriftelijke inschrijving in> een codex. Maar allen, oversten en ondergeschikten, die deze dingen zagen, hoorden en vernamen, stonden er met grote instemming tegenover, zodat dit alles op Gods wenk schriftelijk is vastgelegd. Deze dingen moeten allen die God aanhangen, weten en horen, en met instemming bevestigen, doorvoeren en verdedigen, opdat zij die zegen zouden ontvangen, die ook God aan Jacob en Israel gaf.
Maar o, welk een grote klaagzang zullen mijn dochters na de dood van hun moeder aanheffen, wanneer zij niet meer kunnen drinken aan de moederborst en met zuchten en door droefenis lange tijd door hun tranen heen zeggen: ach, ach, wat zouden wij graag aan de moederborst willen drinken, als wij haar nog levend bij ons hadden! – Daarom, o dochters van God, vermaan ik jullie de liefde te bewaren onder elkaar – zoals ik, jullie moeder, jullie ook vanaf mijn jeugd heb voorgehouden, opdat jullie als het helderste licht met de engelen zult zijn door je goedheid, en het sterkst in je krachten, zoals jullie vader Benedictus jullie geleerd heeft. De heilige Geest moge jullie zijn gaven schenken, want na mijn dood zullen jullie mijn stem niet meer horen. Moge mijn stem onder jullie niet in vergetelheid raken, omdat zij vaak in liefde onder jullie was te horen.
Nu kleuren mijn dochters rood in hun hart van droefenis die zij om hun moeder hebben, zuchtend en verlangend naar het hemelse. Later echter zullen ze door Gods genade als het helderste, roodfonkelend licht stralen en de sterkste strijdsters in het huis van God zijn. Zou iemand in de schare van mijn dochters op tweedracht en het verlaten van deze woonplaats en de geestelijke tucht uit zijn, moge de gave van de heilige Geest dit uit haar hart verdrijven. Zou zij dat in Godsverachting toch doen, moge de hand van de Heer haar voor de ogen van het hele volk neervellen, omdat zij verdiend heeft te schande te worden gezet.
Daarom, o dochters, bewoon deze plaats die ik voor jullie gekozen heb om voor God te strijden (vgl Regel van Benedictus Prol.9) met alle overgave en standvastigheid, opdat jullie hier ook hemelse beloningen verwerven.
*Amalekieten behoorden tot één van de Israël omringende, vijandige volksstammen o.m. ten tijde van Mozes. Komen herhaaldelijk in het O.T. ter sprake, bijv. in I Kon. 30, 1-2. Ze moesten worden uitgeroeid (o.m. door koning Saul).
** Antiochus: een koning die veel kwaads op zijn geweten heeft, vgl. I Makk. 1, 21-24 (hoe Antiochus de tempel plundert); 6, 12 (herinnering aan de beslaglegging op al het zilveren en gouden vaatwerk).
*** Belial, (‘kinderen des onnuts’ (Deut.13,13)), ook wel met de betekenis van de boze geest, of de duivel zelf.
Zie ook I Kon.2, 12; 10,27.
Vertaling Tony Lindijer. Copyright Studiegroep ‘Scivias Hildegardis’.
————————————————————————————————————————————————————————-
De intellectuele eigendomsrechten, daaronder in elk geval begrepen de auteursrechten, ten aan zien van de teksten en de vertalingen zoals gepubliceerd op deze website, berusten volledig bij Studiegroep ‘Scivias Hildegardis’. Deze website is uitsluitend bestemd voor eigen of intern gebruik, waarbij het niet is toegestaan om teksten gepubliceerd op de website te verveelvoudigen anders dan voor het downloaden en bekijken daarvan op de eigen computer. Indien u de teksten anders wilt gebruiken zoals hierboven is vermeld, dient u daarvoor toestemming te hebben van de auteursrechthebbenden en contact op te nemen met onze Studiegroep ‘Scivias Hildegardis’
————————————————————————————————————————————————————————